Tekst op overheid.nl

Laatselijk gewijzigd op 17-04-2012 in Staatsblad 2012-193

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt na «coördinerend voorzitter» ingevoegd: en een plaatsvervangend coördinerend voorzitter.
2. In het tweede lid wordt na «coördinerend voorzitter» ingevoegd: of bij diens afwezigheid de plaatsvervangend coördinerend voorzitter.

Vaststellingsbesluit regels met betrekking tot commissies bedoeld in Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding

Besluit van 6 maart 2002, houdende vaststelling van regels met betrekking tot de commissies, bedoeld in artikel 19 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

.......................................................................................................

Hoofdstuk I. Begripsomschrijvingen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a.       de wet: de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding;

b.      arrondissementen: de arrondissementen, bedoeld in de Wet op de rechterlijke indeling;

c.       de zorgvuldigheidseisen: de zorgvuldigheidseisen, omschreven in artikel 2 van de wet.

 Hoofdstuk II. Commissies

Artikel 2

1.      Er zijn vijf regionale commissies voor de toetsing van meldingen van gevallen van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding als bedoeld in artikel 3 van de wet.

2.      De commissies zijn gevestigd te Groningen, Arnhem, Haarlem, Rijswijk en 's-Hertogenbosch.

Artikel 3

Tot toetsing van meldingen van gevallen van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding is bevoegd:

a.       de commissie te Groningen indien het overlijden heeft plaatsgevonden in de arrondissementen Groningen, Leeuwarden, of Assen;

b.      de commissie te Arnhem indien het overlijden heeft plaatsgevonden in de arrondissementen Zwolle, Arnhem, Almelo, Zutphen of Utrecht;

c.       de commissie te Haarlem indien het overlijden heeft plaatsgevonden in de arrondissementen Alkmaar, Amsterdam of Haarlem;

d.      de commissie te Rijswijk indien het overlijden heeft plaatsgevonden in de arrondissementen 's-Gravenhage, Rotterdam, Dordrecht of Middelburg;

e.       de commissie te 's-Hertogenbosch indien het overlijden heeft plaatsgevonden in de arrondissementen 's-Hertogenbosch, Breda, Roermond of Maastricht.

Opmerking:
Uit het Staatsblad van 20 december 2012:

Artikel 3 van het Besluit van 6 maart 2002, houdende vaststelling van regels met betrekking tot de commissies, bedoeld in artikel 19 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding wordt als volgt gewijzigd:

A
In onderdeel a wordt «de arrondissementen Groningen, Leeuwarden, of Assen» vervangen door: de provincies Groningen, Friesland of Drenthe.

B
In onderdeel b wordt «de arrondissementen Zwolle, Arnhem, Almelo, Zutphen of Utrecht» vervangen door: de provincies Overijssel, Gelderland, Flevoland of Utrecht.

C
In onderdeel c wordt «de arrondissementen Alkmaar, Amsterdam of Haarlem» vervangen door: de provincie Noord-Holland.

D
In onderdeel d wordt «de arrondissementen ’s-Gravenhage, Rotterdam, Dordrecht of Middelburg» vervangen door: de provincies Zuid-Holland of Zeeland.

E
In onderdeel e wordt «de arrondissementen ’s-Hertogenbosch, Breda, Roermond of Maastricht» vervangen door: de provincies Noord-Brabant of Limburg.

Toelichting:
Op grond van artikel 3 van het Vaststellingsbesluit regels met betrekking tot commissies bedoeld in de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding werd de relatieve competentie van de vijf regionale toetsingscommissies bepaald aan de hand van de oude arrondissementale indeling van Nederland. Indien aan deze systematiek zou worden vastgehouden na de herziening van de gerechtelijke kaart zou, als gevolg van de nieuwe arrondissementale indeling, van enkele commissies het grondgebied dat tot hun competentie behoort, wijzigen. In het gewijzigde artikel 3 van het besluit is er daarom voor gekozen in het vervolg aan te sluiten bij de provinciale indeling van Nederland. De relatieve competentie van de commissies verandert hierdoor materieel niet. Artikel 19 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, noch de wetsgeschiedenis staan in de weg aan aansluiting bij de provinciale indeling.

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2013.

Artikel 4

1.      Op de voordracht van de voorzitters wijzen Onze Ministers een coördinerend voorzitter aan.

2.      De coördinerend voorzitter heeft in ieder geval tot taak:

a.       het initiëren en voorzitten van overleg tussen de voorzitters;

b.      het zorgdragen, na overleg met de voorzitters, voor het opstellen van richtlijnen met betrekking tot de voorlichtingsactiviteiten;

c.       het vertegenwoordigen van de voorzitters;

d.      het geven van aanwijzingen aan de algemeen secretaris, bedoeld in artikel 6, eerste lid.

Artikel 5

1.      De voorzitters stellen richtlijnen vast voor de toetsing aan de zorgvuldigheidseisen en de daarbij te volgen procedure.

2.      Deze richtlijnen bevatten in ieder geval regels omtrent:

a.       de wijze waarop de gemelde gevallen aan de zorgvuldigheidseisen worden getoetst;

b.      de gevallen waarin de behandelende arts in ieder geval wordt gehoord;

c.       de wijze waarop de inlichtingen, bedoeld in artikel 8, tweede en derde lid, van de wet worden vastgelegd.

Artikel 6

1.      Onze Ministers wijzen een algemeen secretaris aan.

2.      De algemeen secretaris heeft in ieder geval tot taak:

a.       het coördineren van de functionele en beheersmatige werkzaamheden van de secretarissen;

b.      het coördineren van het opstellen van het jaarverslag;

c.       het initiëren van overleg tussen de secretarissen;

d.      het verstrekken van alle gevraagde inlichtingen aan Onze Ministers;

e.       het vertegenwoordigen van de secretarissen.

3.      De voorzitters, plaatsvervangend voorzitters en de secretarissen van de commissies geven met het oog op de taken, bedoeld in het tweede lid, aan de algemeen secretaris alle gevraagde inlichtingen.

Artikel 7

1.      Onze Ministers winnen het gevoelen van de desbetreffende commissie in met betrekking tot een overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Wet, naar verwachting te benoemen voorzitter, lid of plaatsvervangend lid.

2.      Indien de benoeming een arts betreft wordt tevens het gevoelen van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst ingewonnen.

Artikel II

De Regeling regionale toetsingscommissies euthanasie wordt ingetrokken.

Artikel III

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding in werking treedt.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage, 6 maart 2002

Beatrix

De Minister van Justitie,
A. H. Korthals

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers

Uitgegeven de negentiende maart 2002
De Minister van Justitie,
A. H. Korthals



Terug naar begin van deze pagina