Bronnen: o.a. wetten.nl en justitie.nl

Forensisch bloed- en sporenonderzoek

Overzicht:


Bloedafname art. 8 WVW

Zowel bij artsen als ook bij medewerkers van ziekenhuizen (en ook bij politie-ambtenaren) blijken nogal eens misverstanden te bestaan over de 'bloedafname' die op verzoek van het Openbaar Ministerie (de Officier van Justie) kan worden verlangd bij de verdenking van bovenmatig alcoholgebruik (of het gebruik van andere middelen die de rijvaardigheid beďnvloeden) bij verkeersdeelnemers. Hieronder de relevante wetgeving die hierop betrekking heeft:
  • Artikel 8 e.a. uit de WVW (Wegenverkeerswet)
    Lid 1: Gebruik middelen.
    Lid 2: Onder invloed alcohol.
  • 20 mei 2015: Drugstest automobilisten wordt jaar uitgesteld
    De doelstelling om vanaf 1 juli 2015 te beginnen met het controleren van automobilisten wordt niet gehaald
  • Besluit alcoholonderzoeken
    Is per 1 juli 2017 vervallen
  • Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer
    Is per 1 juli 2017 in werking getreden
    Zie: Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet


  • Met de volgende teksten:

    §4.2. Bloedonderzoek
    (accentuering toegevoegd door de FOMAT)

    Artikel 12
    1. Ten behoeve van het bloedonderzoek neemt een arts of verpleegkundige door middel van een venapunctie twee buisjes bloed van de verdachte af of, indien een venapunctie vanuit medisch oogpunt niet verantwoord is, door middel van een infuus. In afwijking van de eerste volzin mag de arts of verpleegkundige ook een buisje bloed van de verdachte afnemen indien het vanuit medisch oogpunt niet verantwoord is, twee buisjes bloed van hem af te nemen. De hoeveelheid bloed dat ieder buisje dient te bevatten, wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
    2. De bloedafname geschiedt met de hulpmiddelen die bij ministeriële regeling zijn voorgeschreven.
    3. Indien het bloedonderzoek is gericht op de vaststelling van het gebruik van een of meer van de in artikel 2 aangewezen stoffen of een of meer van de stoffen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 27, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 4, eerste lid, van de Spoorwegwet, artikel 41, eerste lid, van de Wet lokaal spoor of artikel 2.12, eerste lid, van de Wet luchtvaart, geschiedt de bloedafname uiterlijk binnen anderhalf uur nadat de verdachte is gevorderd zijn medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek als bedoeld in artikel 4 of 8 of, indien die vordering niet is gedaan, binnen anderhalf uur na het eerste contact tussen de opsporingsambtenaar en de verdachte dat aanleiding was om de verdachte te vragen zijn medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek. Van die termijn kan alleen vanwege bijzondere omstandigheden worden afgeweken. De vorige volzinnen zijn niet van toepassing indien het bloedonderzoek is gericht op de vaststelling van het gebruik van alcohol.
    4. De arts of verpleegkundige ontvangt voor de bloedafname een vergoeding van de organisatie waarbij de opsporingsambtenaar werkzaam is en die voor de bloedafname zorgdraagt.


    Artikel 13
      1. Bij de bloedafname, bedoeld in artikel 12, eerste lid, is een opsporingsambtenaar aanwezig, die:
      1. van de bloedafname een proces-verbaal opmaakt dat hij voorziet van een sporenidentificatienummer en de naam, het geslacht, de geboortedatum en -plaats en het geboorteland en het burgerservicenummer van de verdachte van wie het bloed is afgenomen, of, indien deze gegevens van de verdachte onbekend zijn, andere gegevens waarmee zijn identiteit kan worden vastgesteld,
      2. een eventueel door de arts of verpleegkundige afgelegde schriftelijke verklaring over de door hem gedane waarnemingen ten aanzien van de verdachte als bijlage bij het proces-verbaal, bedoeld onder a, voegt,
      3. ervoor zorgt dat ieder buisje met bloed voorzien is van een sporenidentificatienummer, en
      4. ervoor zorgt dat de buisjes of het buisje met bloed zo spoedig mogelijk in een bij ministeriële regeling voorgeschreven verpakking die hij van een of meer fraudebestendige sluitzegels of een fraudebestendige afsluiting heeft voorzien, worden of wordt bezorgd bij het laboratorium, bedoeld in artikel 14, tweede lid.
      2. De opsporingsambtenaar wijst de verdachte bij de bloedafname erop dat hij het recht op tegenonderzoek heeft, indien het verslag van het bloedonderzoek, bedoeld in artikel 16, tweede lid, het vermoeden bevestigt dat hij artikel 8, eerste, tweede, derde of vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 27, eerste of tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 4, eerste of tweede lid, van de Spoorwegwet, artikel 41, eerste of tweede lid, van de Wet lokaal spoor of artikel 2.12, eerste of derde lid, van de Wet luchtvaart heeft overtreden, tenzij de bloedafname in het kader van een tegenonderzoek geschiedt.

    Artikel 23
    Het Besluit alcoholonderzoeken wordt ingetrokken.


  • Regeling bloed- en urineonderzoek
    Vervallen per 1 juli 2017
  • Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer
    Geldend vanaf 1 juli 2017
    In artikel 6 staat het materiaal voor de bloedafname beschreven
  • Wetboek van Strafrecht: artikel 184
  • 1 juni 2015: Instructie handhaving rijden onder invloed (2015I004)
    Regels voor het opsporen van het College van procureurs-generaal
  • De inzet van forensisch verpleegkundigen bij bloedafname
    Wetsvoorstel werd op 23 september 2014 aangenomen door Eerste Kamer
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Algemeen

    Het is belangrijk om te bedenken dat het simpelweg aantonen dat iemand alcohol of andere middelen (die op indicatie en/of verzoek bij het NFI kunnen worden aangetoond) heeft gebruikt uitsluitend een strafvorderlijk doel kan dienen indien betrokkene wordt verdacht van een overtreding in de zin van art.8 WVW en niet voor andere doeleinden. Dit is helaas niet altijd duidelijk voor de ambtenaren van politie en het OM. Ook voor een aantal forensisch artsen, zo blijkt in de praktijk uit de met enige regelmaat weer opduikende verhandelingen over dit onderwerp, is dit niet altijd even duidelijk.

    Elke afwijking van de voorgeschreven procedure, zoals die in bovengenoemde wet- en regelgeving is omschreven, kán - maar behoeft zeker niet en ook lang niet altijd - te leiden tot een afwijzing van het 'bewijsmiddel'. Dit is ter finale beoordeling aan de rechter. Op zich is de contstatering van 'afwijkend rijgedrag' van de bestuurder door een opsporingsambtenaar al voldoende. Bij ernstige vormfouten of een cumulatie van afwijkingen in de procedure zal de OvJ afwegen of tot een sepot moet worden besloten.

    Artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering luidt:
    "Strafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de wet voorzien."

    Om rechtsongelijkheid en 'willekeur' bij de strafvordering te voorkomen zijn een groot aantal waarborgen, waaraan de opsporingsambtenaar zich dient te houden, in de wetgeving voorgeschreven (toestemming van betrokkene, de vordering tot medewerking, gebruik van voorgeschreven materiaal, aanwezigheid van opsporingsambtenaar bij de bloedafname, correctie-aftrek van driemaal de theoretische standaardafwijking van de vastgestelde bloedspiegel, etc.). Alle factoren die leiden tot een verlaging van het uiteindelijk vastgestelde bloed-alcohol gehalte of van de aantoonbaarheid van andere middelen in het afgenomen bloedmonster (tijdsverloop, bloedverlies, toediening van infusen, medicatie, bloedtransfusies, etc.) vallen in principe altijd uit in het voordeel van de verdachte. Als bij het NFI per post een buisje met 'rood gekleurde vloeistof' bestempeld als 'bloedmonster' (al of niet verdund met of dóór infuusvloeistof) wordt aangeleverd in de voorgeschreven verpakking is dát 'bloed' het bewijsmiddel en zal dááruit de bloed-alcohol-concentratie en/of de aanwezigheid van andere middelen worden bepaald. Die bepaling geldt, met toepassing van de correctie-factor, als enig bruikbare wettig bewijs voor het OM. Hetzelfde gold voor een urine-monster waarvan de toepasbaarheid per 1 juli 2017 werd ingetrokken. Discussies over de juistheid van de bepalingen bij het NFI, waarvoor de mogelijkheid van contra-expertise is ingeruimd, de toepasbaarheid van de wetgeving, of de door de wetgever aangelegde criteria, behoren tot het domein van de advocatuur en de politiek. Intussen is een uitgebreide en indrukwekkende jurisprudentie ontstaan. Wanneer er andere stoffen dan alcohol in het geding zijn, zoals medicijn en/of drugsgebruik, is van belang dat bij het gebruik van psychotrope stoffen tot een bewezen- en strafbaarverklaring kan worden gekomen óók als de bestuurder niet daadwerkelijk op gevaarlijke wijze heeft gereden. Zie hierover de uitspraken in HR 1-6-2004, VR 2005,43 en HR 21-12-2004, VR 2005,44.
    (Bron: OM Aanwijzing onderzoek rijden onder invloed)

    Een 'verplichte bloedafname' is alleen mogelijk bij personen die worden verdacht van een overtreding van art. 8 WVW, d.w.z. alleen bij bestuurders (in de zin van de wet) en niet bij andere personen die niet als bestuurder kunnen worden aangemerkt. Een inzittende van een taxi of een voetganger is geen bestuurder en kan niet zo maar 'onderworpen' worden aan een bloedafname. Art. 8 WVW is niet bedoeld, en kan ook niet als zodanig gebruikt worden, voor het aantonen van openbare dronkenschap of het gebruik van (genees)middelen (zie hieronder).

    Artikel 8 WVW is niet een soort 'vrijbrief' voor de uitvoerende macht om naar believen en willekeur en zonder enige beperking over te gaan tot het uitvoeren van blaastesten. speekseltesten en bloedproeven. De wet vraagt in feite van burgers om mee te werken aan de 'eigen veroordeling'. De wet beoogt een redelijk doel nl. het bevorderen van de verkeersveiligheid en de inbreuk op een belangrijk rechtsprincipe is daarom door de wetgevende macht als proportioneel en aanvaardbaar beoordeeld.

    Volgens artikel 163, lid 4, van de WvW is de toestemming van een betrokkene noodzakelijk vóórdat kan worden overgegaan tot een bloedafname.

    Bij een alcohol controle zal de ambtenaar de bestuurder, volkomen correct en terecht, eerst vriendelijk verzoeken (en niet bevelen) om medewerking te verlenen aan het uitvoeren van een 'blaastest'. Pas als iemand dat weigert of niet kan blazen volgt de volgende stap in de systematiek van art.8 WVW die veronderstelt, en zo is het ook in de wet omschreven, dat er dan een redelijke verdenking moet bestaan. Niet alleen burgers maar ook wetshandhavers, en forensisch artsen (!), dienen zich aan de wet te houden. De wet dient per slot van rekening ook voor de bescherming van de rechten van burgers. Postmortale afname van bloed- en/of urine kan niet gerechtvaardigd worden op grond van art. 8 WVW. Een overledene kan geen verdachte meer zijn. Indien een bewusteloze betrokkene overlijdt ná de bloedafname, zonder de mogelijkheid om toestemming of weigering voor de medewerking aan het onderzoek kenbaar te maken, dient het bloedmonster te worden vernietigd. Aldus was bepaald in art. 16, lid 2, van het Besluit alcoholonderzoeken, dat per 1 juli 2017 werd ingetrokken. Ook in de nieuwe wetgeving werd dit erkend.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Richtlijn voor de bloedafname

    Het Forensisch Medisch Genootschap (FMG) heeft de volgende richtlijn uitgegeven met een omschrijving van de uitvoering van de procedure: Opmerking:
    Het verrichten van medische handelingen en adviseringen die niet de bescherming van de gezondheid van de betrokkene tot voornaamste doel hebben - en daar is bij bloedafname door een forenisch (werkzame) arts of vepleegkundige sprake van - zijn sinds 1 januari 2008 in principe aan de heffing van omzetbelasting (BTW) onderworpen.
    Bron: Besluit van 28 februari 2008, nr. CPP2008/78M, Stcrt. nr. 50
    (zie in de bijlage onder kopje 'Niet vrijgestelde diensten')

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Voor de forensisch arts en verpleegkundige:

    Van belang is dat de wet voorschrijft dat de bepaling geschiedt uit veneus bloed. Als dit om wat voor (logistieke, organisatorische, medische, etc.) reden niet afgenomen kan worden dient hiervan te worden afgezien en dit aan de opsporingsambtenaar meegedeeld te worden. Hierbij dient bedacht te worden dat medische behandeling altijd voorrang heeft boven de belangen van opsporing en vervolging.

    Het is niet noodzakelijk om het afsluitrubber op de monsterbuis te desinfecteren. Bij de procedure van bloedafname mogen (logisch!) geen desinfectantia op alcoholbasis gebruikt worden.

    Volgens artikel 13 van de Regeling bloed- en urineonderzoek (dat per 1 juli 2017 werd ingetrokken) mochten ook andere, dan die volgens de wet door het NFI aangewezen, onderzoeksmaterialen gebruikt worden, die tenminste aan gelijkwaardige technische eisen voldoen. Er is dus geen sprake van een 'verplichting' om bij de bloedafname uitsluitend de in het bloedblok aanwezige spuit en naald te gebruiken. Dat is volledig ter beoordeling van de arts of verpleegkundige die het bloedmonster 'lege artis' afneemt.

    Volgens de wet voorziet de (verplicht aanwezige) opsporingsambtenaar de verzamelde bloedmonsters van een genummerd en op naam gesteld identiteitszegel. Alleen dan ontstaat de wettelijk verplichte 'chain of evidence' die het bloedmonster koppelt aan de verdachte. Het behoort dus niet tot de opgave van de arts of verpleegkundige om dit zelf te doen (of te willen doen). De regelgeving is duidelijk hierover. De forensisch (werkzame) arts beschikt niet over de bevoegdheden van een (buitengewoon) opsporingsbambtenaar. Afwijzing van het bewijsmiddel door het NFI wegens 'foute bestickering' kan achteraf niet aan de forensisch arts of verpleegkundige worden verweten.

    Het tijdstip van de afname dient in het proces-verbaal vermeld te worden om het tijdsverloop sinds de vordering tot medewerking te bepalen. Het gaat niet om de 'klinische waarheid' - die, snel en net zo betrouwbaar, wordt geleverd door een ziekenhuislaboratorium - maar om de 'juridische waarheid' van het bewijsmiddel.

    De politie, die om de bloedafname vraagt, en die ook voor de kosten daarvan opdraait, mag helemaal zelf besluiten welke bepaling of bepalingen bij het NFI wordt of worden uitgevoerd. De Politie is niet verplicht om een (on)gevraagd advies van de forensisch arts of verpleegkundige op te volgen over de gewenste bepalingen. Dat hangt volledig van de situatie af. Veel forensisch (werkzame) artsen (b)lijken zich dit niet te realiseren. De forensisch arts in Nederland is geen (buitengewoon) opsporingsambtenaar in dienst van politie of justitie. Opsporingskosten komen geheel ten laste van de Politie en niet van het OM. Het NFI stuurt het resultaat van de bepaling niet naar het OM maar naar het betreffende politiekorps. Het OM mag daarna, na kennisname van de resultaten, besluiten of en op welke wijze wordt vervolgd.
    Alleen voor alcohol geldt een kwantitatieve norm. Een bloedafname is alleen noodzakelijk wanneer een analyse in de ademlucht niet mogelijk is of dat die door de betrokkene (die dan daarvoor de kosten moet betalen) wordt gevraagd als contra-expertise.
    Vanuit strafvorderlijk oogpunt is de uitsluitend kwalitatieve norm voor het aantonen van middelengebruik een hachelijke onderneming die gemakkelijk schipbreuk kan lijden. De nieuwe wetgeving is weliswaar van kracht maar zal zich nog moeten bewijzen. De kosten van twee bepalingen (alcohol en/of andere middelen), die voor het NFI zonder enig probleem mogelijk is uit het verkregen bloedmonster, moeten ook kunnen worden verantwoord. Veel politiekorpsen zullen, bij een negatieve speekseltest voor middelen, dan ook afzien van het aanvragen van twee bepalingen en kiezen voor alleen de bepaling van alcohol in het bloed.

    Indien betrokkene niet in staat is om zijn/haar toestemming expliciet duidelijk te maken (zoals bij bewusteloosheid, verwardheid met motorische onrust, etc,) is de bloedafname op verzoek van de opsporingsambtenaar toegestaan als dit op medisch verantwoorde wijze mogelijk is. In het proces-verbaal dient dan de opmerking "geen toestemming van betrokken" te worden opgenomen. Het NFI zal dan pas overgaan tot onderzoek van het bloedmonster als op een later tijdstip alsnog de toestemming van betrokkene via de opsporingsambtenaar wordt verkregen. Wordt deze toestemming niet verkregen zal het bloedmonster, zonder dat enig onderzoek plaatsvindt of mag plaatsvinden, door het NFI (moeten) worden vernietigd.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Opmerking

    Bepalingen in wetgeving zijn niet tegelijkertijd wettelijke voorschriften die artsen (of verpleegkundigen) kunnen verplichten of voorschrijven om medewerking bij de tenuitvoerlegging hiervan te gaan verlenen. De forensisch arts is geen uitvoerend politieambtenaar met een geweldsinstructie. Indien de betrokkene na de uitnodiging van de opsporingsambtenaar tot medewerking, en na adequate uitleg hierover, geen medewerking aan de bloedafname wenst te verlenen dient de forensisch arts hiervan af te zien. Het afnemen van bloed onder dwang levert een verhoogd risico op voor prikaccidenten. Het uitvoeren van medische (be)handelingen onder dwang is in strijd met algemene medisch-ethische principes en internationale verdragen. Zo nodig dient dit onomwonden aan de opsporingsambtenaar te worden duidelijk gemaakt. De consequenties van de weigering kunnen door de OvJ worden afgedaan met een boetebeschikking of ter beoordeling aan de rechterlijke macht (artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht) worden voorgelegd.
    (zie ook de DNA-richtlijn van het FMG)

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • De nieuwe regelgeving

    Met de volgende teksten in de Nota van Toelichting :
    (accentuering toegevoegd door de FOMAT)

    Artikel 12

    Op grond van artikel 163, zesde en negende lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 28a, zevende en tiende lid, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 89, zesde en negende lid, van de Spoorwegwet, artikel 48, zesde en negende lid, van de Wet lokaal spoor of artikel 11.6, zesde en negende lid, van de Wet luchtvaart neemt een arts bij een verdachte bloed af om vast te kunnen stellen of de verdachte bestuurder met een te hoog alcoholpromillage of een te grote hoeveelheid drugs of geneesmiddelen aan het verkeer heeft deelgenomen. Voor zover het gaat om een verdachte die aan het wegverkeer heeft deelgenomen, kan voor dat doel ook een verpleegkundige bloed afnemen. Artikel 12, eerste lid, schrijft voor dat de arts of verpleegkundige de bloedafname primair met behulp van een venapunctie doet. Deze methode is overgenomen uit artikel 12 van het ingetrokken Besluit alcoholonderzoeken.

    Vingerprik?
    Naar aanleiding van het eerder genoemde Advies grenswaarden voor drugs is onderzocht of het mogelijk zou zijn in dit besluit te kiezen voor het afnemen van bloed door middel van de voor de betrokkene minder ingrijpende vingerprik. Ook de SWOV heeft in haar advies op de mogelijkheid van de inzet van de vingerprik geattendeerd. De conclusie van deze oriëntatie is dat de vingerprik op dit moment niet voor het onderhavige doel geschikt is omdat het waarschijnlijk te weinig bloed oplevert voor de huidige analysemethode van het bloed en nog onvoldoende duidelijk is of het bloed uit de vingerprik een gelijk meetresultaat oplevert als bloed dat via een venapunctie is verkregen.
    In het geval dat de verdachte in een ziekenhuis is opgenomen en het vanuit medisch oogpunt niet verantwoord is om bij hem door middel van een venapunctie bloed af te nemen, staat artikel 12, eerste lid, toe dat het bloed via een infuus bij hem wordt afgenomen.

    Verpleegkundige
    Anders dan de voormalige Raad van Korpschefs in zijn advies veronderstelt, mag een verpleegkundige zonder toezicht door en tussenkomst van een arts door middel van een venapunctie bloed afnemen. Die bevoegdheid van een verpleegkundige is neergelegd in artikel 2, onder c, van het Besluit functionele zelfstandigheid dat op artikel 39, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg is gebaseerd.

    Twee buisjes bloed
    Artikel 12, eerste lid, bepaalt verder dat voor het bloedonderzoek twee buisjes worden afgenomen. Het ene buisje is bestemd voor het bloedonderzoek en een aanvullend onderzoek en het andere buisje is bestemd voor een tegenonderzoek. De hoeveelheid bloed dat ieder buisje moet bevatten en dus bij de verdachte moet worden afgenomen, wordt bij ministeriële regeling vastgesteld. Ingevolge het tweede lid van artikel 12 zal in die regeling eveneens worden voorgeschreven met welke hulpmiddelen het bloed dient te worden afgenomen.
    In bijzondere omstandigheden, indien het vanuit medisch oogpunt niet verantwoord is om twee buisjes bloed van de verdachte af te nemen, kan van deze regel worden afgeweken en worden volstaan met de afname van één buisje bloed. Het laboratorium waaraan de onderzoeker is verbonden die het bloedonderzoek verricht, zorgt er in dat geval voor dat er, voor zover dat mogelijk is, na het (aanvullend) bloedonderzoek genoeg overblijft voor een eventueel tegenonderzoek.

    Geen medische bezwaren
    De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak heeft aandacht gevraagd voor de situatie dat een verdachte medische bezwaren aanvoert tegen het afnemen van bloed. Volgens deze vereniging vergt de weging van die bezwaren medische kennis, die volgens haar niet, of althans niet voldoende bij een verpleegkundige aanwezig is. Zij stelt daarom voor ervoor te zorgen dat in gevallen waarin de verdachte vanwege door hem aangevoerde medische bezwaren weigert bloed te laten afnemen, een arts kan worden geconsulteerd. Uit informatie van het Forensisch Medisch Genootschap en het NFI blijkt dat er geen aandoeningen bekend zijn waarbij bloedafname bij een verdachte niet mogelijk of verantwoord is, maar waarbij betrokkene wel een motorrijtuig of een fiets kan (en mag) besturen. In de situatie waarin hij ten overstaan van een verpleegkundige medische bezwaren tegen de bloedafname aanvoert, is er voor de verpleegkundige derhalve geen reden om een arts in te schakelen. Wel kan zich bij een verkeersongeval de situatie voordoen dat de behandelend arts van de verdachte die bij dat ongeval betrokken is, oordeelt dat bij hem zo snel mogelijk medisch moet worden ingegrepen en dat om die reden bij hem (tijdelijk) geen bloed kan worden afgenomen om te bepalen of hij het verbod van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 heeft overtreden.

    Vergoeding
    Voor de bloedafname ontvangt de arts of verpleegkundige een vergoeding van de organisatie waarbij de opsporingsambtenaar werkzaam is die voor de bloedafname zorgdraagt.
    De hoogte van die vergoeding vormt onderdeel van de afspraken die door middel van een aanbestedingsprocedure door de politie over de beschikbaarheid en bereikbaarheid van artsen en verpleegkundigen voor het afnemen van bloed van verdachten zullen worden gemaakt. Voor de hoogte van die vergoeding kan namelijk niet bij het tarief worden aangesloten dat de Nederlandse Zorgautoriteit voor het verrichten van een dergelijke handeling heeft vastgesteld omdat de bloedafname in het kader van dit besluit niet op basis van vrijwilligheid plaatsvindt, terwijl bij het door de Nederlandse Zorgautoriteit vastgestelde tarief wel van vrijwilligheid voor bloedafname wordt uitgegaan.
    De vergoeding voor de bloedafname wordt op grond van artikel 11, derde lid, van dit besluit aan de verdachte doorberekend, indien het bloedonderzoek een tegenonderzoek is dat na een positief resultaat van een ademonderzoek plaatsvindt. Dat is niet het geval indien het tegenonderzoek na het bloedonderzoek wordt uitgevoerd. Dit onderscheid vloeit voort uit het feit dat bij de eerste vorm van tegenonderzoek afzonderlijk een arts of verpleegkundige moet worden ingeschakeld om bij de verdachte bloed af te nemen, terwijl bij de tweede vorm van tegenonderzoek het bloed al in het kader van het bloedonderzoek van de verdachte is afgenomen. Als gevolg daarvan worden bij de eerste vorm van tegenonderzoek wel extra kosten gemaakt en bij de tweede vorm niet en is het ook logisch dat die kosten, nu het een onderzoek is dat op zijn eigen initiatief geschiedt, voor zijn rekening komen.

    Binnen anderhalf uur
    In het derde lid van artikel 12 is geregeld dat de bloedafname van de verdachte uiterlijk binnen anderhalf uur geschiedt nadat hij is gevorderd om mee te werken aan een speekselonderzoek of een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties of, indien hij niet daartoe is gevorderd, binnen anderhalf uur na het eerste contact tussen de opsporingsambtenaar en de verdachte dat aanleiding was om de verdachte te vragen zijn medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek. Van die termijn kan slechts vanwege bijzondere omstandigheden worden afgeweken.
    Aanleiding voor het opnemen van deze termijn is het feit dat de SWOV in haar advies over het ontwerp van dit besluit te kennen heeft gegeven dat zij voorstander is van een zo kort mogelijke tijd tussen het eerste contact van de opsporingsambtenaar met de bestuurder en het moment waarop hij van hem bloed laat afnemen. Volgens de SWOV past daarbij niet het recht van de verdachte op een tweede bloedafname dat in het ontwerp van het besluit was opgenomen. Het argument dat de SWOV voor dit standpunt aanvoert, is dat naarmate de tijd verstrijkt de werkzame stof van een bewustzijnsbeďnvloedende stof als cannabis, cocaďne en GHB steeds meer in het bloed van de bestuurder afbreekt als gevolg waarvan het risico steeds groter wordt dat de bestuurder ten aanzien van wie op basis van een speekselonderzoek of een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties een verdenking van drugsgebruik is gerezen, naar aanleiding van het bloedonderzoek vrijuit gaat, niet omdat hij niet boven de grenswaarde aan het verkeer heeft deelgenomen, maar louter doordat door het verstrijken van de tijd de concentratie van de werkzame stof van die drug onder de grenswaarde is gekomen. Ieder half uur kan die concentratie namelijk bij bepaalde stoffen halveren. Volgens de SWOV zouden er door deze zogenaamde halfwaardetijd bij een wachttijd van een uur voordat bloed van een verdachte wordt afgenomen, nog maar 27 van de 71 Nederlandse bestuurders die in het kader van het Europese DRUID-onderzoek positief op het gebruik van GHB en cannabis zijn getest, boven de in artikel 3, eerste lid, bepaalde grenswaarden uitkomen. Wanneer het bijvoorbeeld anderhalf uur zou duren voordat bloed wordt afgenomen, zouden slechts 18 van de 71 Nederlandse bestuurders die in het kader van het DRUID-onderzoek positief op het gebruik van die drugs zijn getest, boven deze grenswaarden blijven, terwijl dat er bij een wachttijd van een half uur 43 zouden zijn. Doorgaans is na een tijdsverloop van vier uur na gebruik van deze drugs geen spoor meer in het bloed van betrokkene terug te vinden.

    Geen recht op tweede bloedafname
    Naar aanleiding van het advies van de SWOV heb ik het recht op een tweede bloedafname van de verdachte dan ook heroverwogen. Dat recht was overgenomen uit artikel 15 van het ingetrokken Besluit alcoholonderzoeken. In de tijd waarin dat artikel tot stand kwam, werd ervan uitgegaan dat van een verdachte in beginsel niet binnen een uur na zijn aanhouding bloed zou (kunnen) worden afgenomen. De reden daarvoor was dat in die tijd artsen pas doorgaans na een uur beschikbaar waren. Omdat naarmate de tijd verstrijkt een steeds lager gehalte van de werkzame stof van een bewustzijnsbeďnvloedende stof als alcohol in bloed kan worden gemeten, zou een verdachte bij wie wel in een bijzonder geval binnen een uur bloed zou worden afgenomen, in een nadeliger positie komen te verkeren dan de verdachte bij wie dat na een uur zou gebeuren. Vandaar dat het ten tijde van de totstandkoming van artikel 15 gerechtvaardigd werd geoordeeld dat de eerst bedoelde verdachte na dat uur nog een keer bloed kon laten afnemen en dat het bloedonderzoek dat het laagste alcoholpromillage opleverde, bepalend was voor een eventuele vervolging op grond van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Op die manier had ook de bestuurder profijt van het tijdsverloop.
    Aan het recht op een tweede bloedafname kleven echter, zoals de SWOV in haar advies ook heeft laten zien, belangrijke nadelen. In de eerste plaats is daaraan het hiervoor vermelde risico verbonden dat een verdachte naar aanleiding van een bloedonderzoek vrijuit gaat, niet omdat hij niet boven de grenswaarde aan het verkeer heeft deelgenomen, maar louter doordat door het verstrijken van de tijd de concentratie van de werkzame van de stof van een drug onder de grenswaarde is gekomen. Dat is vanuit oogpunt van verkeersveiligheid uiteraard ongewenst. Dat nadeel kent bovendien als keerzijden dat die bestuurder, achteraf bezien, onnodig van zijn vrijheid is beroofd en de betrokken opsporingsambtenaar en arts of verpleegkundige onnodig inspanningen hebben geleverd. De hiervoor beschreven situaties uit het advies van de SWOV tonen aan dat dat niet ondenkbeeldig is.
    Met de SWOV ben ik, alles afwegende, bij nader inzien van mening dat een tweede bloedonderzoek de effectiviteit van het verbod op het deelnemen aan het verkeer onder invloed van een bewustzijnsbeďnvloedende stof niet ten goede komt. Ik heb er daarom voor gekozen dat recht niet in dit besluit op te nemen, ook niet voor het geval iemand onder invloed is van alcohol of een geneesmiddel, omdat ook die stoffen in de tijd afbreken, maar in plaats daarvan in artikel 12, derde lid, van dit besluit het uitgangspunt neer te leggen dat van een verdachte zo snel mogelijk bloed wordt afgenomen opdat de factor tijd zo min mogelijk in zijn voordeel is. Uiterlijk binnen anderhalf uur na het moment waarop de verdachte is gevorderd om mee te werken aan een speekselonderzoek of een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties of, indien hij niet daartoe is gevorderd, binnen anderhalf uur na het eerste contact tussen de opsporingsambtenaar en de verdachte dat aanleiding was om de verdachte te vragen zijn medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek, moet van hem bloed worden afgenomen. Na die termijn mag geen bloed meer van hem worden afgenomen en gaat hij vrijuit, tenzij er sprake is van een bijzondere omstandigheid. Een voorbeeld van een dergelijke omstandigheid is de situatie dat de verdachte ernstige verwondingen heeft opgelopen bij een verkeersongeval en een arts oordeelt dat bij hem tijdelijk geen bloed kan worden afgenomen omdat hij zo snel mogelijk moet worden behandeld. Een bijzondere omstandigheid kan ook zijn dat een arts of verpleegkundige buiten zijn toedoen, bijvoorbeeld omdat hij opgeroepen wordt voor het verrichten van een levensreddende handeling, niet op tijd beschikbaar is. Het enkele feit dat een arts of verpleegkundige tegen de met hem door de politie gemaakte afspraken niet aanwezig is om bloed af te nemen, maakt van die omstandigheid echter geen bijzondere omstandigheid.
    In het geval waarin de bloedafname bij de verdachte meer dan anderhalf uur na aanvang van de hiervoor genoemde termijn heeft plaatsgevonden, is het van belang dat de bijzondere omstandigheid die daaraan ten grondslag heeft gelegen, in het proces-verbaal wordt opgenomen opdat naderhand kan worden getoetst of inderdaad daarvan sprake is geweest.

    Afspraken met artsen en verpleegkundigen
    Omdat er goede afspraken tussen de politie en artsen bestaan over het afnemen van bloed ten behoeve van controles in het verkeer en er met de inwerkingtreding van de eerder aangehaalde wet van 26 september 2014 ook verpleegkundigen kunnen worden ingezet voor het afnemen van bloed bij bestuurders van voertuigen, als gevolg waarvan de groep van personen die bloed kunnen afnemen in de sector «wegverkeer» waarin het aantal deelnemers het hoogst is, aanzienlijk in omvang toeneemt, is de verwachting gerechtvaardigd dat het bloed van een verdachte binnen de gekozen termijn van anderhalf uur zal kunnen worden afgenomen. Bovendien zal de wetenschap dat een werkzame stof van een bewustzijnsbeďnvloedende stof snel kan afbreken, ervoor zorgen dat de opsporingsambtenaren er alles aan gelegen is om de bloedafname zo snel mogelijk binnen die termijn te laten geschieden.
    De gestelde termijn is niet alleen in het voordeel van de verkeersveiligheid en opsporingsambtenaren, artsen en verpleegkundigen, maar ook van verdachten. Opsporingsambtenaren, artsen en verpleegkundigen zullen daardoor hun kostbare tijd en capaciteit alleen aan die mensen besteden die naar verwachting vervolgd kunnen worden en verdachten zullen zo kort mogelijk en zo min mogelijk onnodig van hun vrijheid worden beroofd.

    Bloedonderzoek na alcoholgebruik
    Los van de situatie waarin zich een bijzondere omstandigheid voordoet, geldt het uitgangspunt dat de bloedafname van de verdachte aan de maximale termijn van anderhalf uur gebonden is, op grond van artikel 12, derde lid, niet indien de bloedafname ten behoeve van de uitvoering van een bloedonderzoek plaatsvindt dat enkel en alleen op het bepalen van de hoeveelheid alcohol in het bloed van de verdachte gericht is. De gedachte daarachter is dat ethanol – dat is de werkzame stof van alcohol – in het bloed, in tegenstelling tot drugs en geneesmiddelen, volgens een vast patroon afbreekt, waardoor alcohol bij overschrijding van de daarvoor vastgestelde grenswaarde, afhankelijk van de genuttigde hoeveelheid nog vele uren na het moment van inname in het bloed van betrokkene aantoonbaar kan zijn. De alcoholconcentratie in bloed kan bovendien in de tijd worden teruggerekend. Een bloedonderzoek naar het gebruik van alcohol kan daarom ook na de termijn van anderhalf uur nog zinvol zijn. Uiteraard dient de bloedafname voor een dergelijk onderzoek wel binnen een redelijke termijn te gebeuren opdat de verdachte niet nodeloos van zijn vrijheid wordt beroofd. Voor de inzet van het speekselonderzoek en het onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties ter vaststelling van het gebruik van drugs of geneesmiddelen door de bestuurder is in dit besluit geen maximale termijn gesteld omdat die termijn uit de aard der zaak al voor die onderzoeken geldt nu het bloedonderzoek dat op die onderzoeken volgt, al aan een maximale tijdspanne is gebonden.

    Intrekking Besluit alcoholonderzoeken
    De inhoud van twee artikelen die wel in het ingetrokken Besluit alcoholonderzoeken waren opgenomen, zijn niet in artikel 12 of een van de daarop volgende bepalingen verwerkt.

    Toestand van onmacht
    In de eerste plaats wijkt artikel 10 of een daarop volgende bepaling van dit besluit af van het ingetrokken Besluit alcoholonderzoeken doordat geen regeling getroffen is voor de verdachte die door zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is toestemming te geven voor het afnemen van bloed ten behoeve van de uitvoering een bloedonderzoek. Die situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen indien hij slachtoffer is van een verkeersongeval en als gevolg daarvan buiten bewustzijn is geraakt. Artikel 163, negende lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 28a, tiende lid, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 89, negende lid, van de Spoorwegwet, artikel 48, negende lid, van de Wet lokaal spoor en artikel 11.6, negende lid, van de Wet luchtvaart bevatten al een grondslag om in een dergelijk geval met toestemming van de verdachte bloed af te nemen op het moment dat hij in staat is om die te verlenen. Ook kennen die artikelleden een voorziening voor het geval hij niet binnen redelijke termijn een besluit kan nemen om al dan niet op vrijwillige basis zijn bloed af te staan. In dat geval kan dat op gedwongen wijze plaatsvinden. Omdat de bescherming van de verdachte die in een hierboven beschreven toestand van onmacht verkeert, al bij formele wet gewaarborgd is en die wet bovendien een beschrijving van de te volgen procedure bevat, zou het opnemen van een bepaling als artikel 16, eerste lid, van het oude Besluit alcoholonderzoeken in dit besluit een overbodige herhaling vormen en overregulering inhouden.

    Geen onderzoek van urine
    In de tweede plaats bevat artikel 12 of een van de daarop volgende bepalingen geen regeling voor het afstaan en onderzoeken van urine. Hoewel artikel 163, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 28a, negende lid, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 89, achtste lid, van de Spoorwegwet, artikel 48, achtste lid, van de Wet lokaal spoor en artikel 11.6, achtste lid, van de Wet luchtvaart erin voorzien dat een verdachte verplicht is aan een urineonderzoek mee te werken, ingeval om bijzondere geneeskundige redenen geen mogelijkheid bestaat om van hem bloed af te nemen, is ervan afgezien om naar analogie van de artikelen 17 tot en met 22 van het ingetrokken Besluit alcoholonderzoeken regels te stellen over de wijze waarop een urineonderzoek dient te worden uitgevoerd. De eerste reden daarvoor is dat het urineonderzoek ongeschikt is voor het bepalen of het drugsgebruik van de verdachte hoger is dan de in artikel 3 voor die drugs vastgestelde grenswaarden. Door middel van urineonderzoek kan namelijk slechts worden vastgesteld dat de verdachte drugs heeft gebruikt, maar niet de gevolgen daarvan voor zijn rijvaardigheid. Ook ten aanzien van geneesmiddelen is het niet mogelijk om op grond van de hoogte van het gehalte in de urine de gevolgen daarvan voor zijn rijvaardigheid te bepalen. Dat is bewijsrechtelijk wel van belang omdat voor strafbaarheid op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 de relatie tussen het medicijngebruik van de verdachte en de negatieve gevolgen daarvan voor zijn rijvaardigheid dienen te worden aangetoond. Deze relatie kan slechts worden gelegd als bekend is wat het medicijngehalte in het bloed van de verdachte is. Dat gehalte kan slechts door middel van bloedonderzoek worden bepaald. Voor het vaststellen van het alcoholgehalte is een urineonderzoek tot slot op zich wel een goed middel, omdat het promillage alcohol waarmee aan het verkeer is deelgenomen, met urine kan worden vastgesteld, maar de toepassing van een dergelijk onderzoek is in de praktijk niet aan de orde omdat, zoals ook eerder in de toelichting op het onderhavige artikel is uiteengezet, er geen medische gronden zijn op grond waarvan bij de verdachte geen bloed kan worden afgenomen. Dat uitvoering van urineonderzoek niet langer mogelijk is bij personen van wie vermoed wordt dat zij onder invloed van alcohol, drugs of geneesmiddelen verkeren, zal gelet op het vorenstaande dan ook geen problemen met de bewijslast van het gebruik van die stoffen opleveren.

    Artikel 13

    Aanwezigheid opsporingsamtenaar
    Net als in artikel 14 van het oude Besluit alcoholonderzoeken was bepaald, moet volgens artikel 11, eerste lid, van dit besluit een opsporingsambtenaar bij de bloedafname aanwezig zijn. Hij dient op grond van onderdeel a van dat artikellid de gang van zaken van de bloedafname in een proces-verbaal van bevindingen vast te leggen. Voordat het bloed naar het laboratorium wordt verzonden waar het bloedonderzoek zal plaatsvinden, moet hij er voorts voor zorgen dat het afgenomen bloed administratief wordt gekoppeld aan de persoon van wie bloed is afgenomen en aan het proces-verbaal waarin de bloedafname wordt beschreven. In dat proces-verbaal moet hij daarom volgens artikel 13, eerste lid, onder a, de naam, het geslacht, de geboortedatum en -plaats en het geboorteland en het burgerservicenummer (BSN) van de verdachte van wie bloed is afgenomen, noteren, alsmede het sporenidentificatienummer (verder: SIN) met bijbehorende barcode zetten. Wanneer het SIN op het proces-verbaal ontbreekt, hoeft dat niet te betekenen dat het onderzoek gebrekkig is geweest, mits maar op enigerlei wijze aannemelijk kan worden gemaakt dat vergissing over de herkomst van het bloed uitgesloten is.

    Vaststelling identiteit
    Van de verdachte worden, indien twijfels over zijn identiteit bestaan, op grond van artikel 55c, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering na een bevel van de officier van justitie of hulpofficier van justitie een of meer foto’s en vingerafdrukken afgenomen ten behoeve van de vaststelling van zijn identiteit. Indien de verdachte bijvoorbeeld een vals of vervalst identiteitsbewijs heeft overgelegd, kan mogelijk met behulp van deze biometrische persoonsgegevens alsnog zijn identiteit worden achterhaald. De personalia en de eventuele biometrische persoonsgegevens van de verdachte worden aan het strafrechtsketennummer (SKN) gekoppeld dat op grond van artikel 27b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan hem is toegekend. Omdat particuliere laboratoria die een bloedonderzoek uitvoeren geen organen zijn die met de toepassing van het strafrecht zijn belast, mag de politie in het kader van de uitwisseling van informatie met hen over een verdachte niet het SKN van de verdachte gebruiken (zie artikel 27b, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering). De politie dient voor dat doel op grond van artikel 27b, derde lid, zijn BSN te gebruiken.

    Het zogenaamde «bloedblok»
    De opsporingsambtenaar zorgt er op grond van artikel 13, eerste lid, onder c, voor dat de buisjes met bloed worden verpakt in een speciale verpakking, het zogenaamde «bloedblok», en dat die buisjes naar een laboratorium als bedoeld in artikel 14, tweede lid, worden opgestuurd. Op of in deze verpakking brengt hij hetzelfde SIN aan dat hij op het proces-verbaal heeft geplaatst. Die handeling verricht hij ook ten aanzien van de twee buisjes met bloed dat de arts of verpleegkundige overeenkomstig artikel 12 van dit besluit heeft afgenomen. Op ieder buisje bloed brengt hij een SIN aan dat qua nummer opvolgend is aan het SIN op het proces-verbaal.
    Indien een verdachte voor een tweede keer op dezelfde dag betrokken raakt bij een onderzoek naar het gebruik van een bewustzijnsbeďnvloedende stof en bij hem wederom bloed wordt afgenomen, kent de opsporingsambtenaar aan het bijbehorende proces-verbaal alsmede aan de buisjes van die nieuwe bloedafname en de verpakking daarvan nieuwe SIN’s toe.

    Evt. schriftelijke verklaring
    Op grond van artikel 13, eerste lid, onder b, dient de opsporingsambtenaar een eventueel door de arts of verpleegkundige afgelegde schriftelijke verklaring waarin hij zijn waarnemingen met betrekking tot de verdachte heeft neergelegd, als bijlage bij het proces-verbaal te voegen. Die waarnemingen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit de constatering dat de verdachte uiterlijke kenmerken vertoonde waarvan hem beroepshalve bekend is dat deze kenmerken voorkomen bij gebruik van een bepaalde drug. Door deze verklaring bij het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar te voegen wordt voorkomen dat de verklaring van de arts of verpleegkundige als «de auditu-verklaring» in het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar wordt opgenomen.

    Recht op tegenonderzoek
    De opsporingsambtenaar is op grond van het tweede lid van artikel 13 verplicht de verdachte bij de afname van zijn bloed op het recht op tegenonderzoek te wijzen, tenzij de bloedafname na het ademonderzoek in het kader van een tegenonderzoek geschiedt. In dat geval zou het wijzen op dat recht overbodig zijn omdat het bloedonderzoek dan het tegenonderzoek is en de verdachte geen tweede keer een beroep op dat recht kan doen. Bovendien rust op grond van artikel 11, tweede lid, op de opsporingsambtenaar al de verplichting hem na een positief resultaat van het ademonderzoek op dat recht te attenderen.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Middelenonderzoek

    Het afnemen van een urineproef is per 1 juli 2017 verdwenen.
    "In de nota van toelichting bij het ontwerp Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer dat begin 2015 bij de Tweede Kamer is voorgehangen is aangegeven, dat uit informatie van het Forensisch Medisch Genootschap en het NFI is gebleken dat er geen aandoeningen bekend zijn waarbij bloedafname bij een verdachte bestuurder niet mogelijk of verantwoord is, maar waarbij betrokkene wel auto kan en mag rijden."
    Bron: Nota van wijziging van 15 juni 2015
    • 7 oktober 2016: Wijziging Wetboek van Strafvordering en Wegenverkeerswet 1994
      In verband met de introductie van de bevoegdheid tot het bevelen van een middelenonderzoek bij geweldplegers en enige daarmee samenhangende wijzigingen van de WVW

      Artikel 55e Sv gaat luiden:
      Een arts of een verpleegkundige neemt van de verdachte zoveel bloed af als voor het onderzoek noodzakelijk is

      Artikel 163 van de WVW wordt gewijzigd:
      In het geval dat de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, of het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed is van een of meer middelen of een combinatie van die middelen met alcohol, kan de opsporingsambtenaar de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een bloedonderzoek
      Het zevende en achtste lid van artikel 163 (urineonderzoek) vervallen.


    • 8 november 2016: Wet middelenonderzoek geweldplegers
      Bloed wordt afgenomen door een arts of verpleegkundige (afhankelijk van lokale afspraken). De analyse van het bloedmonster wordt uitgevoerd door het NFI.
      Zie: 24 januari 2017: Startbijeenkomst Wet middelenonderzoek bij geweldplegers
      Per 1 juli 2017 zijn zowel de alcohol- als de drugstesten in heel Nederland ingevoerd
    • 25 juni 2017: Wijziging Wegenverkeerswet per 1 juli 2017
      Forensisch artsen hebben voor beide wetten een rol in de afname van bloed en zullen niet te maken krijgen met verzoeken om afname bij weigeraars of afname onder dwang.
      Weigering van medewerking (aan speekseltest of bloedafname) voor de Wegenverkeerswet heeft dezelfde consequenties als weigeren van de huidige tests op alcohol, namelijk € 1000,- geldboete en 9 maanden onvoorwaardelijke rijontzegging.
    Im 2010 werd op verzoek van het Ministerie van VenJ een analyse van de kosten en baten van alcoholregistratie bij geweldsdelicten vervaardigd:

    " De procedure die wordt gehanteerd voor het afnemen van alcoholtesten in het verkeer is op hoofdlijnen ook bruikbaar bij geweldsdelicten. Dit houdt in dat eerst een blaastest wordt ingezet als selectiemiddel. Wanneer de blaastest positief is wordt een ademanalyse afgenomen. (...) Wanneer er wegens een medische indicatie geen ademanalyse kan worden afgenomen, of wanneer het niet lukt een valide test op de ademanalyse te blazen, wordt in plaats daarvan een bloedproef afgenomen door een GGD-arts."
    "In de berekening is geen tijd opgenomen voor het afnemen van een bloedproef. Ten eerste is de verwachting op basis van ervaring met de wegenverkeerswet dat dit zelden zal voorkomen. Ten tweede is de verwachting dat deze stap de politie weinig extra tijd kost. Weliswaar moet er vaak lang op de GGD-arts gewacht worden, maar hiermee gaat geen capaciteit bij de politie verloren. Er hoeft alleen een agent bij te zijn als het bloed wordt afgenomen en dit duurt niet langer dan het afnemen van een ademanalyse. In de pilot moet verder blijken of deze aannames kloppen."

    Bron: Impactanalyse Alcoholregistratie bij geweldsdelicten
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • DNA-profiel bepaling

    Algemeen

    Over de afname van DNA materiaal in het kader van strafvorderlijk onderzoek en de wetgeving hierover blijken misverstanden te bestaan. Het is volledig onduidelijk waarom artsen en verpleegkundigen bij de uitvoering van deze wetgeving nog zouden moeten worden betrokken, temeer daar de 'vingerprik' - die patienten met diabetes mellitus zichzef regelmatig aandoen of aangedaan wordt - als methode van afname zelfs niet de voorkeur verdient. Afname via wangslijmvlies kan zonder enige 'medische' bemoeienis plaatsvinden en is intussen gemeengoed geworden.

    De betrokkene, die al of niet 'op bevel van de OvJ' toch een 'vrijwillige' en daarvoor niet noodzakelijke bloedafname wenst, zou volledigheidshalve op het risico van een panaritium, met mogelijk ernstige gevolgen, kunnen worden gewezen. Dit risico is overigens - ter gerustststelling - bij het gebruik van steriele materialen vrijwel te verwaarlozen.
    We plaatsen de thans vigerende wetgeving over dit onderwerp:
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Richtlijn FMG

    Het Forensisch Medisch Genootschap (FMG) heeft in juli 2010 de volgende richtlijn uitgegeven met een omschrijving van de uitvoering van de procedure en voorzien van een nogal merkwaardige toelichting hierop die bij de herziening in september 2012 niet werd gewijzigd:
  • Terug naar inhoudsoverzicht

  • Twee opmerkingen

    Eerste opmerking van de FOMAT:
    Uit de bovenstaande FMG-richtlijn van juni 2010 (bleef in 2012 ongewijzigd):

    "Voor het afnemen van DNA-materiaal is geen medische deskundigheid vereist en de inzet van artsen of verpleegkundigen is derhalve overbodig. Als een verdachte of veroordeelde toestemming geeft voor afname van DNA-materiaal (haren, wangslijmvlies of bloed) dan is er geen probleem voor een arts om dit materiaal af te nemen. Bij bezwaar of verzet van de te onderzoeken persoon dient een arts of verpleegkundige geen DNA-materiaal af te nemen, omdat dit een ongeoorloofde inbreuk op de lichamelijke integriteit van de betrokken persoon is. De officier van justitie kan een forensisch arts (***) geen opdracht geven DNA-materiaal af te nemen, laat staan de opdracht geven een inbreuk op de lichamelijke integriteit van een persoon te plegen."

    (***) De uitzonderingspositie van artsen in dienst van (en betaald door) Justitie, waarop in de toelichting bij de bovenstaande richtlijn wordt gezinspeeld, is merkwaardig. De artseneed prevaleert, ook voor hen, te allen tijde en altijd, boven 'dienstopdrachten' van diensthoofden. En natuurlijk ook het respect voor de lichamelijke integriteit van hun patienten.
    Het is niet zo alsof ze dat zelf niet allang hadden bedacht!

    Een arts in in dienst van Justitie (zoals in penitentiaire inrichtingen) weet natuurlijk dat hij/zij alle geloofwaardigheid (en die van de medische professie) verliest als wordt overgegaan tot het gebruik van geweld bij medische (be)handelingen. Dergelijk optreden zou niet binnen de muren van de instelling verborgen blijven en zich als een lopend vuurtje in de kringen van gedetineerden (en daarbuiten) verspreiden.

    De wetgever was in 2001 (!) ook al tot dit besef gekomen gezien de bepaling in artikel 2, lid 9, van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken. Indien een betrokkene dit al zou wensen is afname van DNA-materiaal door een arts of verpleegkundige, die verbonden is aan de instelling alwaar de betrokkene verblijft, zelfs alleen maar mogelijk indien van tevoren een speciaal schriftelijk verzoek daartoe door betrokkene zelf wordt ingediend. Dat laat niets aan duidelijkheid te wensen over.

    De reden waarom een zinsnede over de "arts in dienst van Justitie" in deze richtlijn van het FMG werd opgenomen, en de illustere gedachtengang die hieraan ten grondslag zou moeten liggen, is volledig onduidelijk.

    Ook verpleegkundigen - al of niet in dienst van Justitie - die een eigen beroepscode van gelijke strekking, als vervat in de artseneed, hebben ontwikkeld, kunnen door de 'uitvoerende macht' niet worden gedwongen of opgedragen om mee te gaan werken aan medische (be)handelingen tegen de wil van verdachten of veroordeelden. Uiteraard dienen zij daarbij altijd, zonder enige terughoudendheid en onvoorwaardelijk, gesteund en bijgestaan te worden door elke forensisch arts, ongeacht of die in dienst van Justitie is getreden of niet.

  • Terug naar inhoudsoverzicht


  • Tweede opmerking van de FOMAT:
    Nogmaals uit de bovenstaande FMG-richtlijn van juni 2010 (bleef in 2012 ongewijzigd):

    "De lichamelijke integriteit van een ieder wordt beschermd door art. 10 van de Grondwet. In inbreuk is alleen toegestaan op grond van een expliciete wettelijke bepaling. Opvallend is dat de wetgever indertijd besloten heeft dat bloedafname in het kader van de Wegenverkeerswet niet afgedwongen kan worden. Als iemand ‘de bloedproef’ als inbreuk op zijn lichamelijke integriteit niet accepteert, dan wordt dat geaccepteerd. Weliswaar is de weigering om ‘mee te werken’ wel strafbaar, maar de lichamelijke integriteit blijft overeind."

    De verwijzing naar art. 10 van de Grondwet ("Eerbiediging persoonlijke levenssfeer") is eveneens merkwaardig. Het lijkt echter, zoals uit de navolgende formulering voortvloeit, te gaan om art. 11 van de Grondwet ("Onaantastbaarheid eigen lichaam").
    Volgens art. 94 van de Grondwet ("Verdragsbepalingen en besluiten volkenrechtelijke organisaties gaan boven wet") is het in Nederland niet toegestaan om wetten in formele zin te toetsen aan de Grondwet. Dat geldt ook de voor de bepalingen in de WVW, de DNA-wetgeving en de hierna nog te bespreken, recent in werking getreden, bloedtest in strafzaken.

    De ontwerpers van de FMG richtlijn lijken, hoewel ze dat niet aangeven, daarmee te willen verwijzen naar het bepaalde in artikel 8 van het Europees Verdrag (EVRM) ("Recht op eerbiediging van privéleven, familie- en gezinsleven"). In het EVRM staat in het tweede lid van artikel 8 precies omschreven in welke gevallen uitzonderingen mogen worden gemaakt. En daar is nogal wat discussie over mogelijk. Bloedafname in het kader van de handhaving (en het publiek belang) van de verkeersveiligheid wordt juist niet beoordeeld als in strijd met het EVRM, zolang een betrokkene tenminste niet kan worden verplicht om 'onder dwang' mee te werken en er dus sprake is van 'informed consent'.

    Maatgevend voor de weigering van de forensisch arts om zonder toestemming van een betrokkene mee te gaan werken aan een 'gedwongen' bloedafname zijn echter de bepalingen in art. 3 van het Europees Verdrag (EVRM). Artsen die zich daar niet aan houden, of menen te moeten houden, kunnen binnen afzienbare tijd ongetwijfeld een bezoekje tegemoet zien van een speciale Europese Commissie die met het toezicht op de naleving van art. 3 is belast. Die commissie zal bepaald 'not amused' zijn indien zij zou vernemen dat forensisch artsen in Nederland zich aan dergelijke praktijken schuldig blijken te maken.
    Wellicht ten overvloede wijzen we ook op de Richtlijn van de World Medical Association.

  • Terug naar inhoudsoverzicht

  • Reactie van Formedex

    Op 22 juli 2010 ontving de FOMAT, op de vraag om een inhoudelijke reactie op de twee bovenstaande opmerkingen, de volgende mail van het expertise-centrum:

    Beste semi-anonieme leden van "fomat",
    Waarom doen jullie zo geheimzinnig? Je kan toch gewoon al lang op de hoogte zijn van het bestaan van fmg en formedex? En als je uitvoerend forensisch arts zou zijn is het toch mogelijk via je lokale coördinator fg invloed te hebben op de op te stellen of te reviseren richtlijnen? Maw: kom uit de kast en doe normaal mee ....
    Vr groeten,
    Formedex team


    (afzender bij de FOMAT bekend)

    Ter verduidelijking voor onze bezoekers:
    De Forensisch Medische Associatie Twente is een onafhankelijk en ongebonden initiatief van een aantal forensische artsen met het doel om kennis en expertise te bundelen op het gebied van de forensische geneeskunde. Daarmee komen wij 'uit de kast' met onze website en daar mag iedereen van vinden of denken wat hem/haar goeddunkt. We zijn echter geen Facebook of Hyves en we hechten niet zo aan 'personal profiles'. Wij vinden onszelf niet zo belangrijk.

    Uiteraard zijn wij uitstekend 'op de hoogte van het bestaan van fmg en formedex' waarvan de hyperlinks al sinds 2006 op onze website worden vermeld.
    De FOMAT richt zich uitsluitend op voorlichting, onderwijs en de wetenschappelijke aspecten van het vakgebied en maakt geen onderdeel uit van het bestuursorgaan of de GGD Regio Twente.
    De FOMAT heeft geen enkele intentie om betaalde werkzaamheden uit te (gaan) voeren op het gebied van de forensische geneeskunde.

    Het bovenstaande is uitgebreid bekend bij de 'semi-anonieme' lokale coördinator fg in Enschede, wiens naam, functie, CV met foto en/of vingerafdrukken, DNA-profiel, vaccinatiestatus en een diepgaande wetenschappelijke of enige andere interesse (of belang) op de betreffende website NIET worden vermeld of onthuld. Informatie over de sinds 1 januari 2010 bestaande plicht tot overleg met de gemeentelijk lijkschouwer bij overlijden van minderjarigen ontbreekt nog steeds volledig.

    Wij vragen of ontvangen geen enkele vergoeding voor de kennisverspreiding. Wij hebben ook geen inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Daarmee blijven we strikt onafhankelijk en ongebonden. Wij vertegenwoordigen geen enkel belang van wat of voor wie dan ook. Deskundigen die door ons worden geraadpleegd, en die weten precies wie wij zijn, ter verbetering of vormgeving van de informatie, ontvangen voor hun aanvullingen/adviezen geen vergoedingen.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Postmortale DNA-afname

    Sinds de invoering van de gewijzigde Wet op de lijkbezorging op 1 januari 2010 is de burgemeester volgens artikel 21, lid 3 t/m 6, verantwoordelijk voor het onderzoek naar de identiteit van onbekende overledenen. Van alle personen die nu dood worden aangetroffen en van wie de identiteit niet bekend is, dient DNA-materiaal te worden afgenomen. Door de ontwikkelingen op DNA-gebied zijn er nu meer mogelijkheden om onderzoek te verrichten naar de identiteit. Bij de zgn. 'lijkvinding', waarbij de identiteit van een stoffelijk overschot niet kan worden vastgesteld, heeft de forensisch arts als gemeentelijk lijkschouwer slechts een beperkte en uiterst marginale bemoeienis. Vrijwel altijd zal nader onderzoek plaatsvinden bij het NFI in Den Haag. Daarbij wordt standaard DNA-materiaal van het stoffelijk overschot afgenomen. De beschrijving van identificerende lichaamskenmerken en het afnemen van een gebitsstatus behoort tot de taken van de forensisch patholoog en odontoloog bij het NFI. Hiervan zal een proces-verbaal worden opgemaakt met de nodige fotografische documentatie om latere uiterst pijnlijke 'persoonsverwisselingen' te vermijden.

    Uit de Memorie van Toelichting (pag. 9) - die intussen alweer dateert uit 2006 - bij de wetswijziging:

    Afname celmateriaal ter identificatie van onbekende doden
    Vermist is erger dan overleden, wordt wel gezegd. Vandaar dat alle mogelijkheden benut moeten worden om mensen die als vermist te boek staan, te vinden. Dat geldt ook – of misschien wel juist – indien zij zijn overleden. Het is dus van belang dat er geen mensen worden begraven of gecremeerd van wie de identiteit niet bekend is. En indien dat toch niet anders kan, dan moet in ieder geval voordien celmateriaal worden afgenomen. Met behulp van dit celmateriaal kan een zogeheten DNA-profiel worden bepaald, waarmee – mogelijk vele jaren later – de identiteit van de overledene kan worden vastgesteld. De betrokken DNA-gegevens zullen worden opgenomen in de databank voor vermiste personen en stoffelijke overschotten die door het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) wordt bijgehouden. Plicht tot begraven van onbekende doden
    Bij onbekende doden wordt – zoals hiervoor is aangegeven – materiaal afgenomen met het oog op mogelijke identificatie. Als die identificatie snel plaatsvindt, zijn wellicht nabestaanden alsnog in de gelegenheid om in de lijkbezorging te voorzien. In alle andere gevallen zal deze van gemeentewege verzorgd worden. Dat kan zowel begraven als cremeren inhouden. In het laatste geval heeft dat als consequentie dat eventueel later alsnog getraceerde nabestaanden geen graf kunnen bezoeken, en mogelijk zelfs geen asbus hebben, namelijk indien de as inmiddels is verstrooid. Dit is onwenselijk. Daarom wordt nu voorgesteld dat onbekende doden worden begraven, waardoor er gedurende minimaal tien jaar een herkenbare plek blijft bestaan. Het Landelijk Team Forensische Opsporing (LTFO), voorheen ook wel bekend als het Rampen Identificatie Team (R.I.T.), bestaat uit medewerkers van de Politie, Defensie en het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). De sector technische identificatie beschikt over een speciale container waarin o.a. specialistische gereedschappen voor odontologie, dactyloscopie en DNA-onderzoek beschikbaar zijn. In dit team, dat zich medio november 2007 presenteerde, wordt de deskundigheid op het gebied van forensische opsporing en identificatie van onbekende doden gebundeld. Voor degenen die vragen hebben over dit onderwerp plaatsen we ook de uitgebreide (engelse) verhandelingen die zijn verschenen:
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Verzoek DNA-afname door nabestaanden

    Bij een natuurlijke dood of na vrijgave van het stoffelijk overschot door de OvJ hebben de nabestaanden de volledige vrijheid om op eigen initiatief (en kosten!) tot de afname van lichaamsmateriaal van de overledene - zo zij dit, om wat voor reden dan ook, wensen - over te gaan. Sinds 1 januari 2010 is volgens de Wet op de lijkbezorging ook thanatopraxie mogelijk geworden waarbij, door inbrenging van canules in de halsregio van het stoffelijk overschot, wordt overgegaan tot postmortale exsanguinatie, waarbij uiteraard ook bloedmonsters kunnen worden afgenomen. Postmortale afname van wangslijmvlies is natuurlijk ook mogelijk. Een juridisch houdbare 'koppeling' van het bloedmonster of ander materiaal en de identiteit van het stoffeljk overschot zal echter alleen kunnen plaatsvinden middels een proces-verbaal van de de afname door een hiertoe bevoegde opsporingsambtenaar. Enige bemoeienis van een een (forensisch) arts is hierbij niet noodzakelijk. Hoe lang is een DNA monster houdbaar?
    Onder voorwaarde dat de monsters op de juiste wijze zijn bewaard, blijven zij enkele maanden tot zelfs enkele jaren houdbaar. Voor wangslijmvlies betekent dit op kamertemperatuur, na goed laten drogen. Niet bewaren in plastic in verband met schimmelvorming. Voor volbloed (1 EDTA buisje van 5 ml) geldt bewaren op kamertemperatuur/in de koeling. Niet invriezen.
    Via het internet kunnen de benodigde materialen eenvoudig worden besteld en wordt het DNA-profiel van het ingestuurde materiaal simpelweg per post bezorgd. De prijzen blijken nogal uiteen te lopen.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Bloedtest in strafzaken

    Bloedtest verdachte

    Sinds februari 2007 is wetgeving in behandeling geweest die het mogelijk moet maken om vast te stellen of een verdachte, bij het plegen van een strafbaar feit, iemand kan hebben besmet met een ziekte (vooralsnog alleen HIV, Hepatitis B en C).
  • Terug naar inhoudsoverzicht

  • Algemeen

    Uitgangspunt is dat de verdachte vrijwillig (met schriftelijke toestemming) meewerkt aan de afname van bloed; bij weigering kan de officier van justitie een bevel geven de test te ondergaan na toestemming van de rechter-commissaris. De verdachte mag een tegenonderzoek laten uitvoeren.
    Een verplichting om aan een test mee te werken, waarbij het resultaat (de uitslag) wordt meegedeeld aan een 'derde' (het slachtoffer via zijn/haar huisarts of medisch specialist), die hier een 'kennelijk belang' bij heeft, kan alleen als er sprake is van een verdachte van een misdrijf. Ook moet het redelijke vermoeden bestaan dat besmetting door dat misdrijf is overgebracht.
    Vergelijkbaar met het weigeren van een bloedafname bij de alcohol-bepaling (zie hierboven) zal een volgehouden weigering betekenen dat de verdachte zich schuldig maakt aan een misdrijf volgens artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht.

    Het is echter ook mogelijk dat het onderzoek wordt uitgevoerd aan de hand van bloed dat op andere wijze van de verdachte is afgenomen. Bij dat bloed kan gedacht worden aan bloed dat door de huisarts, ziekenhuis, NFI, of onderzoekslaboratorium bij de verdachte op een eerder tijdstip werd afgenomen en dat nog beschikbaar is en op bevel van de Officier van Justitie in beslag kan worden genomen door de politie. Het is de vraag of dit soort bloedmonsters óók, zonder de toestemming van de verdachte, als juridisch toelaatbaar 'bewijsmiddel' kunnen worden gebruikt, zonder dat dit ter toetsing is voorgelegd aan de rechter-commissaris.

    Het voorstel werd op 18 september 2008 met algemene stemmen aangenomen door de Tweede Kamer. De uitvoering werd nader uitgewerkt in een AMvB (het Besluit bloedtest in strafzaken). Een richtlijn voor de uitvoering wordt nog opgesteld door het OM en zal informatiemateriaal over de maatregel bevatten. Het wetsvoorstel werd door de Eerste Kamer op 10 november 2009 als hamerstuk afgedaan. De wet werd opgenomen in het Staatsblad van 20 november 2009 . De wetgeving is bij Koninklijk Besluit (stb-2010-151) op 1 juli 2010 in werking getreden. De definitieve tekst van de wetgeving: Voor het onderzoek na zedendelicten zal dit betekenen dat een afweging moet gaan plaatsvinden tussen de belangen van opsporing en vervolging (sporenonderzoek) en de belangen van het slachtoffer (kans op transmissie).

    Opmerking FOMAT:
    De al of niet positieve uitslag van het bloedonderzoek of een bloedmonster kan ook gebruikt gaan worden als 'bewijsmiddel' bij de tenlastelegging. Dit lijkt in strijd met het "nemo tenetur" beginsel indien de verdachte wordt bevolen om de bloedtest te ondergaan. Hieraan werd aandacht besteed in de Memorie van toelichting bij indiening van het wetsvoorstel en in antwoord op vragen van de Eerste Kamer. Het is te verwachten dat dit juridische aspect van de wetgeving door de advocatuur binnen enkele jaren ter toetsing aan het Europese Hof zal worden voorgelegd.
    Onderzoek van bloedmonsters ter vaststelling van het transmissie-risico van een derde (zie hieronder) lijkt te vallen onder de uitzonderingen die het EVRM hiervoor in art. 8 ("bescherming van de rechten en vrijheden van anderen") heeft voorzien.

  • Terug naar inhoudsoverzicht

  • Transmissie onderzoek

    Het verrichten van brononderzoek bij incidenten met mogelijke transmissie is een bekend fenomeen. De meeste instellingen voor de gezondheidszorg hebben hiervoor protocollen ontwikkeld. Het medisch doel van de bloedafname is om daarmee het het risico van transmissie zo snel als mogelijk in te kunnen schatten. Helaas werd dit door de wetgever verward met een strafvorderlijk juridisch doel om via een 'bewijsmiddel' de strafbaarheid van de dader te kunnen aantonen. Op grond van overwegingen van uitvoerbaarheid is deze juridische benadering vanuit het perspectief van het slachtoffer een pijnlijke vergissing. De mogelijkheid bestaat dat een verdachte wel zou willen meewerken aan de bloedafname om medische redenen maar dit weigert vanwege juridische redenen.

    In april 2007 heeft het RIVM in samenwerking met een groot aantal instellingen en werkgroepen een landelijke richtlijn uitgebracht: Op de laatste pagina van bovenstaande richtlijn staat ook een voorbeeld van een 'informed consent' formulier waarmee de betrokkene kan aangeven dat toestemming wordt verleend voor het uitvoeren van de (medische) bloedafname en op welke wijze de betrokkene zelf via zijn/haar huisarts of andere arts ook (al of niet!) op de hoogte dient te worden gesteld van het resultaat van de bepalingen.

    Aan de hand van deze richtlijn kan op gestructureerde wijze een inschatting gemaakt worden van het risico op infectie met HBV, HCV en HIV ten gevolge van het incident. Afhankelijk van het risico worden al dan niet maatregelen geadviseerd om het slachtoffer tegen infectie te beschermen (PEP = Post Expositie Profylaxe) of een eventueel opgetreden infectie in een vroeg stadium te onderkennen.
    Bij hoog-risico incidenten dient PEP bij voorkeur binnen twee uur te worden gestart tot maximaal 72 uur na het incident. De frequentie en de ernst van mogelijke bijwerkingen van antiretrovirale middelen vereisen een zorgvuldige afweging van kans op besmetting en kans op bijwerkingen. PEP dient te worden voorgeschreven door of onder supervisie van een ervaren aidsbehandelaar; follow-up vindt bij voorkeur plaats in een gespecialiseerd centrum.

    Indien een verdachte (zoals omschreven in het wetsvoorstel) bereid is om vrijwillig mee te werken, en instemt met de per omgaande bekendmaking van de uitslag aan het slachtoffer (via de navolgend behandelend arts), kan de bloedafname voor brononderzoek in feite het beste - en desnoods onder toezicht van een politie-ambtenaar (zoals de wet voorschrijft) - plaatsvinden in het ziekenhuis alwaar ook het laboratoriumonderzoek, de advisering en evt. behandeling van het slachtoffer plaatsvindt. Zo nodig kan de verdachte onder begeleiding van politie-ambtenaren naar het ziekenhuis of laboratorium worden overgebracht. Hiermee wordt onnodig tijdverlies voorkomen en blijft de dossiervorming i.v.m. de mogelijke transmissie en follow-up in handen van de ziekenhuisarts c.q. specialist. De belangen van het slachtoffer van een accidentele transmissie zijn in de eerste plaats van medische en niet van juridische aard. Ook hier dient (ook voor de forensisch arts) te gelden dat het medisch belang (in dit geval van het slachtoffer) prevaleert boven de belangen van opsporing en vervolging.

    De rol van de forensisch arts ligt niet zozeer bij de eigenlijke juridische bloedafname, die net zo goed een dag of enkele dagen later kan plaatsvinden en ook door een verpleegkundige mag worden uitgevoerd (volgens art.3, lid 3 van het Besluit), maar veel meer bij de (evt. telefonische) medische voorlichting van zowel slachtoffer als de verdachte. Daarnaast is veelal ook contact noodzakelijk met de medisch specialist die de evt. PEP gaat voorschrijven en is van belang ervoor te waken dat onnodig tijdverlies gaat optreden. Inschakeling van de forensisch arts komt daarna in beeld indien de verdachte weigert om mee te werken aan een bloedonderzoek. Te vrezen valt dat de bemoeienis van de Officier van Justitie en de toestemming van de rechter-commissaris zo veel tijd in beslag zal nemen dat daarmee een zinvolle PEP vrijwel overbodig wordt.

  • Terug naar inhoudsoverzicht

  • Opmerking

    Volgens Strafvordering art.151e, lid 4, wordt het bevel zonodig met behulp van de sterke arm tenuitvoergelegd.
    Ook hier dient bedacht te worden dat bepalingen in wetgeving niet tegelijkertijd wettelijke voorschriften zijn die artsen kunnen verplichten of voorschrijven om medewerking bij de tenuitvoerlegging hiervan te gaan verlenen. De forensisch arts is geen uitvoerend politieambtenaar met een geweldsinstructie (dit geldt ook voor verpleegkundigen!). Indien de betrokkene, na gehoord te zijn door de rechter-commissaris en een bevel tot medewerking van de OvJ, na adequate uitleg hierover toch geen medewerking aan de bloedafname (met een vereiste schriftelijke toestemming) wenst te verlenen dient de forensisch arts hiervan af te zien. Het uitvoeren van medische (be)handelingen onder dwang is in strijd met algemene medisch-ethische principes en internationale verdragen. Het afnemen van bloed onder dwang levert een verhoogd risico op voor prikaccidenten. Zo nodig dient dit onomwonden aan de OvJ te worden duidelijk gemaakt, die, als hij/zij het daar niet mee eens is, het bloed dan ook maar zelf moet komen afnemen (!). De consequenties van de weigering van het bevel kunnen door de OvJ ter beoordeling aan de rechterlijke macht (artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht) worden voorgelegd. De beroepsgroep heeft al eerder het standpunt ingenomen, dat een forensisch arts geen bloed of ander materiaal afneemt bij een persoon die zich daadwerkelijk (dus niet alleen verbaal) heftig verzet. Ook de KNMG stelt zich op dit standpunt. Dit geldt natuurlijk ook voor verpleegkundigen en 'priklab' medewerkers die onder (mede)verantwoordelijkheid van een arts werken.

    Tot slot bestaat ook nog de mogelijkheid dat de verdachte bij het plegen van het misdrijf onbedoeld besmet is geraakt door het slachtoffer. Het wetsvoorstel doet hier geen uitspraak over. In dat geval is het voor de forensisch arts van belang te onderkennen dat ook de verdachte "mutatis mutandis", evt. via een bevel van de OvJ, van het slachtoffer de medewerking kan afdwingen voor een bloedtest in het kader van brononderzoek. Hoe moeilijk en pijnlijk deze gedachte voor sommigen van u mag zijn: ook een verdachte heeft recht op een PEP bij een risico van besmetting door een transmissie via het slachtoffer.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Sporenonderzoek

    De forensisch arts is geen (buitengewoon) opsporingsambtenaar en is zich terdege bewust van zijn/haar beperkingen en houdt zich uitsluitend bezig met medische aangegelegenheden en competenties in het kader van de waarheidsvinding en niet met andere activiteiten op het gebied van de opsporing en vervolging, die tot het domein van politie en het OM behoren. Het analyseren van bloedvlekken, bloedsporen, bloedspat-patronen en dergelijke behoort niet tot de competenties van eerste-lijns forensisch artsen. Dit dient overgelaten te worden aan ter zake kundige experts met voldoende ervaring. Justitie heeft geen behoefte aan grote aantallen experts op dit gebied. De forensisch (werkzame) arts is geen gerechtelijk deskundige. Het vakgebied houdt zich bezig met de forensische geneeskunde en niet met de forensische opsporing als een soort 'zelfbenoemde' medische opsporingsinstantie van strafbare feiten.
    Voor de duidelijkheid: de forensisch arts houdt zich ook niet bezig met het uitschrijven van bekeuringen of het opleggen van boetes bij wetsovertredingen.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Bloedafname bij intoxicaties

    Het Wetboek van Strafvordering (Wsv) voorziet niet in een bloedafname om te bepalen of een verdachte ten tijde van het plegen van een misdrijf 'onder invloed' verkeerde. Een vordering van de (h)OvJ om over te gaan tot een bloed- en/of urineafname mist daarmee een rechtsgrond. Uitsluitend het bezit van verdovende middelen is strafbaar, niet het gebruik ervan. Ook het gebruik van alcohol of de inname van geneesmiddelen is, buiten het bepaalde in art. 8 WVW, niet strafbaar gesteld. Het Wetboek van Strafrecht is geen 'doping-reglement'. Met een bloed- en/of urineafname wordt alleen het gebruik aangetoond. Indien een betrokkene weigert om mee te werken heeft de (h)OvJ geen mogelijkheid om hiertoe een bevel te geven omdat het Wetboek van Strafvordering hierin (tot nu toe) niet voorziet.
    Het afnemen van bloed, zonder dat hier een strafvorderlijke noodzaak toe bestaat, is in strijd met art. 7 van het Europees Verdrag (EVRM). Van de forensisch arts en de betrokkene kan niet worden verwacht om mee te gaan werken aan volledig overbodige medische (be)handelingen. Zo nodig dient de (hulp)OvJ hierop te worden gewezen. Indien een (hulp)OvJ toch een bloedafname wenst en de betrokkene vrijwillig instemt met de bloed- en/of urineafname is er overigens geen enkel bezwaar tegen.
    Deze beperking van de wetgeving is ook in de politiek bekend: Bloedafname is uiteraard wel mogelijk om bij een slachtoffer, die hiermee natuurlijk zal instemmen, van een accidentele intoxicatie - al of niet met criminele intentie - een bepaalde stof in het bloed aan te tonen. In sommige gevallen is het soms zinvol om eerst te overleggen met het NFI om de juiste wijze van afname en het transportmedium weloverwogen te kunnen kiezen. Is echter serumonderzoek noodzakelijk zal (ook) een buisje 'stolbloed' moeten worden ingestuurd. Het nemen van urinemonster (moest onder toezicht van een arts) is per 1 juli 2017 afgeschaft. In penitentiaire inrichtingen worden de urine-testen nog wel gebruikt om daarmee (via de metabolieten) aan te tonen dat binnen de inrichting sprake is van druggebruik (zie de Penitentiare Beginselenwet hierover).
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Speekseltesten

    Per 1 juli 2017 bestaat een uitbreiding van de wetgeving m.b.t het gebruik van speekseltesten voor het aantonen van (genees)middelengebruik. Een probleem hierbij was de kwantificering en de datering van het gebruik. Hetzelfde geldt voor de postmortale inzet van dit soort testen bij de lijkschouw (zie hierna). De FOMAT volgt de ontwikkelingen rondom de nieuwe wetgeving.
    We zullen hier aandacht aan gaan besteden.
    Dat ook haartesten tot verraderlijke conclusies kunnen leiden, ook na onderzoek bij het NFI, bleek voor het OM ook al eens uiterst pijnlijk:
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Postmortaal aantonen van intoxicaties

    Regelmatig wordt in gevallen van 'onverklaard overlijden' bij de lijkschouw de suggestie geopperd dat er ook sprake zou kunnen zijn van een 'intoxicatie' of een zgn. 'gifmoord'. De (hulp)OvJ is volgens de wet niet verplicht om de aanbeveling tot nader onderzoek (bloedmonster, haarmonsters, oogbolvocht, speekseltesten, etc.) van de gemeentelijk lijkschouwer op te volgen. Aangezien er bij een intoxicatie sprake is van een (mogelijk) niet-natuurlijk overlijden betekent dit dat formeel volgens de Wet op de lijkbezorging een artikel 10 verklaring afgegeven dient te worden. Zonder toestemming van de (hulp)OvJ is formeel elk postmortaal onderzoek ter opheldering van de doodsoorzaak altijd afhankelijk van de toestemming van de nabestaanden. Nederland kent nu eenmaal, tot nu toe, buiten een toestemming van de OvJ, géén dwingend wettelijk voorschrift of plicht om, zonder aanwijzing of verdenking van een niet-natuurlijk overlijden ('circumstantial evidence'), over te gaan tot nader onderzoek naar de doodsoorzaak. Zelfs bij de veelbesproken NODO-wetgeving, en dat was een veel voorkomend misverstand, ontstond géén wettelijke verplichting tot het ophelderen van de doodsoorzaak. De uitvoering van de NODO-procedure werd op 1 januari 2014 gestopt. Een juridisch houdbare koppeling ('chain of evidence') van het afgenomen materiaal met het stoffelijk overschot vereist de opmaak van een proces-verbaal door een hiertoe bevoegde ambtenaar van politie (net als bij de andere afnames van lichaamsmateriaal). Indien de opheldering, ook door de Officier van Justititie, van belang wordt geacht kan beter direct onderzoek bij het NFI worden aanbevolen. Bij de bevestiging van de mogelijkheid van een intoxicatie speelt de causaliteitsvraag vervolgens een rol, en die is vaak uiterst moeilijk te beantwoorden. Helaas blijken veel forensisch (werkzame) artsen zich niet te realiseren dat de Politie opdraait voor de kosten van dit soort (opsporings)onderzoek. Het rendement voor Justitie van al dit soort forensische onderzoeken naar al of niet vermeende 'intoxicaties' is niet erg groot.

    Een klinisch pathologisch onderzoek over de jaren 1984-1992 leidde overigens tot een aanbeveling tot het uitvoeren van dit onderzoek in het kader van het ophelderen van doodsoorzaken. De strafvorderlijke waarde bleef echter onderbelicht. In feite zijn deze gegevens al verouderd door de ontwikkeling van nieuwe analysetechnieken; herhaling van dit onderzoek zou echter wrsch. precies dezelfde resultaten opleveren: In januari 2011 bleek een Officier van Justitie van het Parket in Amsterdam te beweren dat een postmortale afname van materiaal en het uivoeren van een (kwalitatieve) toxicologische screening deel zou uitmaken van de 'normale schouw' door de forensisch arts. Derhalve zou een formele toestemming (of 'opdracht') van de OvJ niet noodzakelijk zijn. Helaas werd door de betreffende Officier vergeten aan te geven of het Openbaar Ministerie dan ook bereid zou zijn om de kosten van dit verkennend onderzoek naar de doodsoorzaak, dat nu ten laste van de Politie komt, voor haar rekening te nemen, evenals de kosten van dit onderzoek van de forensisch (werkzame) arts. Een reactie van het College van Procureurs Generaal op deze uitspraken bleef tot nu toe uit.
    Het Wetboek van Strafrecht is géén dopingreglement. Een overledene is niet strafbaar.
    (volgens Wetboek van Strafrecht artikel 69).
    Waar de plotselinge belangstelling van de staande magistratuur voor het actief ophelderen van doodsoorzaken vandaan kwam (dit valt in feite onder het Ministerie van BZK), met een zeer minimaal rendement voor Justitie, bleef onduidelijk. De redenering is betrekkelijk onzinnig daar de wetgever tot nu toe nog nooit (!) ergens heeft omschreven wat wel of niet tot de 'normale schouw' zou behoren. Vanuit sociaal-medisch oogpunt zou dit overigens een onverwachte en ook welkome, zij het uiterst beperkte, aanvulling zijn op de geringe mogelijkheden tot opheldering van de doodsoorzaak. Helaas werd dit op geen enkele wijze onderbouwd met een wettelijke grondslag; niet vanuit de Wet op de lijkbezorging en ook niet vanuit het Wetboek van Strafvordering. Van de betreffende Officier van Justitie werd sindsdien niets meer vernomen.
    De discussie leidde wel tot kamervragen: De auteurs van bovenstaande publicatie en de steller van de kamervraag bleken zich niet helemaal gerealiseerd te hebben dat het postmortaal aantonen van het gebruik van allerlei middelen (bij patienten in ziekenhuizen meer regel dan uitzondering) in juridische zin helemaal niets zegt over de oorzaak van het overlijden zonder beantwoording van de causaliteitsvraag. Het 'aantonen' van acetylsalicylzuur in de urine bewijst dat de overledene voor het overlijden een aspirientje heeft ingenomen maar niet dat hij/zij door een 'vergiftiging met aspirine' om het leven is gekomen. De medische beroepsgroepen zitten ook zeker niet te wachten op het door een forensisch arts postmortaal bepalen van al of niet 'vermeende' of daadwerkelijke overdoseringen van allerlei medicamenten. Ook Jusititie zit niet te wachten op het aanwakkeren van eenzelfde soort nationale paranoia, die eerder ook al eens ontstond over het zgn. 'onverklaard overlijden', gevolgd door het totale fiasco van de NODO-procedure in 2013. De Officier van Justitie in Amsterdam bleek de 'vermeende' bevoegdheden van de Britse coroner uit de diverse televisieseries verward te hebben met die van de Nederlandse lijkschouwer. En dat bleek ook ondubbelzinnig uit de beantwoording van de kamervragen. De sociaal-medische wenselijkheid van de opheldering van doodsoorzaken werd door de onderzoekers helaas verward met de 'vermeende' forensische invalshoek m.b.t. de opsporing van strafbare feiten. Het is uitermate betreurenswaardig en spijtig dat een op zichzelf gerechtvaardigd pleidooi voor de opheldering van doodsoorzaken door een ongelukkig gekozen wijze van presenteren in de media weer om zeep werd geholpen. Wat minder sensatiezucht en een meer genuanceerde berichtgeving en relativering van de resultaten zou meer effect hebben gesorteerd.

    Indien nader onderzoek op grond van 'circumstantial evidence' wenselijk wordt geacht dient de Officier van Justitie hierover een besluit te nemen en niet de dienstdoende gemeentelijk lijkschouwer. Een bepaling in de wet dat de Officier van Justitie verplicht zou zou zijn om een (on)gevraagd advies van de forensisch (werkzame) arts op te volgen kent Nederland niet. Dit betekent dat de opsporingsinstanties (dus de Politie) alle kosten van de opsporing voor hun rekening moeten nemen (waaronder bloed- en urineonderzoek) en het OM alleen de kosten van vervolging. "Dat volgt o.a. uit de wijze waarop deze instanties via de begroting aan hun geld komen om hun taken te verrichten", aldus de Minister van Veiligheid en Justitie in de toelichting op de intrekking van bovenstaande circulaire.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Zedenonderzoek

    Dergelijk onderzoek vereist bijzondere voorwaarden bij de uitvoering. Van belang is dat aandacht wordt besteed aan de nazorg. De inzet van forensisch verpleegkundigen speelt hierbij een grote rol. In mei 2016 is de vernieuwde FMG-richtlijn forensisch medisch onderzoek bij zedendelicten verschenen.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Tot slot...

    De informatie op deze webpagina wordt voortdurend aangepast en aangevuld naar aanleiding van opmerkingen, correcties, suggesties voor verbetering, etc.
    Als u ook een bijdrage wilt leveren of wat mist: laat het ons dan weten via:


    forum@fomat.nl.

    En dat geldt natuurlijk ook voor de leden van Formedex...
    (die op een vernieuwde website besloten om ook maar een 'semi-anonieme' status aan te nemen)


     
    Terug naar begin van deze pagina