Achtergrond informatie

Bron: KNMG Federatienieuws

Er zijn veel regio-convenanten gesloten tussen ziekenhuizen, politie en soms OM met afspraken over bevoegdheden van de politie en de relatie tot het beroepsgeheim. Betere kennis op de werkvloer én grotere uniformiteit tussen convenanten zouden speerpunt moeten zijn, aldus Rose Marie Doppegieter in haar column gepubliceerd in ArtsennetNieuws van donderdag 26 april 2007.

Hulpverleners, politieconvenanten en opsporingsactiviteiten

De laatste jaren zijn er veel regio-convenanten gesloten tussen ziekenhuizen, politie en soms ook Openbaar Ministerie (OM). Hierin zijn afspraken gemaakt of wordt een handreiking geboden rond bevoegdheden van de politie bij hulpverlenings- en opsporingsactiviteiten en de relatie tot het beroepsgeheim van de hulpverleners en medewerkers in het ziekenhuis. Het bevorderen van inhoudelijke kennis op de werkvloer én een grotere uniformiteit tussen convenanten zouden speerpunt moeten zijn.

Belangrijkste doel van het politie-convenant is het vergemakkelijken van de contacten tussen politie, OM en ziekenhuizen. In 2005 heeft de KNMG een beknopte handreiking voor artsen 'Beroepsgeheim en politie/justitie' met een instructieve korte samenvatting uitgebracht (www.knmg.nl onder IX.11). Deze wordt binnen diverse parketten als basis voor bevoegdheden van politie en justitie gehanteerd, onder meer door het medisch expertise centrum van de rechtbank Rotterdam. Ook de NVZ heeft voor haar leden in 2004 een inhoudelijk overeenkomende Handleiding ontwikkeld. De Stichting Arbeidsmarkt Ziekenhuizen (StAZ), Team Veiligezorg® werkt momenteel ook aan een landelijke handreiking beroepsgeheim, vooral gericht op ziekenhuismedewerkers die het eerste contact met de politie hebben. Contactpersonen mét expertise zijn belangrijk voor de juiste informatie-uitwisseling. Daarom moet in die handreiking staan, dat de contactpersonen van ziekenhuis én politie een centrale (expertise)functie hebben en in principe 24 uur per dag bereikbaar zijn voor hulpverleners en politiefunctionarissen. Uit recent onderzoek van Wilma Duijst c.s. blijkt, dat kennis over beroepsgeheim en politie-bevoegdheden onder artsen en verpleegkundigen en (iets minder) onder politiefunctionarissen uiterst mager is (1). Nog belangrijker punt voor genoemde handreiking is een heldere maar ook consistente met de wet overeenkomende invulling van het beroepsgeheim en de zéér beperkte inbreuken die daarop mogelijk zijn, zoals een echte 'conflict van plichten' situatie (acuut en direct gevaar).

Het is niet goed dat er zoveel convenanten en handreikingen naast elkaar bestaan, te meer omdat inhoud en uitvoering nogal eens verschillen. Tijdens een recent congres waarbij de resultaten van het eerdergenoemde onderzoek van Duijst naar kennis, mening en gedrag van hulpverleners en politie bij de opsporing van strafbare feiten en het medisch beroepsgeheim in het ziekenhuis werden gepresenteerd, werd gepleit voor één landelijk basis convenant. Niet alleen voor ziekenhuizen maar voor alle hulpverleningslocaties waar opsporing aan de orde is, zoals huisartsenposten, Riagg's etc. De ministeries van VWS, BiZa en Justitie zouden dit convenant algemeen verbindend moeten verklaren. Voor zo'n uniform convenant valt zeker wat te zeggen: de politie in Limburg maar ook die in Amsterdam heeft voor het betreden van een verpleegafdeling of patiëntenkamer voor opsporing een machtiging nodig van de Officier van Justitie. En tijdens onderzoek of behandeling van de patiënt moet de hulpverlener beslissen of toegang geweigerd moet worden. In convenanten kan van deze regels niet worden afgeweken. Ook is het volgens mij niet geoorloofd dat ziekenhuispersoneel medewerking verleent in het kader van de opsporing, door betrokkenen bij een mogelijk strafbaar feit washandjes om te doen ter voorkoming van het wissen van eventuele kruitsporen. In het verlengde daarvan wordt ook wel gepromoot dat ziekenhuismedewerkers alle kledingstukken van betrokkene niet in één maar in afzonderlijke zakken stoppen, die vervolgens door de politie in beslag worden genomen. Hulpverleners zijn toch geen functionarissen belast met het opsporen van strafbare feiten zoals beschreven in art. 141 Wetboek van Strafvordering? Zij moeten vooral op hun eigen hulpverleningstoel blijven zitten. Dat betekent mijns inziens dat zelfs de 'schijn' van het verlenen van medewerking niet juist is. Als dit soort activiteiten zich (vaak ongemerkt) uitbreidt, werpt dat een drempel op voor ('verdachte') patiënten om voor noodzakelijke zorg naar een instelling te gaan. Ook zou het personen uit het criminele circuit kunnen aantrekken die er belang bij hebben 'sporen' in het ziekenhuis verzameld, te wissen.

Mr. Rose Marie S. Doppegieter,
beleidsmedewerker gezondheidsrecht KNMG

correspondentie-adres: r.doppegieter@fed.knmg.nl


(1) Ziekenhuizen, politie en convenanten. Een empirisch onderzoek.
Mr. Dr. W.L.J.M. Duijst, mr. M.E.B. Morsink, mr. A.W. de Vries. SDU Uitgevers bv Den Haag, 2006. ISBN 978-90-12-11910-8.


Opm. FOMAT:
Zoals bovenstaand vermeld heeft de NVZ vereniging van ziekenhuizen over de contacten tussen ziekenhuizen en politie/justitie in 2004 de volgende publicatie uitgebracht: Zie hierover ook een nieuwsbericht van de Raad voor de Volksgezondheid & Zorg van 22 maart 2007: In het bovenvermelde project Veiligezorg® werken ziekenhuizen, gemeenten, politie en justitie samen. Dat gebeurt door het opstellen van duidelijke gedragsregels, treffen van concrete maatregelen en het maken van heldere afspraken tussen ziekenhuizen, gemeenten, politie en justitie.


Terug naar begin van deze pagina