Bron: De website van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)
(met aanvullingen door de FOMAT)

De B-doodsoorzaak­verklaring

Overzicht inhoud:

Inleiding

De doodsoorzakenstatistiek wordt samengesteld op basis van de opgegeven doodsoorzaak van iedere overledene die als inwoner van Nederland in het bevolkingsregister was ingeschreven (ook als het overlijden buiten Nederland plaatsvond). Door de arts die de lijkschouw verricht wordt hiervoor een doodsoorzaakverklaring ingevuld. Sinds 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer. Deze verklaring wordt via de gemeente waar het overlijden heeft plaatsgevonden naar de medisch ambtenaar van het CBS gestuurd. Opgave is verplicht op grond van:

Artikel 12a van de Wet op de lijkbezorging.
"Tegelijk met de afgifte der verklaring van overlijden, bedoeld in artikel 12, doet de arts opgave van de doodsoorzaak en van de onmiddellijk daarmee samenhangende gegevens ten behoeve van de statistiek".

Sinds 1 januari 2010 is in de wet een strafbepaling opgenomen voor artsen die niet voldoen aan de verplichting om bij overlijden en doodgeboorte de doodsoorzaak bij het CBS te melden.

Opmerking van de FOMAT:
Voor personen met een niet Nederlandse nationaliteit die in Nederland overlijden worden de formaliteiten (lijkschouw, verklaring van overlijden, aangifte en akte van overlijden, evt. vrijgave door de OvJ, verlof tot begraving/crematie, laissez-passer, etc.) afgewikkeld in de gemeente van overlijden.
Deze overlijdensgevallen worden echter door het CBS niet opgenomen in de Nederlandse doodsoorzakenstatistiek, maar horen thuis in de statistiek van het betreffende buitenland.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Overlijden geen (doods)oorzaak maar gevolg

    De opgave van de doodsoorzaak staat bekend als de zgn. B-verklaring. De wetgever gaat er van uit dat de 'behandelend arts' die de lijkschouw verricht op grond van eigen en enig oordeel tot een betrouwbare inschatting zal kunnen komen over de aard van het overlijden (natuurlijk of niet-natuurlijk) en de doodsoorzaak van zijn eigen patiënt.
    Het overlijden is een gevolg. De doodsoorzaak is de omschrijving van de aanleiding (het begin van een keten van gebeurtenissen) die uiteindelijk tot de dood leidde. Die aanleiding is een ziekte of een uitwendige factor. De vraag of 'ouderdom', als gevolg van het leven, ook als ziekte kon worden aangemerkt bleef tot begin 2016 buiten beschouwing. Nederland kent tot op heden geen enkel wettelijk voorschrift om bij een natuurlijk overlijden de doodsoorzaak door een sectie (obductie) vast te stellen (gebrek aan obductie-capaciteit, respect voor privacy). Dit vloeit voort uit de bepalingen in artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). De uitzonderingen hierop, die in nationale wetgeving kunnen worden vastgelegd, staan omschreven in het tweede lid van artikel 8 van het EVRM. In Nederland heeft de wetgever deze uitzonderingen vastgelegd in artikel 73 van de Wet op de lijkbezorging.
    Ook op grond van de veelbesproken NODO-wetgeving, waarvan de uitvoering op 1 januari 2014 weer werd gestopt, ontstond géén wettelijke verplichting tot het ophelderen van de doodsoorzaak. Er was ook dan sprake van een natuurlijk overlijden, anders zou (ook bij twijfel) een artikel 10 verklaring afgegeven moeten worden door de gemeentelijk lijkschouwer.
    Dat wil niet zeggen dat in sommige gevallen van overlijden het vaststellen van de exacte doodsoorzaak toch zeer aanbevelenswaardig kan zijn.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Opheldering van doodsoorzaken

    Uit de Memorie van Toelichting, op pagina 22, bij de laatste wetswijziging over de strafbaarstelling van een 'verzuim' bij het invullen van de verklaring over de doodsoorzaak (zoals geregeld in art. 12a van de Wlb.):

    "Voorts wordt voorgesteld ook artikel 12a op te nemen in artikel 81. Het is van algemeen belang dat de gegevens ten behoeve van de statistiek accuraat worden ingevuld en bij het Centraal bureau voor de Statistiek belanden. Ook hier geldt het opnemen van een strafbepaling als een logisch sequeel van de bepaling zelf; tot op heden was dat evenwel niet gebeurd."

    Opmerking FOMAT:
    Het ter beschikking stellen van meer bevoegdheden of middelen zoals bloedonderzoek, testmateriaal, faciliteiten in mortuaria, het (laten) maken van röntgenfoto's, etc., of zelfs het (laten) verrichten van een obductie, om te komen tot een meer gefundeerde opheldering van doodsoorzaken, die nu eenmaal niet altijd zo duidelijk zijn als men wil doen geloven, bleef echter volledig achterwege. De wetgever kwam niet verder als de nu sinds 1 januari 2010 bestaande verplichting om 'een formuliertje voor de statistiek' in te vullen. Niet verwonderlijk vullen de meeste artsen hier maar één of andere diagnose in en laten daarna het lijk 'veilig' en zonder al te veel vragen van anderen in de eeuwigheid verdwijnen.
    De ziektekostenverzekeraars zijn niet erg geinterresseerd, dode verzekerden betalen geen premies meer..... Op 8 februari 2016 verscheen de Handreiking (niet-) natuurlijke dood voor behandelend artsen:
    "In de oude definitie van de natuurlijke dood werd naast een spontane ziekte ook ‘ouderdom’ als natuurlijke doodsoorzaak genoemd. Voortschrijdend inzicht in de medische wetenschap maakt dat ouderdom als doodsoorzaak uit de definitie is verwijderd. Een overlijden wordt immers – ook bij (hoog)bejaarde mensen – niet door de leeftijd veroorzaakt, maar door (een combinatie van) ziekte(s) en /of achteruitgang van de organen."

    Bij een natuurlijke dood is opheldering van de doodsoorzaak geen zaak voor de overheid maar altijd afhankelijk van de toestemming van de nabestaanden. Zo is dat nu eenmaal vastgelegd in artikel 72 van de Wet op de lijkbezorging. Bij onduidelijkheid of twijfel aan de doodsoorzaak is de mogelijkheid tot nader onderzoek geheel en alleen ter beoordeling van de de Officier van Justitie, de Politie draait op voor de kosten (bloedafname, testmateriaal). De OvJ wil alleen maar weten of er sprake is van strafbare feiten; of iemand doodgaat aan een herseninfarct, hartfalen, een thrombose of een erfelijke aandoening is niet van belang voor het OM.
    De reden om in de wet op te nemen dat de gemeentelijk lijkschouwer, die nog geen vijf procent van de overledenen te zien krijgt, sinds 1 januari 2013 moet voldoen aan belachelijk kostbare registratie-eisen, zonder enige uitbreiding van bevoegdheden of mogelijkheden om nader onderzoek te verrichten, is volledig onduidelijk. De medische beroepsgroepen zitten bepaald niet te wachten op allerlei 'pottenkijkers' bij het bepalen van doodsoorzaken. Zolang elke arts naar eigen inzicht en beoordeling, en onder het motto van het beroepsgeheim, 'zelf' kan bepalen dat er min of meer altijd sprake is van 'lege artis' medisch handelen, en dat er dus sprake is van een 'natuurlijke aard van het overlijden', zal er niet veel veranderen. De enorme weerstanden die werden opgeworpen bij de invoering van de NODO-procedure, die nota bene juist ging over het ophelderen van doodsoorzaken, waren hiervoor illustratief en spraken voor zich. Indien de kinderartsen, om wat voor reden (of excuus?) dan ook, géén overleg zouden plegen met de gemeentelijk lijkschouwer kon de NODO-procedure niet eens worden gestart en bleek vervolgens de invoering daarvan een volledig overbodige en nodeloze excercitie te zijn. Het 'tromgeroffel' van het Openbaar Ministerie van 16 februari 2012 en de nogal 'dreigende' uitingen in de richting van ziekenhuizen en instellingen - in de beantwoording van Kamervragen op 17 april 2012, nota bene in combinatie met de invoering van de, inmiddels door Ministerie weer gestopte, onuitvoerbare NODO-procedure - hebben zeker niet bijgedragen aan de noodzakelijke acceptatie door de beroepsgroepen.
    Ook Burgemeester en Wethouders van de gemeente van overlijden (en dus niet noodzakelijk de woongemeente van de overledene) die voor de kosten van de gemeentelijk lijkschouwer moeten opdraaien - ook dode burgers betalen geen belasting meer - zitten daar bepaald niet op te wachten. Een gemeentebestuur zou uiterst vreemd opkijken als de gemeentelijk lijkschouwer, in het kader van een lijkschouw ter opheldering van de doodsoorzaak, een röntgenfoto zou hebben laten maken op kosten van de gemeente van overlijden. In de wet is echter geenszins omschreven of afgebakend wat de lijkschouw wel of niet zou moeten omvatten. De fraaie woorden in de bovenstaande Memorie van Toelichting over 'het algemeen belang' van de opheldering van doodsoorzaken blijken in de praktijk alleen maar holle frases te zijn. Van de politiek is weinig belangstelling te verwachten - dode stemgerechtigden ontvangen geen oproepen van het stembureau meer...., en plegen hun stem niet meer te verheffen.....
    Uitspraken in januari 2011 van een Officier van Justitie in Amsterdam over postmortale bepalingen bij de opheldering van doodsoorzaken boden mogelijk meer perspectief, maar bleken al snel weer in de vergetelheid van de grachtengordel te zijn opgelost.

    De Minister van Justitie bevestigde op 19 mei 2011 nog eens de volledig afwezige interesse van de politiek in antwoord op Kamervragen:
    "Het is voor mij niet mogelijk om vast te stellen hoe vaak ten onrechte een verklaring van overlijden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak is afgegeven. Welk aantal eventueel had dienen te leiden tot een strafrechtelijk onderzoek, kan ik dan ook niet vaststellen. Mijn ambtgenote van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft mij laten weten dat er voorlopig geen onderzoek zal worden gedaan naar de omgang met verdachte sterfgevallen door artsen."
    Als we nu spreken over 'dooddoeners' is deze uitspraak van de Minister daar wel een uiterst fraai voorbeeld van.....

    In het Rapport van de Gezondheidsraad van 25 april 2013 werd op pagina 80 in een voetnoot het volgende gemeld:
    " Het Expertisecentrum Medische Zaken van het parket Rotterdam bereidt in samenwerking met het FMG een Wet op de lijkschouw en forensisch onderzoek voor."
    Het is onduidelijk welk Ministerie (Veiligheid en Justitie? VWS?) in 2017, of in de jaren daarna, nog zal (willen) overgaan tot het indienen van een dergelijk wetsontwerp.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Postmortaal onderzoek - obductie

    De mogelijkheid om postmortaal onderzoek uit te voeren is geregeld in artikel 72 van de Wet op de lijkbezorging. Bij gebreke van toestemming van de overledene kan daarvoor in de plaats treden die van de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel dan wel, bij ontstentenis of onbereikbaarheid van deze, van de naaste onmiddellijk bereikbare meerderjarige bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad, of, wanneer ook deze niet bereikbaar zijn, van de aanwezige meerderjarige erfgenamen of anders van degenen die de zorg voor het lijk op zich nemen. Hierbij is, volkomen vergelijkbaar met de bepalingen omtrent de orgaandonatie sprake van een toestemmingsvereiste van de nabestaanden. In verband hiermee dient opgemerkt te worden dat de kosten van een obductie geen verstrekking vormen onder de Zorgverzekeringswet. In geval van overlijden buiten het ziekenhuis moeten de kosten meestal worden gedragen door de nabestaanden. Een gerechtelijke obductie in het kader van een opsporingsonderzoek, en alleen mogelijk op last van de Officier van Justitie, betekent dat de politie en het OM voor de betaling (vervoer van en naar NFI, opslag, kosten van onderzoek, etc.) verantwoordelijk zijn. Ook dan bestaat geen garantie voor opheldering van de doodsoorzaak.

    Bij de NODO-procedure, die overigens alleen van toepassing zou zijn geweest bij een zgn. onverklaard overlijden, zouden de kosten van obductie vergoed worden door de rijksoverheid c.q. het daarvoor verantwoordelijk Ministerie van Veiligheid en Justitie.
    Op 1 januari 2014 is de uitvoering van de NODO-procedure weer gestopt.
    Het was, volgens een op het internet gepubliceerde werkwijze, aanvankelijk niet duidelijk waaraan een natuurlijk overlijden bij minderjarigen moest of zou moeten voldoen vóórdat het als 'onverklaard overlijden' bestempeld kon worden. De criteria werden later, volgens een mededeling op het internet van 27 augustus 2012, vastgesteld. Het bleek niet alleen te moeten gaan over een 'onverklaard' maar ook over een 'onverwacht' overlijden bij minderjarigen. Bij elk (vermoeden van) niet-natuurlijk overlijden zou geen NODO-procedure plaatsvinden. De Minister van VWS op 12 juni 2014:
    "Het doen van obductie kent meerdere doelen. Het kan inzicht geven in (erfelijke of infectieuze) factoren die een rol hebben gespeeld bij het ontstaan of beloop van een ziekte bij de overledene, en kan daarmee van belang zijn voor de nabestaanden zelf. Het uitvoeren van obductie is ook een middel om terug te kijken op de verleende zorg, en zo te kunnen bezien of en welke verbeteringen daarbij in het vervolg mogelijk zijn. Tot slot wordt de kennis over ziekten ermee vergroot. Het is daarmee een belangrijk middel om kwaliteit en kennis in de zorg te waarborgen en vergroten."

    Overigens bestaat, volgens artikel 73 van de Wet op de lijkbezorging ook de mogelijkheid dat ter opheldering van de doodsoorzaak een obductie plaats kan vinden op verzoek van de betrokken hoofdinspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid of op verzoek van de voorzitter van de Onderzoeksraad voor veiligheid. Daarbij vervalt ook het toestemmingsvereiste van de nabestaanden en komen de kosten in principe ten laste van de rijksoverheid. Het is opmerkelijk en merkwaardig dat bij het ontwerp van het NODO-protocol deze beide mogelijkheden altijd volledig buiten beschouwing zijn gebleven.

    De aard van het overlijden en de doodsoorzaak, en dat zijn twee verschillende zaken (!), zijn zelden alleen af te leiden uit de verschijnselen die aan het stoffelijk overschot kunnen worden waargenomen. Vaak is hiervoor veel uitgebreidere informatie nodig (o.a. inhoud van het medisch dossier, kennis van de omstandigheden en achtergronden rondom het overlijden, levensgewoonten, etc).
    • 20 oktober 2016: Waar gingen Amsterdammers aan dood?
      Doodsoorzaken van 700.000 Amsterdammers die tussen 1854 en 1940 zijn overleden
      • Waar ging Amsterdam aan dood?
        Gestart met de volledige digitalisering van het doodsoorzakenregister...
        "Volgens de theorie van de epidemiologische transitie zou een radicale verschuiving zichtbaar moeten zijn in het doodsoorzakenpatroon van infectieziekten naar verouderingsziekten"
    De doodsoorzakenstatistiek van het CBS heeft helaas een beperkte betrouwbaarheid. De gegevens berusten nu eenmaal noodgedwongen op de (vaak onvolledige) gegevens die moeten worden aangeleverd door de behandelend arts. In gevallen waarin geen gegevens worden ontvangen werden deze overlijdensgevallen nog wel als zodanig geregistreerd door de koppeling met de gegevens in de GBA (Gemeentelijke Basis Administratie). De GBA is in 2014 vervangen door de BRP (BasisRegistratie Personen). De gemeente van overlijden, waar het Verlof tot lijkbezorging moet worden afgegeven, is niet noodzakelijk ook de gemeente van inschrijving in de GBA of nieuwe BRP. De medisch ambtenaar van het CBS zal dan alsnog trachten, via het sturen van een herinnening naar de gemeente van overlijden, de doodsoorzaak te achterhalen. Indien het dan nog niet lukt om de gegevens te verkrijgen wordt in de statistiek de ICD-code R99 als onbekende oorzaak opgenomen. De gegevens worden uitsluitend gebruikt voor statistische doeleinden en niet voor informatie aan justitiele autoriteiten. De cijfers dienen ter onderbouwing van (politieke) beslissingen op het terrein van de Volksgezondheid en vormen de basis voor vergelijkend internationaal onderzoek.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Verklaring van overlijden

    De A-verklaring van natuurlijk overlijden berust geheel op het 'ex juvantibus' (bij uitsluiting) vaststellen of er sprake zou kunnen zijn van een niet-natuurlijke dood of twijfel aan een natuurlijke dood. Als er geen redenen of argumenten zijn om een niet-natuurlijk overlijden aan te nemen is er volgens de huidige systematiek van de wetgeving automatisch sprake van een natuurlijke dood, door welke doodsoorzaak dan ook. Van een natuurlijke dood is sprake indien:
    • een duidelijk omschreven ziektebeeld is/werd vastgesteld
    • dit ziektebeeld door een bevoegd arts 'lege artis' werd behandeld
    • het overlijden ten gevolge van dit ziektebeeld plausibel kan worden verklaard
    Indien er geen overtuiging bestaat van een natuurlijk overlijden en/of bij twijfel hieraan dient de lijkschouw achterwege te blijven en mag geen A- verklaring van overlijden worden afgegeven en dient onverwijld de gemeentelijk lijkschouwer te worden ingeschakeld. In dat geval vult de gemeentelijk lijkschouwer de B-verklaring in.

    In de Nederlandse situatie legt de wetgever de bijzondere verantwoordelijkheid van de beoordeling of er sprake is van 'lege artis' medisch handelen bij de behandelend arts zelf (die de lijkschouw verricht) zonder dat een tweede onafhankelijk arts hierover een (mede)oordeel uitspreekt. Wellicht ten overvloede wordt er op gewezen dat ook het moedwillig verstrekken van onjuiste gegevens omtrent de aard van het overlijden (natuurlijke of niet-natuurlijke dood) en/of de doodsoorzaak strafbaar is gesteld:
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • De NODO-procedure - een fiasco...

    Op 9 juni 2009 werd door de Eerste Kamer wetgeving aangenomen over de wettelijke verplichting om bij overlijden van minderjarigen altijd de gemeentelijk lijkschouwer in te schakelen ter opheldering van de doodsoorzaak in gevallen van onverklaard overlijden. Hiertoe zou een register worden aangelegd waarin alle gevallen van overlijden van minderjarigen zouden worden opgenomen. Sinds 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer.

    In de Memorie van Toelichting pag.15 bij het wetsontwerp ter wijziging van de Wet op de lijkbezorging staat hierover het volgende:
    (accentuering toegevoegd door de FOMAT)

    "Het eerste lid.(van artikel 10a) regelt dat, óók indien de behandelend arts de overtuiging heeft dat de dood van een minderjarige is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak, hij hierover overleg voert met de gemeentelijke lijkschouwer alvorens de verklaring van overlijden af te geven. Op deze wijze is er standaard contact tussen de behandelend arts en de gemeentelijke lijkschouwer, en is bij de lijkschouwer bekend dat er een minderjarige is overleden. Dit past in het streven naar een compleet beeld van overleden minderjarigen. Zonder dit contact zou dit slechts via de statistieken bekend worden. Bovendien kan de arts in dat gesprek aangeven op welke gronden hij tot zijn overtuiging is gekomen en kan hij desgewenst zijn overtuiging toetsen, zodat hij daarin wordt gesterkt dan wel tot het besluit komt dat het beter is de zaak over te dragen aan de gemeentelijke lijkschouwer. Te allen tijde blijft het de eigen beslissing van de behandelend arts of hij de verklaring van overlijden afgeeft."

    De suggestie van de Stichting LOOK in een projectvoorstel van 5 augustus 2011 om te komen tot een centrale registratie (CDOP) van alle overlijdensgevallen van minderjarigen werd op 4 september 2012 door de Staatssecretaris om onduidelijke redenen gewijzigd......
    Het FMG bleek niet in staat om een sluitend syteem voor de registratie van de grond te krijgen. In een brief naar de Tweede Kamer op 16 december 2013 deelde de Staatssecretaris van VWS mee dat de deelnemende organisaties naar aanleiding van de opgedane ervaringen en de uitkomsten van de evaluatie aangegeven hadden om per 1 januari 2014 te stoppen met de uitvoering van de NODO-procedure in de huidige vorm.
    Het 'NODO-experiment' eindigde in een fiasco....

    De inhoud van de B-verklaring valt overigens onder het medisch beroepsgeheim. De ambtenaar van de burgerlijke stand ontvangt deze B-verklaring in een gesloten envelop die moet worden doorgezonden aan het CBS. Ook aan de Officier van Justitie worden door de gemeentelijk lijkschouwer bij een natuurlijk overlijden in principe geen inlichtingen over de doodsoorzaak verstrekt.
    • 15 oktober 2014: Vervolg op de NODO-procedure
      Brief van de Minister van VWS aan de Tweede Kamer:
      "Indien de uitvoering van een (alternatief) nader onderzoek naar de doodsoorzaak van onverwacht en onverklaard overleden minderjarigen gebeurt op nadrukkelijk verzoek van de betrokken ouders, ben ik bereid dit te ondersteunen."
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • De cijfers

    De doodsoorzaakgegevens worden door het CBS gebruikt voor het samenstellen van voor iedereen toegankelijke statistieken. Deze gegevens staan gepubliceerd op StatLine, de gratis toegankelijke internet-databank van het CBS. Het CBS publiceert statistieken over natuurlijke doodsoorzaken en uitwendige factoren. Daarnaast wordt er een aparte statistiek over doodsoorzaken bij doodgeboren kinderen gepubliceerd.
    Met ingang van verslagjaar 2013 zal het CBS voor het coderen van doodsoorzaken overstappen op het zoveel mogelijk automatisch coderen met het computerprogramma IRIS. Eén van de voordelen hiervan is dat de internationale vergelijkbaarheid van deze cijfers wordt vergroot.
    De overstap op de nieuwe werkwijze zal (eenmalige) verschuivingen in de statistiek met zich meebrengen. Deze verschuivingen zullen worden onderzocht en gedocumenteerd. Informatie over inwoners van Nederland die in het buitenland zijn overleden is slechts incidenteel beschikbaar. In StatLine bevindt zich onder meer een overzicht van de belangrijkste primaire doodsoorzaken naar geslacht en leeftijd. Tevens is een apart overzicht te vinden over de 'externe factoren' die gelden als de uitwendige oorzaak bij het niet-natuurlijk overlijden.

    Daarnaast geeft het CBS de mogelijkheid aan wetenschappelijke onderzoekers om – onder zeer strikte voorwaarden – op basis van de door het CBS verzamelde gegevens wetenschappelijk onderzoek te doen.

    De vermelde doodsoorzaken worden vertaald in coderingen volgens de ICD-10 (International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems) van de WHO (World Health Organization).
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Algemene informatie

    Bij overlijden van een persoon in Nederland dient de arts, die de lijkschouw verricht, zowel een A-verklaring als een B-verklaring (de B-doodsoorzaakverklaring) in te vullen en deze gelijktijdig op te sturen naar de gemeente waar het overlijden plaatsvond. Simpelweg gesproken betekent dit dat de arts die A(-verklaring) zegt ook B(-verklaring) moet zeggen.

    De arts schrijft op de afscheurstrook van de enveloppe (verkrijgbaar bij de gemeente) de naam van de overledene. De ambtenaar van de burgerlijke stand verwijdert vervolgens deze afscheurstrook nadat hij het aktenummer van overlijden en de gemeentecode op de enveloppe heeft ingevuld. De B-doodsoorzaakverklaring wordt vervolgens ongeopend naar het CBS opgestuurd.

    Het aktenummer is van belang voor de koppeling met de sterftegegevens uit de GBA (Gemeentelijke Basis Administratie) die in 2014 werd vervangen door de BRP.

    In geval van een doodgeboorte van een kind vult de ambtenaar van de burgerlijke stand een telkaart in en verstuurt deze naar het CBS. Ook hier is het aktenummer van belang.

    "Van de Nederlanders die in het buitenland zijn overleden ontvangen we slechts zelden een doodsoorzaakverklaring. De overledenen waarvan we geen doodsoorzaakverklaring hebben ontvangen, worden geregistreerd onder de doodsoorzaak “Overige slecht omschreven en niet gespecificeerde oorzaken van sterfte” (ICD-10 code R99)."
    "De correspondentie met de artsen die het B-formulier invullen is met ingang van 2005 flink uitgebreid, waardoor de kwaliteit van de gegevens verder verbeterd is."

    De Inspecteur-Generaal voor de Gezondheidszorg is belast met het toezicht op de naleving van de invullingsplicht.

    De bovenstaande gang van zaken heeft een interessante voorgeschiedenis die te maken heeft met het beroepsgeheim.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Het formulier

    Sinds 1 oktober 2002 heeft het Centraal Bureau voor de Statistiek een nieuw model van de B-doodsoorzaakverklaring in gebruik genomen. Na goedkeuring door de minister van VWS werd het nieuwe model van de B-doodsoorzaakverklaring gepubliceerd in de Staatscourant van 7 mei 2002 (nr. 86). Elk formulier is op de voor- en achterzijde voorzien van een uniek nummer en een streepjescode.

    Bestellen van de B-doodsoorzaakverklaring
    De B-doodsoorzaakverklaringen en enveloppen kunnen door de artsen besteld worden bij de gemeente waarin de praktijk gevoerd wordt.

    Het formulier is gebaseerd op de richtlijnen van de World Health Organisation (WHO). En dus geen 'uitvinding' van het CBS in Nederland.....

    Aan de arts, die het formulier invult, wordt gevraagd alle ziekten, aandoeningen of letsels die hebben geleid of bijgedragen tot het overlijden, en de omstandigheden van het ongeval of geweld waarin dergelijke letsels werden veroorzaakt, te vermelden.

    Bij onze collega's in het zuidelijke buurland is een enigszins vergelijkbaar formulier wettelijk voorgeschreven:

    In de doodsoorzakenstatistiek van alle landen in de wereld wordt de onderliggende doodsoorzaak, de primaire doodsoorzaak genoemd, gepubliceerd. Hieronder worden dus twee verschillende dingen verstaan:

    1. de ziekte die aanleiding heeft gegeven tot een reeks van verwikkelingen die tot de dood leidde (= natuurlijke dood),
      OF
    2. de omstandigheden (externe factor) van het ongeval of geweld waarin of waarbij een fataal letsel werd veroorzaakt (= niet-natuurlijke dood).

    Daarnaast zijn ook de bijkomstige ziekten en aandoeningen van belang.

    De doodsoorzaken worden gecodeerd volgens de regels van de International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems (ICD-10).

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Het invullen van de B-verklaring.

    a. Gemeente van overlijden

    Vul bij de gemeente van overlijden de naam van de gemeente in waar het overlijden plaatsvond. Kruis één keuzehokje aan bij plaats van overlijden
    Let op: De naam of het adres van de overledene wordt niet op het formulier vermeld.

    b. Sectie

    Met sectie (syn. obductie) wordt hier zowel het postmortaal onderzoek in een ziekenhuis als de gerechtelijke sectie mee bedoeld.

    Bij onderzoekingen vermeldt u de aanvullende onderzoeken die werden of nog worden verricht, zoals uitslag van microbiologische kweken en histologische en cytologische onderzoeken. Dit kan leiden tot nadere coderingen van de doodsoorzaak. Ook uitslagen van diagnostische onderzoeken als endoscopie e.d kunnen hier vermeld worden.

    c. Geslacht

    Kruis één keuzehokje aan bij geslacht.
    Kruis bij leeftijd de juiste categorie aan en vul de geboortedatum en overlijdensdatum in.
    Let op: De naam van de overledene wordt niet op het formulier vermeld.

    Soms zal de geboortedatum (nog) niet precies bekend zijn. Schat in dat geval het geboortejaar zo nauwkeurig mogelijk. De ambtenaar van het CBS kan hierover contact opnemen met de gemeente van overlijden. De leeftijd is soms essentieel bij het coderen van de doodsoorzaak.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • d. Natuurlijke dood

    Bij overlijden als gevolg van een ziekte (= natuurlijk overlijden) is het 'mechanism of death' van geen enkel belang. Obductie in Nederland is niet bij wet verplicht.
    Als behandelend arts wordt van u verwacht dat u deze verklaring 'naar eer en geweten' en 'naar waarheid' invult. De gegevens worden niet verstrekt aan en zijn ook niet bestemd voor gebruik door justitiële instanties. Het CBS ziet hier uiterst streng op toe.
    Als u van mening bent dat de medische exceptie van toepassing is - en om eventeel latere problemen te vermijden - raden wij u dringend aan om hierover met de dienstdoende gemeentelijk lijkschouwer, als forensisch (werkzame) arts, contact op te nemen.

    Deze rubriek bestaat uit 3 vakjes (1a – 1c) voor het invullen van de reeks van ziekten en aandoeningen die rechtstreeks tot de dood hebben geleid, en één vak (2) voor bijkomstige ziekten en bijzonderheden. De WHO gaat er van uit dat van elke arts het vermogen verwacht mag worden om een scheiding tussen oorzaak en gevolg aan te brengen.

    In het eerste vakje (1a) vermeldt u de ziekte of aandoening die ten slotte de dood ten gevolge had (de 'directe doodsoorzaak'). Indien hieraan één andere ziekte als oorzaak aan vooraf is gegaan (ten grondslag ligt), dan vermeldt u deze in het volgende vakje 1b. Zijn er twee ziekten of aandoeningen aan de onder 1a vermelde ziekte of aandoening als oorzaak vooraf gegaan, dan vermeldt u deze, zoals u die inschat, in volgorde in de vakjes 1b en 1c. De laatst ingevulde (1c) is het onderliggend lijden (grondlijden), dus de eerste in de reeks van gebeurtenissen die tot de dood hebben geleid. Dat is de 'primaire doodsoorzaak'.
    Voor degenen die meer belangstelling hebben: Bij het CBS (volgt de richtlijnen van de WHO) wordt het onderliggend lijden als de primaire doodsoorzaak gecodeerd. Het uiteindelijk overlijden is gestart met een 'keten van gebeurtenissen'. Het begin (de ziekte), en niet het eind, van die keten is de 'primaire' (doods)oorzaak bij een natuurlijk overlijden.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Relatie 'doodsoorzaak' en overlijden

    Voor menig arts is de opgave van één doodsoorzaak een 'gruwelijke' en een in feite onverantwoorde simplificatie van de werkelijkheid. Dat is begrijpelijk: "Life itself is a fatal disease" (*). Bij overlijden is uiterst zelden sprake van een mono-causale relatie tussen één ziekte of aandoening en het intreden van de dood. Elk medisch handelen, en dat begrijpt iedere arts, is in de kern gericht op het uitstellen van het onvermijdelijke.....
    Voor veel juristen en ambtenaren van het Openbaar Ministerie en zelfs voor politici is dat (helaas) niet altijd even duidelijk. Een dodelijke complicatie maakt ook van het volkomen 'lege artis' medisch (be)handelen een 'externe factor'. Het optreden van een (fatale = dodelijke) complicatie in het verloop van de behandeling van een ziekte of aandoening leidt onvermijdelijk (direct of indirect) tot de conclusie dat het een niet-natuurlijk overlijden betreft. Bij het optreden van 'surgical and medical mishappenings' is geen enkele sprake van 'criminal intent'. Hierover bestaat en ontstaat regelmatig bij het OM verwarring en onbegrip. Dit is de essentie van de medische exceptie. Ook bij twijfel mag/kan een 'behandelend arts' geen verklaring van overlijden afgeven. Ook dan is zelden sprake van een mono-causale relatie.
    (*) Bron: Een zeer lezenswaardige publicatie

    Bedenk ook dat uiteindelijk iedereen overlijdt aan een adem- of hartstilstand maar dat de opgave van uitsluitend deze twee 'doodsoorzaken' een weinig bruikbare statistiek zou opleveren.
    Opgaven van 'natuurlijke dood' die duidelijk niet in deze categorie thuishoren zullen door het CBS in de statistiek worden gecorrigeerd. Indien voldoende informatie wordt verstrekt over het verloop van het ziektebeeld zorgt de medisch ambtenaar van het CBS voor de juiste ICD-10 codering.

    Als 'secundaire doodsoorzaak' worden onder 2 de ziekten en aandoeningen vermeld die wel hebben bijgedragen tot de dood, maar geen direct verband houden met de keten van ziekten en aandoeningen onder 1. U vermeldt deze ziekten in volgorde van belangrijkheid, zoals u die inschat.

    Voor zowel onder 1 als 2 genoemde ziekten en aandoeningen is de duur van groot belang bij het coderen.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Doodsoorzaak onbekend?

    Geef in dat geval uitleg over de omstandigheden bij het overlijden onder punt g van het formulier.

    U dient zichzelf wel eerst af te vragen waarom u dan toch als 'behandelend arts' een A-verklaring van overlijden afgeeft of af wilt geven....
    Bent u wel de geschikte of aangewezen arts om deze verklaring af te geven?
    Overweeg, als de nabestaanden instemmen, een obductie.... Sinds 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer.

    Alleen voor de forensisch (werkzame) arts:
    Op de A-verklaring, bestemd (en zichtbaar) voor de ambtenaar van de burgerlijke stand in de gemeente van overlijden, behoren géén vermeldingen over de doodsoorzaak opgenomen te worden.
    Een dergelijke vermelding behoort aangegeven te worden op deze (anonieme) B-verklaring en dus niet op de A-verklaring van overlijden. Dit zou de ICD-10 code R69 van de WHO betreffen: "Onbekende en niet gespecificeerde oorzaken van ziekte" . Deze code kan echter (volgens de WHO) beter niet als 'doodsoorzaak' gebruikt worden en zal door het CBS worden omgezet in ICD-10 code R99......

    Voor de NODO-procedure - sinds 1 oktober 2012 bij overlijden van minderjarigen - leidde dit tot een apert onjuiste opmerking in de voorlichting van het Ministerie:
    "Er was sprake van een natuurlijk overlijden, maar de doodsoorzaak blijft onbekend. In die gevallen geeft de NODO-forensisch arts een (A)-verklaring van overlijden af met de aantekening dat de NODO-procedure heeft plaatsgevonden."
    (Bron: Factsheet NODO-procedure (pdf))


    Merk op:
    Het gebruik van ICD-10 code R99 bij minderjarigen moest door de invoering van de NODO-procedure worden teruggedrongen........
    ICD 10-code R99: "Overige slecht omschreven en niet gespecificeerde oorzaken van sterfte"

    Aanvankelijk meldde het CBS dat uitgerekend in het jaar 2013 - dit was hét jaar van de NODO-procedure... - een forse stijging van het 'onverklaard' overlijden in de groep van 0-jarigen opgetreden zou zijn. Op 16 februari 2016 werden de cijfers door het CBS gecorrigeerd.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • e. Niet-natuurlijke dood, incl. levensbeëindigend handelen

    Een behandelend arts kan deze rubriek niet invullen!
    Bij een  niet-natuurlijke dood (ook bij levensbeëindigend handelen is hiervan sprake) dient de gemeentelijk lijkschouwer te worden ingeschakeld. Deze draagt zorg voor het invullen van een zgn. artikel 10 verklaring (melding aan de Officier van Justitie) en de waarschuwing van de ambtenaar van de burgerlijke stand en omdat er geen verklaring van overlijden (A-verklaring) kan worden afgegeven. In dit geval is de gemeentelijk lijkschouwer ook de arts die de B-verklaring (vgl. artikel 12a, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging) zal invullen.

    Opmerking FOMAT:
    Uitgebreide discussies over het 'hoe' en 'waarom' en 'waardoor' de dood uiteindelijk is ingetreden ná of door het effect van een externe factor, zijn (hoe interessant dit ook is) op geen enkele wijze van belang. Veel forensisch (werkzame) artsen blijken zich dit totaal niet te realiseren en dat te verwarren met de beantwoording van de 'causaliteitsvraag'. Die vraag wordt, als dit van belang is, in de Nederlandse situatie niet beantwoord door de gemeentelijk lijkschouwer maar door het NFI. Bij een gerechtelijke obductie in het kader van een opsporingsonderzoek is de 'mechanism of death' bij uitstek een vraag die voor de rechtbank wel beantwoord dient te worden. Dit is de core business van het NFI, dat volledig wordt gefinancierd door het Ministerie van Veiligheid en Justitie.

    Bij een niet-natuurlijk overlijden wordt alleen de (of vermoedelijke) externe factor vermeld op de artikel 10 verklaring en niet het gevolg of de omschrijving van de 'mechanism of death'. Als later blijkt dat het toch een natuurlijk overlijden betreft zal het CBS dit corrigeren. De forensisch (werkzame) arts is géén gerechtelijk deskundige. Ook het CBS vermeldt in de statistiek alleen de externe factor als 'external cause of death' (de uitwendige oorzaak van het overlijden) bij een niet-natuurlijk overlijden.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Categorie oorzaak

    Alléén bestemd voor de forensisch (werkzame) arts:
    Slechts één categorie kan van toepassing zijn op een sterfgeval waarbij sprake is van een niet-natuurlijk overlijden.
    • Overzicht ICD-10 codes (Nederlandse versie)
      (functioneert helaas niet altijd correct door on-line problemen)
      V01-V99: Vervoersongevallen
      W00-X59: Overige ongevalen (dodelijk gevolg van een uitwendige factor)
      X60-X84: Opzettelijk zichzelf schade toebrengen (zelfdoding)
      X85-Y09: Geweldpleging
      Y10-Y34: Gebeurtenis waarvan niet duidelijk is of deze accidenteel of opzettelijk is ontstaan
      Y35-Y36: Wettelijke interventie en oorlogshandelingen
      Y37-Y39: (niet bezet)
      Y40-Y84: Dodelijke complicaties van genees- en heelkundige behandeling
                       Zie hierover: Overzicht van de begrippen
      Y85-Y89: Late gevolgen van uitwendige oorzaken van ziekte en sterfte
    Indien het, naar uw eigen inschatting, gaat om een ongeval, zelfdoding of geweldpleging en niet om levensbeëindigend handelen, kruist u dit als 'oorzaak' aan en vult u de omstandigheden (de externe factor), de aard van het letsel en de plaats van de gebeurtenis (thuis, openbare weg, fabriek, school, etc) in.

    Voor een (medische) omschrijving van de aard van het letsel (dat is dus iets anders als de aard van het overlijden) kan het beste Hoofdstuk XIX van de ICD-10 codering van de WHO worden gebruikt waar ook de correcte Nederlandse terminologie is te vinden. Dit hoofdstuk gebruikt het gedeelte S-codes voor het coderen van verschillende soorten letsel met betrekking tot een enkele lichaamsregio en het T-codegedeelte voor letsel met betrekking tot multipele of niet gespecificeerde lichaamsregio's alsmede voor vergiftiging en bepaalde andere gevolgen van uitwendige oorzaken ('de externe factoren').

    In Hoofdstuk XIX zijn ook de omschrijvingen te vinden van de (dodelijke) complicaties van chirurgische en medische behandeling (T80-T88). Overlijden, als gevolg daarvan, kwalificeert het overlijden als een niet-natuurlijk overlijden; dus ook als sprake is van volkomen 'lege artis' medisch handelen.
    • De medische exceptie
      Overlijden is dan wel degelijk ook 'niet-natuurlijk'
      Van strafbaarheid of 'schuldtoewijzing' is echter geen sprake.....
    De WHO spreekt dan van 'misadventures during surgical and medical care'. Het CBS vertaalt dit naar een speciale groep onder de noemer 'opzet niet bekend' en brengt deze doodsoorzaken onder in de categorie 'Overig niet-natuurlijk overlijden' van Hoofdstuk XX (uitwendige oorzaak van overlijden):
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Meerdere bronnnen

    Bij een niet-natuurlijke dood wordt niet de rechtstreekse 'medische' doodsoorzaak (schedeltrauma, bloedverlies, fracturen, etc.) in de statistiek opgenomen maar het mechanisme, dat als de externe factor leidde tot het overlijden. Strafvorderlijke relevantie speelt daarbij geen rol en behoort ook geen rol te spelen. Indien voldoende informatie wordt verstrekt zorgt de medisch ambtenaar van het CBS voor de juiste ICD-10 codering.
    Voor de vaststelling van het aantal niet-natuurlijke overlijdensgevallen worden door het CBS gegevens uit drie bronnen gecombineerd: gegevens uit de door de gemeentelijk lijkschouwer ingevulde doodsoorzaakformulieren, uit dossiers van arrondissementsparketten en uit ongevalsrapporten die door de politie zijn opgemaakt. Door de koppeling en integratie van deze bronnen kunnen eventueel ontbrekende gegevens in de afzonderlijke bestanden worden aangevuld. Ook opgaven van 'natuurlijke dood' die duidelijk in deze categorie thuishoren zullen door het CBS worden gecorrigeerd.
    • Niet-natuurlijk overlijden (Informatie van het CBS)
      M.i.v. het statistiekjaar 2012 zijn enkele veranderingen in de tabellen aangebracht
      Voor moord en doodslag is bij de herziening de populatie gewijzigd
      Het betrof eerst alleen inwoners van Nederland, bij de herziening worden alle slachtoffers meegeteld, ook als zij geen inwoner waren
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Categorie levensbeëindigend handelen

    In deze rubriek wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds de categorie met de oorzaken zelfdoding, misdrijf of ongeval en anderzijds de categorie levensbeëindigend handelen.
    Het onderscheid bestaat hierin dat het CBS bij de eerst genoemde categorie de aanleiding (de aard van het ongeval) als primaire doodsoorzaak codeert. Bij de 2e genoemde categorie wordt bij het CBS niet de levensbeeindiging (de externe factor) als primaire doodsoorzaak gecodeerd, maar het onderliggend lijden alsof het een natuurlijke dood betreft. Indien er sprake is van levensbeëindigend handelen, kruist u de vorm van levensbeëindigend handelen aan en vult de onderliggende ziekte in die tot het levensbeëindigend handelen geleid heeft. Evenals bij natuurlijke dood kunt u aanvullende informatie bij rubriek G vermelden.
    Bij euthanasie (of hulp bij zelfdoding) is in principe ook sprake van een niet-natuurlijk overlijden. Daar is indertijd een lange discussie over gevoerd en ontvangt de OvJ eveneens een artikel 10 verklaring. In dat geval wordt echter bij het CBS niet de levensbeeindiging (de externe factor) als primaire doodsoorzaak gecodeerd, maar het onderliggend lijden alsof het een natuurlijk overlijden betreft. De ICD-10 codering van de WHO kent voor euthanasie (nog) geen speciale code. De ICD-codes Y37 t/m Y39, die hiervoor in aanmerking zouden komen, zijn door de WHO nog onbezet gelaten.....

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • De medische exceptie

    Medisch (be)handelen leidt uiterst zelden tot strafbaar handelen, maar kan wel degelijk leiden tot een 'niet-natuurlijk' overlijden. Ook de Wereldgezondheidsorganisatie erkent dit (!). Deze gevallen zullen door het CBS bij de jaarlijkse rapportages in StatLine als 'Uitwendige oorzaak van overlijden' (= niet-natuurlijk overlijden) worden omgezet in de daarop van toepassing zijnde codes: Opm. FOMAT
    Dat een complicatie van een 'lege artis' uitgevoerde medische behandeling in Nederland (en in het buitenland) bij de juridische interpretatie wordt beschouwd alsof het een natuurlijk overlijden betreft levert met enige regelmaat nogal eens discussie op.
    Veel artsen, en zelfs forensisch (werkzame) artsen, leggen dit uit alsof daardoor elke medische (be)handeling automatisch leidt tot de conclusie dat het overlijden bij de sociaal-medische interpretatie ook als een 'natuurlijk overlijden' beschouwd dient te worden. Dit is onjuist.
    Het doel van een medische (be)handeling is niet het overlijden van de patiënt. Een (on)voorziene dodelijke complicatie als gevolg van de medische (be)handeling is niet een complicatie van een ziekte - daarmee zou inderdaad wel sprake zijn van 'natuurlijk overlijden' - maar van die (be)handeling. Dus is sprake van een 'niet-natuurlijk' overlijden. Ook als de patiënt en/of zijn/haar nabestaanden van tevoren op de hoogte was (of werden gesteld) van de mogelijkheid dat die complicatie 'zou' kunnen optreden. Dat maakt de (dodelijke) complicatie tot een (externe) oorzaak van overlijden. Daarmee wordt de aard van het overlijden niet 'natuurlijker' of ontstaat hierdoor ineens een rechtvaardiging om te gaan spreken van een 'natuurlijk' overlijden.

    De bepalingen ten aanzien van de delicten tegen lijf en leven ('faire des blessures') in het Wetboek van Strafrecht (toebrengen van letsel) gelden ook voor medici. Die moeten echter worden gelezen met de impliciete toevoeging: ‘geldt niet ten aanzien van de arts die handelt binnen zijn bevoegdheid’. Het handelen van de arts dat aanleiding geeft tot deze ongeschreven uitzondering, ofwel ‘de medische exceptie’, wordt ‘normaal lege artis medisch handelen’ genoemd. Bij de totstandkoming van het nieuwe Wetboek van Strafrecht, afgeleid van de Franse "Code Pénal" van Napoleon, aan het eind van de negentiende eeuw werd dit door de toenmalig Minister van Justitie Modderman krachtig verwoord: “Niet strafbaar is de geneeskundige handelende naar de erkende regelen zijner kunst”.
    De Wet op de uitoefening van de geneeskunst (Stb 60) was op 1 november 1865 (Stb 64) in werking getreden. De Minister in 1880 (!) in een indrukwekkend betoog in het parlement:

    "Is het ooit bij iemand opgekomen om de [Code Pénal] van toepassing te achten op den chirurgijn die een operatie verricht of op den Israëlitischen besnijder?
    Als een letterknecht de toepasselijkheid beweerd had op de grond dat in dat artikel, geheel in 't algemeen van
    'faire des blessures' sprake is, dan zou de jurist, gedachtig aan het 'scire leges non hoc est verba earum tenere, sed vim ac potestatem' (*) zelfs geen antwoord hebben noodig gekeurd. In het algemeen is de genees-, heel- en verloskundige volkomen gedekt, zo dikwerf hij handelt naar de regelen zijner kunst..... Uit niets hoegenaamd is gebleken dat hier te lande de wetgever met zijne door hare algemeenheid gebrekkige formules moet tusschen beide treden, hetzij om de medici te beschermen tegen de juristen, hetzij om de maatschappij te beschermen tegen de medici..... Beter echter schijnt het [juridishe inmenging] overal weg laten in 't vertrouwen dat de wet slechts zal worden geïnterpreteerd door rechtsgeleerden die, ook zonder wetsvoorschrift, het beginsel erkennen"
    (*) Vrij vertaald: Kennis der wet is iets anders dan haar toepassen naar de letter...
    Uitspraak afkomstig van Celsus (67-130 AD)
    .... en hiermee was de discussie gesloten.....

    "Binnen de KNMG gingen rond 1906 (!) nog wel stemmen op om aan het inmiddels ingevoerde Nederlandse Wetboek van Strafrecht een nieuw artikel toe te voegen luidende: "Niet strafbaar is de geneeskundige, die een feit begaat, dat naar redelijk inzicht is geboden of toegelaten is door de regelen der geneeskunst" (Van Eyk en Schreve 1915:30-31)."
    (Bron: H. Weyers. Euthanasie: Het proces van rechtsverandering, Dissertatie RUG 2002. Zie noot 34 t/m 36 op pagina 10)

    Daar 'de medische exceptie' in het eerdere wetgevingsdebat van meer dan twintig jaar daarvoor al zonder enig probleem algemeen was geaccepteerd, werd deze bepaling in geschrifte ook nadien nooit expliciet in het Wetboek van Strafrecht (Zie Titel XXI: Veroorzaken van de dood of van lichamelijk letsel door schuld: artikel 307 t/m 309) als uitzondering opgenomen.

    In 1949 bleek een speciale door de overheid benoemde commissie niet in staat om met een duidelijke omschrijving en definitie van het begrip "natuurlijke doodsoorzaak" te komen. Ook in het kader van de laatste herziening vsn de Wet op de lijkbezorging, in werking getreden op 1 januari 2010, werd hieraan geen enkele aandacht besteed. De 'medische exceptie', die weer niet ter sprake kwam, kon en kan uiteraard geen rechtvaardiging vormen om daarmee over te gaan tot een evidente vervalsing van de doodsoorzakenstatistiek......

    Een dodelijk verlopende bijwerking of 'complicatie' van een volkomen 'lege artis' uitgevoerde medische (be)handeling is een calamiteit en leidt, in tegenstelling tot de gangbare opvattingen bij veel artsen, wel degelijk tot een 'niet-natuurlijk' overlijden. Van een strafbaarstelling is geen enkele sprake. Ook een volkomen 'lege artis' uitgevoerde euthanasie leidt niet tot een strafbaarstelling maar wel tot een niet-natuurlijk overlijden. Daar is jaren geleden al eens een lange en uitvoerige discussie over gevoerd. De medische exceptie speelde in het debat over de euthanasie wel een rol. De Nederlandse wetgeving hierover trad in werking op 1 april 2002.
    De door de toenmalig Minister in 1880 (!) als 'letterknechten van de wet' betitelde ambtenaren doen er goed aan om deze les van de geschiedenis, als rechtsgeleerden ook in 2017, nog eens na te lezen en daar lering uit te trekken......

    De wetgever in Nederland verzuimde tot nu toe regelgeving te verschaffen over de opheldering van doodsoorzaken of aansluiting te zoeken bij de internationale (WHO) criteria. Het tromgeroffel van het OM, met nota bene bedreiging van strafvervolging van instellingen in de gezondheidszorg (!), leverde echter niet bepaald een 'positieve bijdrage' aan de discussie over dit onderwerp.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • f. Doodgeboren

    Deze categorie wordt ingevuld als er sprake is van een doodgeborene.
    Indien u categorie f voor een doodgeborene invult, hoeft u niet categorie c in te vullen.
    Indien er sprake was van een complicatie tijdens de zwangerschap of bevalling, dan gelieve u deze complicatie(s) te vermelden in het rechtervak.

    Let op:
    Doodgeborenen vanaf 24 weken zwangerschap vallen, wetstechnisch gesproken, als 'minderjarige bij overlijden' ook onder de meldingsplicht van art. 10a lid 1 WLB (verplicht overleg met de gemeentelijk lijkschouwer).

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • g. Opmerkingen

    Deze categorie is bestemd voor alle nog niet vermelde bijzonderheden.

    Opmerking FOMAT:
    Soms is de oorzakelijke keten die leidt tot overlijden erg ingewikkeld. In dat soort gevallen verdient het aanbeveling dit te vermelden. Ook kunt u uiteraard overleggen met een forensisch (werkzame) arts die, door de aard van zijn/haar werk, hier meer ervaring in heeft verkregen of met de medisch ambtenaar van het CBS (heeft ook een beroepsgeheim).

    Bedenk ook dat sommige vermeldingen geen adequate vermelding van de doodsoorzaak kunnen zijn.
    Schrikt u niet: 'Hoofdpijn' werd in 2009 in Nederland viermaal als enige en primaire doodsoorzaak bij natuurlijk overlijden op de B-verklaring aangegeven zonder enige nadere toelichting. In 2010 was dit nog éénmaal het geval en zowel in 2011 als 2012 weer tweemaal. In 2013 werd deze 'doodsoorzaak' weer viermaal gemeld. In 2014 en 2015 weer tweemaal. Het vereist wel een heel bijzondere helderziendheid om dit bij de lijkschouw (is meer dan alleen naar het lijk kijken!) als doodsoorzaak vast te stellen.

    h. Naam en correspondentieadres

    Indien u als waarnemend arts de dood constateert, en wel overtuigd bent dat het een overlijden op grond van een natuurlijke dood betreft, en dat is dus iets anders als de doodsoorzaak (!), beschikt u soms niet over alle noodzakelijke informatie. Als u, naast uw eigen naam, ook de naam van de behandelend arts van de patiënt in de rechter kolom invult, kan zonodig de medisch ambtenaar van het CBS bij vragen over de doodsoorzaak contact opnemen met de behandelend arts.
    Bedenk ook dat zoiets als een 'onnatuurlijke doodsoorzaak' niet bestaat.....

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Tot slot:

    De informatie op deze webpagina wordt voortdurend aangepast en aangevuld naar aanleiding van opmerkingen, correcties, suggesties voor verbetering, etc.
    Als u ook een bijdrage wilt leveren of wat mist: laat het ons dan weten via


    forum@fomat.nl.


    Terug naar begin van deze pagina