Bron: wetten.nl
Accentueringen en opmerkingen toegevoegd door de FOMAT

De "lijkvinding"

Inleiding

In de praktijk blijken hierover nogal eens misverstanden te bestaan. Het aantreffen van een overledene is niet hetzelfde als een 'lijkvinding' in de zin zoals dit begrip door Politie of Justitie wordt gehanteerd.
Indien iemand in eigen bed of woning (of verpleeghuis) onverwacht en onvoorzien overlijdt, buiten de directe lijfelijke aanwezigheid van (huis)arts, familie of derden, zal het stoffelijk overschot op enig moment worden gevonden door nabestaanden of verplegend personeel en heeft men de neiging te gaan spreken van een 'lijkvinding'. De ingeschakelde behandelend arts (de huisarts of diens waarnemer) kan in dit geval echter meestal een reguliere lijkschouw verrichten.

Sinds 1 januari 2010 is de gewijzigde Wet op de lijkbezorging in werking getreden. Artikel 3 van de wet luidt: Lijkschouwing geschiedt zo spoedig mogelijk na het overlijden, door de behandelend arts of door een gemeentelijke lijkschouwer. In de wet wordt anders dan zo spoedig mogelijk- geen specifieke termijn genoemd waarbinnen lijkschouwing dient plaats te vinden. Dit leidde tot vragen: Eerder werd hieraan een beschouwing gewijd in:

Das C, Slootweg-van de Craats JG, Pot AM.
Natuurlijke en niet-natuurlijke dood: beoordeling door verpleeghuisartsen en melding aan de gemeentelijk lijkschouwer.
Tijdschr Gerontol Geriatr 2003; 34: 60-4.


  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • De noodzakelijke gegevens

    Voor de afgifte van de A-verklaring (en de B-verklaring) zijn de volgende gegevens c.q. voorwaarden van belang:
    1. De lijkschouw wordt verricht door de behandelend arts (of diens waarnemer)
    2. Identiteit van de overledene staat zonder twijfel vast (geboortedatum en geboorteplaats; evt. burgerservicenummer)
    3. Tussen arts en overledene bestaat geen bloed- of aanverwantschap tot in de derde graad of huwelijk
    4. Inschrijvingsadres van de overlenene bij de burgerlijke stand is bekend (niet noodzakelijk het adres van overlijden; de burgerlijke stand van de gemeente van overlijden stuurt dit door naar de gemeente van de laatste woonplaats van de overledene).
    5. Datum van overlijden (volgt uit het tijdstip) is met zekerheid vast te stellen
    6. Plaats (gemeente) van overlijden is bekend (stoffelijk overschot mag na overlijden niet verplaatst zijn)
    7. Het onderzoek van het stoffelijk overschot (schouw) wordt persoonlijk en daadwerkelijk verricht
    8. Overtuiging van natuurlijk overlijden (aard van overlijden) door de beschikbaarheid van voldoende informatie over de omstandigheden rondom het overlijden
    9. Bij minderjarigen dient altijd overleg gepleegd te worden met de gemeentelijk lijkschouwer.
    10. Redelijk betrouwbare inschatting van de doodsoorzaak (medische voorgeschiedenis bekend bij behandelend arts)
    11. Invullen van formulier voor het CBS is sinds 1 januari 2010 ook wettelijk verplicht. Een 'verzuim' is strafbaar gesteld
    Indien over n of meerdere punten van het bovenstaande geen zekerheid kan worden verkregen (en ook bij twijfel!) dient de verdere lijkschouw achterwege te blijven en mag geen verklaring van overlijden worden afgegeven en dient onverwijld de gemeentelijk lijkschouwer te worden ingeschakeld. In dit soort gevallen kan de behandelend arts ook eerst in telefonisch overleg een nader advies over de te volgen procedure verkrijgen van de forensisch arts. Daarmee kan vaak een onnodige en overbodige inzet van Politie of de Officier van Justitie, die door de nabestaanden vaak als zeer belastend wordt ervaren, worden voorkomen.

    De wet op de lijkbezorging kent geen voorziening voor het geval de datum en/of de plaats van overlijden niet met zekerheid kunnen worden vastgesteld. De meestal ingeschakelde politie spreekt dan van 'lijkvinding' indien het overlijden meer dan 24 uur geleden heeft plaatsgehad. In sommige gevallen zal ook de identiteit van het stoffelijk overschot niet met zekerheid kunnen worden vastgesteld. In dat geval kan uiteraard geen verklaring van overlijden worden afgegeven zonder nadere opheldering van de identiteit. Als bij het onderzoek door de gemeentelijk lijkschouwer (in samenwerking met de Politie en evt. recherche) geen duidelijkheid kan worden verkregen zal de gemeentelijk lijkschouwer, ook bij een evident natuurlijke dood, toch een art.10 verklaring afgeven. Daarmee komt de zaak automatisch in handen van de Politie c.q. de Officier van Justitie. De afgifte van een A-verklaring van natuurlijk overlijden, met daarop een opmerking dat het een 'lijkvinding' (conform art. 19 BW) betreft, leidt mogelijk tot verwarring bij de ambtenaar van de burgerlijke stand bij de afgifte van een Verlof tot lijkbezorging. In het geval dat de identiteit niet vaststaat mag volgens de Wet op de lijkbezorging geen verlof tot crematie worden afgegeven.
    In dat geval dient de aangifte van overlijden in de gemeente van overlijden volgens art. 19h, lid 4, van het BW (zie hieronder) plaats te vinden door de (hulp)OvJ. De forensisch arts kan dit met een opmerking op de art. 10 verklaring vermelden. Ook de art. 10 verklaring is wel degelijk een verklaring van overlijden. In de wet is niet vermeld dat de art. 10 verklaring voor de OvJ alleen maar mag worden afgegeven bij een zekere niet-natuurlijke dood. Ook bij twijfel of onzekerheid kan/mag een art. 10 verklaring afgegeven worden. De Officier van Justitie mag uiteindelijk helemaal zelf bepalen en vaststellen of wordt overgegaan tot vrijgave van het stoffelijk overschot.
    Een 'natuurlijke dood' kan per slot van rekening niet worden vastgesteld, zoals in de media regelmatig wordt gesuggereerd. Ook bij veel forensisch (werkzame) artsen en het OM is dit een vaak voorkomend misverstand. Men kan in feite slechts de constatering uitspreken dat geen redenen aanwezig zijn om van het tegendeel uit te gaan. Als geen doodsoorzaak kan worden vastgesteld (of worden verzonnen...) is automatisch oftewel ex juvantibus, sprake van een natuurlijke dood, door welke doodsoorzaak dan ook.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Burgerlijk Wetboek, Boek 1

    Enigzins 'verborgen' in het Burgerlijk Wetboek is deze gang van zaken beschreven.

    Afdeling 4. De akten van geboorte en van overlijden

    Artikel 19f

    1.      Een akte van overlijden wordt opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar het overlijden heeft plaatsgevonden.

    2.      Indien een lijk is gevonden en de plaats of de dag van overlijden niet met voldoende nauwkeurigheid kan worden vastgesteld, wordt de akte van overlijden opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waarin het lijk is gevonden of aan land gebracht.

    3.      Ongeacht het in het eerste lid bepaalde is het tweede lid van overeenkomstige toepassing indien het overlijden heeft plaatsgevonden op een op zee gestationeerde installatie en het lijk in Nederland aan land wordt gebracht.

    Artikel 19g

    1.      In geval van overlijden op Nederlands grondgebied in een rijdend voertuig of op een varend schip of tijdens een binnenlandse luchtreis met een luchtvaartuig, wordt de akte van overlijden opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar het lijk het voertuig, het schip of het luchtvaartuig verlaat, dan wel waar het schip ligplaats kiest. Die gemeente geldt als gemeente waar het overlijden heeft plaatsgevonden.

    2.      In geval van overlijden tijdens een zeereis met een in Nederland geregistreerd voertuig, dan wel tijdens een internationale luchtreis met een in Nederland geregistreerd luchtvaartuig, is de gezagvoerder van het vaartuig of het luchtvaartuig verplicht een voorlopige akte van overlijden binnen vierentwintig uur in het journaal in te schrijven in tegenwoordigheid van twee getuigen. De gezagvoerder zendt een afschrift van die akte zo spoedig mogelijk naar de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage. Deze maakt de akte van overlijden op aan de hand van het ontvangen afschrift, met dien verstande dat hij gegevens die ontbreken of hem blijken onjuist te zijn, zoveel mogelijk aanvult of verbetert. Aan de personen op wie de akte betrekking heeft, wordt een uittreksel van de akte toegezonden.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • De gemeente van overlijden.

    De bovenstaande twee wetsartikelen gaan over de bepaling van de plaats c.q. de gemeente van overlijden waar de aangifte van overlijden moet geschieden, een akte van overlijden wordt opgemaakt, en waar vervolgens ook het Verlof tot lijkbezorging moet worden afgegeven. Dat is overigens niet altijd noodzakelijk dezelfde plaats c.q. gemeente waar nadien (meestal in een mortuarium) ook de wettelijk voorgeschreven lijkschouw en de afgifte van de Verklaring van overlijden of een Art. 10 verklaring heeft plaatsgevonden.

    Als iemand (van welke nationaliteit dan ook) in een vlieguig (KLM of welke luchtvaartmaatschappij dan ook) van Amsterdam naar New York tijdens de vlucht overlijdt geldt bij aankomst (n de landing) de aldaar vigerende wetgeving en wordt New York aangemerkt als de 'gemeente' van overlijden, alwaar de formaliteiten (inclusief de nog plaats te vinden lijkschouw door een arts en de aangifte van overlijden) moeten worden afgewikkeld. Indien de gezagvoerder tijdens de vlucht besluit om terug te keren, geldt Schiphol als de gemeente van overlijden en de Nederlandse wetgeving. Aangifte van overlijden tijdens de vlucht moet dan echter in de gemeente 's-Gravenhage worden gedaan, alwaar ook het Verlof tot begraving/crematie moet worden afgegeven. Indien het 'definitieve' overlijden pas wordt vastgesteld n de landing op Schiphol, geldt dat het overlijden ook daar heeft plaatsgevonden en kan dus de aangifte door de gezagvoerder in de gemeente 's-Gravenhage achterwege blijven.

    Bij overlijden tijdens een internationale vlucht geldt (niet verwonderlijk) min of meer het principe dat - zolang de dood tenminste NIET wordt vastgesteld door de gezagvoerder of vanwege die uiterst vriendelijke en behulpzame dokter als toevallige medepassagier - het overlijden 'daadwerkelijk' (nog) niet heeft plaatsgevonden. N de landing, of beter nog n het verlaten van het vliegtuig, kan de dood dan in de aankomsthal, bij voorkeur door inderhaast gealarmeerde ambulance-medewerkers of een arts (i.v.m. claims door nabestaanden), worden 'vastgesteld' en kan de luchthaven als plaats van aankomst worden gekwalificeerd als de plaats van overlijden. Dat maakt de gang van zaken aanzienlijk eenvoudiger en bespaart veel administratieve rompslomp en vertragingen. Dit is, zoals bleek uit bovenstaand bericht, bij de meeste luchtvaartmaatschappijen en hun piloten bekend. "No one ever dies on an airplane, ever!...".

    "Usually the body is strapped into a passenger seat with the quadreplegic harness and seatbelt, covered with a blanket up to the head, and a sleeping mask and oxygen mask are put over the face. This is done to cause the least amount of stress to passengers, as those who weren't in the immediate vicinity assume the person is merely sick and sleeping."
    Bron: Airliners.net

    Dat wordt pas een probleem als eerst in het vliegtuig nog reanimatiepogingen zijn ondernomen die intussen werden gestaakt. Bij het overlijden dat plaatsvindt tijdens een zeereis in internationale wateren gelden overigens de bepalingen van paragraaf 8 van het Besluit op de lijkbezorging. Daarin wordt zelfs in artikel 22 en 23 nog bepaald dat het lijk desnoods overboord kan worden gezet (!). Bij aankomst moeten de havenautoriteiten op de hoogte worden gesteld en volgt uiteraard politie-onderzoek en zal de wettelijk voorgeschreven lijkschouw door een arts plaatsvinden. In sommige landen is het niet ondenkbaar dat de gezagvoerder of de bemanning wordt gearresteerd of dat zelfs het schip/vliegtuig aan de ketting wordt gelegd door de Officier van Justitie in afwachting van nadere opheldering. Abusievelijk wordt nog wel eens gedacht dat een vliegtuig of een schip een soort 'nationaal' stukje grondgebied of eigendom zou zijn en dat de 'nationaliteit' van het voer- of vaartuig de wettelijke voorschriften zou bepalen zoals bij een ambassade. N de landing van het vliegtuig of n het afmeren aan de steiger geldt op dat moment de wetgeving van het land van aankomst. Naast het feit dat men tax free goederen kan inkopen (met opheffing van nationale wetgeving) kan men dus ook tax free overlijden (!). Maar ook dan moet de belasting, in principe, wel degelijk (als)nog worden betaald, net als de lijkschouw (!), in de plaats van aankomst, volgens de aldaar heersende (nationale) wetgeving.

    Bij overlijden op Nederlands grondgebied (IJsselmeer, Waddenzee, etc.) of bij een binnenlandse vlucht zijn de bepalingen van artikel 19g, eerste lid, van toepassing. In deze gevallen dient de aangifte van overlijden te worden gedaan in de gemeente van aankomst, die in dat geval altijd als de plaats c.q. gemeente van overlijden wordt aangemerkt, ongeacht of het overlijden plaatsvond tijdens de reis of na de aankomst. Zie ook: Het Verlof tot begraven/crematie dient in deze gevallen te worden afgegeven in de gemeente van overlijden evenals, indien noodzakelijk, een laissez-passer. Sommige uitvaartondernemers, en zelfs ambtenaren van de burgerlijke stand in kleine havenstadjes, blijken ten onrechte nog wel eens te denken dat dan ook de aangifte, door de gezagvoerder of schipper, in 's-Gravenhage dient te moeten geschieden.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Aangifte van overlijden

    Artikel 19h

    1.      Tot de aangifte van een overlijden is bevoegd wie daarvan uit eigen wetenschap kennis draagt.

    2.      Binnen de in de Wet op de lijkbezorging (Stb. 1991, 130) gestelde termijn voor de begraving of verbranding, kan de persoon die in de lijkbezorging voorziet, door een in het eerste lid bedoelde persoon worden gemachtigd tot het doen van de aangifte.

    3.      Wanneer tot de aangifte bevoegde personen ontbreken of nalaten binnen de in de Wet op de lijkbezorging gestelde termijn voor de begraving of verbranding de aangifte te doen, geschiedt deze door of vanwege de burgemeester van de gemeente alwaar de akte van overlijden moet worden opgemaakt.

    4.      In de gevallen bedoeld in artikel 19f, tweede en derde lid, geschiedt de aangifte schriftelijk door de hulpofficier van justitie.

    Artikel 19i

    1.      Wanneer een kind levenloos ter wereld is gekomen, wordt een akte opgemaakt, die in het register van overlijden wordt opgenomen.

    2.      Wanneer een kind binnen de in artikel 19e, zesde lid, bepaalde termijn is overleden voordat aangifte van de geboorte is geschied, wordt zowel een akte van geboorte als een akte van overlijden opgemaakt.

    3.      In de in de vorige leden bedoelde gevallen is ten aanzien van de aangifte het bepaalde in artikel 19h van overeenkomstige toepassing. In het in het tweede lid bedoelde geval blijft artikel 19e buiten toepassing.

    Artikel 19j

    1.      Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld al wat betreft de aan de ambtenaar over te leggen stukken, het opmaken van de akten, onderscheidenlijk de voorlopige akten van geboorte en van overlijden, en de inhoud daarvan.

    2.      Bij algemene maatregel van bestuur wordt tevens geregeld:

    1. op welke wijze en waar de akten van geboorte en van overlijden zullen worden opgemaakt en ingeschreven wanneer dit ten gevolge van een verbod van verkeer of ten gevolge van andere buitengewone omstandigheden niet op de gewone wijze kan geschieden; en
    2. op welke wijze en waar overlijdensakten zullen worden opgemaakt van militairen en van andere personen, die tot de krijgsmacht behoren en die te velde, in de slag, of in s Rijks dienst buiten Nederland zijn overleden.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • In dienst van Defensie

    N.a.v. vragen hierover:

    Voor militairen en andere personen in dienst van de krijgsmacht, die tijdens een missie in het buitenland overlijden, is de gang van zaken geregeld in Paragraaf 10, artikel 32 van het Besluit op de lijkbezorging. Het woordje 'sneuvelen' wordt in de tekst zorgvuldig vermeden.......
    De afgifte van een verklaring van overlijden zal (meestal) door een medisch officier (arts) te velde zijn geschied. Aangifte van overlijden vindt dan in de gemeente Arnhem plaats, alwaar ook het Verlof tot lijkbezorging in Nederland of een 'laissez passer' moet worden afgegeven. Aangezien (meestal) sprake is van een niet-natuurlijk overlijden zal de Officier van Justitie in Arnhem, in overeenstemming met de door de Minister van Defensie aangewezen militaire autoriteit, vrijwel meteen besluiten tot vrijgave van het stoffelijk overschot aan de nabestaanden. Enige bemoeienis van een Nederlandse gemeentelijk lijkschouwer is dan overbodig of zal beperkt blijven tot het invullen van de B-verklaring op verzoek van de Officier van Justitie (volgens artikel 12a, tweede lid van de Wet op de lijkbezorging).
    Het CBS zal, als sprake is van de Nederlandse nationaliteit van de overledene en indien dat van toepassing is, het overlijden als gevolg van een 'externe factor' registreren onder de ICD-10 code Y35 (wettelijke interventie) of Y36 (oorlogshandeling).

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • De Inspectie in 1991

    Informatie voor artsen met betrekking tot de Wet op de Lijkbezorging 1991.
    Geneeskundige hoofdinspectie van de volksgezondheid, Rijswijk

    Het begrip "lijkvinding" in het nieuwe GHI bulletin op de lijkbezorging, met de aldaar gegeven toelichting (par. 2 ad f), blijkt tot misverstand aanleiding te geven. Sommige artsen geven aan de term 'lijkvinding" een te ruime interpretatie.
    "Lijkvinding" is niet meer dan wat er in het spraakgebruik onder wordt verstaan. Bijvoorbeeld: het aantreffen van een lijk langs de spoorbaan of op een afvalstortplaats. Maar ook het in eigen woning aantreffen van een stoffelijk overschot van iemand die al geruime tijd eerder blijkt te zijn overleden. In bet eerste geval gaat het doorgaans om een lijk waarvan noch de identiteit, noch de gemeente van overlijden terstond bekend zijn. In het tweede voorbeeld gaat het om een situatie waarin in eerste instantie bet tijdstip van overlijden zelfs niet bij benadering te bepalen is. Dit alles is "lijkvinding" en hierbij wordt uiteraard de gemeentelijk lijkschouwer ingeschakeld.
    Niet onder bet begrip "lijkvinding" vallen situaties waarbij de behandelend arts niet zelf bij het overlijden van zijn patint aanwezig was, maar korte tijd later wordt verwittigd of arriveert. Het tijdstip van overlijden valt dan vrijwel altijd binnen redelijke marge te bepalen en dan mag ook de verklaring van (natuurlijk) overlijden door de behandelend arts worden afgegeven. Kortom, de huisarts die zijn patint thuis dood aantreft kan, wanneer er geen aanleiding is om aan een niet-natuurlijke dood te denken, zelf de verklaring van overlijden afgeven en er is dan geen enkele reden om de gemeentelijk lijkschouwer in te schakelen.

    Inspecteur in algemene dienst
    Mr. B. Schultsz


    Bron: Medisch Contact van 12 oktober 1991, nummer 41 (46). pagina 1208


    Terug naar begin van deze pagina