Bron: wetten.nl
(enkele accentueringen toegevoegd door de FOMAT)

Besluit DNA-onderzoek in strafzaken

Besluit van 27 augustus 2001, houdende nadere regels over het DNA-onderzoek in strafzaken †

....................................................................................................

ß 1. Begripsomschrijvingen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a.       de wet: het Wetboek van Strafvordering;

b.      een DNA-onderzoek: een onderzoek als bedoeld in artikel 151a, eerste lid, eerste volzin, of vierde lid, eerste volzin, 151b, eerste volzin, 195a, eerste lid, eerste volzin, 195b, eerste lid, eerste volzin, of 195d, eerste lid, van de wet dan wel artikel 2, derde lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden;

c.       de DNA-databank: de DNA-databank voor strafzaken, bedoeld in artikel 14, eerste lid;

d.      Onze Minister: Onze Minister van Justitie;

e.       opsporingsambtenaar: een ambtenaar van politie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Politiewet 1993, een ambtenaar van politie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van die wet, voorzover deze is aangesteld voor de uitvoering van taken op het terrein van de technische recherche, of een militair van de Koninklijke marechaussee als bedoeld in artikel 141, onder c, van het Wetboek van Strafvordering;

f.        veroordeelde: een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, of tweede lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden;

g.       het instituut: het Nederlands Forensisch Instituut;

h.       NEN-EN ISO/IEC 17025: Algemene eisen voor de competentie van beproevings- en kalibratielaboratoria, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidde in april 2000.

ß 2. Wijze van afnemen van celmateriaal en waarborgen voor een zorgvuldige behandeling en registratie van afgenomen en inbeslaggenomen celmateriaal

Artikel 2

1.      Degene die gevraagd wordt schriftelijk toe te stemmen in het afnemen van celmateriaal ten behoeve van DNA-onderzoek, kan zich bij het nemen van zijn beslissing door een raadsman doen bijstaan. De officier van justitie onderscheidenlijk de rechter-commissaris wijst hem op deze mogelijkheid.

2.      Op het formulier voor de schriftelijke toestemming, bedoeld in het eerste lid, wordt melding gemaakt van de gevolgen van de medewerking aan een DNA-onderzoek.

3.      Degene die vrijwillig medewerking verleent aan een DNA-onderzoek, kan ten behoeve van dat onderzoek wangslijmvlies, bloed of haarwortels laten afnemen.

4.      Het afnemen van wangslijmvlies geschiedt door van de binnenzijde van iedere wang twee monsters te nemen.

5.      Het afnemen van bloed geschiedt door middel van een vingerprik.

6.      Het afnemen van haarwortels geschiedt door het uittrekken van ten minste tien haren uit de hoofdhuid.

7.      Het afnemen van wangslijmvlies, bloed of haarwortels geschiedt door een arts of een verpleegkundige. Ingeval de desbetreffende persoon daar afzonderlijk schriftelijk in toestemt, kan het afnemen van wangslijmvlies of haarwortels geschieden door een daartoe door de officier van justitie aangewezen opsporingsambtenaar die voldoet aan bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen.

8.      Het afnemen van celmateriaal geschiedt met de hulpmiddelen die bij ministeriŽle regeling zijn voorgeschreven.

9.      Indien de arts of de verpleegkundige bij de behandeling van de desbetreffende persoon betrokken is of is geweest, neemt hij bij hem geen celmateriaal af, tenzij de persoon daartoe schriftelijk een verzoek heeft ingediend bij de officier van justitie onderscheidenlijk de rechter-commissaris dan wel de functionaris, bedoeld in artikel 1, onder d, van de Penitentiaire beginselenwet, artikel 1, onder g, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden of artikel 1, onder h, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen.

Artikel 3

1.      Het afnemen van wangslijmvlies, bloed of haarwortels ten behoeve van een DNA-onderzoek bij een verdachte ingevolge een bevel als bedoeld in artikel 151b, eerste lid, of artikel 195d, eerste lid, van de wet dan wel een veroordeelde ingevolge een bevel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden geschiedt:

a.       op de wijze als omschreven in artikel 2, vierde tot en met zesde lid, en

b.      met de hulpmiddelen die bij ministeriŽle regeling zijn voorgeschreven.

2.      Het afnemen van wangslijmvlies of haarwortels bij een verdachte ingevolge een bevel als bedoeld in artikel 151b, eerste lid, of artikel 195d, eerste lid, van de wet kan, ingeval de verdachte daar afzonderlijk schriftelijk in toestemt, geschieden door een daartoe door de officier van justitie aangewezen opsporingsambtenaar die voldoet aan bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen.

3.      Het afnemen van wangslijmvlies of haarwortels bij een veroordeelde ingevolge een bevel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden kan, ingeval de veroordeelde daartegen geen bezwaar maakt, geschieden door een daartoe door de officier van justitie aangewezen opsporingsambtenaar of een daartoe door de directeur van de inrichting of instelling aangewezen persoon als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Penitentiaire beginselenwet, artikel 1, onder k, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden of artikel 1, onder i, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen die voldoet aan bij ministeriŽle regeling vastgestelde eisen.

4.      Artikel 2, negende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4

1.      Bij het afnemen van wangslijmvlies, bloed of haarwortels is een opsporingsambtenaar dan wel een persoon als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Penitentiaire beginselenwet, artikel 1, onder k, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden of artikel 1, onder i, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen, voorzover het afnemen van het celmateriaal plaatsvindt bij een veroordeelde en hij in een inrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Penitentiaire beginselenwet, artikel 1, onder d, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden of artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen verblijft of vanuit de inrichting vrijheden geniet, aanwezig die:

a.       daarvan proces-verbaal opmaakt of een verklaring, indien bij het afnemen van het celmateriaal een persoon aanwezig is die geen opsporingsambtenaar is, dat hij voorziet van een identiteitszegel waarop hij de naam, de geboortedatum en -plaats en het geboorteland van de persoon van wie het celmateriaal is afgenomen aanbrengt of, indien deze gegevens onbekend zijn, andere gegevens waarmee de identiteit van deze persoon kan worden vastgesteld en waarin hij vermeldt dat, indien het celmateriaal bij een veroordeelde ingevolge artikel 3, derde lid, is afgenomen door een ander persoon dan een arts of een verpleegkundige, de veroordeelde daartegen geen bezwaar heeft gemaakt,

b.      de verpakking waarin het van de persoon afgenomen celmateriaal is gebracht, van een identiteitszegel voorziet dat gelijk is aan het identiteitszegel, bedoeld onder a, en

c.       ervoor zorgt dat het celmateriaal, bedoeld onder b, zo spoedig mogelijk in een verpakking die hij heeft voorzien van een of meer sluitzegels, bij het instituut wordt bezorgd.

2.      De opsporingsambtenaar die het proces-verbaal opmaakt, of de persoon die de verklaring opmaakt, bedoeld in het eerste lid, is een ander persoon dan de persoon die ingevolge artikel 2, zevende lid, tweede volzin, of artikel 3, tweede of derde lid, wangslijmvlies of haarwortels afneemt.

3.      Bij ministeriŽle regeling worden nadere regels gesteld inzake het identiteitszegel en de sluitzegels, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 5

1.      De opsporingsambtenaar voorziet de verpakking van een in beslag genomen voorwerp waarop mogelijkerwijs celmateriaal aanwezig is, dan wel van celmateriaal dat niet is afgenomen op de wijze als voorzien in artikel 2 of artikel 3, van een identiteitszegel zodra het voorwerp of celmateriaal in beslag is genomen dan wel zo spoedig mogelijk daarna.

2.      De opsporingsambtenaar voorziet het proces-verbaal van de inbeslagneming van het voorwerp of het celmateriaal, bedoeld in het eerste lid, van een identiteitszegel dat gelijk is aan het identiteitszegel, bedoeld in het eerste lid. Indien het te onderzoeken celmateriaal van een bekende verdachte is, vermeldt hij in het proces-verbaal diens naam en geboortedatum, -plaats en -land of, indien deze onbekend zijn, andere gegevens waarmee diens identiteit kan worden vastgesteld.

3.      De opsporingsambtenaar zorgt ervoor dat het voorwerp of het celmateriaal, bedoeld in het eerste lid, na een opdracht van de officier van justitie onderscheidenlijk de rechter-commissaris tot het daaraan verrichten van DNA-onderzoek, zo spoedig mogelijk in een verpakking die hij heeft voorzien van een of meer sluitzegels bij het instituut wordt bezorgd.

4.      Voorzover een voorwerp waarop vermoedelijk celmateriaal van de veroordeelde aanwezig is, in beslag is genomen, verricht de functionaris, bedoeld in artikel 1, onder d, van de Penitentiaire beginselenwet, artikel 1, onder g, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden of artikel 1, onder h, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen, de handelingen, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid.

5.      Artikel 4, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6

1.      Het instituut legt inzake het celmateriaal, bedoeld in de artikelen 2, derde lid, 3, eerste lid, en 5, eerste lid, alsmede inzake het voorwerp, bedoeld in artikel 5, eerste lid, in een centraal register de volgende gegevens vast:

a.       de datum waarop het is ontvangen,

b.      het nummer van het identiteitszegel, bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, onder a en b, en 5, eerste en tweede lid, alsmede het proces-verbaalnummer van de strafzaak waarin het celmateriaal is afgenomen en het parketnummer,

c.       een aanduiding van het misdrijf in verband waarmee het DNA-onderzoek wordt verricht alsmede van de maximale gevangenisstraf die op dat misdrijf is gesteld,

d.      de naam van de officier van justitie onderscheidenlijk rechter-commissaris die de opdracht tot het verrichten van DNA-onderzoek heeft gegeven,

e.       de naam van het laboratorium dat het DNA-onderzoek zal verrichten en de datum waarop het celmateriaal naar dat laboratorium is verzonden, tenzij het DNA-onderzoek in het laboratorium van het instituut zal worden verricht, en

f.        in geval van celmateriaal van een bekende persoon, de naam, de geboortedatum en -plaats en het geboorteland van deze persoon of, indien deze gegevens onbekend zijn, andere gegevens waarmee zijn identiteit kan worden vastgesteld.

2.      Voorts worden inzake het celmateriaal gegevens vastgelegd die van belang zijn in verband met het tijdstip waarop het bijbehorende DNA-profiel uit de DNA-databank dient te worden verwijderd. Het openbaar ministerie stelt het instituut daartoe in kennis van veroordelingen die in kracht van gewijsde zijn gegaan in zaken waarin DNA-onderzoek heeft plaatsgevonden.

3.      Ten aanzien van het celmateriaal van een veroordeelde of een persoon als bedoeld in artikel 14, vierde lid, onder e, is het eerste lid, onder b, voorzover dit betrekking heeft op het proces-verbaalnummer van de strafzaak waarin het celmateriaal is afgenomen en het parketnummer, niet van toepassing.

4.      Onze Minister is voor het centrale register, bedoeld in het eerste lid, verantwoordelijk.

5.      De directeur van het instituut voert het beheer van het centrale register.

ß 3. Verrichten van DNA-onderzoek

Artikel 7

1.      DNA-onderzoek wordt verricht in het laboratorium van het instituut, tenzij de officier van justitie onderscheidenlijk de rechter-commissaris opdracht heeft gegeven dat het onderzoek wordt verricht in:

a.       het laboratorium voor forensisch DNA-onderzoek van het Instituut voor anthropogenetica van de Universiteit Leiden of een ander laboratorium dat door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd aan de hand van de algemene criteria voor het functioneren van beproevingslaboratoria, genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17 025, en deskundig is op het terrein van forensisch DNA-onderzoek, dan wel

b.      een laboratorium dat gevestigd is in het buitenland, door een met de Raad voor Accreditatie vergelijkbare instantie is geaccrediteerd aan de hand van criteria die vergelijkbaar zijn met de criteria, genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17 025, en deskundig is op het terrein van forensisch DNA-onderzoek.

2.      Indien de accreditatie van een laboratorium als bedoeld in het eerste lid is ingetrokken, is geschorst of na haar vervaldatum niet is verlengd, kan in dit laboratorium niet langer DNA-onderzoek worden verricht.

3.      Het DNA-onderzoek, bedoeld in artikel 151a, vierde lid, eerste volzin, of artikel 195b, eerste lid, eerste volzin, van de wet wordt niet verricht door:

a.       de deskundige die het DNA-onderzoek als bedoeld in artikel 151a, eerste lid, eerste volzin, onderscheidenlijk artikel 195a, eerste lid, eerste volzin, van de wet heeft verricht, dan wel

b.      een deskundige die aan hetzelfde laboratorium is verbonden als de deskundige, bedoeld onder a.

Artikel 8

1.      Indien het DNA-onderzoek in een ander laboratorium dan het laboratorium van het instituut zal worden verricht, zorgt het instituut ervoor dat het celmateriaal op basis waarvan het DNA-onderzoek zal worden verricht, in een verpakking die is voorzien van een of meer sluitzegels, wordt bezorgd bij het laboratorium dat het DNA-onderzoek zal verrichten.

2.      Het instituut voorziet het celmateriaal, bedoeld in het eerste lid, van een etiket dat is voorzien van een nummer dat gelijk is aan het nummer van het identiteitszegel waarmee het instituut het celmateriaal heeft ontvangen.

3.      Bij ministeriŽle regeling worden nadere regels gesteld inzake de sluitzegels, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 9

1.      De deskundige verricht het DNA-onderzoek binnen de termijn die de officier van justitie onderscheidenlijk de rechter-commissaris die de opdracht tot het verrichten van het DNA-onderzoek heeft gegeven, heeft gesteld. De termijn wordt na overleg met het instituut vastgesteld.

2.      De deskundige verricht het DNA-onderzoek volgens een van de methoden die zijn goedgekeurd bij het verlenen van de accreditatie aan het laboratorium waaraan hij is verbonden.

Artikel 10

1.      De deskundige stelt een verslag op van de resultaten van het DNA-onderzoek en ondertekent het verslag.

2.      Het verslag bevat in ieder geval:

a.       ingeval het een DNA-onderzoek betreft aan celmateriaal van een bekende persoon, de naam, de geboortedatum en -plaats en het geboorteland van deze persoon of, indien deze gegevens onbekend zijn, andere gegevens waarmee zijn identiteit kan worden vastgesteld,

b.      het nummer van het identiteitszegel dan wel het etiket, bedoeld in artikel 8, tweede lid,

c.       de methode met behulp waarvan het DNA-profiel is verkregen, en

d.      de resultaten en de conclusies van het DNA-onderzoek.

3.      De deskundige doet uiterlijk een week na dagtekening van het verslag:

a.       het verslag toekomen aan de officier van justitie onderscheidenlijk de rechter-commissaris,

b.      een afschrift van het verslag toekomen aan het instituut, alsmede het DNA-profiel dat uit het DNA-onderzoek is verkregen, en

c.       een afschrift van het verslag toekomen aan de opsporingsambtenaar die betrokken is bij het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk vooronderzoek in het kader waarvan het DNA-onderzoek is verricht waarover de deskundige het verslag heeft opgesteld, met dien verstande dat dit afschrift geen DNA-profiel bevat.

4.      De directeur van het instituut meldt de officier van justitie onderscheidenlijk de rechter-commissaris zo spoedig mogelijk of:

a.       het DNA-profiel dat is verkregen uit het celmateriaal van een bekende persoon overeenkomt met het DNA-profiel dat in verband met hetzelfde strafbare feit is verkregen uit het celmateriaal, bedoeld in artikel 5, eerste lid, dat toebehoort aan een onbekende verdachte, dan wel overeenkomt met een ander DNA-profiel dat is vastgelegd in de DNA-databank of

b.      het DNA-profiel dat is verkregen uit het celmateriaal, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van een onbekende persoon, overeenkomt met een DNA-profiel dat is vastgelegd in de DNA-databank.

5.      In geval van artikel 2, vierde lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden geeft de officier van justitie de functionaris, bedoeld in artikel 1, onder d, van de Penitentiaire beginselenwet, artikel 1, onder g, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden of artikel 1, onder h, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen schriftelijk kennis van de uitslag van het DNA-onderzoek.

6.      De officier van justitie geeft een persoon als bedoeld in artikel 14, vierde lid, onder e, schriftelijk kennis van de uitslag van het DNA-onderzoek indien zijn DNA-profiel overeenkomt met een ander verwerkt DNA-profiel en het belang van het onderzoek dat toelaat.

Artikel 11

1.      De deskundige zendt zo spoedig mogelijk na het verrichten van het DNA-onderzoek het overgebleven celmateriaal in een verpakking die is voorzien van een sluitzegel, naar het instituut, tenzij hij is verbonden aan het laboratorium van het instituut.

2.      Artikel 8, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12

1.      Het aan de verdachte in rekening te brengen deel van de kosten, bedoeld in de artikelen 151a, vijfde lid, en 195b, tweede lid, van de wet, voor het verrichten van een DNA-onderzoek op verzoek van de verdachte bedraagt Ä 136.

2.      Een DNA-onderzoek op verzoek van de verdachte wordt niet verricht dan nadat hij het bedrag, genoemd in het eerste lid, aan het instituut heeft betaald.

ß 4. Bewaren en vernietigen van celmateriaal en DNA-profielen en het verstrekken van informatie daarover

Artikel 13

1.      Het instituut bewaart na afloop van een DNA-onderzoek zoveel celmateriaal als noodzakelijk is met het oog op een DNA-onderzoek als bedoeld in artikel 151a, vierde lid, eerste volzin, of artikel 195b, eerste lid, eerste volzin, van de wet dan wel met het oog op het opnieuw bepalen van het bijbehorende, in de DNA-databank vastgelegde DNA-profiel.

2.      In afwijking van het eerste lid vernietigt het instituut het celmateriaal van een derde terstond indien is vastgesteld dat het bijbehorendeDNA-profiel niet overeenkomt met het DNA-profiel dat in verband met hetzelfde strafbare feit is verkregen uit het celmateriaal, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van een onbekende persoon.

3.      Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het celmateriaal van een overleden slachtoffer van een strafbaar feit, met dien verstande dat het instituut diens celmateriaal bewaart met het oog op het opsporen en vervolgen van de dader van het strafbare feit als gevolg waarvan het slachtoffer is overleden of waarbij het slachtoffer was betrokken.

4.      Met het celmateriaal, bedoeld in het tweede lid, vernietigt het instituut tevens het DNA-profiel dat uit het celmateriaal is verkregen, de gegevens, bedoeld in artikel 6, alsmede het afschrift van het verslag, bedoeld in artikel 10, derde lid, onder b.

5.      Het instituut houdt aantekening van iedere vernietiging ingevolge het eerste tot en met vierde lid.

†Artikel 14

1.      Er is een DNA-databank voor strafzaken die tot doel heeft de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten te bevorderen.

2.      Onze Minister is voor de DNA-databank verantwoordelijk.

3.      De directeur van het instituut voert het beheer van de DNA-databank.

4.      Het instituut legt in de DNA-databank het nummer van het identiteitszegel, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder b, vast, alsmede

a.       het bijbehorende DNA-profiel van overleden slachtoffers van misdrijven als omschreven in artikel 67, eerste lid, van de wet,

b.      het bijbehorende DNA-profiel dat is verkregen uit het celmateriaal, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van onbekende personen,

c.       het bijbehorende DNA-profiel van verdachten ter zake van misdrijven als omschreven in artikel 67, eerste lid, van de wet,

d.      het bijbehorende DNA-profiel van veroordeelden ter zake van misdrijven als omschreven in het zesde lid, dan wel

e.       het bijbehorende DNA-profiel van personen die hun straf of maatregel volledig hebben ondergaan ter zake van misdrijven als omschreven in het zesde lid en die schriftelijk hebben toegestemd in het afnemen van celmateriaal ten behoeve van het bepalen en verwerken van hun DNA-profiel.

5.      De directeur van het instituut kan de DNA-profielen die in de DNA-databank zijn vastgelegd, opnieuw bepalen indien de stand van de techniek dat noodzakelijk maakt. Hij kan tevens de in de DNA-databank vastgelegde DNA-profielen onderling vergelijken met het oog op het doel, bedoeld in het eerste lid, en leden van het openbaar ministerie en met rechtspraak belaste leden van de rechterlijke macht van de resultaten daarvan in kennis stellen.

6.      Misdrijven als bedoeld in het vierde lid, onder d en e, zijn de misdrijven als omschreven in de artikelen 92 tot en met 95a, 108 tot en met 110, 115 tot en met 117, 121, 121a, 123, 123a, 124, 124a, 141, 157, 179, 242 tot en met 247, 248a, 248b, 249, 250, eerste lid, onder 1į, en tweede lid, 252, tweede en derde lid, 256, 273a, 278, 279, tweede lid, 281, eerste lid, onder 2į, 282, 282a, 285a, 285b, 287 tot en met 291, 293, 296, 300, eerste tot en met derde lid, 301, 302 en 303, 307, tweede lid, 312, 317, 385a, 385b, 385d, 395, tweede lid, onder 2į en 3į, en 396 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 118, 119, 120, onderdeel 1į, 122, 142, eerste en tweede lid, 143, eerste lid, en 159 van het Wetboek van Militair Strafrecht, artikel 5, tweede lid, van de Wet oorlogsstrafrecht, de artikelen 3, eerste lid, 4, eerste lid, onder a, b en f tot en met k, 5, eerste lid, onder a tot en met c, tweede lid, onder a, b, c, onderdelen 1į en 5į, en d, onderdeel 3į, derde lid, onder a tot en met e, vijfde lid, onder a tot en met c, j, m en o, en zesde lid, onder a, b en d, 6, eerste lid, onder a en c, tweede lid en derde lid, onder a en c, 7, tweede lid, onder a tot en met c, en 8, eerste lid en tweede lid, onder b, van de Wet internationale misdrijven, artikel 175, tweede en derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 122, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, voorzover dit artikel betrekking heeft op artikel 36, eerste lid, van die wet.

Artikel 15

1.      Het gebruik van gegevens uit de DNA-databank en het centrale register, bedoeld in artikel 6, eerste lid, door binnen het instituut werkzame ambtenaren vindt slechts plaats voorzover zij deze nodig hebben voor een goede vervulling van de aan hen door Onze Minister opgedragen taak.

2.      Het instituut verstrekt slechts gegevens uit de DNA-databank en het centrale register, bedoeld in artikel 6, eerste lid, aan:

a.       de met vervolging belaste leden van de rechterlijke macht, voorzover zij deze nodig hebben voor de toepassing van het strafrecht, daarin begrepen de uitvoering van een verzoek om rechtshulp als bedoeld in artikel 552h van de wet, of voor de uitvoering van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden,

b.      de met rechtspraak belaste leden van de rechterlijke macht, voorzover zij deze nodig hebben voor de toepassing van het strafrecht,

c.       de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a en c, en tweede lid van de Politiewet 1993, en de militairen van de Koninklijke marechaussee, bedoeld in artikel 141, onder c, van het Wetboek van Strafvordering, voorzover zij deze nodig hebben voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde,

d.      het Korps landelijke politiediensten, bedoeld in artikel 38 van de Politiewet 1993, voorzover het deze nodig heeft voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, dan wel

e.       het Centraal Justitieel Incassobureau, bedoeld in artikel 1 van het Besluit Instelling Centraal Justitieel Incassobureau, voorzover het deze nodig heeft ten behoeve van het ondersteunen van de leden van de rechterlijke macht en de ambtenaren van politie en de militairen van de Koninklijke marechaussee, bedoeld onder c, bij de uitvoering van hun taken.

3.      Het instituut beperkt de verstrekking van gegevens aan de ambtenaren van politie en de militairen van de Koninklijke Marechaussee, bedoeld in het tweede lid, onder c, tot de naam van degene wiens DNA-profiel in de DNA-databank is vastgelegd, alsmede zijn geboortedatum, -plaats en -land of, indien deze gegevens onbekend zijn, andere gegevens waarmee zijn identiteit kan worden vastgesteld, alsmede het parketnummer dat bij het DNA-profiel hoort.

4.      Het instituut beperkt de verstrekking van gegevens aan het Korps landelijke politiediensten tot de strafzaken die nog niet zijn opgelost en in het kader waarvan een opdracht tot DNA-onderzoek is gegeven, waarbij vermelding plaatsvindt

a.       van het feit dat in die strafzaken geen celmateriaal is gevonden waaruit het DNA-profiel van een onbekende of bekende verdachte is verkregen, alsmede van de bij die strafzaken behorende proces-verbaalnummers,

b.      van het feit dat in die strafzaken celmateriaal is gevonden waaruit het DNA-profiel van een of meer onbekende of bekende verdachten is verkregen, alsmede van de bij die strafzaken behorende proces-verbaalnummers en de naam, de geboortedatum en -plaats en het geboorteland van de bekende verdachte of verdachten of, indien deze gegevens onbekend zijn, andere gegevens waarmee de identiteit van de verdachte of de verdachten kan worden vastgesteld en

c.       van het feit dat in meer van die strafzaken het DNA-profiel van een of meer dezelfde onbekende of bekende verdachten voorkomt, alsmede van de bij die strafzaken behorende proces-verbaalnummers en de naam, de geboortedatum en -plaats en het geboorteland van de bekende verdachte of verdachten of, indien deze gegevens onbekend zijn, andere gegevens waarmee de identiteit van de verdachte of de verdachten kan worden vastgesteld.

5.      Het instituut beperkt de verstrekking van gegevens aan het Centraal Justitieel Incassobureau tot de naam van degene wiens DNA-profiel in de DNA-databank is vastgelegd, alsmede zijn geboortedatum, -plaats en -land of, indien deze gegevens onbekend zijn, andere gegevens waarmee zijn identiteit kan worden vastgesteld, alsmede het parketnummer dat bij het DNA-profiel hoort.

6.      Het instituut verstrekt de gegevens slechts op schriftelijk verzoek, tenzij het een verstrekking aan het Korps landelijke politiediensten of het Centraal Justitieel Incassobureau betreft. In de laatste gevallen vindt de verstrekking rechtstreeks langs geautomatiseerde weg plaats.

7.      Bij iedere verstrekking van gegevens wordt aantekening gehouden van de datum van de verstrekking, de identiteit van de verzoeker en de aard van de verstrekte gegevens.

8.      Het Centraal Justitieel Incassobureau kan medewerkers van de arrondissementsparketten en van de rechtbanken en ambtenaren van politie en militairen van de Koninklijke marechaussee, bedoeld in het tweede lid, onder c, rechtstreeks langs geautomatiseerde weg toegang verschaffen tot de gegevens, bedoeld in het vijfde lid, indien het deze functionarissen daartoe gemachtigd heeft. Bij iedere verstrekking wordt aantekening gehouden van de datum van de verstrekking en de identiteit van de gemachtigde functionaris.

9.      Zodra zich een omstandigheid als bedoeld in artikel 16 of 18 voordoet op grond waarvan het instituut een DNA-profiel dat in de DNA-databank is vastgelegd, dient te vernietigen, stelt het instituut het Korps landelijke politiediensten en het Centraal Justitieel Incassobureau daarvan in kennis. Terstond nadat het Korps landelijke politiediensten en het Centraal Justitieel Incassobureau deze kennisgeving hebben ontvangen, vernietigen zij de gegevens die bij hen over dat profiel zijn vastgelegd.

Artikel 16

1.      Zodra zich een omstandigheid voordoet die meebrengt dat degene wiens DNA-profiel in de DNA-databank is vastgelegd, niet langer kan worden aangemerkt als een verdachte ter zake van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van de wet, stelt het openbaar ministerie het instituut daarvan in kennis.

2.      Van een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid is in ieder geval sprake bij het voldoen aan ter voorkoming van strafvervolging gestelde voorwaarden, een beslissing tot niet-vervolging, een kennisgeving van niet verdere vervolging, een onherroepelijke buitenvervolgingstelling, een rechterlijke verklaring dat de zaak geŽindigd is, een vrijspraak of een onherroepelijk ontslag van alle rechtsvervolging waarbij niet een maatregel als bedoeld in artikel 37, 37a juncto 37b of 38, 38m of 77s van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd.

Artikel 17

1.      Terstond nadat het instituut een kennisgeving als bedoeld in artikel 16, eerste lid, heeft ontvangen, vernietigt het instituut het DNA-profiel van degene die niet langer kan worden aangemerkt als een verdachte ter zake van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van de wet.

2.      Het instituut vernietigt met het DNA-profiel, bedoeld in het eerste lid, tevens de daarbij behorende gegevens, bedoeld in artikel 6, het celmateriaal waaruit het DNA-profiel is verkregen, alsmede het afschrift van het verslag, bedoeld in artikel 10, derde lid, onder b.

3.      In afwijking van het eerste lid bewaart het instituut het DNA-profiel indien dat profiel in een andere zaak overeenkomt met het DNA-profiel van een onbekende persoon en degene wiens DNA-profiel het betreft, in die zaak als verdachte is aangemerkt ter zake van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van de wet.

4.      Artikel 13, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 18

1.      Het instituut vernietigt het DNA-profiel van een verdachte of veroordeelde dertig jaar na vastlegging in de DNA-databank indien de verdenking dan wel, in geval van een veroordeling, de veroordeling een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaar of meer is gesteld, dan wel twintig jaar na zijn overlijden.

2.      Het instituut vernietigt het DNA-profiel van een verdachte of veroordeelde twintig jaar na vastlegging in de DNA-databank indien de verdenking dan wel, in geval van een veroordeling, de veroordeling een misdrijf betreft als omschreven in artikel 67, eerste lid, van de wet waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van minder dan ten hoogste zes jaar is gesteld, dan wel twaalf jaar na zijn overlijden.

3.      De termijn van dertig respectievelijk twintig jaar, genoemd in het eerste respectievelijk tweede lid, wordt op verzoek van het openbaar ministerie verlengd indien tegen de verdachte of veroordeelde wiens DNA-profiel in de DNA-databank is vastgelegd, een veroordeling wegens een ander misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan als omschreven in artikel 67, eerste lid, van de wet. Vernietiging vindt in dat geval plaats uiterlijk twintig dan wel dertig jaar nadat deze veroordeling in kracht van gewijsde is gegaan, al naar gelang op het misdrijf naar de wettelijke omschrijving minder dan ten hoogste zes jaar dan wel ten hoogste zes jaar of meer gevangenisstraf is gesteld.

4.      Het instituut vernietigt het DNA-profiel van een persoon als bedoeld in artikel 14, vierde lid, onder e, twintig jaar na vastlegging in de DNA-databank of zodra deze persoon het instituut heeft medegedeeld dat hij zijn toestemming tot het verwerken van zijn DNA-profiel heeft ingetrokken.

5.      Het instituut vernietigt het DNA-profiel van een overleden slachtoffer:

a.       twintig jaar na vastlegging in de DNA-databank indien het slachtoffer is overleden als gevolg van of is betrokken bij een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaar of meer is gesteld, dan wel

b.      twaalf jaar na vastlegging in de DNA-databank indien het slachtoffer is overleden als gevolg van of is betrokken bij een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van de wet waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van minder dan ten hoogste zes jaar is gesteld.

6.      In afwijking van het vijfde lid bewaart het instituut het DNA-profiel van een overleden slachtoffer tachtig jaar indien het slachtoffer is overleden als gevolg van of is betrokken bij een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld.

7.      Het instituut vernietigt het DNA-profiel van een onbekende persoon overeenkomstig de termijnen, genoemd in het vijfde en zesde lid.

8.      De termijnen, genoemd in het vijfde lid, worden op verzoek van het openbaar ministerie met een bij dat verzoek aangegeven termijn verlengd, indien en voor zolang het recht tot strafvordering nog niet verjaard is.

9.      In afwijking van het zevende lid vernietigt het instituut het DNA-profielvan een onbekende persoon zodra is vastgesteld dat het DNA-profiel van een verdachte of veroordeelde overeenkomt met dat DNA-profiel, en het openbaar ministerie het instituut ervan in kennis heeft gesteld dat diens veroordeling in verband met dat strafbare feit in kracht van gewijsde is gegaan of zich een omstandigheid als bedoeld in artikel 16, eerste lid, heeft voorgedaan en er geen sprake is van een veroordeling die in kracht van gewijsde is gegaan. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op het DNA-profiel van een overleden slachtoffer. Vernietiging van het DNA-profiel van de onbekende persoon of het overleden slachtoffer kan telkens tien jaar worden uitgesteld indien de verdachte of veroordeelde daartoe schriftelijk een verzoek heeft ingediend bij het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie doet hem schriftelijk mededeling van de mogelijkheid een verzoek als bedoeld in de vorige zin in te dienen.

10.  Het instituut vernietigt met het DNA-profiel, bedoeld in het eerste tot en met zevende lid en het negende lid, tevens de daarbij behorende gegevens, bedoeld in artikel 6, het celmateriaal waaruit het DNA-profiel is verkregen, alsmede het afschrift van het verslag, bedoeld in artikel 10, derde lid, onder b.

11.  Artikel 13, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

ß 5. Slotbepalingen

Artikel 19

Het Besluit DNA-onderzoeken wordt ingetrokken.

Artikel 20

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de wet van 5 juli 2001 tot wijziging van de regeling van het DNA-onderzoek in strafzaken (Stb. 2001, 335) in werking treedt.

Artikel 21

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit DNA-onderzoek in strafzaken.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage, 27 augustus 2001
Beatrix

De Minister van Justitie,
A. H. Korthals

Uitgegeven de elfde september 2001
De Minister van Justitie,
A. H. Korthals



Terug naar begin van deze pagina
Terug naar vorige pagina