Achtergrond informatie
Ter informatie voor medewerkers van hulpdiensten (ambulance, brandweer), SEH medewerkers van ziekenhuizen, mortuarium-medewerkers en obductie-assistenten plaatsen we de volgende:

Berging en transport bij overlijden

De rol van het ambulancevervoer

Overzicht inhoud:


Inleiding

Eenieder die wel eens een begrafenis bezoekt (wie overkomt dat niet?) weet dat er vaak lang en uitgebreid wordt gesproken over het 'hoe en waarom' de overledene aan zijn/haar einde is gekomen. Opmerkingen en gedragingen van hulpverleners rondom het levenseinde krijgen vaak een bijzondere betekenis in de rouwverwerking. Niet verwonderlijk willen soms nabestaanden ook na langere tijd nog eens spreken met degenen die rondom het levenseinde van hun dierbare aanwezig waren. Als de acute fase van rouwverwerking voorbij is komen vaak daarna de vragen over schuld en aansprakelijkheid naar voren. Voor de beantwoording van die vragen is het noodzakelijk dat alle omstandigheden rondom het overlijden zorgvuldig worden vastgelegd. Dat is een taak van de Politie.

Na overlijden zal het stoffelijk overschot op enig moment verplaatst dienen te worden van de plaats van overlijden naar de plaats van opbaring. Men noemt het voorbereidende proces van het opbaren ook wel het 'afleggen' van de overledene. Soms willen ook nabestaanden deel uitmaken van dit proces dat als een laatste 'verzorging' wordt gezien. Over het algemeen zal hiervoor een uitvaartondernemer worden ingeschakeld die dit proces begeleidt. In de praktijk blijken vragen te bestaan over wat eerst dient te gebeuren na overlijden voordat de opbaring kan beginnen, waarvoor meestal overbrenging van het stoffelijk overschot naar een mortuarium noodzakelijk is. Bij overlijden in de (semi)openbare ruimte (op straat, winkelcentra, bedrijf, kerk, sportveld, schouwburg, etc, etc.) bestaat soms onduidelijkheid over de wijze waarop dit vervoer dient plaats te vinden.

Uit de signalen die ons bereiken blijkt dat over het vervoer en de kostentoerekening van dit vervoer nogal eens misverstanden bestaan bij dienstdoende politieambtenaren, (huis)artsen, uitvaartondernemers en met name bij nabestaanden die soms onverwacht met onterechte facturen voor vervoer en bewaring van het stoffelijk overschot van hun inmiddels reeds begraven of gecremeerde dierbare worden geconfronteerd. Hieronder zullen wij ook op dit kostenaspect ingaan.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Vaststellen van overlijden

    Allereerst:
    Hulpverlening gaat (altijd!) boven het belang van opsporing en vervolging van evt. strafbare feiten of de vaststelling van aansprakelijkheid. Bij de geringste twijfel over het bestaan van een irreversibele dood (door welke aard of oorzaak dan ook) dient in dat geval onverwijld een reanimatie te worden opgestart c.q. te worden voortgezet. Dit is het primaat van de hulpverleningsdienst. Hierop zijn géén uitzonderingen of voorbehouden mogelijk.
    Hulpverleners zijn géén (buitengewone) opsporingsambtenaren, en behoren zich ook niet als zodanig te (willen) gedragen. Pas op het moment dat de reanimatiepoging definitief wordt gestaakt, en de dood op dat moment wordt vastgesteld, is sprake van overlijden en van een stoffelijk overschot (lijk). Na het vaststellen van de dood is geen sprake meer van hulpverlening. Hulpverleners die menen dat zij niet in staat zouden zijn om overlijden vast te stellen, of dat niet zouden 'mogen', dienen ernstig te twijfelen aan hun eigen competentie als zorgverlener. Zij zijn inderdaad niet bevoegd om een (wettelijk voorgeschreven) lijkschouw te verrichten, maar dat is wat anders als het vaststellen van overlijden of de vaststelling van de doodsoorzaak. Uiteraard dient de afgifte van een verklaring van overlijden altijd door een arts te geschieden.

    Het vaststellen van de dood kan door eenieder (met enig gezond verstand) geschieden. Nog steeds circuleren hierover allerlei 'indianen-verhalen' en fabeltjes. Zoals 'dat mag je alleen als het hoofd (duurzaam) gescheiden is van de romp...', en meer van dergelijke onzinnige beweringen.
    Dat het vaststellen van overlijden bij situaties van onderkoeling niet lichtvaardig mag geschieden zal voor eenieder duidelijk zijn. De praktijk van ambulancezorgverleners om een overledene na overlijden naar het ziekenhuis te vervoeren om de dood door een arts te laten vaststellen is in de laatste jaren niet meer gebruikelijk. Deze praktijk leek echter voornamelijk te berusten op het feit dat daarmee de kosten van de rit per ambulance ten laste van de zorgverzekeraar of de nabestaanden kon worden gebracht. Sinds de invoering van de Zorgverzekeringswet is dit niet meer mogelijk. We zullen hierop ook nader ingaan.

    Na het vaststellen van overlijden bepalen de omstandigheden rondom het overlijden de gang van zaken vóórdat kan worden overgegaan tot verplaatsing en vervoer van het stoffelijk overschot.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Procedure na overlijden

    Na het vaststellen van de dood door een ambulancezorgverlener, die hiertoe volledig bevoegd en bekwaam moeten worden geacht, is vervolgens een arts noodzakelijk die middels het uitvoeren van een lijkschouw moet vaststellen of er al dan niet sprake is van een natuurlijke dood; hiertoe is de ambulancezorgverlener niet bevoegd.

    Artitkel 76, lid 1 van de Wet op de lijkbezorging luidt:
      "Wanneer tekenen of aanduidingen van een niet-natuurlijke dood aanwezig zijn of wanneer in verband met andere omstandigheden een niet-natuurlijke dood niet uitgesloten geacht kan worden, mag het lijk niet worden vervoerd dan met verlof van de officier van justitie of een van zijn hulpofficieren."
    Hoe vreemd het in sommige gevallen ook moge klinken: totdat een arts of de gemeentelijk lijkschouwer vaststelt dat er onomstotelijk sprake is of moet zijn van een natuurlijke dood moet worden gesproken van een "Plaats Delict" die in afwachting van nader politieonderzoek (technische recherche) moet worden afgeschermd. Na vaststellen van de dood kan er geen sprake meer zijn van hulpverlening en komen de belangen van opsporing en vervolging (waarheidsvinding) op de eerste plaats. Het sporenbeeld ter plekke wordt 'bevroren' en mag in afwachting van nader technisch onderzoek niet meer worden verstoord of gewijzigd, ook niet door 'werkzaamheden' ter berging van het stoffelijk overschot: niet door een politieagent, niet door een uitvaartondernemer en ook niet door een medewerker van een ambulancedienst, die allen niet bevoegd zijn om op eigen gezag te beoordelen of er sprake is van een natuurlijk of niet-natuurlijk overlijden. Dit geldt ook voor alle verkeersongevallen met dodelijke afloop waarbij de plaats van het ongeval, op grond van niet-natuurlijk overlijden, ook met de term 'Plaats Delict' wordt aangeduid.

    Het niet in acht nemen van het bepaalde in artikel 76 wordt door de wetgever al sinds 1991 (!) opgevat als een overtreding van de wet en is strafbaar gesteld met een gevangenisstraf van drie maanden of een geldboete van de derde categorie (zie artikel 80 van de Wlb).

    Zonder een A-verklaring van natuurlijk overlijden van een arts (of de gemeentelijk lijkschouwer) mag een stoffelijk overschot ná de vaststelling van overlijden niet worden vervoerd of verplaatst dan met toestemming van de (hulp)Officier van Justitie.

    De A-verklaring geldt als het ware als een 'vervoerbewijs' waarmee de nabestaanden kunnen overgaan tot de lijkbezorging, waarvoor een verlof tot begraven of verbranden, af te geven door de ambtenaar van de Burgerlijke Stand, moet worden verkregen. Sinds 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer.

    Begrafenisondernemers (en ook medewerkers van het mortuarium van ziekenhuizen) zijn uitstekend op de hoogte van de wettelijke voorschriften en zullen niet overgaan tot verplaatsing of vervoer zonder een A-verklaring of expliciete toestemming of opdracht van de (hulp)Officier van Justitie.

    Meer informatie over de lijkschouw die door een arts moet worden uitgevoerd:::
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Sporenbeeld na hulpverlening

    Helaas blijkt dat een aantal medewerkers van hulpdiensten (en ook artsen) in de praktijk nog al eens denkt dat een lijkschouw niet meer betekent als het vaststellen van de dood en de doodsoorzaak en dat alleen bij misdrijven nader onderzoek noodzakelijk zou zijn en dat zulks bij ongevallen of zelfs bij suďcide niet noodzakelijk is omdat de doodsoorzaak 'toch wel duidelijk' is.

    Na het vaststellen van het overlijden krijgen de belangen van het sporenonderzoek voorrang. Dat geldt niet alleen voor misdrijven (moord en doodslag) maar ook voor zelfdoding, onduidelijke omstandigheden en (verkeers)ongevallen.

    Het is niet ongebruikelijk dat na een ongeval het verkeer voor geruime tijd wordt stilgelegd i.v.m. het technisch onderzoek (dit wordt ook regelmatig gemeld bij de file-meldingen op de radio). De berging (het vervoer) van overleden slachtoffers heeft hier niet de eerste prioriteit. Bij dodelijke verkeersongevallen vindt tegenwoordig eerst documentatie door de verkeerstechnische dienst plaats en worden alle omstandigheden intact gelaten voordat de 'Plaats Ongeval' wordt vrijgegeven door de (hulp)Officier van Justitie en de brandweer mag overgaan tot een schoonmaakactie. Sterker nog: de berging maakt vaak deel uit van het sporenonderzoek. Door de berging van slachtoffers kan het sporenbeeld onherstelbaar worden vernietigd zodat een betrouwbare reconstructie niet meer mogelijk is. Ter illustratie: de berging van de stoffelijke overschotten van de personen in de cockpit van een in begin 2009 verongelukt vliegtuig (verkeersongeval) werd enige uren uitgesteld i.v.m. het technisch onderzoek.
    Waarheidsvinding is van belang i.v.m. de soms juridisch ingewikkelde aansprakelijkheidsvragen. Ook de VOA (de dienst VerkeersOngevallen Analyse) moet sinds de invoering van het Programma Versterking Opsporing en Vervolging werken volgens de zgn. FT-normen (forensisch technische normen). Deze FT-normen bestaan voor alle soorten van situaties om te zorgen dat geen sporen verloren gaan. Het gezag over de opsporing ligt bij de Officier van Justitie; de verantwoordelijkheid voor een zorgvuldige uitvoering ligt bij de Politie. De rol van de gemeentelijk lijkschouwer blijft beperkt tot de vaststelling dat er (vrijwel altijd) sprake is van een niet-natuurlijk overlijden. De zorgvuldige opheldering van de toedracht en de omstandigheden (de waarheidsvinding) is van groot belang voor de nabestaanden bij de verwerking van de altijd onverwachte gebeurtenis bij een niet- natuurlijk overlijden. De snelheid van de berging van een dodelijk slachtoffer is niet van belang.

    Bedacht moet worden dat sporen veroorzaakt door hulpverlening (infuus, intubatie, electrodes, hartmassage, defibrillatie, verwijderde kleding etc.) of berging van slachtoffers (drukplekken, schaafwonden, afgescheurde kleding, etc) bij de uitwendige lijkschouw tot vele (soms verkeerde en misleidende) interpretaties kunnen leiden. Soms zal ook de berging van overleden slachtoffers (taak van de brandweer en niet van de ambulancezorgverleners) zo goed als mogelijk worden gedocumenteerd. Na het vaststellen van de dood is er geen 'urgentie' van hulpverlening meer aanwezig. Bij (al of niet vermoede) misdrijven wordt het stoffelijk overschot niet in eerste instantie geborgen maar wordt vaak urenlang op de vindplaats onaangeroerd gelaten en middels een provisorische overkapping afgeschermd.

    In de praktijk wordt vaak gezegd dat het stoffelijk overschot 'in beslag is genomen' door de Officier van Justitie. Strikt juridisch genomen kan een stoffelijk overschot niet 'in beslag' worden genomen. Vervoer (verplaatsing) is echter alleen mogelijk met toestemming van de Officier van Justitie. Het stoffelijk overschot verkeert derhalve 'in berusting' op last van het Openbaar Ministerie. Dit vloeit voort uit het bepaalde in artikel 76 van de Wlb.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Het vervoer van overledenen

    De wet kent geen bijzondere voorschriften over de wijze van vervoer van stoffelijke overschotten bij een natuurlijke dood direct na het overlijden. Op welke wijze het stoffelijk overschot wordt vervoerd of verplaatst is volledig vrij (per ambulance, per lijkwagen van de begrafenisondernemer, per vliegtuig of desnoods per paard en wagen of zelfs per bakfiets) en behoort ook niet tot de bemoeienis van Politie of Justitie. Voordat kan worden overgegaan tot vervoer (=verplaatsing) van het stoffelijk overschot is de situatie die met het overlijden is ontstaan van belang. Indien het duidelijk is dat er sprake moet zijn van een niet-natuurlijke dood, een ernstig vermoeden van een niet-natuurlijke dood, twijfel aan een natuurlijke dood of twijfel aan een niet-natuurlijke dood mag geen enkele arts een verklaring van overlijden afgeven en dient de Politie te worden gealarmeerd die op haar beurt de gemeentelijk lijkschouwer (forensisch arts) zal inschakelen. Ook de forensisch arts kan niet overgaan tot verplaatsing of vervoer van het stoffelijk overschot zonder formele of verkregen toestemming van de (hulp)Officier van Justitie.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Betrokkenheid zorgverleners

    Voor de betrokkenheid van hulpverleners bij overlijden en de rol van de justitiële instanties daarbij zijn vier mogelijkheden of situaties van belang:

    1. Zorgverlener stelt bij aankomst irreversibele dood vast (géén reanimatie)
    2. Er wordt een reanimatiepoging gestart maar betrokkene overlijdt ter plekke (dood wordt vastgesteld)
    3. Betrokkene wordt in ambulance vervoerd, maar overlijdt tijdens transport vóór aankomst in ziekenhuis
    4. Betrokkene overlijdt kort ná aankomst in ziekenhuis
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • 1. Irreversibel overlijden

    De omstandigheden rondom het overlijden dienen te worden opgehelderd. Bij een ongeval (in woning, een bedrijfspand, op straat of waar dan ook) is duidelijk sprake van een niet-natuurlijke dood (externe factor draagt bij aan het overlijden) en moet de Politie worden ingeschakeld. Daarmee is feitelijk sprake van een Plaats Delict waarbij niets aan de aangetroffen omstandigheden veranderd mag worden. Hulpverlening speelt geen rol meer. De Politie zal overleg plegen met de (hulp)OvJ om te besluiten op welke wijze verder dient te worden gehandeld en over de noodzaak van verder onderzoek ter plaatse. Indien de hulp(OvJ) hiertoe toestemming verleent kan worden overgegaan tot berging c.q. vervoer van het stoffelijk overschot. In uitzonderlijke gevallen kan de gemeentelijk lijkschouwer ter plaatse worden gevraagd. Meestal zal na documentatie van de omstandigheden de formele lijkschouw plaatsvinden in een mortuarium. Vervoer zal dan plaats vinden naar een door de (hulp)OvJ aan te wijzen locatie en de gemeentelijk lijkschouwer zal door de Politie in kennis worden gesteld.

    De gebruikelijke gang van zaken is dat de Politie contact opneemt met de 'dienstdoende' begrafenisondernemer die met een lijkwagen ter plaatse verschijnt. Indien de hulp(OvJ) hiermee akkoord gaat kan het vervoer per ambulance plaatsvinden hoewel hiertoe geen enkele medische noodzaak bestaat. Aanwijzingen van de (hulp)OvJ of Politie over de condities van het vervoer dienen te worden opgevolgd (kleding intact laten, voorwerpen niet verwijderen, etc.). Voor het vervoer van stoffelijke overschotten van slachtoffers van misdrijven bestaat sinds 1 januari 2009 een speciale richtlijn in de vorm van een FT-norm.

    Indien er niet duidelijk sprake is van een niet-natuurlijk overlijden kan de behandelend arts (huisarts) van de overledene worden ingeschakeld. Deze zal een lijkschouw verrichten om te bepalen of er sprake is van een natuurlijke dood en zal in dat geval een A-verklaring afgeven. Indien deze arts niet overtuigd is van een natuurlijke dood is er 'juridisch-technisch' sprake van een Plaats Delict en moet de Politie worden ingeschakeld die in dat geval de gemeentelijk lijkschouwer zal inschakelen voor nader onderzoek. Daarmee treedt in feite dezelfde situatie op als bij een niet-natuurlijke dood door ongeval.

    Op het moment dat er een A-verklaring is afgegeven komt het stoffelijk overschot daarmee ter beschikking van de nabestaanden die dan in feite kunnen beslissen over de wijze waarop het stoffelijk overschot wordt verplaatst of vervoerd.

    In het geval dat er geen behandelend arts bereikt kan worden die de lijkschouw kan verrichten komt de zaak automatisch in handen van de Politie die in eerste instantie zal uitgaan van een niet-natuurlijke dood totdat de gemeentelijk lijkschouwer tot de conclusie komt dat er sprake is van een natuurlijke dood. Indien tijdstip van overlijden (datum) en/of de identiteit niet precies vaststaat spreekt de Politie in dit verband van 'lijkvinding', waarvoor een speciale procedure nodig is.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • 2. Reanimatiepoging - overlijden ter plekke

    Zoals eerder omschreven gaat hulpverlening altijd boven de belangen van opsporing en vervolging. Op het moment van overlijden is geen sprake meer van hulpverlening en treedt in feite de situatie op zoals omschreven onder punt 1. De locatie verandert 'juridisch-technisch' in een Plaats Delict totdat een arts een A-verklaring van natuurlijk overlijden afgeeft. Bij natuurlijk overlijden is geen sprake van een delict en kan ook geen sprake meer zijn van een Plaats Delict. Sinds 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • 3. Overlijden tijdens vervoer

    Hoewel ons hierover geen jurisprudentie bekend is gaan wij er van uit dat technisch gesproken nog geen sprake is van 'vervoer' op het moment dat betrokkene in het ambulance-voertuig wordt geplaatst en op dat moment nog niet is overleden, d.w.z. dat de irreversibele dood nog niet is vastgesteld.

    Op het moment dat het ambulancevoertuig gaat rijden is sprake van regulier vervoer van een slachtoffer. Er is sprake van hulpverlening. De actie die met de aanvang van het vervoer wordt ondernomen krijgt bij overlijden in een rijdend ambulancevoertuig een gevolg.

    Artikel 19g van het Burgerlijk Wetboek luidt
      "In geval van overlijden op Nederlands grondgebied in een rijdend voertuig of op een varend schip of tijdens een binnenlandse luchtreis met een luchtvaartuig, wordt de akte van overlijden opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar het lijk het voertuig, het schip of het luchtvaartuig verlaat, dan wel waar het schip ligplaats kiest. Die gemeente geldt als gemeente waar het overlijden heeft plaatsgevonden."
    Als overlijden wordt vastgesteld nadat het ambulancevoertuig zich in beweging heeft gezet, wordt als plaats van overlijden de gemeente van bestemming van het voertuig aangemerkt (de gemeente waar het ziekenhuis is gevestigd). Als overlijden wordt vastgesteld voordat het ambulancevoertuig gaat rijden treedt echter op dat moment artikel 76 van de Wlb. in werking waardoor eerst toestemming van de (hulp)OvJ noodzakelijk is om te vertrekken van de plaats van overlijden zoals beschreven onder punt 2.

    Bij aankomst in het ziekenhuis zou volgens de letter van de wet het stoffelijk overschot niet meer mogen worden verplaatst en zelfs niet uit het ambulancevoertuig mogen worden verwijderd zonder toestemming van de (hulp)OvJ. Vanuit praktische overwegingen zal de (hulp)OvJ waarschijnlijk akkoord gaan indien de overledene op de brancard van het ambulancevoertuig naar een afgeschermde ruimte wordt overgebracht en daar 'in berusting ' verblijft totdat een lijkschouw is uitgevoerd. De Politie zal in dit geval de gemeentelijk lijkschouwer waarschuwen. Indien bij de navolgende lijkschouw wordt vastgesteld dat sprake is van een natuurlijk overlijden wordt het stoffelijk overschot onmiddellijk ter beschikking van de nabestaanden gesteld. Aan de nabestaanden kunnen door de gemeentelijk lijkschouwer dan nadere inlichtingen worden verstrekt. Bij een niet-natuurlijk overlijden zal de gemeentelijk lijkschouwer de (hulp)OvJ informeren. Het verstrekken van inlichtingen aan de nabestaanden is dan alleen mogelijk na verkregen toestemming hiertoe van de Officier van Justitie.

    Het tijdsverloop tussen de aankomst van het stoffelijk overschot in het ziekenhuis en het moment dat de lijkschouw door de gemeentelijk lijkschouwer kan worden verricht is afhankelijk van de tijdsduur die de Politie nodig heeft voor opheldering van de omstandigheden. De gemeentelijk lijkschouwer zal de schouw verrichten in aanwezigheid van een politieambtenaar, die kennis draagt van de uitkomsten van het nader onderzoek, omdat eventueel het opmaken van een proces-verbaal noodzakelijk is.

    Indien de Officier van Justitie na kennisname van de bevindingen meteen besluit tot vrijgave van het stoffelijk overschot zal de gemeentelijk lijkschouwer meestal op dat moment de OvJ verzoeken om toestemming de nabestaanden in te lichten. Als deze toestemming niet wordt verkregen moeten de nabestaanden zich voor nadere inlichtingen (via de Politie) wenden tot de Officier van Justitie.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • 4. Overlijden in ziekenhuis

    Op het moment van aankomst in het ziekenhuis wordt de dienstdoende ziekenhuisarts op dat moment de behandelend arts. Hulpverlening heeft zoals altijd voorrang. In het geval dat betrokkene kort na de aankomst in het ziekenhuis overlijdt, zal de dan behandelend arts moeten besluiten of er sprake is van een natuurlijk of niet-natuurlijk overlijden en afhankelijk van zijn/haar bevindingen al of niet overgaan tot het inschakelen van de gemeentelijk lijkschouwer (bij twijfel of bij evident niet-natuurlijke dood). Sinds 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer. Na een ongeval is in elk geval sprake van niet-natuurlijk overlijden en dient de gemeentelijk lijkschouwer te worden ingelicht die dan meestal contact met de Politie zal opnemen voor nadere opheldering van de omstandigheden. Overigens is ook sprake van een niet-natuurlijke dood als betrokkene pas enige tijd later overlijdt aan de gevolgen (of complicaties) van een letsel of onbekende niet opgehelderde gebeurtenis. Hiervoor gelden de bekende procedures waarbij de ziekenhuisarts over het algemeen de gemeentelijk lijkschouwer direct zal inlichten.

    Vervoer per ambulance speelt hierbij geen rol meer. Ook dan geldt dat de gemeentelijk lijkschouwer contact zal opnemen met de Politie ter nadere opheldering van de omstandigheden die zich hebben voorgedaan voordat het overlijden plaatsvond. De lijkschouw zal ook dan, zoals aangegeven onder punt 3, plaatsvinden in aanwezigheid van een politieambtenaar.

    Samenvattend:
    Indien een A-verklaring van natuurlijk overlijden aanwezig is zijn er geen wettelijke voorschriften over de wijze van vervoer.
    Indien geen A-verklaring aanwezig is (zoals bij evident niet-natuurlijk overlijden) beslist de (hulp)Officier van Justitie over de wijze van berging en vervoer van het stoffelijk overschot nadat hierover advies is verkregen van de Politie en/of de gemeentelijk lijkschouwer.




  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Vervoer per ambulance?

    Om te kunnen beoordelen of het vervoer van een stoffelijk overschot per ambulance kan geschieden zijn een aantal wettelijke bepalingen van belang.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Oude wet vervallen

    De Wet ambulancevervoer (WAV) van 23 april 1971 bepaalde in artikel 1 de volgende definities:
      ambulance-auto: een in het bijzonder voor het vervoer van zieken en ongevalsslachtoffers ingericht motorvoertuig
      ambulancevervoer: vervoer van zieken en ongevalsslachtoffers en hun begeleiders met ambulance-auto's
    Deze wetgeving maakte geen onderscheid tussen nog levende personen en reeds overledenen. Daarmee bestond de legitimatie om ook stoffelijke overschotten van de Plaats Ongeval te vervoeren naar een ziekenhuis. Onder het motto dat de dood nog door een arts moest worden vastgesteld werden de kosten van dit vervoer dan in rekening gebracht bij de zorgverzekeraar of de nabestaanden.

    Een nieuwe Wet ambulancezorg (WAZ) verscheen op 19 februari 2009 in de Staatscourant en zou de oude Wet ambulancevervoer (WAV) uit 1971 moeten gaan vervangen.
    In het oorspronkelijke wetsvoorstel zouden ambulancezorgaanbieders een vergunning voor onbepaalde tijd krijgen. Deze oorspronkelijke voorgestelde procedure bleek echter niet “EU-proof” en daarmee zou de Nederlandse premiebetaler onnodig financieel risico lopen.
    De ministerraad heeft besloten de (nog) niet ingevoerde Wet ambulancezorg te wijzigen in een Tijdelijke wet ambulancezorg. De Tijdelijke wet ambulancezorg (Twaz) wijst zittende aanbieders voor vijf jaar aan. Een vervoerder die wordt aangewezen moet voldoen aan bepaalde kwaliteitseisen.
    In de nieuwe wet krijgen de zorgverzekeraars een centrale rol en wordt de ambulancezorg op regionaal niveau georganiseerd. Daarmee zal meer helderheid ontstaan in de aansturing en verantwoordelijkheden. Een belangrijk verschil met de oude wet is dat in elke veiligheidsregio één ambulancedienst actief is en niet meer meerdere ambulancediensten per regio zijn toegestaan. Nu de zittende vervoerders worden aangewezen, is het niet meer nodig om een vergunning aan te vragen. Dit bespaart tijd en leidt ook tot lagere administratieve lasten. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zal aan 25 ambulancediensten een vergunning verlenen. Eerder kon alleen de bestaande vervoerder in de regio een aanvraag indienen voor een vergunning. De Tijdelijke wet ambulancezorg wijst zittende aanbieders voor 5 jaar aan. Een vervoerder die wordt aangewezen moet voldoen aan bepaalde kwaliteitseisen. Als er in een regio meerdere aanbieders zitten, worden ze als samenwerkingsverband aangewezen. Als het niet lukt om een samenwerkingsverband tot stand te brengen, kan de minister een aanbieder aanwijzen of zelf een rechtspersoon oprichten.
    Op 11 maart 2010 hebben de minister van Volksgezondheid en Ambulancezorg Nederland (AZN) een convenant getekend met als belangrijkste punt het verder verbeteren van de kwaliteit en de doelmatigheid van de ambulancezorg door het invoeren van een benchmark, een efficiencykorting en het invoeren van prestatiebekostiging.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Tijdelijke wet ambulancezorg

    De nieuwe wet werd na behandeling in de Tweede Kamer bij stemming op 27 maart 2012 aanvaard. De vaste Commissie van VWS in de Eerste Kamer had op 20 april 2012 aangegeven geen bedenkingen te hebben; de wet werd op 24 april 2012 zonder beraadslaging en zonder stemming als hamerstuk aangenomen. De wet trad (definitief op 1 januari 2013) in werking en vervalt vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding.
    In de nieuwe (tijdelijke) wet staan de volgende definities:
      ambulance:: een voor het vervoer van zieken of gewonden ingericht motorvoertuig, vaartuig of helikopter;
      ambulancezorg: zorg, erop gericht een zieke of gewonde ter zake van zijn aandoening of letsel:
        1°. hulp te verlenen en per ambulance te vervoeren, of
        2°. hulp te verlenen via een ambulanceverpleegkundige met een speciaal daartoe uitgerust en als zodanig herkenbaar motorvoertuig;
    Met de invoering van de nieuwe wet per 1 januari 2013 is daarmee de 'legitimatie' vervallen om overledenen per ambulance te vervoeren. Bij het vervoer van overledenen is er geen sprake van een 'zieke of gewonde'. Van het behalen van individuele gezondheidswinst op basis van de zorgbehoefte van de patiënt is geen sprake. De zorg begint bij een melding aan de MKA en eindigt na behandeling ter plaatse als er geen nadere verwijzing of vervoer naar een zorginstelling noodzakelijk is.

    Door de wetswijziging is één aanspreekpunt ontstaan voor het aanbod van ambulancezorg in elke regio in de vorm van een Regionale Ambulancevoorziening (RAV). De nieuwe wet stelt regels vast voor een professionele organisatie van de ambulancezorg. De Kwaliteitswet zorginstellingen is van toepassing op de RAV waardoor de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) is belast met het toezicht op de uitvoering. De MKA (Meldkamer Ambulancezorg) heeft volgens artikel 4 en 5 van de nieuwe wet een regierol bij het proces van indicatiestelling, zorgtoewijzing en zorgcoördinatie. Een melding voor spoedeisende medische hulp komt binnen bij de meldkamer. Elke melding wordt door een MKA-centralist op inhoudelijke zorgbehoefte beoordeeld, en indien nodig wordt een ambulance ter plaatse gestuurd. Volgens artikel 4, lid 4, is het bij inwerkingtreding van de wet verboden om daadwerkelijk ambulancezorg te verlenen zonder opdracht van een meldkamer.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Besluit zorgverzekering

    Het vervoer van een overledene maakt géén onderdeel uit van het basistakenpakket van de zorgverzekering. De kosten van dit vervoer kunnen als dit per ambulance zou geschieden niet ten laste van de ziektekostenverzekering worden gebracht.

    Het Besluit zorgverzekering vermeldt in artikel 2.13, lid 1:
      Vervoer omvat ziekenvervoer per ambulance als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet ambulancevervoer, van de verzekerde over een afstand van maximaal 200 kilometer:
      1. naar een persoon bij wie of een instelling waarin hij zorg zal ontvangen waarvan de kosten geheel of gedeeltelijk ten laste van de zorgverzekering komen;
      2. naar een instelling waarin hij geheel of gedeeltelijk ten laste van de bijzondere ziektekostenverzekering als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten zal gaan verblijven;
      3. vanuit een instelling, bedoeld in onderdeel b, naar:
        1. een persoon bij wie of een instelling waarin hij geheel of gedeeltelijk ten laste van de bijzondere ziektekostenverzekering een onderzoek of een behandeling zal ondergaan;
        2. een persoon of instelling voor het aanmeten en passen van een prothese die geheel of gedeeltelijk ten laste van de bijzondere ziektekostenverzekering wordt verstrekt;
        3. naar zijn woning of een andere woning, indien hij in zijn woning redelijkerwijs niet de nodige verzorging kan krijgen, indien hij komt van een van de personen of instellingen, bedoeld in de onderdelen a, b of c.
    Er wordt onderscheid gemaakt tussen spoedeisend vervoer en planbaar vervoer. De spoedeisende zorg valt uiteen in A1- en A2-ritten. Bij een A1-rit bestaat gevaar voor het leven of blijvende invaliditeit bij een patiënt. De ambulance dient zo spoedig mogelijk en binnen uiterlijk 15 minuten na melding ter plaatse te zijn. De ambulance voert dan licht- en geluidssignalen. Bij een A2-rit bestaat geen direct levensgevaar, maar is snelle hulp wel wenselijk. De ambulance wordt dan geacht uiterlijk binnen 30 minuten ter plaatse te zijn. Bij planbaar vervoer, of B-ritten, moet men bijvoorbeeld denken aan het interklinische vervoer van (ernstig) zieke patiënten of aan het vervoer van patiënten van hun huis naar het ziekenhuis voor een bepaalde therapie of diagnostiek. B-ritten zijn in tegenstelling tot A1 en A2-ritten te plannen. In beide gevallen gaat het om reguliere ambulancezorg.

    Het is duidelijk dat er bij het vervoer van een overledene hooguit sprake kan zijn van een zgn. B-rit. Na het vaststellen van overlijden bestaat er geen levensgevaar. De tarieven voor het ambulancevervoer worden vastgesteld door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZA).

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Standpunt van de NZa

    Gevraagd naar de kosten van ambulancevervoer van overledenen deelde de Nederlandse Zorgautoriteit( NZa) ons het volgende mede:

    "In de definities van de ambulanceproducten is opgenomen dat er daadwerkelijke vervoer van een patiënt moet plaats vinden wil er sprake zijn van een declarabele rit. Als een patiënt overleden is voordat er gereden wordt dan is er geen sprake van vervoer van een patiënt. Het vervoer van een overledene is geen verstrekking onder de zorgverzekeringswet. Een verzekeraar zal deze kosten dan ook niet betalen.

    Voor een ambulancevervoerder bestaat er geen alternatief tarief dat gefactureerd kan worden voor dergelijk vervoer. De kosten van dit vervoer zijn dan ook voor rekening van de ambulancedienst. De totale kosten van een ambulancedienst worden echter gedekt door het budget en de tarieven voor de declarabele ritten waarmee ook voor de zorgaanbieder de risico's zijn beperkt."
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Overeenkomsten politie en uitvaartondernemers

    De zorgvuldigheid, waarmee de politie te werk gaat bij forensische onderzoeken, wordt ook verwacht van uitvaartverzorgers, rouwvervoerders en mortuariummedewerkers die op verzoek van de politie voor bepaalde taken worden ingeschakeld. Het belangrijkste doel is een verantwoorde 'chain of custody', het proces waarmee het veiligstellen, het onderzoek en het opslaan van onderzoeksmateriaal wordt aangeduid.

    Voor uitvaartverzorgers, rouwvervoerders en mortuariumbeheerders is het van belang dat zij opgeleid zijn voor contaminatiepreventie (het voorkomen dat sporen vermengd raken met ander materiaal). Daarnaast is het natuurlijk van belang dat de betrokken medewerkers een Verklaring omtrent het Gedrag (VOG) kunnen overleggen. Bij een niet-natuurlijk overlijden is voor het vervoer toestemming nodig van de (hulp)OvJ. (volgens art. 76 van de Wlb). Naar aanleiding van de conclusies van de commissie Posthumus zijn de Forensisch Technische Normen aangescherpt en aangevuld.

    In november 2007 werden de volgende FT-normen gepresenteerd:
    FT 1000.01 Schriftelijke en fotografische registratie van een slachtoffer op de plaats delict
    FT 1000.03 Verpakken van het slachtoffer op de plaats delict
    FT 1000.04 Het vervoer van het in beslaggenomen slachtoffer voor een vervolgonderzoek
    FT 1000.05 De opslag, het beheer en de inrichtingseisen van een politiemortuarium
    FT 1200.01 Lijkschouw

    Voor een uniforme uitvoering van het proces en ter assistentie van de (regio)politie bij deze invulling zijn voorstellen ontwikkeld welke zijn samengevat in een procesbeschrijving Deze FT-normen zijn met een ingangsdatum van 1 januari 2008 van kracht geworden met uitzondering van 1000.05 waarvoor een overgangsperiode van een jaar gold, gezien de infrastructurele eisen die de norm oplegt. Deze FT-norm is per 1 januari 2009 van kracht geworden.

    De (regio)politie is zelf verantwoordelijk voor de concrete invulling van de werkafspraken met de rouwvervoerder(s) en mortuariumbeheerder(s). De door de politie afgesloten overeenkomsten met regionale uitvaartondernemers over het (gecertificeerd) vervoer van stoffelijke overschotten is een direct uitvloeisel van de invoering van deze FT-norm.

    Deze ontwikkeling heeft echter ook schaduwkanten voor de nabestaanden: Totdat sprake is van vrijgave van het stoffelijk overschot aan de nabestaanden heeft het bepaalde in artikel 76 van de Wlb onvermijdelijk tot gevolg dat de politie c.q. de (hulp)Officier van Justitie (OvJ) verantwoordelijk is en wordt voor het vervoer én als gevolg daarvan ook voor de kosten van dit vervoer. Vervoer van een stoffelijk overschot per ambulance is in dat geval alleen mogelijk indien aan de volgende vier voorwaarden wordt voldaan:
    1. De politie in de persoon van een hulpofficier (gemachtigd door de OvJ), een daadwerkelijk verzoek doet tot de tenuitvoerlegging van dit vervoer, én
    2. De kosten van dit vervoer ten laste komen van de Politie of het OM, én
    3. Het vervoer per ambulance voldoet aan de eisen en voorschriften die door de Politie en/of het OM aan dit soort vervoer worden gesteld (FT-normen), én
    4. De centralist van de MKA instemt met de inzet van een ambulance voor dit doel.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Natuurlijk overlijden

    Vervoer van stoffelijke overschotten per ambulance kan niet ten laste worden gebracht van de ziektekostenverzekeraar.

    De MKA (Meldkamer Ambulancezorg) is verantwoordelijk voor het proces van indicatiestelling, zorgtoewijzing en zorgcoördinatie. Een melding voor spoedeisende medische hulp komt binnen bij de meldkamer. Elke melding wordt door een MKA-centralist op inhoudelijke zorgbehoefte beoordeeld, en indien nodig wordt een ambulance ter plaatse gestuurd.

    Vervoer van een overledene vanaf de plaats van overlijden per ambulance is volgens de wetgeving in principe mogelijk indien aan de volgende drie voorwaarden wordt voldaan:
    1. Een verklaring van natuurlijk overlijden (A-verklaring) door een hiertoe bevoegde arts, ná de lijkschouw, is afgegeven, én
    2. De nabestaanden verzoeken om en daadwerkelijk instemmen met deze wijze van vervoer (waarvan zij de kosten zullen moeten betalen), én
    3. De centralist van de MKA instemt met de inzet van een ambulance voor dit doel.
    De overbrenging van de overledene van de plaats van overlijden naar het mortuarium van de begrafenisondernemer wordt in sommige gevallen gedekt door de uitvaartverzekering of wordt anders extra in rekening gebracht bij de nabestaanden. Ook als de overledene eerst wordt vervoerd naar een ziekenhuis zullen de nabestaanden alsnog moeten betalen voor het vervoer van het ziekenhuis naar het mortuarium van de uitvaartondernemer. Dit betekent dat voor de nabestaanden 'dubbele' vervoerskosten ontstaan.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Overlijden in de openbare ruimte

    Bij onze overweging van het bovenstaande blijft nog één, overigens niet zeer uitzonderlijke, situatie over waarbij het vervoer en de aansprakelijkheid voor de kosten van het vervoer van een stoffelijk overschot tot onduidelijkheid zou kunnen leiden. Het betreft hier de situatie waarbij door een (huis)arts ter plaatse een A-verklaring van natuurlijk overlijden wordt afgegeven. Het inschakelen van de politie, de gemeentelijk lijkschouwer of de OvJ is dan overbodig. Sinds 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer.

    Te denken valt hierbij aan alleenstaanden en daklozen die na overlijden in een woning of tehuis (soms na enig tijdsverloop) worden aangetroffen. Ook bij plotseling overlijden in de (semi)openbare ruimte zoals recreatieoorden, sportvelden, bibliotheken, kerken, winkelgebieden, etc, etc, kan hiervan sprake zijn. In de meerderheid van deze gevallen is vaak een gealarmeerde ambulance en een (huis)arts ter plaatse verschenen. In hoeverre bij situaties in de openbare ruimte een arts, vaak zonder volledig onderzoek en zonder twijfel, kan besluiten dat het een natuurlijk overlijden betreft, laten we hier buiten ons oordeel of beschouwing. Het verplaatsen c.q. verwijderen van het stoffelijk overschot met overbrenging naar een dichtstbijzijnd mortuarium kan in dat geval met spoed wenselijk of noodzakelijk zijn op grond van overwegingen van handhaving van de openbare orde (stankoverlast, ligging in openbare ruimte, volksoploop, geschokte omstanders, etc.).

    Indien geen nabestaanden aanwezig of traceerbaar zijn komen de verantwoordelijkheid voor het vervoer en de kosten van dit vervoer, bij een vastgesteld natuurlijk overlijden, op dat moment volgens de wet in handen van de burgemeester die hiertoe de Politie aanwijzingen kan geven op grond van artikel 21 van de Wlb. Hiermee werd ook rekening gehouden in de nieuwe Wet ambulancezorg (WAZ) die in artikel 8 voorzag in een toevoeging van een nieuw artikel 2a aan de Wet geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen (GHOR) - die overigens op 1 oktober 2010 verviel - en luidde:
      "Onverminderd het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4 en 5 van de Wet ambulancezorg, is de burgemeester bevoegd de Regionale Ambulancevoorziening in de regio waarvan zijn gemeente deel uitmaakt, aanwijzingen te geven indien dat naar zijn oordeel noodzakelijk is uit een oogpunt van openbare orde."
    Dit zou betekend hebben dat op aanwijzing van de burgemeester door de Politie ook een ambulance zou kunnen worden ingezet voor het vervoer van het stoffelijk overschot nádat een natuurlijk overlijden door een arts is vastgesteld. De kosten van dit vervoer kunnen door de burgemeester verhaald worden op de nabestaanden volgens artikel 22 van de Wet op de lijkbezorging. Uiteraard zullen de kosten van vervoer per ambulance niet hoger kunnen/mogen uitvallen dan het meer voor de hand liggende reguliere tarief voor dit vervoer en de uitvoering van dit vervoer door een uitvaartondernemer. Het is overigens de vraag of de wetgever met bovenstaand wetsartikel, dat niet in werking is getreden (doordat de Wet Ambulancezorg is vertraagd), doelde op het per ambulance vervoeren van stoffelijke overschotten.

    In de praktijk betekent dit dat de, meestal in dit soort situaties ook ingeschakelde, Politie gebruik zal maken van de afspraken die hierover met de (dienstdoende) plaatselijke uitvaartondernemers bestaan en slechts in uitzonderlijke gevallen zal kiezen voor een aanwijzing tot vervoer per ambulance. Ook bij hulpverlening ná ongevallen en rampen heeft het vervoer van stoffelijke overschotten (berging) geen voorrang.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Samenvatting

    Hulpverlening heeft te allen tijde voorrang boven opsporing en vervolging. Pas bij vaststelling van overlijden komen de belangen daarvan in beeld.

    Vervoer van overledenen kan sinds de invoering van de Zorgverzekeringswet niet (meer) tot een taak van de ambulancezorg worden gerekend. Voor een dergelijk vervoer is een opdracht van de MKA noodzakelijk. Niet de ambulanceverpleegkundige beslist of een overleden patiënt in aanmerking komt voor vervoer naar een ziekenhuis of mortuarium maar de centralist van de MKA.

    In alle gevallen waar artikel 76 van de Wlb van toepassing is kunnen de kosten van vervoer, totdat het stoffelijk overschot door de OvJ is vrijgegeven, vanwege Politie, uitvaartondernemer of ambulancedienst niet ten laste gebracht worden van de nabestaanden.

    Dit geldt ook voor kosten van overbrenging naar een ziekenhuis of bewaring in een (politie)mortuarium. De kosten van een opsporingsonderzoek kunnen niet in rekening worden gebracht bij de nabestaanden. Dit geldt bij elk niet-natuurlijk overlijden of een vermoeden daarvan, ongeacht of het een plotseling onverklaard overlijden op straat of in een woning, een misdrijf of een ongeval betreft.

    Indien de ambulancedienst de bereidheid heeft om in voorkomende gevallen het stoffelijk overschot van een niet-natuurlijk overlijden, na verkregen toestemming van de (hulp)OvJ en zonder kosten voor Politie of nabestaanden, naar een ziekenhuis of elders te vervoeren lijken daar op geen enkele wijze bezwaren tegen te kunnen bestaan. Uiteraard voor zover de MKA instemt met de inzet van een ambulance voor dit doel. De keuze voor de uitvoering van het vervoer (door ambulancedienst of door een gecertificeerde uitvaartondernemer) ligt dan bij de Politie c.q. de Officier van Justitie.

    Op welke wijze de ambulancedienst over de kosten van het vervoer en over de condities van dit vervoer afspraken wil maken met Politie/Justitie is voor de forensisch-geneeskundige beoordeling niet van belang.

    Met de afgifte van een verklaring van natuurlijk overlijden door de behandelend arts of de gemeentelijk lijkschouwer staat het stoffelijk overschot op dat moment ter beschikking van de nabestaanden. Enige bemoeienis van politie of justitie is daarbij overbodig en niet aan de orde. Na het vaststellen van overlijden en de navolgende lijkschouw komen de kosten van het vervoer van het stoffelijk overschot naar een mortuarium of elders ten laste van de nabestaanden. Over het algemeen zullen de nabestaanden zich wenden tot een uitvaartondernemer die in overleg met hen de verdere afwikkeling tot en met de begraving of crematie zal verzorgen. Met de A-verklaring van natuurlijk overlijden zal de ambtenaar van de burgerlijke stand een akte van overlijden opstellen en vervolgens een verlof tot begraving/crematie afgeven. Dit verlof moet worden overlegd voordat de beheerder van een begraafplaats/crematorium mag overgaan tot de definitieve lijkbezorging.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Tot slot:

    De informatie op deze webpagina wordt voortdurend aangepast en aangevuld naar aanleiding van opmerkingen, correcties, suggesties voor verbetering, etc.
    Als u ook een bijdrage wilt leveren of wat mist: laat het ons dan weten via:


    forum@fomat.nl.