Overzicht inhoud:

Inleiding

In mei 2009 verscheen een 'geromantiseerd' portret van de werkzaamheden met een keiharde en overduidelijke bevestiging van het imago en de vooroordelen. Twee jaar later bleek weinig te zijn veranderd: De forensische geneeskunde houdt zich bezig met het raakvlak tussen de geneeskunde en het rechtssysteem. Het leeuwendeel van de werkzaamheden betreft de onafhankelijke advisering van politie en justitie over de borging van het recht op medische verzorging van arrestanten. Het vakgebied heeft als randgebied van de geneeskunde in medische kringen weinig aanzien en 'scoort' niet echt. Het werk van de 'gemeentelijk lijkschouwer' is voor velen een wat obscuur en luguber gebeuren. In de media spreekt men ook wel over de "schouwarts". Het werk stelt hoge eisen aan het onafhankelijk oordeelsvermogen, creativiteit om snel oplossingen te vinden voor niet alledaagse problemen, en de fysieke en psychische belastbaarheid. Gezien de soms complexe vraagstellingen dient intercollegiaal overleg een grote rol te spelen. De enkele gemotiveerde artsen die bereid zijn dit werk uit te voeren hebben in de loop der jaren vaak een forse dosis juridische kennis ontwikkeld die door de meeste artsen in andere vakgebieden wordt afgedaan als 'haarkloverij' waar ze het liefst zo weinig mogelijk mee te maken (willen) hebben.

Zoals voor alle artsen geldt is het op peil houden van de vakkennis en het leveren van een bijdrage aan de ontwikkeling van het vakgebied een primaire verantwoordelijkheid en opgave van de forensisch arts zelf. Het is een eenzaam beroep en het afbrandrisico in het vak is groot. Het doorgeven en delen van kennis, zoals dit is vastgelegd in de artseneed, in de vorm van onderwijs aan een volgende generatie behoort nadrukkelijk onderdeel uit te maken van de beroepsuitoefening.

Het vakgebied heeft dringend behoefte aan artsen die vanuit een positieve motivatie, en op basis van volstrekte vrijwilligheid, bewust kiezen voor het vak en oog hebben voor de complexe achtergronden en ontwikkelingen. Voor (basis)artsen, met alleen een artsen diploma zonder enige klinische ervaring, is het vak feitelijk ongeschikt. Over het algemeen zijn er weinig artsen die bereid zijn om het werk als forensisch arts op te pakken. Voldoende medische ervaring en achtergrondkennis van de curatieve geneeskunde is strikt noodzakelijk voor de beoordeling van de toepassing van de medische exceptie.

Sinds 1 januari 2010 stelt de wetgever nieuwe verplichtingen aan de registratie als gemeentelijk lijkschouwer. Van een uitbreiding van de bevoegdheden of taken, zoals het (laten) maken van röntgenfoto's of een CT-scan, is echter geen sprake. Het is de vraag of nog genoeg artsen te vinden zullen zijn om hieraan te voldoen, mede gezien de jarenlang bestaande 'onderbetaling' door regionale gezondheidsdiensten en de geringe vergoedingen voor de onregelmatige diensten. Door de vergrijzing zullen velen het vakgebied gaan verlaten en simpelweg 'verzuimen' om de benodigde (her)registratie aan te vragen. De terugloop van het aantal registraties leek in 2016 te stabiliseren.
Veel animo om de opleiding te gaan volgen is niet aanwezig. De negatieve beeldvorming rondom het vakgebied draagt hieraan bij. In plaats van een meer wetenschappelijke en een sociaal-medische onderbouwing te stimuleren dreigt de verplichte registratie (van alléén de functie als gemeentelijk lijkschouwer) eerder te gaan leiden tot een totale versnippering in allerlei 'competentie-gebiedjes' en de ondergang van het vakgebied als één geheel. Met de aanbesteding van de uitoefening van het vak werd in augustus 2014 een splijting in gang gezet. Van taakverschuivingen is geen sprake.
Het 'verdienmodel', waarbij de forensisch (werkzame) arts als gemeentelijk lijkschouwer wordt bekostigd uit de inkomsten verkregen voor de arrestantenzorg en bloedafnames, dreigde door de aanbesteding te verdwijnen. Op 3 juli 2015 werd het proces van de aanbesteding door de Politie weer geheel gestaakt.
Het Bestuur van het Forensisch Medisch Genootschap (FMG) hulde zich echter lange tijd in diep stilzwijgen... Op 22 september 2016 heeft het Bestuur in een buitengewone ledenvergadering voorgesteld om te streven naar een zelfstandig specialisme en hoopt het bestuur daarmee een groter aantal jonge basisartsen voor het vakgebied te interesseren. Merk op:
De belangrijkste verandering ten opzichte van de voorgaande opleidingen betreffen:

  • Eén zelfstandige profiel opleiding van in totaal 3 jaar met klinische stageperiodes en toetsing
  • Landelijke coördinatie van de opleiding, onderverdeeld in 10 opleidingsregio’s
  • Financiering vanuit het Ministerie van VenJ met ondersteuning van het Ministerie van VWS


  • Op 28 augustus 2015 heeft de Minister van VenJ het volgende aangegeven:
    "De kwaliteit van de lijkschouwer en het niveau van de opleidingen is primair de verantwoordelijkheid van de beroepsgroep zelf."
    Duidelijk werd dat het Ministerie van VenJ in 2015 geen enkele bijdrage wilde gaan leveren aan de financiering van opleidingen voor forensisch (werkzame) artsen. Of dat in 2017 of 2018 anders zal zijn is onduidelijk.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Te (!) veel vraagtekens rond de NODO-procedure

    De invoering van de NODO-procedure bleek met te veel vraagtekens te zijn omgeven. Nog vóórdat de Staatssecretaris de Tweede Kamer op de hoogte had gesteld van de ontwikkelingen werd op 7 maart 2012 op het internet al een zgn. NODO-werkwijze gepubliceerd. Het bleef onduidelijk of een consensus werd bereikt met de beroepsgroepen. Bij kinderartsen en huisartsen leverde dit veel te veel vragen op. Uiterst merkwaardig werd volgens de aanvankelijk voorgestelde werkwijze niet aangesloten bij de indeling in 10 nieuwe politieregio's, en de eveneens nieuwe indeling van de gerechtelijke kaart in elf arrondissementen (een gevolg van de splitsing van de politieregio Oost-Nederland in Gelderland en Overijssel) en vier ressorten. Gekozen werd voor een geheel afwijkende verdeling over het land in vijf zgn. NODO-regio's.

    Een dringend gewenste, en meer logische, bundeling van expertise door een centralisatie, zeker ook gezien het gering aantal verwachte gevallen, zou meer voor de hand gelegen hebben. Een klinische obductie is zeker niet in alle gevallen absoluut noodzakelijk ter vaststelling van de doodsoorzaak. Wat de 'meerwaarde' was van een obductie in alle gevallen bleek ook niet bij de de evaluatie na een jaar. Raadpleging van experts kan met gebruikmaking van de huidige 'moderne media' uitstekend plaatsvinden op afstand. De afname van lichaamsmateriaal voor nader onderzoek, zonder de directe fysieke aanwezigheid van ter zake kundige specialisten of een obductie, kan zonder probleem ook in een regionaal mortuarium of pathologisch instituut geschieden. En zonder dat het stoffelijk overschot eerst over grote afstanden vervoerd zou moeten worden. Men zou heel wel hebben kunnen denken over de aanwijzing van één pathologisch instituut in elk van de tien onstane politieregio's en bundeling van kennis door één centrale eenheid.

    Een door de Stichting LOOK voorgestelde en ook dringend gewenste centralisatie van de expertise met een grotere rol voor ter zake kundige kinderartsen werd echter op 31 augustus 2011 door het FMG in een reactie op een eerder voorstel, als niet in overeenstemming met het 'oorspronkelijke' voorstel van de KNMG, resoluut en op uiterst arrogante toon, van de hand gewezen.
    Overigens zullen de ouders/nabestaanden, na adequate uitleg en voorlichting, uiterst zelden bezwaar maken tegen een grondig en meer gedegen onderzoek naar de doodsoorzaak, indien dat als nodig beoordeeld zou worden, en dan ook inzien dat dit alleen in een daartoe gespecialiseerd centrum kan plaatsvinden. Een 'centralisatie' vindt in Nederland ook plaats bij de behandeling van de (gelukkig zeldzame) vormen van nieuwvormingen (kanker) bij kinderen.
    Men zou ook hebben kunnen kiezen voor de optie om de 'experts' te vervoeren, in plaats van het stoffelijk overschot.....

    Volgens een mededeling op het internet van 27 augustus 2012 werd door het Ministerie van Veiligheid en Justitie gekozen voor twee zgn. NODO centra, te weten het AMC te Amsterdam en het UMC te Utrecht. Op 4 september 2012 werd een samenwerkingsakkoord met beide academische centra gesloten. Hoe en op welke wijze, en met kennelijk hoog uitvallende kosten, de 'experts' werden ingezet (centraal of in een regionaal instituut) is altijd onduidelijk gebleven. Meer informatie hierover (bijv. in een tussentijdse herziening van de werkwijze) ontbrak.....

    Met de invoering van de NODO-wetgeving werd de dienstdoende gemeentelijk lijkschouwer min of meer bestempeld als een 'medische boeman' die als politieagent in een verplicht overleg met de behandelend arts moet gaan beoordelen of de collega's in de curatieve sector hun werk wel goed doen. Op de websites van regionale gezondheidsdiensten werd nauwelijks of geen of zeer spaarzaam informatie verstrekt over de NODO-procedure en de plicht tot overleg bij overlijden van minderjarigen.
    De medewerking van de kinderartsen is cruciaal.. Merkwaardig genoeg heeft de wetgever alleen aangegeven dat dit overleg dient te worden gevoerd, maar hierbij geen termijn (in uren?; of dagen?) aangegeven waarbinnen dit dient plaats te vinden. Dit hiaat in de wetgeving werd reeds in december 2011 door de kinderartsen haarscherp gesignaleerd.
    Tot nu toe bleek het Forensisch Medisch Genootschap (FMG) niet in staat om openbaar toegankelijke cijfers te produceren over het aantal meldingen in de jaren 2011 t/m 2015 en de twaalf maanden van 2016. Het aantal keren dat daadwerkelijk overleg werd gepleegd met een forensisch (werkzame) arts, en de uitkomst van dit overleg (dit is de doodsoorzaak die op het B-formulier voor het CBS werd ingevuld), zou moeten blijken uit een optelling van de ingevulde registratie-formulieren, die in een eigen werkinstructie werden verspreid. De suggestie van de Stichting LOOK in een projectvoorstel van 5 augustus 2011 om te komen tot een centrale registratie van alle overlijdensgevallen van minderjarigen werd door de Staatssecretaris op 4 september 2012 om onduidelijke redenen gewijzigd......
    De Staatssecretaris op 28 maart 2013:
    "Het aantal meldingen wordt niet centraal bijgehouden. Verschillende regio’s houden het aantal meldingen zelf bij. Door invoering van de per 1 januari 2013 gewijzigde A-verklaring wordt gestreefd meer inzicht te krijgen in het aantal meldingen."

    Met de introductie van de zgn. "NODO-forensisch arts" was een tweedeling in de beroepsgroep ontstaan over het zgn. onverklaard overlijden bij minderjarigen en over degene die hier nu wel of niet een oordeel over mag uitspreken. De gemeentelijk lijkschouwer is géén gerechtelijk deskundige. Ook de zgn. "NODO-forensisch arts" werd dat niet en kreeg (volkomen terecht) niet ineens de bevoegdheden van een (buitengewoon) opsporingsambtenaar en diens taak was, met de vaststelling of al dan niet sprake is van (een vermoeden van) niet-natuurlijk overlijden met de afgifte van een artikel 10 verklaring, ook ten einde. Op 10 april 2012 werd in een plan voor de implementatie nog vermeld dat dit gefaseerd zou gaan verlopen. Een eerder beoogde 0start in de zomer 2012 werd volgens een mededeling op het internet van 2 mei 2012 weer uitgesteld tot september 2012. Vervolgens werd op 5 juni 2012 in een tweede mededeling gemeld dat de ingangsdatum weer verschoven moest worden naar 1 oktober 2012.
    Een standpuntbepaling van de KNMG, die in april 2010 (!) in een adviesrapport een aantal (helaas altijd volledig onbekend gebleven) 'knelpunten' zou hebben geformuleerd, werd niet vermeld. Een duidelijke instemming van de kinderartsen met de voorstellen, in de kennelijk nogal voorbarig gepresenteerde 'werkwijze', ontbrak. Om hoeveel gevallen van zgn. 'onverklaard overlijden' het zou moeten gaan werd in de werkwijze niet vermeld.

    Het is niet bekend hoe vaak door een forensisch (werkzame) arts in jaren 2010 t/m 2014 een artikel 10 verklaring (met 'waarschuwing' van de ambtenaar van de Burgerlijke Stand) werd afgegeven bij de 'verdenking' van een niet-natuurlijk overlijden waarbij later bleek dat het overlijden toch als natuurlijk beschouwd diende te worden. In het overleg met de behandelend arts zou een 'verbeterde signalering' door de forensisch (werkzame) artsen van niet-natuurlijk overlijden als gevolg van niet ontdekte kindermishandeling - zo daar al sprake van is - na vijf jaar zichtbaar moeten zijn. Aangezien bij elk niet-natuurlijk overlijden de Officier van Justitie dient te besluiten over de 'vrijgave' van het stoffelijk overschot zouden deze aantallen van in Nederland overleden kinderen bij het Openbaar Ministerie (OM) bekend moeten zijn. Een stijging van het aantal zgn. 'onverklaarde' gevallen van overlijden als gevolg van niet gesignaleerde kindermishandeling bleef uit. In het jaar 2012 daalde het aantal 'onverklaarde' gevallen van overlijden; mogelijk was dit een eerste effect van de plicht tot overleg. In het jaar 2013 leek in de groep 0-jarigen, volgens (voorlopige) cijfers van het CBS, aanvankelijk een sterke stijging van het aantal 'onverklaarde' sterfgevallen opgetreden te zijn. Op 16 februari 2016 maakte het CBS duidelijk dat dit te wijten was aan niet ontvangen B-verklaringen. De cijfers werden gecorrigeerd. Het betreft hierbij overigens meestal in het buitenland overleden kinderen; daar woonachtig of tijdelijk verblijvend i.v.m. vakantie, studie van de ouders, etc. Het was echter duidelijk dat het Ministerie van Veiligheid en Justitie niet bereid zou zijn om uitvoering van de NODO-werkwijze in het betreffende buitenland, alsmede de kosten van een obductie aldaar, te financieren.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Kamervragen....

    Op 17 april 2012 werden opnieuw Kamervragen beantwoord over de voortgang n.a.v. 'tromgeroffel' van het Openbaar Ministerie. De nogal 'dreigende' uitingen van het Openbaar Ministerie, nota bene in combinatie met de invoering van de NODO-procedure, droegen niet bepaald bij aan de gewenste acceptatie door de beroepsgroepen of het enthousiasme voor de opheldering van doodsoorzaken.

    Van een stijging van het aantal gevallen van moord en doodslag bij minderjarigen - waaronder gevallen van (fatale) kindermishandeling worden gerekend - bleek, ná de invoering sinds 1 januari 2010 van de plicht tot overleg voor artsen, geen sprake te zijn. Het idee dat de NODO-procedure zou bijdragen aan de opsporing en vervolging van (fatale) kindermishandeling is intussen volledig achterhaald.

    De Staatssecretaris had op 17 april 2012 een (wel heel erg lang) uitblijvende, brief met toelichting aan de Tweede Kamer aangekondigd. Op de valreep van zijn (eerste) ambtsperiode: Uit de folders ter voorlichting over obductie voor nabestaanden en artsen werd in juni 2012 aanvankelijk nog alle informatie over de NODO-procedure verwijderd......
    Op 28 september 2012 kopte de voorpagina van Medisch Contact "Procedure overleden kind dupeert ouders" en verscheen een artikel "NODO maakt valse start", waarin de kinderartsen hun bezwaren, met heftige protesten tegen de consequenties voor ouders die veraf wonen, weer kenbaar maakten.
    Een 'casusbespreking' met het zgn. NODO-team over de juistheid van alleen de doodsoorzaak in de NODO-procedure kon/mocht niet verward worden met een 'Child Death Review'. Mogelijk kan, in een (nog niet) herziene werkwijze, als het daar nog van komt in 2014, hier aandacht aan worden besteed.
    De kosten voor de uitvoering bleken, volgens het Ministerie van Veiligheid en Justitie, uitzonderlijk hoog uit te vallen....

    Met een terughoudende medewerking van kinderartsen (en huisartsen) en een afwachtende opstelling van de KNMG leek evenwel, al in de loop van 2013, een compleet fiasco onafwendbaar....

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • En harde lessen...

    Drie maanden na invoering van de wet leidde een incident na obductie op 7 december 2012 bij het plotseling overlijden van een vierjarig ernstig gehandicapt kind tot hefige kritiek van de nabestaanden. De berichtgeving hierover in een landelijk dagblad vormde de aanleiding tot uiterst scherpe en kritische Kamervragen op 2 januari 2013. Het Regionaal Tuchtcollege in Amsterdam beoordeelde de klachten van de nabestaanden tegen de kinderarts gegrond zonder een maatregel op te leggen. De kinderarts had een verweerschrift ingediend en daarbij tevens incidenteel beroep ingesteld tegen het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de klacht deels gegrond was. Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg besliste in hoger beroep dat de klacht toch ongegrond was.
    De zgn. 'NODO-forensisch arts' kreeg van het Regionaal Tuchtcollege een waarschuwing....
    Op 11 december 2012 wees de kinderrechter het verzoek af van een zgn. "NODO-forensisch arts" tot het verlenen van vervangende toestemming voor sectie. Het betrof een ander ernstig gehandicapt kind van acht jaar met een uitgebreide (medische) voorgeschiedenis. Nader onderzoek door het NODO-team, waarin werd toegestemd, bracht geen aanwijzingen voor een niet-natuurlijk overlijden, maar ook geen doodsoorzaak, naar voren. Na aanvankelijk gegeven toestemming werd obductie geweigerd. "Is er voor een gerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 EVRM niet meer nodig dan alleen het objectieve feit dat geen doodsoorzaak kan worden vastgesteld?" - zo vroeg de rechter zich af. En verwees in het oordeel pijnlijk precies op de brief van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de Tweede Kamer, die werd verstuurd op 4 september 2012.....
    De zgn. "NODO-forensisch arts" bleef, bij afwezigheid van enig signaal voor of aanwijzing van (fatale) kindermishandeling, een antwoord schuldig. De kinderrechter baseerde het oordeel uitsluitend op de Nederlandse wetgeving, waarmee de bevoegdheid tot een oordeel expliciet door de wetgever volgens art. 74, derde lid, bij de rechter wordt neergelegd, en kwam daardoor niet toe aan de beantwoording van de opgeworpen en gestelde rechtsvraag...... Een grondige herziening van de eerder vastgestelde werkwijze werd onvermijdelijk, indien het Ministerie van VWS in 2014 of daarna hier nog mee in zou stemmen. In artikel 10a, tweede lid, eerste volzin van de wetgeving staat dat de forensisch arts kán besluiten tot nader onderzoek maar niet dat hij/zij hiertoe in alle gevallen moet besluiten.
      'Scire leges non hoc est verba earum tenere, sed vim ac potestatem' (*)
      Uitspraak afkomstig van Celsus (67-130 AD)
      (*) Vrij vertaald: Kennis der wet is iets anders dan haar toepassen naar de letter...
      Uitspraak werd in 1880 (!) in parlement geciteerd door toenmalig Minister van Justitie.
    Dat de opheldering van het 'mechanism of death' bij een natuurlijk overlijden geen enkele rol speelt was in 2013 kennelijk niet geheel doorgedrongen tot de twee NODO-onderzoeksteams.....
    Men mag toch hopen dat de toepassing van deze wetgeving met enig gezond verstand, en indien nodig ook met gepaste terughoudendheid en reflectie, zal geschieden......

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Een eerdere balans...

    Op 22 januari 2013 werd in Medisch Contact gemeld dat de eerste ervaringen van forensisch artsen met de nieuwe NODO-procedure bij overlijden van een kind door onbekende oorzaak 'positief' zouden zijn. "Als artsen niet doorzetten, schiet de procedure zijn doel voorbij, want de doodsoorzaak van het kind is dan nog steeds niet bekend", aldus de Voorzitter van het FMG. Op 29 januari 2013 bleek het duidelijke verschil dat bestaat tussen de aard van het overlijden en de oorzaak van overlijden (en dat zijn twee verschillende begrippen) ook de redactie van Medisch Contact totaal te zijn ontgaan.....

    Op een Symposium van de KNMG op 23 april 2013 kwamen met betrekking tot de NODO-procedure, een half jaar na de start, de volgende onderwerpen aan de orde:
    1. Tot nu toe 40 NODO-zaken behandeld
    2. 2 NODO-ziekenhuizen door Ministerie aangewezen als centra (Utrecht en AMC)
    3. Melden van overlijden minderjarigen verplicht sinds 2010. Ongeveer 50% wordt gemeld aan gemeentelijk lijkschouwer (Medisch Contact 13 februari 2013)
    4. Procedure kent een tweeslachtig karakter:
      1. Procedure is niet-justitieel (‘neutraal’).
        Opsporing van kindermishandeling?
      2. Voor klinische (NODO-)sectie is toestemming nodig.
        Bij weigering zgn. vervangende toestemming via rechtbank
    5. Op 40 casus al 2 rechtszaken en 3 tuchtzaken
    6. Rol van de Politie:
      1. Geen rol in Wet op de lijkbezorging
      2. Geen rol bij de NODO-procedure
      3. Geen rol bij calamiteiten in zorg
    Langzaam maar zeker kwam de prangende vraag naar voren welk justitieel of 'forensisch' probleem nu eigenlijk door de NODO-procedure moest worden opgelost.....
    Op 13 juni 2013 zou, volgens een mededeling van de GGD-Amsterdam, gestart zijn met een onderzoek naar de implementatie. Het doel hiervan zou de wetenschappelijke begeleiding van de implementatie van de NODO-procedure in de regio Amsterdam zijn. Het resultaat zou het formuleren van aanbevelingen voor het vormgeven en bijstellen van de procedure moeten opleveren......

    Op 27 september 2013 verscheen het evaluatierapport centrale deskundigencommissie bij late zwangerschapsafbreking en levensbeeindiging bij pasgeborenen.
    Uit het evaluatie rapport op pagina 55:
    "De NODO-procedure blijkt een mogelijk versluierend effect te hebben ten aanzien van de meldingen."

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • De evaluatie...

    Voortzetting van het "NODO-experiment" ná 1 januari 2014, of in het jaar 2016, alleen en uitsluitend nog op kosten van het Ministerie van VWS, waar het thuishoorde (!), werd een uitermate onwaarschijnlijke gang van zaken.
    Net als de perinatale audit is ook de Child Death Review een kwaliteitsinstrument dat door analyse en bespreken van sterfgevallen tot doel heeft de zorg te verbeteren. Deze instrumenten zijn met veel inzet van professionals in de afgelopen jaren ingezet en tot stand gekomen.
    In een Kamerbrief over patiëntveiligheid schreef de Minister van VWS op 21 maart 2013 dat instellingen in de zorg zelf, en niet overheidsorganen, verantwoordelijk zijn voor de inzet van 'kwaliteitsinstrumenten'. In een brief naar de Tweede Kamer op 11 juni 2013 over de kwaliteit en veiligheid van de zorg werd dit door de Minister van VWS nog eens opnieuw benadrukt.

    De Minister van VWS in een nota-overleg over patiëntveiligheid op 17 juni 2013:
    (accentuering toegegevoegd door de FOMAT)
    " Er is gevraagd naar de NODO-procedure (nader onderzoek doodsoorzaak minderjarigen). Op dit moment loopt er een evaluatie. Ik meen dat deze eind 2013 is afgerond. Ik stel voor om deze evaluatie af te wachten. Daaruit kunnen we misschien lessen trekken, voordat we zaken een op een omzetten voor volwassenen. Als we eerst de evaluatie afwachten, kunnen we daaruit lessen trekken. Vervolgens kunnen we bekijken welke delen we wel of niet van toepassing verklaren op volwassenen. Er wordt nog even opgezocht wanneer de evaluatie klaar is. De evaluatie zit in ieder geval in de eindfase, dus kan het niet heel lang duren voordat zij naar ons wordt gestuurd. "


    Niet-natuurlijk overlijden bij minderjarigen als ongewenst gevolg van medische (be)handelingen bleek echter in de jaren 2010 t/m 2014, na invoering van het wettelijk 'verplichte overleg' met de gemeentelijk lijkschouwer bij alle (?) gevallen van overlijden, niet (meer) voor te zijn gekomen.......

    De conclusies en 'de lessen' die de Minister van VWS in 2016 zou gaan trekken uit het NODO-dossier leken daarmee bij voorbaat al duidelijk. De NODO-procedure leverde, door het uitsluitend verrichten van nader onderzoek naar doodsoorzaken, geen significante bijdrage aan de de patiëntveiligheid van kinderen. Onderzoek naar de sterfte van kinderen (mortaliteit) is kennelijk geen erg bruikbare indicator voor de kwaliteit van zorg....
    Het aantal (niet-fatale) calamiteiten in de zorgverlening bij kinderen zal moeten blijken uit de cijfers over de meldingen bij het Staatstoezicht op de Volksgezondheid (IGZ). Bij de beantwoording van een lijst met vragen op 24 oktober 2013 over de begroting van het Ministerie van VWS over het jaar 2014 kwam de NODO-procedure niet ter sprake.

    Vanuit de visie van kinderartsen is elke doodsoorzaak die achterhaald wordt, en anders mogelijk niet achterhaald zou worden, ongetwijfeld een waardevol gegeven. Dit valt overigens niet te rijmen met de falende plicht tot overleg van behandelende (kinder)artsen bij elk overlijden van minderjarigen. Veel kinderartsen blijken weinig interesse te hebben. Bij een groot aantal (kinder)artsen bestonden veel misverstanden. Een reguliere obductie is ook zonder een NODO-procedure altijd mogelijk.
    Uit de evaluatie zou ook het aantal gevallen hebben moeten blijken waarbij voor ouders en/of nabestaanden daadwerkelijk een onnodige justitiële gang werd bespaard door het uitvoeren van een NODO-procedure. En die gevallen waren er niet. Welk justitieel of welk 'forensisch' probleem moest nu eigenlijk door de NODO-procedure worden opgelost?

    Uit een brief naar de Tweede Kamer van 11 november 2013 over de begroting van 2014 bleek dat het Ministerie van Veiligheid en Justitie zo snel als mogelijk een beslissing zou nemen over de vraag of de projectsubsidies voor de NODO-procedure (nog) zouden worden voortgezet. Bij de behandeling van de begroting, op 20 en 21 november 2013 in de Tweede Kamer, kwam de NODO-procedure geheel niet ter sprake. De verstrekking van subsidies liep per 31 december 2013 af. In een brief naar de Tweede Kamer op 16 december 2013 deelde de Staatssecretaris van VWS mee dat de deelnemende organisaties naar aanleiding van de opgedane ervaringen en de uitkomsten van de evaluatie aangegeven hadden om per 1 januari 2014 te stoppen met de uitvoering van de NODO-procedure in de huidige vorm.

    Of ná 1 januari 2014 de NODO-procedure nog bestaat, of nog enig bestaansrecht zou hebben, bleek af te hangen van het Ministerie van VWS, dat zich tot dan toe volledig afzijdig had gehouden.
    Uit het antwoord op Kamervragen van 11 maart 2014:
    "De sector is zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van zorg. Om de kwaliteit van zorg te verbeteren zijn andere instrumenten voorhanden, zoals de aanbevelingen van het Kwaliteitsinstituut. Daarnaast speelt de IGZ een rol bij het handhaven van de kwaliteit."

    De beleidslijn van het Ministerie van VWS was duidelijk. Niet 'de overheid' maar de beroepsorganisaties zelf zijn verantwoordelijk voor een eventuele voorzetting en vormgeving van de NODO-procedure in een 'aangepaste' vorm.
    Zes maanden later schreef de Minister van VWS een brief:
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Taakvelden

    De verschillende taken die de forensisch (werkzame) arts kan uitvoeren zijn op hoofdlijnen in vijf taakvelden gegroepeerd te weten:
    • taakveld lijkschouw in het kader van de Wet op de Lijkbezorging.
    • taakveld als medisch deskundig adviseur van politie en/of justitie.
    • taken als medisch zorgverlener in het kader van de Politiewet en de vangnetfunktie inzake openbare gezondheidszorg.
    • taken met betrekking tot zorgvuldigheid en informatiebeheer.
    • taken ten aanzien van de beroepsuitoefening.
    Hoewel het vakgebied traditioneel onderdeel uitmaakt van de openbare gezondheidszorg ('public health') wordt het in het geheel niet genoemd of vermeld in de eind 2008 ingevoerde Wet publieke gezondheid.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • De forensisch arts in de praktijk

    Hieronder een niet uitputtende opsomming:
    • De forensisch-geneeskundige zorgverlening aan arrestanten die zich in (tijdelijke) detentie op het politiebureau of in het cellenblok bevinden waarbij de politie of justitiële autoriteiten verantwoordelijk zijn voor de borging van het recht op medische verzorging. Deze dienst- verlening kan plaatsvinden in de vorm van telefonische advisering of door onderzoek en advisering ter plaatse. Toezicht op het beheer en de archivering van medische gegevens (*), die onder het medisch beroepsgeheim vallen, geschiedt onder verantwoordelijkheid van de forensisch arts. Advisering en signalering geschiedt gevraagd en ongevraagd.
      (*) Thans geldt hiervoor een termijn van vijftien jaar


    • Het verrichten van een lijkschouw in het kader van de Wet op de Lijkbezorging (Wlb) als gemeentelijk lijkschouwer in opdracht van Burgemeester en wethouders, die wettelijk gehouden zijn gelegenheid te verschaffen voor het doen schouwen van lijken (art. 4 van de Wlb).
      De gemeentelijk lijkschouwer heeft in de Nederlandse situatie uitsluitend een signalerende functie en rapporteert bij (een vermoeden van) een niet-natuurlijk overlijden aan de Officier van Justitie die besluit of nader onderzoek noodzakelijk is. De gemeentelijk lijkschouwer is géén (buitengewoon) opsporingsambtenaar of een bevoegd gerechtelijk deskundige en is in principe niet verder betrokken bij dit nader onderzoek.
      Sinds 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen (A)-verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer.

    • De forensisch geneeskundige beoordeling van personen die in het kader van de hulpverleningstaak van de Politie (het oude art 2. van de politiewet 1993 is vervangen door artikel 3 van de Politiewet 2012) naar het bureau zijn of zullen worden overgebracht ter beoordeling van de noodzaak tot nadere (psychiatrische) beoordeling of hulpverlening. De forensisch arts ziet toe op de toegeleiding van/naar de reguliere medische hulpverlening en organiseert deze zo nodig.


    • Het uitvoeren van forensisch medisch onderzoek en de afgifte van medische verklaringen over dit onderzoek ten behoeve van politie en justitie (o.a. na geweldsmisdrijven en zedendelicten). Dit soort onderzoek is alleen mogelijk met volkomen vrijwillge medewerking en schriftelijke toestemming van betrokkene.


    • Afname van lichaamseigen, alsook lichaamsvreemd, materiaal ten behoeve van nader onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) waarbij de vigerende forensisch technische voorschriften (FT-normen) in acht dienen te worden genomen.
      Deze taak kan sinds 1 juli 2017 ook worden vervuld door een toenemende inzet van forensisch verpleegkundigen voor de afname van bloedmonsters. Voor de afname van DNA-materiaal is geen arts (meer) nodig. De urinetest voor het aantonen van het gebruik van alcohol in het wegverkeer wordt is per 1 juli 2017 afgeschaft. Postmortaal sporenonderzoek is alleen mogelijk na toestemming van de (hulp)Officier van Justitie.


    • Het verzorgen van onderwijs in de vorm van gerichte bij/nascholingen en voordrachten voor arrestantenverzorgers bij de politie, justitiële (opsporings)ambtenaren in de strafrechtketen, de advocatuur en ook voor artsen, verpleegkundigen en andere medewerkers in de curatieve sector, om daarmee een soepele samenwerking met aandacht voor de onderscheidenlijke competentie-gebieden en verantwoordelijkheden te waarborgen.


    • Het leveren van bijdragen aan de profilering en professionalisering van het beroep van de forensisch arts en aan de wetenschappelijke ontwikkeling en kennisverspreiding omtrent forensisch geneeskundige onderwerpen door publicaties en het verzorgen van inleidingen, lezingen en onderwijs.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Zelfstandige medische verantwoordelijkheid

    De uitoefening van het beroep als arts op het gebied van de forensische geneeskunde is over het algemeen een nevenfunctie naast andere medische werkzaamheden. De inzet vindt alleen plaats als er een telefonisch verzoek (rechtstreeks of via een meldpunt) wordt gedaan door een opdrachtgever om over te gaan tot dienstverlening. Een opdrachtgever dient, net als de forensisch (werkzame) arts zelf, te beseffen dat ook een 'onwelgevallig' advies of signalering behoort tot de uitkomst hiervan.

    De onafhankelijk forensisch arts heeft een eigen onvervreemdbare medische verantwoordelijkheid en is géén onderdeel of verlengstuk van politie of justitie (de 'uitvoerende macht'), is ook géén (buitengewoon) opsporingsambtenaar en handelt zonder last of ruggespraak volledig autonoom op grond van eigen onderzoek en oordeelsvorming, waar nodig en bij voorkeur in overleg met één of meerdere collega's. Dit uiteraard met kennis en toepassing van de hiervoor gestelde wettelijke kaders.

    Het behoeft geen nader betoog dat de wijze waarop de forensisch arts wordt betaald voor zijn diensten op geen enkele wijze het onafhankelijk medisch oordeel of de wijze waarop het werk wordt uitgevoerd kan of mag beïnvloeden.

    "Een forensisch arts werkt onafhankelijk in opdracht van politie en justitie."
    "Juist deze onafhankelijke positie is van groot belang."
    " Een forensisch arts is in de eerste plaats arts en geen opsporingsambtenaar."

    Bron: Basisopleiding forensische geneeskunde

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Ontbreken van professioneel statuut

    Het moet voor iedereen duidelijk zijn - met name voor politie, het OM en bestuurders - dat 'de klant' van de forensisch arts op de allereerste plaats zijn/haar patiënt is, ook als die daar zelf (of zijn verzekering) niet voor betaalt, zelf niet om de arts-patiëntrelatie heeft gevraagd of zelfs al overleden is. Met het verrichten van medische werkzaamheden in opdracht van derden wordt de artsenbul niet meteen op de brandstapel van het zgn. openbaar belang van de uitvoerende macht verbrand. Deze medische verantwoordelijkheid betekent:

    'De vrijheid van oordeelsvorming van de arts om, gegeven de wettelijke kaders en de professionele standaarden, zonder inmenging van derden, in de individuele arts-patiëntrelatie te komen tot diagnose­stelling en advisering over behandeling en/of het verrichten van diagnostische en therapeutische interventies, waarbij inbegrepen het onderzoeken, het geven van raad met als doel de bescherming en/of verbetering van de gezondheidstoestand.'

    Niet geheel verwonderlijk werd de erkenning van een eigen medische verantwoordelijkheid van een forensisch (werkzame) arts - dus buiten het 'gezag' van de Politie - tot het begin van het jaar 2013 - door de Burgemeester als de korpsbeheerder van de Politie het liefst 'buiten de deur' gehouden. Net als bij bedrijfsartsen komen ook forensisch (werkzame) artsen, die betaald worden door 'opdrachtgevers', regelmatig in situaties terecht waarin het volledig onafhankelijk werken onmogelijk is. In 'lokale onderonsjes' over het regelen van de financiering van regionale gezondheidsdiensten, en de 'onderhandelingen' over de kosten die betaald moesten worden voor de arrestantenzorg, bleek weinig behoefte te bestaan aan artsen met een 'eigen verantwoordelijkheid'. Die artsen moesten ook nog tegen 'zo laag mogelijke kosten' als gemeentelijk lijkschouwer optreden in de (veiligheids)regio.....
    Aan deze (zeer ongewenste) situatie, die ongetwijfeld en met klem door alle betrokken partijen als 'niet herkenbaar' (prima dus!!) bestempeld zal worden, is nu een einde gekomen.
    De rol van de Burgemeester als de 'korpsbeheerder' van de Politie is definitief sinds 1 januari 2013 verdwenen door de invoering van de Politiewet 2012.

    Een zgn. professioneel statuut voor het vakgebied van de forensisch (werkzame) arts bestaat echter, voor zover ons bekend, (nog) nergens. Mocht dat (in enige regio) wel bestaan, verzoeken wij u om toezending hiervan via ons mailadres. Wij zullen dat dan op de website plaatsen. In februari 2014 signaleerde de Inspecteur-generaal voor de Gezondheidszorg (IGZ) dat mensen in detentie- en uitzetcentra in een kwetsbare positie verkeren. De overheid is verantwoordelijk voor de medische zorg. Zorgvuldig en kritisch toezicht op de medische zorg in deze sector is noodzakelijk.
    Medisch noodzakelijk is zorg die bij uitstel leidt tot (ernstige) gezondheidsschade. Dit recht leidt tot dilemma’s bij hulpverleners: zij moeten zich beperken tot het noodzakelijke. Dit kan op gespannen voet staan met de intentie van zorgverleners om optimale individuele gezondheidszorg te verlenen.

    "Vaststellen van het professioneel statuut en het integreren van de daarin beschreven uitgangspunten in het dagelijks handelen. In dit professioneel statuut moet beschreven staan vanuit welke visie de zorgverlening binnen de sector Bijzondere Voorzieningen vorm wordt gegeven, welke professionele kernwaardes worden gehanteerd en hoe verantwoordelijkheden van de professionals binnen het multidisciplinair teamverband zijn geregeld. Dit professioneel statuut moet de grenzen van de individuele beroepsverantwoordelijkheid van de zorgverleners verhelderen en de multidisciplinaire samenwerking bevorderen."
    "De sector heeft in oktober (2013) gesproken over de vaststelling van een professioneel statuut. Naar verwachting is dit document in het eerste kwartaal van 2014 geïmplementeerd."

    Bron: 20 februari 2014: Medische zorg in detentie- en uitzetcentra

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Gezondheidsraad: zorgelijke situatie

    Uit de Nieuwsbrief 2009 nr.1 van het FMG:
    "Het grootste deel van de forensisch artsen dat ooit de opleiding forensische geneeskunde gevolgd heeft, is nu geregistreerd in het SGRC-register maar hoe zit dat over vijf jaar? Veel forensisch artsen gaan de komende jaren met pensioen of stoppen als forensisch arts. Voor nieuwe artsen is het erg moeilijk (en vooral erg duur (*) om in het SGRC-register terecht te komen. Het aantal aanmeldingen voor de profielopleiding is bedroevend laag."

    (*) Volgens de opgave van de NSPOH bedragen de kosten voor de basisopleiding € 31.460 (prijspeil 2017), inclusief koffie/thee, examengeld en studiehandleiding. Examengeld en inschrijfgeld RSG worden apart in rekening gebracht. De kosten voor keuzeonderwijs bedragen ca. € 3.000-8.000; de exacte kosten zijn afhankelijk van het onderwijs dat daadwerkelijk gevolgd wordt. Reiskosten worden niet vergoed.

    In de Nieuwsbrief 2010 nr.1 van het FMG werd hier nogmaals op gewezen:
    "Met de nieuwe wet - in werking getreden op 1 januari 2010 - wordt voorkómen dat elke willekeurige, niet forensisch geschoolde, arts kan worden ingezet als 'gemeentelijk lijkschouwer' en wordt de kans op het missen of foutief interpreteren van aanwijzingen voor een niet-natuurlijk overlijden tot een minimum gereduceerd.
    Tegelijkertijd is hiermee een potentieel knelpunt ontstaan: de forensische realiteit in Nederland heeft er de afgelopen jaren voor gezorgd dat een groot deel van de forensisch werkzame artsen weliswaar al vele jaren ervaring (en daarmee veel kennis) heeft maar geen formele scholing heeft gevolgd en daarom niet is geregistreerd.
    De wetgever heeft hiermee rekening gehouden door in de wet een overgangsregeling af te kondigen inhoudende dat het registratievereiste pas op 1 januari 2013 in werking treedt. Niet geregistreerde artsen krijgen dus drie jaar de tijd om alsnog hun registratie te halen of om te besluiten te stoppen met hun werk als forensisch arts/lijkschouwer. Dat laatste zal met name gelden voor de wat oudere forensisch werkzame artsen en/of de artsen die werkzaam zijn buiten een GGD en de forensische geneeskunde als 'echte' bijbaan hebben. Voor déze groep (huisartsen/ specialisten) is uitgebreide scholing logistiek en financieel gezien zeer onaantrekkelijk."
    Hoeveel daadwerkelijk (nog) actief werkzame forensisch artsen in het lopende jaar 2017 (nog) zijn geregistreerd als gemeentelijk lijkschouwer, via regionale gezondheidsdiensten en de andere op de markt verschijnende 'aanbieders', en de bereidheid van die artsen om, gezien de verontrustende ontwikkelingen binnen het vakgebied, het werk ook in de jaren na 2017 (nog) voort te zetten, zou duidelijk geworden moeten zijn ná de 'opschoning' van het register. Het Ministerie van Veiligheid en Justitie - sinds 1 januari 2013 definitief eindverantwoordelijk voor de 'nationale politie' - heeft ondubbelzinnig aangegeven niet meer te willen bijdragen aan de kosten van de forensisch (werkzame) arts als gemeentelijk lijkschouwer......
    Het Rapport van de Gezondheidsraad toonde een hoog gehalte aan luchtfietserij en een verbluffend gebrek aan realiteitszin en onvolledige kennisname van de huidige ontwikkelingen. Dat sprake zou zijn van een "belang dat de samenleving hecht aan de taken die tot dit vakgebied behoren" wordt nergens gestaafd. Het is de vraag of een jongere generatie artsen zich hierdoor aangesproken zal voelen.

    Het bovenstaande advies van de Gezondheidsraad werd tevens aangeboden aan de minister van Veiligheid en Justitie en aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De Minister van OCenW reageerde op 6 februari 2014:

    "Voor wat betreft de inhoudelijke reactie op deze aanbeveling het volgende. Relevante partijen kunnen gezamenlijk bezien of en hoe tot een landelijk uniforme regeling van de organisatie van de eerstelijns forensisch medische zorg kan worden gekomen. Naar mij is gebleken, onderkent het veld het belang van een zorgvuldige en werkbare regeling die ertoe moet leiden dat op de juiste momenten kan worden beschikt over kwalitatief goede en betaalbare forensisch-medische deskundigheid."

    "Momenteel wordt door het openbaar ministerie in samenwerking met de Inspectie voor de Gezondheidszorg, de KNMG en het FMG een circulaire voorbereid waarin nader wordt ingegaan op de wettelijke bepalingen die gelden voor het handelen in gevallen van (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden. Deze zal mede bijdragen aan de kwaliteit van de lijkschouw."

    "De Gezondheidsraad beveelt ook aan om een Nader Onderzoek Doodsoorzaak (de NODO-procedure) in te stellen voor volwassenen als de NODO-procedure voor minderjarigen positief is geëvalueerd. De evaluatie van de startfase van deze procedure is sinds medio oktober gereed. De staatssecretaris van VWS heeft uw Kamer bij schrijven van 16 december 2013 over geweld in afhankelijkheidsrelaties aangegeven dat de deelnemende organisaties naar aanleiding van de evaluatie op 1 januari 2014 stoppen met de uitvoering van de NODO-procedure. In dat licht is uitbreiding naar andere leeftijdscategorieën nu niet aan de orde."


  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Duidelijke boodschap voor de opleiding

    Op 26 november 2014 werd in de Tweede Kamer bij de behandeling van de begroting voor het jaar 2015 de volgende motie ingediend:

    De Kamer,
    gehoord de beraadslaging,
    constaterende dat de Gezondheidsraad heeft aanbevolen dat de vervolgopleiding forensische geneeskunde van overheidswege betaald zou moeten worden en dat het voor de hand ligt dat het ministerie van Veiligheid en Justitie deze kosten voor zijn rekening neemt;
    verzoekt de regering, deze aanbeveling op te volgen en te onderzoeken op welke manier deze opleiding gefinancierd kan worden,
    en gaat over tot de orde van de dag

    De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie:
    "Door het departement wordt niet direct onderkend dat er een groot kwaliteitsprobleem is bij de lijkschouwers. De fractie van de heer Van Nispen draagt mij graag individuele zaken aan ter voorbeeld. Dat helpt altijd. Desalniettemin zullen we overleg voeren met het ministerie van VWS. We zullen begin volgend jaar — ik praat dan echt over januari of februari (2015) — onderzoek doen en rapporteren aan de Kamer wat de stand van zaken is met betrekking tot de lijkschouwers."
    (..........)
    "In de motie (... ) op stuk nr. 26 wordt de regering verzocht de aanbeveling van de Gezondheidsraad op te volgen dat de vervolgopleiding forensische geneeskunde van overheidswege betaald zou moeten worden. Dit is het verkeerde loket. Ik denk dat dit betaald moet worden door het ministerie van VWS en niet door het ministerie van Veiligheid en Justitie. Ik heb aangegeven in de discussie die wij gevoerd hebben, dat ik dit uiteraard onder de aandacht zal brengen bij mijn ambtgenoot op VWS, maar deze motie moet ik ontraden omdat die ten laste van onze begroting zou komen."
    (..........)
    "Het punt over de opleiding van lijkschouwers is overigens eerder in het debat aan de orde geweest. De financiering van die opleiding ligt echt op de weg van het ministerie van VWS en niet op de weg van ons ministerie."
    (..........)
    "Als (het) bij dit dictum blijft, moet ik de motie ontraden. Als (de indiener) zegt te begrijpen dat ik aan het werk ga door er met mijn collega's over te spreken en dat wij dan één gang maken naar de Gezondheidsraad en de beroepsgroepen, dan komen wij een stuk verder."


    De motie werd vervolgens door de indiener aangehouden en kwam niet in stemming....
    In het debat kwam nog een andere kwestie aan de orde:

    De heer Recourt (PvdA):
    "Mijn fractie maakt zich veel meer zorgen over een ander punt bij hetzelfde onderwerp, namelijk dat niet-gespecialiseerde artsen een natuurlijke dood vaststellen. Te weinig overleden mensen worden dus gezien door gespecialiseerde artsen. Als de staatssecretaris zich dan toch laat informeren, kan hij dit punt dan meenemen? Ik denk dat een veel groter risico is dat mensen door een misdrijf overlijden en dat dit niet geregistreerd wordt, dan dat de schouwarts niet goed opgeleid zou zijn.

    Staatssecretaris Teeven:
    We hebben de NODO-procedure gehad gedurende enige periode. Ik weet niet of de heer Recourt daarop doelt. Daar is in het verleden door mevrouw Arib van zijn fractie veelvuldig aandacht voor gevraagd. We hebben gedurende een bepaalde periode de NODO-procedure gehad, die door dit departement werd gefinancierd. Die financiering is vorig jaar beëindigd, evenals de steun vanuit dit departement, omdat dat volgens de artsen zelf echt een verantwoordelijkheid was van een ander ministerie. Ik heb de zorgen die daarover bestonden, ook bij de fractie van de heer Recourt, overgedragen aan mijn collega van VWS zodat zij het probleem dat de heer Recourt adresseert zou oppakken.

    De heer Recourt (PvdA):
    Dat is geheel terecht. Ik hoor de minister op een vraag van de heer Van Nispen toezeggen dat hij daarnaar gaat informeren. Mijn vraag is of hij dan nog eens een keertje wil informeren of de zorgen inderdaad zijn opgepakt aan de andere kant.

    Staatssecretaris Teeven:
    Zeker, maar de minister kan daarop natuurlijk ook worden bevraagd door de Kamercommissie voor VWS. Ik zal de boodschap in elk geval zeker overbrengen."

    De Minister van Veiligheid en Justitie:
    "De kwaliteit van de lijkschouwer en het niveau van de opleidingen is primair de verantwoordelijkheid van de beroepsgroep zelf."

    De beschikbaarheid van een lijkschouwer is een gemeentelijke verantwoordelijkheid die is vastgelegd in de Wet op de lijkbezorging. Duidelijk is dat het Ministerie van VenJ geen enkele bijdrage zal gaan leveren aan de financiering van de opleidingen.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • "Opschoning" van FMG register voltooid?

    Inschrijving in een register geldt sinds 1 januari 2013 alléén voor het taakveld lijkschouw en niet voor de arrestantenzorg, bloedafname, etc. in opdracht/verzoek van de Politie.

    De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, samen met de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op 27 november 2012 hierover:
    "Per 1 januari 2013 zullen alle gemeentelijk lijkschouwers de opleiding tot forensisch arts moeten hebben gevolgd, willen zij hun functie mogen (blijven) uitvoeren. De invoering van de wettelijke regeling heeft geleid tot een bewustzijn dat forensisch artsen goed gekwalificeerd moeten zijn. Navraag bij Forensisch Medisch Genootschap (*) levert op dat een groot aantal lijkschouwers nu is opgeleid tot en is geregistreerd als forensisch arts, waardoor voldoende gekwalificeerde forensisch artsen beschikbaar zijn."
    (Bron: Antwoord op Kamervragen)
    (*) Bevestiging hiervan door Bestuur van FMG (nog steeds) niet verschenen......

    Burgemeester en wethouders zijn volgens artikel 4 en 5 van de Wet op de lijkbezorging hiervoor verantwoordelijk. De wetgever verzuimde tot nu toe aanwijzingen te geven over de inrichting van een dergelijk 'register' of het beheer daarvan. Daar kwam in 2013 definitief duidelijkheid over: De status, het nut en de houdbaarheid van een zgn. FMG-register, met de illustere toekenning van het predikaat "Forensisch arts FMG" naast de titel 'forensisch arts KNMG' door het CGS, bleef echter volstrekt onduidelijk. De wenselijkheid van de opzet en het voeren van een 'schaduw-register' zal door het College Geneeskundige Specialismen, als de door de Minister aangewezen penvoerder van de registratie van alle artsen in Nederland, zeker niet met het nodige enthousiasme zijn begroet. Ook de monopolie-positie van de NSPOH, zoals toegekend door het Bestuur van het FMG, is op zijn minst opmerkelijk... In artikel 93 van de Wet BIG staat:
    "Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik van een bij de maatregel aangegeven onderscheidingsteken door degenen die in een bij de maatregel aangewezen register ingeschreven staan of aan wie krachtens artikel 34, derde lid, het recht is voorbehouden een krachtens dat artikellid aangegeven titel te voeren."

    Van een dergelijke Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB), bijv, via een wijziging van het Besluit op de lijkbezorging lijkt, voor zover wij kunnen nagaan, geen sprake te zijn. Het aantal artsen dat vanwege het CGS in 2013 nog beschikte over een profielregistratie "forensisch arts" bleek te dalen. De Commissie Erkenningen & Toezicht van het CGS is kennelijk (nog) niet overgegaan tot definitieve besluitvorming.

    In een Nieuwsbrief van het Forensisch Medisch Genootschap werd op 27 oktober 2011 nog het volgende gemeld:

    ---- Citaat -----
    "Het FMG heeft ervoor gekozen om de forensisch arts in zijn register een duidelijk gezicht te geven in de brede zin van de forensische geneeskunde. Alleen artsen die breed forensisch geneeskundig zijn opgeleid hebben recht op registratie. Bovendien vereist het reglement dat de arts ook daadwerkelijk werkzaam is als forensisch arts en gemeentelijke lijkschouwer: zonder voortdurende oefening en ervaring raakt kwaliteit snel uit het zicht.
    Het FMG voert als beroepsvereniging al jaren een register waarin artsen die forensisch werk doen zich kunnen laten registreren. Het register bevat mensen die in een ver verleden ooit zijn ingeschreven, maar waarbij nooit herregistratie heeft plaatsgevonden om de simpele reden dat dat in die tijd nog niet aan de orde was. Tijden veranderen en het is niet langer wenselijk dat artsen eindeloos in het register opgenomen blijven.
    Het FMG-register zal daarom geactualiseerd worden, waarbij alle mensen die langer dan 5 jaar geleden geregistreerd zijn aangeschreven worden. Zij kunnen geregistreerd blijven indien ze aan de huidige 'eerste registratie-eisen' voldoen. Het zou immers niet fair zijn om voor deze artsen nu de bij- en nascholingseisen te laten gelden die vroeger niet vereist werden. Om het register geloofwaardig te houden, dienen zij echter wel te voldoen aan de huidige registratie-eisen, te weten: de basisopleiding forensische geneeskunde afgerond en werkzaam als forensisch arts/gemeentelijk lijkschouwer.
    Registratie is steeds voor vijf jaren, bij herregistratie dient de arts vanzelfsprekend te voldoen aan de herregistratie-eisen. Mensen die de afgelopen vijf jaar geregistreerd zijn, vallen al onder de nieuwe werkwijze: zij voldoen aan de huidige registratie-eisen en kennen de aan hun gestelde herregistratie-eisen.
    Het FMG heeft haar leden van deze ontwikkelingen voortdurend op de hoogte gehouden.
    In 2012 wordt het tijd om het bestaande register 'op te schonen'. Op 1 januari 2013 moet er een geloofwaardig en actueel register staan, van waaruit Burgemeester en Wethouders met een gerust hart de gemeentelijke lijkschouwer kunnen benoemen."
    ---- Einde Citaat -----
    Bron: Nieuwsbrief van het Forensisch Medisch Genootschap; zie onder punt 1.

    Opmerking van de FOMAT:
    Een forensisch (werkzame) arts behoort, ook als gemeentelijk lijkschouwer, een strikt onafhankelijk oordeel te (kunnen) hebben ten opzichte van de 'uitvoerende macht'. Daar paste geen bevoegdheid tot 'benoeming', gekoppeld aan een bevoegdheid tot 'aanwijzing' (als 'korpsbeheerder') bij. Aan deze (zeer ongewenste) situatie is een einde gekomen. Sinds 1 januari 2013 is de Burgemeester zijn/haar bevoegdheid verloren om als 'korpsbeheerder' van de Politie op te treden; die taak wordt volgens de nieuwe Politiewet overgenomen door de 'korpschef'. Die op zijn beurt, in het kader van de Wet op lijkbezorging, niets te maken behoort te hebben met de 'benoeming' van gemeentelijk lijkschouwers. De 'korpschef' wordt gebonden aan 'aanwijzingen' door de Minister...., niet die van BZK (waaronder de Wet op de lijkbezorging valt) maar aan de Minister van Veiligheid en Justitie....

    De redenen om de lezingen van het Voorjaarssymposium van het FMG op 26 april 2013 alleen voor leden te publiceren zijn onduidelijk. Bedoelt men dit met oog op een open en transparante opstelling?

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Aantal registraties

    Volgens de cijfers van de SGRC (*) waren er op 1 januari 2010 in het profielregister forensische geneeskunde 191 artsen ingeschreven. Uit de gegevens bleek dat de beroepsgroep sterk vergrijst. Slechts 23% van de forensisch (werkzame) artsen in 2010 was vrouw.
    Bron: Medisch Contact 22 juli 2010
    (*) Beheer SGRC-register berust sinds 1 januari 2013 bij CGS.

    Gegevens CGS - Profielartsen forensische geneeskunde:
    (peildatum: 31 december van elk jaar)

       200520062007200820092010201120122013201420152016
    Profiel:   -   -  92  93 190 186 185 148 143 137 138 127
    Aantal aio's:   -   -   -   -   -   2   2   -   -    -   -
    Instroom:   -   -   -   -   -   2   -   -   -    -   -
    Bron: Aantal geregistreerde specialisten/aios

    Bij de beantwoording van Kamervragen op 14 februari 2013 werd door het Ministerie van Veiligheid en Justitie, mede namens VWS, nog beweerd dat er in Nederland ruim 300 geregistreerde forensisch artsen zouden zijn. Op welke gegevens deze (kennelijk nogal hoge) inschatting berustte was niet duidelijk.

    In maart 2013 werd het aantal artsen (140) dat zou beschikken over een aantekening "Forensisch arts FMG" in het 'schaduw-register' duidelijk. Gegevens over het aantal artsen dat zich 'in opleiding' voor het 'schaduw-register' zou bevinden bleven onbekend...
    In het Rapport van de Gezondheidsraad van 25 april 2013 werd op pagina 44/45 het volgende gemeld:
    " Het aantal artsen dat is geregistreerd bij de Registratiecommissie Geneeskundig Specialisten (RGS) bedraagt in maart 2013 in totaal 146. In 57 gevallen betreft het dan forensisch artsen met alleen het profiel forensische geneeskunde; in 89 gevallen gaat het om artsen M&G die tevens als profielarts forensische geneeskunde zijn geregistreerd. Daarnaast zijn er 140 forensisch artsen geregistreerd bij het FMG; 81 forensisch artsen hebben alleen de (basis)opleiding forensische geneeskunde gevolgd en 59 artsen staan ook bij het RGS geregistreerd."
    Dat betekende dat ongeveer 115 forensisch artsen, in maart 2013, (nog) niet geregistreerd waren bij RGS of FMG. " De Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) had (via een mededeling op haar website) de leden er op gewezen dat per 1 januari 2013 elke arts, die optreedt als gemeentelijk lijkschouwer, geregistreerd moet zijn in het register van forensisch arts KNMG of in het register van het Forensisch Medisch Genootschap (FMG). Huisartsen, die ooit benoemd zijn als Gemeentelijk Lijkschouwer, maar niet in deze registers staan, zijn dus vanaf 1 januari 2013, volgens de LHV, niet meer gerechtigd hun functie als Gemeentelijk Lijkschouwer uit te oefenen.

    Op 31 januari 2013 werd door het FMG gemeld dat inschrijfformulieren voor een zgn. vernieuwd FMG register bechikbaar zijn. Welke status of 'bevoegdheid' daarmee wordt of zou worden verkregen blijft onduidelijk.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Benoeming gemeentelijk lijkschouwer

    In het kalenderjaar 2017 is Nederland nog opgedeeld in 388 gemeenten. Gemeenten met minder dan 100.000 inwoners zullen op termijn moeten fuseren. De regering denkt dat grotere gemeenten nodig zijn, omdat steeds meer en complexere taken naar deze bestuurslaag worden overgeheveld.
    Voor alle gemeentebesturen (Colleges van Burgemeester en Wethouders) is sinds 1 januari 2013 wel een uiterst verwarrende situatie ontstaan. Volgens artikel 4 van de Wet op de lijkbezorging bestaat de verplichting om in elke gemeente één of meer gemeentelijk lijkschouwers te benoemen. Het is (nog) onduidelijk of de zgn. regioburgemeester (van de gemeente met het hoogste aantal inwoners in het gebied waarin de regionale eenheid de politietaak uitvoert of een door de Minister aangewezen burgemeester) ook verantwoordelijk wordt voor de 'benoeming' van de gemeentelijk lijkschouwer(s). Volgens artikel 5 van de Wet (Wlb) kunnen alleen artsen worden benoemd die in 'een daartoe gehouden' register zijn ingeschreven. De (regie)rol van de (regio)burgemeester als 'korpsbeheerder' van de Politie in de huidige veiligheidsregio's is sinds 1 januari 2013 verdwenen. De rol van regionale gezondheidsdiensten gaat veranderen door de nu optredende taakverschuivingen.....

    De Minister van Veiligheid en Justitie hierover op 24 oktober 2012 in het Staatsblad:
    "Voorheen was de burgemeester die ingevolge de Politiewet 1993 was benoemd als korpsbeheerder ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s, de voorzitter van de veiligheidsregio. Met de inwerkingtreding van de Politiewet 2012 is er niet langer sprake van regionale politiekorpsen en dus ook niet van een korpsbeheerder van een regionaal politiekorps.
    Daarmee vervalt de koppeling tussen de functies van de korpsbeheerder en de voorzitter van de veiligheidsregio."

    Bron: Besluit rechtspositie voorzitters veiligheidsregio’s (Nota van toelichting)
    Zie ook: De benoeming van de voorzitters van de veiligheidsregio's (22 augustus 2013)
    Let op: Deze burgemeesters zijn dus niet automatisch ook de zgn. regioburgemeesters.

    In een Nieuwsbrief van het Forensisch Medisch Genootschap van 27 oktober 2011 (zie onder punt 5) werden over 'de benoeming' door Burgemeester en Wethouders - en de al of niet 'verplichte' relatie die hierover met regionale gezondheidsdiensten zou bestaan, of zelfs zou moeten (?) bestaan, een aantal wel zéér merkwaardige en misleidende opmerkingen gemaakt:

    ---- Citaat -----
    De term ‘gemeentelijk’ doet al sterk vermoeden dat de bevoegdheid om als lijkschouwer op te treden beperkt is tot een gemeente of hooguit tot een regio, anders werden er wel ‘nationale lijkschouwers’ benoemd. Om op dit punt finale duidelijkheid te krijgen hebben NFI en FMG deze vraag aan het ministerie (*) voorgelegd. Het antwoord was:
    “Iemand is gemeentelijk lijkschouwer, maar kan als zodanig slechts optreden in de gemeente(n) waar hij als zodanig is benoemd. De functie is immers verbonden met een bepaald territoir, wat ook in de naamgeving en in de benoemingswijze (door B&W) tot uitdrukking komt”.
    In de praktijk is het meestal zo geregeld dat de forensisch artsen door B&W van de gemeente waar de GGD gevestigd is benoemd worden. Strikt genomen zouden alle gemeenten in de regio die gebruik maken van de diensten van de GGD de door de centrale gemeente benoemde lijkschouwers ook moeten benoemen. Het ligt voor de hand om dat elk jaar weer te doen, omdat er nu eenmaal gemeentelijk lijkschouwers komen en gaan.
    Er zijn forensisch artsen die van mening zijn dat als ze ooit tot gemeentelijk lijkschouwer zijn benoemd gemeentelijk lijkschouwer blijven, ook als ze ontslag hebben genomen bij de gemeente die hen benoemd heeft. Het is op zich al een vreemde gedachte dat je een functie die duidelijk gekoppeld is aan een aanstelling bij een gemeente zou kunnen behouden als de aanstelling vervalt.
    -------------------
    Ook deze kwestie hebben we aan het ministerie (*) voorgelegd. Het antwoord was:
    “Voor benoeming tot gemeentelijk lijkschouwer is vereist dat betrokkene als forensisch arts staat geregistreerd. De enkele verandering van werkkring leidt niet automatisch tot "ontslag" als gemeentelijk lijkschouwer, zolang maar aan de voorwaarden van de functievervulling is voldaan. B&W kunnen echter wel als beleid hanteren dat slechts bij de GGD werkzame forensisch artsen als gemeentelijk lijkschouwer worden benoemd. Indien betrokkene dan vertrekt bij de GGD, hebben B&W een argument om hem tevens te ontheffen van de functie van gemeentelijk lijkschouwer”.
    ---- Einde Citaat -----
    Bron: Nieuwsbrief van het Forensisch Medisch Genootschap (pdf).

    (*) Welk Ministerie werd hier bedoeld???
    Van een 'aanwijzing' of beleidsregel van BZK voor de 'gemeenten' is geen sprake
    Het Ministerie van VenJ gaat niet over de Wet op de lijkbezorging
    ........ en ook het NFI niet.......
    Het NFI wordt gefinancierd door het Ministerie van Veiligheid en Justitie
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Enkele kanttekeningen....

    Bij de wijziging van de Wet op de lijkbezorging werd in de Memorie van Toelichting van een koppeling tussen de benoeming door 'een gemeente' en een 'gezondheidsdienst' in het geheel niet gesproken. In 2006 heeft de Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG), in de discussie over deze koppeling in de Wet op de lijkbezorging, zelfs nog nadrukkelijk verklaard een tegenstander te zijn van een dergelijke koppeling.....
    Uit het zgn. GHI-Bulletin van de Inspectie van mei 1991 (op pagina 8):
    (accentuering toegevoegd door de FOMAT)

    "Nieuw is eveneens dat de wet de regeling rond de benoeming en beëdiging heeft vereenvoudigd: wanneer een lijkschouwer in een bepaalde gemeente is benoemd, is hij bevoegd ook in andere gemeenten als zodanig op te treden, in ieder geval in zijn gehele GGD-regio. De beëdiging zal bovendien t.z.t. vervallen."

    Van een 'beperking' tot een gemeente, regio, provincie of enig ander landsdeel of tot een al dan niet regionale (gezondheids)dienst is geen sprake....
    Een pleidooi om een forensisch (werkzame) arts als gemeentelijk lijkschouwer te benoemen die juist niet uit dezelfde regio afkomstig, of daar werkzaam is (voor de arrestantenzorg, bloedafnamen, etc.), en de aanname van een degelijk professioneel statuut zou meer voor de hand gelegen hebben.

    Enige bemoeienis met de benoeming van de gemeentelijk lijkschouwer van de zijde van de regionale of landelijke 'korpschef' van de Politie werd (terecht) niet voorzien in de nieuwe wetgeving over de nationale politie. De (gedelegeerde) uitvoering van de Wet op de lijkbezorging valt onder het Ministerie van BZK en niet onder het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Laatstgenoemd Ministerie weigert nu al jarenlang om bij te dragen aan de kosten van de gemeentelijk lijkschouwer in de gemeente waar het overlijden plaatsvindt. De bijdragen (via het gemeentefonds) voor de dekking van de kosten van de bemoeienis van de gemeentelijk lijkschouwer bij euthanasie zijn ontoereikend.

    Een "opschoning" van Burgemeesters van de 388 Nederlandse gemeenten voor de benoeming van de gemeentelijk lijkschouwers en de snel verdwijnende invloed hierop van diverse regionale gezondheidsdiensten lijkt aanstaande.....

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Herschikking van taken....

    Van taakverschuivingen in het vakgebied kan sinds 1 januari 2013 geen enkele sprake meer zijn nu de Minister van Veiligheid en Justitie ondubbelzinnig heeft aangegeven niet (meer) te willen bijdragen aan de kosten voor de lijkschouw. Door de verdwenen invloed van de (gemeente)burgemeester(s) op het beheer van politie zal de lappendeken van regionale gezondheidsdiensten steeds meer moeite krijgen om de forensisch-geneeskundige dienstverlening op een enigzins aanvaardbaar peil te houden zonder een toenemende inzet van externe artsen. Ook is een einde gekomen aan de regionale 'onderonsjes' met die gezondheidsdiensten en Burgemeester(s) over de financiering van de arrestantenzorg. Het zal in de overeenkomende veiligheidsregio's leiden tot een einde aan de (monopolie)positie van regionale gezondheidsdiensten met stilzwijgende doorberekening van (soms aanzienlijke) 'overhead'-kosten voor arrestantenzorg aan de politiekorpsen. Alles 'in ruil' voor de onderbetaling van dezelfde forensisch (werkzame) artsen als gemeentelijk lijkschouwer.
    De zgn. onafhankelijke positie van regionale gezondheidsdiensten ten opzichte van de Politie bestond, met de Burgemeester als 'korpsbeheerder', in feite helemaal niet. Tot erg veel van de forensisch (werkzame) artsen was de rol van de 'dubbele pet' van de Burgemeester, in relatie tot de complete 'financiering' van die regionale gezondheidsdiensten, echter niet geheel duidelijk geworden of zelfs maar doorgedrongen. Een verontrustend hoog aantal van maar liefst 115 (!) (tot dan toe nog steeds) forensisch (werkzame) artsen bleek volgens een Rapport van de Gezondheidsraad van 26 april 2013 géén interesse meer te tonen voor een herregistratie als gemeentelijk lijkschouwer. Het in 2013 opgetreden fiasco van de implemetatie van de NODO-procedure onder de regie van GGD-Nederland zal de meeste (nog wel werkzame) forensisch artsen niet zijn ontgaan.

    De vrij onderhandelbare tarieven gaan naar verwachting in 2017 een belangrijke rol spelen voor alle forensisch (nog wel werkzame) artsen. De mogelijkheid bestaat dat de forensische geneeskundige taken in grotere regio's verdeeld gaan worden. In enkele regio's is dat al gebeurd en zijn lokale GGD-en buitenspel komen te staan wat betreft de praktische uitvoering van de forensische geneeskunde. Grote particuliere maatschappen of ondernemingen tekenen in voor de uitvoering en nemen dan lokale GGD-artsen en andere artsen als zelfstandig declarerende freelancers zonder dienstverband (via zgn. pay-roll constructies) aan voor de uitvoering van het werk. Naar verluidt zou GGD Nederland (of sinds 1 januari 2014: PGV Nederland (nog) getracht hebben om de forensische taken in één landelijk aanbod neer te leggen bij de 'nationale politie' en de VNG. Een voorstel met een dergelijk aanbod met een landelijk uniform tarief is er niet gekomen. Het is de vraag of veel artsen, na jarenlange 'onderbetaling' door regionale GGD-en, nog bereid zullen zijn om zo het werk voort te zetten.
    De landelijke korpschef, sinds 1 januari 2013 in functie als de 'nieuwe korpsbeheerder' van de Politie, en de tien (regionale) politiechefs (als regionale 'kwartiermakers') zullen in gezamenlijk overleg deze ontwikkeling, met aantrekkelijke schaalvoordelen voor de arrestantenzorg, ongetwijfeld hebben ondekt. De betalingen voor de lijkschouw(er) zal de korpschef niet (meer) op zich willen nemen en die kosten blijven voor de gemeente van overlijden, net als bij euthanasie, waarbij ook nu al geen enkele rol voor politieambtenaren bestaat.......
    De Politie in Nederland zal zich ongewijfeld 'strict afzijdig' gedragen als het het gaat om de betaling van de forensisch (werkzame) arts als gemeentelijk lijkschouwer....

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Merkwaardige aanbesteding forensische geneeskunde

    In een Rapport van de Gezondheidsraad van 25 april 2013 werd op pagina 78, over de op handen zijnde verdere regionalisering, het volgende gemeld:
    " Indien Europese aanbesteding van forensisch-medische zorg en onderzoek wordt ingezet, iets wat niet de voorkeur van de commissie heeft, dan is het van het grootste belang dat de intekenende partijen aan zeer strenge eisen voldoen en het volledige pakket aan forensisch-medische zorg en onderzoek leveren. "
    En in een voetnoot daaronder:
    " Idealiter zou het dan om één GGD per regionale eenheid van de Nationale Politie gaan, dus 10 in totaal. Dit zou goed kunnen aansluiten bij de al bestaande plannen voor vergaande regionalisering van GGD Nederland. " Uit de opzet voor de Begroting 2015 van GGD-Gelderland-Zuid van 26 juni 2014:
    "Sinds de politie nationaal is georganiseerd overweegt zij om over te gaan tot (Europese) aanbesteding van forensisch-medische zorg en forensisch-medisch onderzoek. Het gaat hierbij om zowel arrestantenzorg als forensisch-medische verrichtingen. Deze taken worden namelijk nu al, gecombineerd met de lijkschouw/euthanasie, door de meeste GGD’en uitgevoerd en vormen een belangrijk onderdeel van de public health.
    Omdat de Nationale Politie alleen wil onderhandelen met aanbieders met een landelijk dekkend netwerk is een verdergaande samenwerking tussen GGD’en in Nederland noodzakelijk. GGD&GHOR Nederland zijn daarom voorbereidingen gestart voor een landelijk dekkend aanbod van de gezamenlijke GGD’en in de 10 politiedistricten met uniforme prijsafspraken. Uitgangspunt voor de GGD’en is dat de forensische geneeskunde ongesplitst wordt uitgevoerd: lijkschouw/euthanasie, forensisch onderzoek en arrestantenzorg. De onderdelen forensisch-medische zorg en het forensisch-medisch onderzoek zullen door de nationale politie aanbesteed worden en dus ook door de politie betaald worden. De lijkschouw/euthanasie is een taak die bij de gemeenten ligt en ook door hen betaald dient te worden.
    De verwachting is dat de aanbesteding in 2014/2015 plaats gaat vinden. Mocht de forensisch medische zorg/onderzoek aan de GGD’en gegund gaan worden dan is de verwachting dat dat op zijn vroegst in 2015 in zal gaan. In de nieuwe constructie zal de politie de lijkschouw niet meer betalen. Tot op heden heeft de politie in Gelderland-Zuid als een van de weinige regio’s in het land dit wel gedaan terwijl ze dat niet verplicht waren."
    De Minister in antwoord op bovenstaande vragen:
    " Momenteel (juli 2014) bevindt de aanbesteding zich in de afronding van de voorbereidende fase. Dit betekent dat het programma van eisen nagenoeg klaar is en de aanbesteding bekend kan worden gemaakt aan de (nationale) markt. De aanbesteding betreft de medische arrestantenzorg en de forensische medische zorg.
    Voor de volledigheid merk ik hier op dat in de aanbesteding ook enkele eisen worden opgenomen met betrekking tot de lijkschouw. Deze taak is wettelijk opgedragen aan de gemeenten en valt dienovereenkomstig onder het gemeentelijke budget."
    "Omdat niet bij wet is vastgelegd dat de forensische medische zorg en evenmin de medische zorg voor arrestanten/ingeslotenen is voorbehouden aan een specifieke organisatie acht de nationale politie het van belang op grond van de algemene beginselen van het aanbestedingsrecht de opdracht in concurrentie weg te zetten binnen Nederland."

    De definitieve tekst van de Offerteaanvraag van 19 september 2014 werd later openbaar en de termijn werd eerst verlengd tot 10 november 2014. Opmerking:
    De ambtenaar die verantwoordelijk was voor de bovenstaande formuleringen had kennelijk weinig diepgaande kennis van de achtergronden...
    Het 'ontzorgen van Politie' is in het vakgebied een onbekende uitdrukking. Wat hiermee werd bedoeld was onduidelijk.
    • 19 januari 2017: Ruzie over lijkschouwing bij aanbesteding arrestantenzorg
      Waarom is lijkschouwing nodig bij arrestantenzorg? En hoezo moet die in handen zijn van de Nationale Politie? Lijkschouwing is toch niet de verantwoordelijkheid van de Nationale Politie?
      In het aanbestedingsdocument wordt niettemin als eis opgenomen dat inschrijver lijkschouw “kan leveren en voldoet aan de kwaliteitseisen als gesteld door gemeenten en zoals deze zijn vastgelegd in wet- en regelgeving”.
      De aanbesteding is uiteindelijk niet doorgegaan...
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Aanbesteding uitgesteld tot 2018

    Zoals in de inleiding reeds werd uiteengezet. Het 'verdienmodel' waarbij de forensisch (werkzame) arts als gemeentelijk lijkschouwer werd bekostigd uit de inkomsten verkregen voor de arrestantenzorg en bloedafnames dreigde door de aanbesteding te verdwijnen. De gemeenten draaien volledig op voor de kosten van de uitvoering van de Wet op de lijkbezorging en de kosten van de gemeentelijk lijkschouwer. De Nationale Politie weigert om hieraan nog bij te dragen. Aan de opheldering van doodsoorzaken zal geen enkel gemeentebestuur geld willen uitgeven. Dode burgers betalen nu eenmaal geen gemeentelijke heffingen meer....
    • 10 februari 2015: Voortgang aanbesteding forensisch medische zorg (PDF)
      Memo van de Directeur Publieke Gezondheid van GGD Gelderland-Midden:
      "Omdat GGD Gelderland-Midden belang hecht aan het leveren van de medische arrestantenzorg, hebben wij met de andere vier GGD-en in Oost-Nederland samengewerkt om een goede inschrijving te kunnen doen voor perceel Oost. De uiterste inschrijfdatum voor de aanbesteding was 2 februari 2015. Naar verwachting zijn de resultaten begin maart bekend. Dan zullen wij met de gemeenten in overleg treden over de eventuele gevolgen hiervan voor de gemeentelijke taken (zoals lijkschouw)."
    Tot de politiek was dit mechanisme van de bekostiging echter niet doorgedrongen en ook (nog erger) niet tot de burelen van de beleidsmakers bij de Nationale Politie.
    • 20 februari 2015: Zorgen over de kwaliteitsontwikkeling van de forensische geneeskunde
      Kamervragen aan de Minister van VenJ.....
      Vraag 6:
      "Bent u bereid de opsporingsgerelateerde aspecten van het aanbestedingscontract (lijkschouwing, slachtofferonderzoek en verdachtenonderzoek zeden- en geweldsdelicten) alsnog uit de aanbesteding te halen? Zo nee, waarom niet?"
      • 20 maart 2015: Uitstel beantwoording van de vragen
        ... aangezien nog niet alle benodigde informatie is ontvangen...
      • 26 maart 2015: Antwoord op de vragen
        De Minister:
        "Bij de aanbesteding is onder andere als eis gesteld dat de forensische artsen zijn geregistreerd als forensisch arts bij de KNMG en/of FMG. Hiermee is aangesloten bij de eisen die de beroepsgroep van forensische artsen zelf stelt. Dat is de normale manier van werken ..."
        "... geen aanleiding om deze aanbesteding te wijzigen of stop te zetten ..."
        "De kwaliteit van forensische artsen in eerste plaats een verantwoordelijkheid van de beroepsgroep zelf. Dat geldt dus ook voor de vraag of er aanleiding is om de bestaande eisen aan te scherpen en eventueel daartoe een commissie in te stellen. Het FMG is op diverse manieren bezig met de verdere ontwikkeling van het vakgebied ..."
    • 15 april 2015: Beslissing tot gunning aanbesteding medische zorg en onderzoek
      "Op de uiterste inschrijfdatum van 2 februari 2015 waren in totaal 24 inschrijvingen binnen verdeeld over de 10 percelen."
      "Dit kan als gevolg hebben dat een deel van de huidige leveranciers niet meer kan voldoen aan de gestelde eisen of het gevraagde volume."
      Begin mei 2015 wordt duidelijk of de aanbesteding definitief wordt gegund...
    • 29 mei 2015: Vertraging gunning medische zorg en onderzoek
      Partijen hebben niet de vereiste documenten overlegd...
      "Na overleg met juristen is besloten verder te gaan met de eerstvolgende inschrijver op elk perceel."
    • 3 juli 2015: Aanbesteding medische zorg en forensisch onderzoek gestaakt
      "De betrokken partijen zijn geïnformeerd en worden uitgenodigd voor een gesprek om het proces van aanbesteding te evalueren" ...
    De Politie verzond de volgende brief aan de inschrijvers van de Aanbesteding:
    (accentueringen toegevoegd door de FOMAT)

    3 juli 2015.
    Zoals vermeld in hoofdstuk 4 "Algemene voorschriften" van de offerteaanvraag waarmee u - middels ondertekening van formulier F - akkoord bent gegaan, heeft Aanbestedende dienst het recht de aanbestedingsprocedure tijdelijk of definitief te staken. De volgende argumenten liggen aan deze beslissing tot definitieve staking ten grondslag.
    Ten eerste hebben wij moeten constateren dat er sprake is van een gebrek aan concurrentie, nu er op 5 van de 8 percelen slechts ongeldige inschrijvingen zijn ontvangen.
    Ten tweede wordt de gewenste uniformiteit op nationaal niveau niet bereikt wanneer - mocht sprake zijn van geldige inschrijvingen in de overige 3 percelen - slechts voor 3 percelen wel op basis van de onderhavige aanbestedingsprocedure contracten zouden worden gesloten.
    Ten derde is de aanbestedingsprocedure in de percelen 1 en 8 ais gevolg van in de betreffende eenheden - pas ruim na inschrijvingsdatum bekend geworden - aanwezige langlopende contracten reeds eerder gestaakt door Aanbestedende dienst.
    Als laatste zijn er zeer recente ontwikkelingen op het gebied van forensisch medisch onderzoek die van invloed kunnen zijn op de omvang van de opdracht, zoals onder meer maar niet uitsluitend de insteek van zeden- en gewelddelicten bij kinderen <12 jaar, waarbij in de toekomst waarschijnlijk een grotere rol wordt toegekend aan het NFI.
    Op een later moment vindt verdere besluitvorming plaats betreffende de vraag of de opdracht opnieuw in de markt wordt gezet, en zo ja, in welke (wezenlijk gewijzigde) vorm.

    Indien u bezwaar wilt maken tegen de beslissing tot staking van de (....) aanbestedingsprocedure, dan dient u op straffe van verval van recht uiterlijk 31 juli 2015, 23.59 uur een kort-geding-dagvaarding te laten betekenen bij de politie. De bevoegde rechter is de Voorzieningenrechter van de rechtbank te Den Haag. Indien u niet, niet tijdig of niet correct een kort geding aanhangig maakt, dan vervalt uw recht om deze beslissing door de rechter te laten toetsen en bent u niet-ontvankelijk in uw vorderingen.
    Het spijt ons u niet anders te kunnen berichten. Verwijzend naar de bij aanvang van deze brief genoemde argumenten zien wij echter geen andere mogelijkheid dan staking van de aanbesteding. Zowel Aanbestedende dienst als u als inschrijvende parti] hebben veel tijd en inspanning geleverd inzake onderhavige aanbesteding. Wij gaan dan ook graag met u in de periode september/oktober 2015 met u in gesprek - mits u daartoe bereid bent- om de aanbesteding samen met u te evalueren. Dit met als doel om vervolgens op de juiste gronden een besluit te nemen over het opníeuw in de markt zetten van de opdracht, en zoja, in welke (wezenlijk gewijzigde) vorm. (....)
    Nogmaals danken wij u voor de door u geleverde inspanning.
    De korpschef van politie, namens deze,


    Bron: Brief aan RDOG Hollands Midden

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Onderzoekscommissie

    Langzaam drong de vraag zich op of er wel voldoende artsen te vinden zullen zijn die nog (wilden...) voldoen aan de eisen die de Nationale Politie meende te moeten stellen aan het verrichten van forensisch medische werkzaamheden. De nogal ronduit arrogante en denigrerende houding van het politieapparaat in de aanbestedingsprocedure zal op vele artsen een afschrikkende werking hebben gehad. Met geen woord werd gerept over een eigen medische verantwoordelijkheid van de artsen die bereid (moeten) zijn het werk uit te voeren. Die artsen zijn geen politieambtenaren met een ambtsinstructie....

    Op 21 december 2015 meldde de FARR in Rotterdam het volgende:
    "Na de bijzondere periode 2014-2015 waarin allerlei fases in de aanbesteding werden doorlopen, tekent zich af dat er voorlopig een doorlopende dienstverlening en contractering is tot 2017-2018. In 2017 zal zeker geen nieuwe aanbesteding forensisch medische worden ingezet door de politie en mogelijk wordt dit tot 1-1-2018 verlengd. Deze periode zal door de landelijke politie worden gebruikt om de opties te onderzoeken."
    Bron: Website van de FARR Merk op:
    Een zeer opmerkelijke uitspraak van een Regionaal Tuchtcollege op 24 juni 2016 met de oplegging van een waarschuwing aan een forensisch (werkzame) arts heeft tot veel onrust in de beroepsgroep geleid. Dit heeft bepaald niet bijgedragen aan de bereidheid van jonge artsen om nog werkzaam te zijn (of te worden...) in de medische arrestantenzorg.
    Het totaal ontbreken van een professioneel statuut voor de forensisch (werkzame) arts zal aan de orde moeten komen.
    De Nationale Politie, onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, weigert sinds 2013 om nog bij te dragen aan de kosten van de lijkschouw(er). De forensisch (werkzame) arts wordt als gemeentelijk lijkschouwer betaald door de gemeente van overlijden en niet door enig Ministerie. Voor de lijkschouw na euthanasie/hulp bij zelfdoding ontvangen gemeenten in Nederland hiervoor jaarlijks uit het Gemeentefonds een (volstrekt ontoereikende) bijdrage.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Politiewet 2012

    De invoering van de nationale politie sinds 1 januari 2013 betekende dat de voorheen nog 25 regiokorpsen en het Korps landelijke politiediensten opgingen in één landelijk korps dat bestaat uit tien regionale eenheden, een landelijke eenheid en een ondersteunende dienst voor ICT en personeelszaken. Elk van deze tien eenheden wordt geleid door een zgn. 'politiechef', als hoofd van een regionale of een landelijk opererende eenheid. Aan het hoofd van de organisatie staat één korpschef die belast is met de leiding en het beheer van de nationale politie. Hij is ondergeschikt aan de Minister van Veiligheid en Justitie en legt ook verantwoording aan hem af.

    Voor het eerst in de geschiedenis van de Nederlandse politie maken alle politiemedewerkers vanaf 1 januari 2013 dus deel uit van één organisatie en vallen zij onder één korpschef. Met de wijziging van de Politiewet, die de vorming van de nationale politie regelt, ontstond één politiekorps dat werd onderverdeeld in tien regionale eenheden. Met deze wet werd het beheer van de politie vereenvoudigd. Het gezag en de taken en bevoegdheden van de politie zijn niet veranderd. Taken en bevoegdheden die tot 1 januari 2013 (nog) berustten bij de korpschef van een regionaal politiekorps, berusten nu bij de (landelijke) korpschef. Taken en bevoegdheden kunnen door de korpschef worden gemandateerd aan zijn ondergeschikten. De hiervoor noodzakelijke reorganisatie bleek echter in 2015 niet goed te verlopen en gaat langer duren.

    Met de herziening van de gerechtelijke kaart werd het aantal arrondissementen teruggebracht tot 10 en het aantal ressorten tot 4. Daarmee werd een nieuwe stap gezet in een lange geschiedenis. Sinds 1877 kende Nederland 5 gerechtshoven, de 19 rechtbanken dateren van 1934. Het oorspronkelijk voorgestelde arrondissement Oost-Nederland is met ingang van 1 april 2013 weer gesplitst in de rechtbanken Overijssel en Gelderland. Nu zijn er dus 11 rechtbanken en 4 gerechtshoven. De rol van de gemeente(n)burgemeester(s) als 'regionale korpsbeheerder(s)' is/zijn sinds 1 januari 2013 definitief verdwenen. De positie van de zgn. regioburgemeester (die van de gemeente met het hoogste aantal inwoners in het gebied waarin de regionale eenheid de politietaak uitvoert, of degene die hiervoor wordt uitgekozen of aangewezen) is nu duidelijk.
    Voor het 'uitkiezen' en benoemen van forensisch (werkzame) artsen, zoals voorheen 'gestuurd' door lokale of regionale bestuursorganen, heeft dit ingrijpende consequenties. De 'nationale korpschef' zou, zoals te voorzien, als korpsbeheerder weinig trek meer hebben om voor de forensisch (werkzame) artsen in de arrestantenzorg weer over te gaan tot financiering van de 'overhead'-kosten van allerlei regionale gezondheidsdiensten en het afsluiten van contracten daarmee. De keuze om voor 'celvisites' te gaan betalen volgens de (doorgaans ook hoge) tarieven van (regionale) huisartsenposten lijkt een optie. De tarieven voor huisartsendienstenstructuren blijken echter landelijk, ook in 2014, voor visites buiten de kantooruren nogal verschillend uit te pakken.

    De Aanbestedingswet verscheen op 8 november 2012 in het Staatsblad. Voor alle dienstverlening aan de overheid (dus ook voor de 'nationale' politie) trad de regelgeving voor de openbare aanbesteding op 1 april 2013 in werking, dus ook voor de medische (regionale) dienstverlening (zoals arrestantenzorg, bloedafnames, etc.) door forensisch (werkzame) artsen en andere (huis)artsen. Op 21 maart 2013 werden de modellen voor een eigen verklaring als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 door het Ministerie bekend gemaakt.
    Voor het vakgebied gaan de veranderingen onvermijdelijk leiden tot een einde aan de verdeling en (regio)indeling via een lappendeken van regionale gezondheidsdiensten en diverse bestuursorganen. Volgens artikel 25 de Politiewet 2012 moeten één of meer, bij ministeriële regeling aan te wijzen, ondersteunende diensten gevormd worden.
    In het Rapport van de Gezondheidsraad van 25 april 2013 werd op pagina 49 het volgende gemeld:
    " Door de Nationale Politie wordt momenteel nagedacht over (Europese) aanbesteding van forensisch-medische zorg en forensisch-medisch onderzoek. Dit betreft zowel de arrestantenzorg als de forensisch-medische verrichtingen, zoals de letselduiding. "
    Een Landelijke Europese Aanbesteding (LEA) Medische Arrestantenzorg voor de politie in Nederland leek aanstaande, maar werd door de Minister van VenJ, blijkens antwoord op Kamervragen van 21 juli 2014, toch niet doorgezet.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Problemen in 2015 en 2016

    Hoe staat het met de invoering van de Nationale Politie, die in 2013 is begonnen? Er moet te veel tegelijkertijd, zo bleek onder meer uit een tussentijdse evaluatie. Het omvormen van 25 regiokorpsen tot één landelijk politiekorps vraagt veel van politiemedewerkers. Daarbij is de druk op de politie door de terreurdreigingen en de instroom van vluchtelingen nu extra hoog. Wel zijn gezagsdragers en politie het eens over de voordelen van de Nationale Politie, bijvoorbeeld de verbeterde slagkracht, samenwerking en informatie-uitwisseling.
    De minister gaat de (regio)burgemeesters meer zeggenschap geven, zodat zij goed op de lokale situatie kunnen inspelen. Burgemeesters zijn verantwoordelijk voor de veiligheid in hun gemeente. Met de komst van de Nationale Politie hebben zij echter minder controle over de inzet en verdeling van politiemiddelen, want dat valt onder het landelijk beheer. Volgens artikel 1 van de Aanpassingswet zijn alle Burgemeesters als korpsbeheerders van de regio’s, bedoeld in artikel 21 van de Politiewet 1993, sinds 1 januari 2013 eervol uit hun ambt ontslagen. Daarmee verdween ook voor andere taakvelden - zoals arrestantenzorg, bloedafname en andere werkzaamheden ter advisering van de 'uitvoerende macht' - de bevoegdheid tot een benoeming door de Burgemeester als 'korpsbeheerder'. Een 'benoeming' door de korpschef, die opdraait voor de kosten van de inzet van forensisch (werkzame) artsen via een wijziging van de Ambtsinstructie, is eveneens als een zeer ongewenste ontwikkeling te beschouwen.

    Voor de forensisch (werkzame) arts gaat dit betekenen dat extra waakzaamheid nodig is voor de waarborging van het onafhankelijk medisch oordeel in de contacten met de 'uitvoerende macht'.
    De 'overheveling' van de omschrijving van de rechten van ingeslotenen naar het niveau van een Ambtsinstructie voor de Politie biedt onvoldoende garanties. De borging van het recht op medische verzorging van arrestanten komt door deze ontwikkeling, bij het ontbreken van een professioneel statuut voor de forensisch (werkzame) artsen, onder druk te staan.
    Dat zal binnen afzienbare tijd gaan leiden tot een bezoekje van een speciale Europese Commissie, waar een arts deel van uit maakt, die met het toezicht op de naleving van internationale afspraken voor de zorg voor arrestanten is belast. Die commissie zal 'not amused' zijn over de Nederlandse praktijk van 'onafhankelijkheid' van artsen die verantwoordelijk zijn voor de medische zorg voor arrestanten en zal hierover ongetwijfeld enkele zeer pijnlijke (!) vragen aan de 'nationale korpschef' en de Minister gaan stellen.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Opleiding

    In de opleiding van artsen wordt aan de forensische geneeskunde (de wetgeving rond sterven en overlijden en geweld en/of mishandeling) in de voorgeschreven 5500 uren theoretisch en praktisch onderwijs beperkt, maar wel nadrukkelijk, aandacht besteed. In artikel 14, vijfde lid van de Wet BIG staat:
    "Inschrijving in een erkend specialistenregister is niet afhankelijk van het lidmaatschap van de organisatie."

    Uit de Regeling specialismen en profielen geneeskunst (artikel 8 en artikel 24):
    " Een lid (...............) is niet tevens lid van het federatiebestuur, het bestuur van een wetenschappelijke vereniging of een beroepsvereniging, het college, de registratiecommissie, de adviescommissie of de geschillencommissie." Uit de vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor het jaar 2013:
    "...... Verder worden forensisch artsen, kinderartsen en pathologen momenteel bijgeschoold, in het kader van de invoering van de NODO-procedure (Nader Onderzoek DoodsOorzaak minderjarigen). Het NFI heeft in samenspraak met het medische veld hiertoe een opleiding ontwikkeld die wordt gefinancierd door het ministerie van Veiligheid en Justitie. De opleiding (*) richt zich met name op kennis over natuurlijk en niet-natuurlijk overlijden bij minderjarigen, criteria voor het starten van de NODO-procedure, het uitvoeren van de NODO-procedure en de begeleiding van ouders."
    Bron: 1 november 2012: Toelichting begroting van VWS voor het jaar 2013
    Zie (onderaan in deze toelichting) de:
    Beleidsreactie op het onderzoeksrapport «Vraag en aanbod forensisch-medische expertise bij de aanpak van kindermishandeling»

    (*)
    Kennelijk werd hiermee de 'opleiding' tot NODO-forensisch arts bedoeld. Bij de beantwoording van kamervragen over de ervaringen met de NODO procedure op 14 februari 2013 kwam deze opleiding ter sprake, die leidde tot een volkomen overdreven aandacht voor de 'mechanism of death'.....
    Merk op: De NODO-procedure werd op 1 januari 2014 gestopt..... Uit de MvT bij de begroting voor het jaar 2014 van het Ministerie van VWS:
    " Subsidies Publieke Gezondheidszorgopleidingen:
    Per 1 oktober 2012 is de subsidieregeling opleidingen Publieke Gezondheidszorg 2013–2017 in werking getreden. Op grond van deze regeling kan een instellingssubsidie worden verstrekt aan opleidingsinrichtingen, die een opleiding tot arts maatschappij en gezondheid verzorgen voor de profielen infectieziektebestrijding, Jeugdgezondheidszorg, medische milieukunde of tuberculosebestrijding. In 2014 is hiervoor € 18,3 miljoen beschikbaar. ".


    En uit de MvT bij de begroting voor het jaar 2015 van het Ministerie van VWS:
    " Subsidies Publieke Gezondheidszorgopleidingen:
    In 2015 is hiervoor € 20,6 miljoen beschikbaar.

    Merk op: Profiel forensische geneeskunde komt niet ter sprake...
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Gebrekkige opleiding?

    De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, mede namens de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in antwoord op Kamervragen op 17 april 2012:
    "Tijdens de opleiding van artsen is er voornamelijk aandacht voor de genezing van patiënten en vindt maar beperkt kennisoverdracht plaats over bijvoorbeeld de manier waarop een lijkschouw verricht moet worden en welke forensische kennis de lijkschouwende arts zou moeten hebben. Organisaties zoals de Inspectie Gezondheidszorg (IGZ) en de KNMG hebben bij het OM aangegeven dat de kennis op dit terrein vergroot kan worden. Om die reden wordt door OM, KNMG, IGZ en de FMG gewerkt aan vergroting van deze kennis." Uit de schriftelijke antwoorden op de vragen eerste termijn van de behandeling van de begroting van Veiligheid en Justitie voor het jaar 2015 van 26 november 2014:

    Vraag:
    "Is de minister bereid de problemen rondom de kwaliteit en financiering van de opleiding tot lijkschouwer op te lossen?"
    Antwoord:
    "Alleen forensisch artsen die adequaat geschoold zijn en zijn ingeschreven in het register van het Forensisch Medisch Genootschap (FMG), kunnen benoemd worden tot gemeentelijk lijkschouwer.
    De forensisch artsen die ingeschreven staan in het register hebben een opleiding tot forensisch arts gevolgd. Dit is de basisopleiding of de vervolgopleiding. Hiermee voldoen zij aan de eisen van de beroepsvereniging zelf.
    Door de kwaliteitsborging met dat register zie ik geen aanleiding om overheidsfinanciering voor de opleiding tot lijkschouwer vanuit VenJ te overwegen."


  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Kwaliteit lijkschouw(er) ter discussie

    De Wet op de lijkbezorging (Wlb) valt onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van BZK.
    En wordt uitgevoerd door de gemeente(n)....
    De gemeentelijk lijkschouwer is géén gerechtelijk deskundige in strafzaken ...
    De gemeentelijk lijkschouwer is ook géén (buitengewoon) opsporingsambtenaar en maakt geen deel uit van de politieorganisatie.
    Ministerie van VenJ weigert om bij te dragen aan de kosten van de lijkschouw(er).... Bij (een verdenking van) een niet-natuurlijk overlijden in Nederland beslist de Officier van Justitie, en niet de gemeentelijk lijkschouwer, over de noodzaak van een gerechtelijke sectie (obductie). Bij een natuurlijk overlijden is een obductie altijd (!) afhankelijk van de toestemming van de nabestaanden....
    Waarop de veronderstelling van 'honderden' gemiste misdrijven in de berichtgeving werd gebaseerd bleef onduidelijk. In 2014 was in 6.806 sterfgevallen sprake van een niet-natuurlijk overlijden. In dat jaar waren 5.306 meldingen van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding, waarbij ook sprake is van een niet-natuurlijk overlijden; maar die worden in de cijfers van het CBS opgevat als 'natuurlijk' overlijden als gevolg van ziekte. Cijfers hierover voor het jaar 2014 verschenen op 7 oktober 2015. Niet elk geval van niet-natuurlijk overlijden is het gevolg van een misdrijf.
    In 2015 was in 7.241 sterfgevallen sprake van niet-natuurlijk overlijden.

    Het Ministerie van Veiligheid en Jusititie zat onmiskenbaar niet te wachten op het aanwakkeren van eenzelfde soort nationale paranoia, die eerder al eens ontstond over het zgn. 'onverklaard overlijden' van minderjarigen, gevolgd door het totale fiasco van de NODO-procedure in 2013.
    De 'aanbevelingen' van 7 november 2014 van de Minister van VenJ aan het adres van het FMG waren duidelijk. Een reactie hierop van de zijde van het Bestuur van het Forensisch Medisch Genootschap (FMG) werd tot nu toe niet bekend gemaakt.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Toenemend cursus aanbod.....

    Het is verheugend dat veel studenten geneeskunde intussen ook de weg naar onze website hebben gevonden. De invulling van het onderwijs wordt overgelaten aan de betreffende medische faculteiten. Vanzelfsprekend zullen wij ons blijven inzetten voor een onafhankelijke en ongebonden uitoefening van de forensische geneeskunde. Degene die bereid is om via de NSPOH in het jaar 2017 een bedrag van € 31.500 (uit eigen zak!) en € 3.000 - 8.000 (extra voor keuzemodules) te investeren mag zich daarna met recht en reden een geloofwaardig en 'onafhankelijk adviseur' van de uitvoerende macht gaan noemen. Dat zijn de kosten voor de Profielopleiding forensische geneeskunde (1e fase M&G). Voor degenen die deze opleiding wat al te kostbaar vinden is er ook nog een 'minus-variant' beschikbaar voor de opleiding tot eerstelijns forensisch arts. De prijs voor deze opleiding bedraagt nu € 13.500 (prijspeil 2017). Hierbij zijn koffie, thee, lunch en studiehandleiding inbegrepen. De prijs geldt alleen bij inschrijving in één keer voor alle acht modules. In 2015 bedroeg de prijs € 10.000 voor zes modules. Men mag daarna zelf bepalen hoe 'onafhankelijk' men dan nog is als deze opleidingen door derden (lees: opdrachtgevers) zullen worden bekostigd.
    De markt in het aanbieden van (forensische) opleidingen is lucratief, is vrijgesteld van BTW-heffing, en blijkt zich snel uit te breiden: Merk op:
    Het NFI wordt volledig gefinancierd door het Ministerie van VenJ......
    Door de NSPOH werd eerder een module over het overlijden na een medische ingreep, euthanasie, orgaandonatie en zwangerschapsafbreking weer van het programma geschrapt.

    Het NSPOH heeft kennelijk weer een nieuwe opleider/adviseur aangetrokken en biedt eind 2016 en in 2017 opnieuw enkele (zeer prijzige...) bij- en nascholingen aan:
    • Kindermishandeling en NODOK (NSPOH)
      De module duurt 4 dagen (8 dagdelen) in november 2017
      De kosten voor deze module bedragen € 1580...
    • Forensisch arts als deskundige (NSPOH)
      De module duurt 4 dagen (8 dagdelen) in december 2016
      De kosten voor deze module bedragen € 1580...
    • Lijkschouw: Bijzondere situaties
      De module duurt 4 dagen (8 dagdelen) en vergt circa 9 uur zelfstudie
      In april en 10 mei 2017
      De kosten voor deze module bedragen € 1580...
    • Sporenonderzoek en forensische technieken
      De module duurt 5 dagen (10 dagdelen) en vergt circa 15 uur zelfstudie
      In mei/juni 2017
      De kosten voor deze module bedragen € 1975...

      Welke gemeente is bereid dit te financieren?
      Lijkt meer geschikt voor Officieren van Justitie - of betaalt het OM dit?
    Opmerkelijk: Op 28 augustus 2015 schreef de Minister van VenJ aan de Tweede Kamer:
    "Zo heeft het FMG in nauwe samenwerking met de aanbieder van de opleidingen tot forensisch arts, de NSPOH, de eisen aan de basisopleiding verhoogd door deze uit te breiden met twee modules (kindermishandeling en het optreden als deskundige in rechtszaken).
    De basisopleiding tot forensisch arts bedraagt hiermee 38 opleidingsdagen. Voltooien van de opleiding is voorwaarde om ingeschreven te staan in het register van het FMG, zodat de eisen van inschrijving zijn verzwaard."
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Tarieven

    De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) stelt voor de diverse beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg maximumtarieven vast. De zorgaanbieders (artsen, paramedici) mogen voor zorg als omschreven in de Zorgverzekeringswet niet méér in rekening brengen dan de door de NZa vastgestelde tarieven, wél minder.

    Ter vergelijking, en omdat sommigen van u nogal zullen schrikken van de bedragen, lijkt het ons zinvol om eerst de normbedragen voor de vergoedingen aan advocaten te vermelden die de afgelopen jaren gehanteerd werden: De advocatuur in Nederland heeft een regeling via de overheid. Advocatenkantoren die bereid zijn om zgn. 'toevoegingszaken' (strafzaken en asielzaken) te accepteren zijn echter niet zo gemakkelijk te vinden als vaak wordt gedacht. De meeste advocaten in civiele zaken (echtscheidingen etc.) bepalen een 'eigen' uurtarief (exclusief BTW) en een vergoeding voor administratiekosten. Bij de laagste tarieven (vanaf 75 Euro per uur) wordt het werk uitgevoerd door een 'stagiere'. De 'echte' advocaat komt in civiele zaken niet in actie voor minder dan 150-200 Euro per uur..... Eerdere plannen
    "Wie aanspraak wil maken op gesubsidieerde rechtsbijstand, moet zich in de toekomst eerst melden bij het Juridisch Loket. Daar beoordeelt een medewerker of rechtsbijstand noodzakelijk is. Advocaten halen een groot deel van hun inkomsten uit zaken waarin zij mensen bijstaan met een laag inkomen. Zij krijgen hiervoor in de toekomst een lagere financiële vergoeding. Het uurtarief van advocaten zou bij grote zaken omlaag gaan van de huidige € 105,96 naar ongeveer € 70. Consumentengeschillen en huurgeschillen komen niet meer in aanmerking voor gesubsidieerde rechtsbijstand. Het kabinet gaat verder ook onderzoeken of een echtscheiding afgehandeld kan worden zonder tussenkomst van de rechter." De 'medische rechtsbijstand' door forensisch (werkzame) artsen kent een dergelijke regeling niet.
    Elke (medische) beroepsbeoefenaar kan met de (plaatselijke) opdrachtgevers (Politie, Burgemeester) een lager tarief afspreken dan het maximumtarief van de NZa. Probleem is dat 'zorg' van of door een forensisch (werkzame) arts niet in de Zorgverzekeringswet omschreven staat. Een 'adviserend' arts voor derden is geen 'behandelend' arts van een 'zorgvrager'. Daarmee en daardoor zijn de tarieven van de forensisch (werkzame) arts in principe vrij onderhandelbaar met alle kenmerken van concurrentie en marktwerking. In deze markt blijkt sprake te zijn van een toenemend aantal zgn. ZZP-ers die zich opstellen als 'vrije beroepsbeoefenaren' (niet in dienstverband bij een regionale gezondheidsdienst). Vaak zal door opdrachtgevers (politie, justitie) toch geprobeerd worden om uit te gaan van de voor de 'medische dienstverlening' gangbare tarieven van de NZa. Van enige gebondenheid aan de tarieven van de NZa kan echter geen sprake zijn.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Arrestantenzorg

    Voor incidentele en acute hulpverlening door zorgaanbieders in rekening te brengen, die geneeskundige zorg leveren (zoals huisartsen die bieden aan passanten), gelden de volgende maximale tarieven voor de prestaties:
    (dit is dus inclusief de administratiekosten en de evt., soms aanzienlijke (!), 'overhead' van regionale gezondheidsdiensten of diverse onderaannemers die vaak als 'zorgaanbieder' optreden) Voor de incidentele en acute hulpverlening:
    (werkdagen overdag)
    Tarief (A4): 2012 2013 2014 2015 2016 2017
    12402 visite € 38,91 38,97 40,88 40,78 40,69 41,45
    12403 visite langer dan 20 minuten € 64,85 64,94 68,13 67,97 67,82 69,08
    12404 telefonisch consult € 12,97 12,99 13,63 13,59 13,56 13,82

    Voor avond-, nacht- en weekendzorg:
    (buiten kantooruren)
    Tarief (B2): 2012 2013 2014 2015 2016 2017
    12202 visite €    65,45 64,73 67,87 67,94 69,11 69,42
    12203 visite langer dan 20 minuten   €  109,08 107,88 113,11 113,24 115,18 115,70
    12204 telefonisch consult €    21,82 21,58 22,62 22,65 23,04 23,14

    Bronnen: Publicaties van de Nederlandse Zorgautoriteit
    Gewijzigde tariefbeschikking van 11 januari 2013 (oorspronkelijk van 13 december 2012)
              (TB/CU-7053-01 werd op 11 januari 2013 vervangen door TB/CU-7053-02)
    Tariefbeschikking van 21 november 2013 (geldig vanaf 1 januari 2014)
              (TB/CU-7076)
    Tarievenlijst huisartsenzorg per 1 januari 2015
              (TB/CU-7089-02)
    Tarievenlijst per 1 januari 2016
              (TB/CU-7128-01)
    Tarievenlijst per 1 januari 2017
              (TB/REG-17621-02)

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Bloedafname

    De bedragen voor avond-, nacht- en weekendzorg liggen hoger dan de bedragen die in de Regeling bloed- en urineonderzoek, die per juli 2017 werd ingetrokken, waren vermeld voor de bloedafname (i.h.a. >20 minuten).
    In deze regeling was een bedrag vastgesteld van € 62,- indien het afnemen geschiedt in de periode van 8.00 tot 18.00 uur en € 81 in de periode van 18.00 uur tot 8.00 uur of in de periode van 18.00 uur vrijdagavond tot 8.00 uur maandagochtend.
    De discrepantie in de tarieven werd door de Minister van Veiligheidheid en Justitie ook gesignaleerd in de eerdere Memorie van Toelichting (zie onder punt 6.: Financiële en organisatorische consequenties) bij het wetsontwerp ter wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 (het invoeren van speekseltesten).
    De Minister doelde hiermee op de Tariefbeschikking TB/CU-7009-01 (28) van de NZA van 17 december 2010 voor het jaar 2011 (zie onder Tarief B1: € 65,81 en Tarief B2 (onder nummer 12203): € 106,46). De tekst in de wet over het bloedonderzoek
    (accentuering toegevoegd door de FOMAT)

    Artikel 12
    1. Ten behoeve van het bloedonderzoek neemt een arts of verpleegkundige door middel van een venapunctie twee buisjes bloed van de verdachte af (...)
    2. De bloedafname geschiedt met de hulpmiddelen die bij ministeriële regeling zijn voorgeschreven.
    3. (...) geschiedt de bloedafname uiterlijk binnen anderhalf uur nadat de verdachte is gevorderd zijn medewerking te verlenen (...) Van die termijn kan alleen vanwege bijzondere omstandigheden worden afgeweken. De vorige volzinnen zijn niet van toepassing indien het bloedonderzoek is gericht op de vaststelling van het gebruik van alcohol.
    4. De arts of verpleegkundige ontvangt voor de bloedafname een vergoeding van de organisatie waarbij de opsporingsambtenaar werkzaam is en die voor de bloedafname zorgdraagt.
    Een bloedafname is een handeling die nodig is ter verkrijging van materiaal ('veneus bloed') om te komen tot het uitvoeren van een (diagnostische) test in een laboratorium. De handeling kan ook worden uitgevoerd door een medewerker van een (medisch) laboratorium.....
    Een arts of een verpleegkundige is daar niet voor nodig..... Het was de vraag of er bij de 'vergoeding' van het NZa tarief nog wel artsen of verpleegkundigen te vinden zouden zijn die de gewenste bloedafname (nog) willen verrichten......
    Het opzetten en instandhouden van een 24/7 beschikbaarheid voor bloedafnames (binnen anderhalf uur) op verzoek van amtenaren van politie in heel Nederland heeft een nogal onzeker verdienmodel en een een prijskaartje....
    Het Ministerie van VenJ denkt van wel.... Medische dienstverlening die niet de bescherming van de gezondheid van de betrokkene tot voornaamste doel heeft - en daar is bij een forenisch (werkzame) arts, met uitzondering van de arrestantenzorg, in veel gevallen sprake van - is sinds 1 januari 2008 in principe aan de heffing van omzetbelasting (BTW) onderworpen. Uiteraard geldt dit ook als de dienstverlening wordt verricht door verpleegkundigen.
    Bron: Besluit van 28 februari 2008, nr. CPP2008/78M, Stcrt. nr. 50
              (zie in de bijlage onder kopje 'Niet vrijgestelde diensten')

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • De lijkschouw

    De enige indicatie voor de hoogte van deze tarieven van de (uitwendige) lijkschouw was te vinden in artikel 2 en artikel 7 van Besluit tarieven in strafzaken 2003. Aanpassing van deze tarieven c.q. de afschaffing hiervan werd op 6 september 2012 in het Staatsblad aangekondigd (zie hieronder). Tevens is de Wet tarieven in strafzaken van belang die dateert uit 1963(!) over de "Vergoedingen voor werkzaamheden, tijdverzuim en reis- en verblijfkosten" ten laste van 's Rijks kas.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Verklaring omtrent het gedrag

    Het kan vookomen dat gevraagd wordt om een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Zo’n VOG heet in de volksmond ook wel ‘bewijs van goed gedrag’. Het is een verklaring waaruit blijkt dat het gedrag (in het verleden) geen bezwaar oplevert voor het omgaan met vertrouwelijke gegevens. Een VOG is verplicht voor bijvoorbeeld onderwijzers en taxichauffeurs, maar ook voor openbare functies bij de overheid en financiële instellingen. Men dient een 'blanco strafblad' te hebben.

    In principe vallen alle vertrouwelijke gegevens onder het medisch beroepsgeheim, maar soms wordt het van belang geacht dat wordt beoordeeld of strafbaar gedrag uit het verleden relevant is voor de uitoefening van werkzaamheden op het gebied van de forensische geneeskunde. Dat zal uiterst zelden het geval zijn. Strikt genomen is voor artsen de BIG-registratie voldoende. De meeste artsen die forensisch werk verrichten doen dit niet uit zichzelf maar voor een opdrachtgever. Dan dient die opdrachtgever te zorgen voor een aanvraagformulier voor de verklaring van goed gedrag en de kosten die daarmee gemoeid zijn te vergoeden.
    Men kan dus voor zichzelf een verklaring van goed gedrag aanvragen, maar de opdrachtgever dient op het aanvraagformulier aan te geven voor welke functie dit noodzakelijk is, zoals werkzaamheden t.b.v. de politie of de gemeente waar forensisch werk wordt verricht. Men moet wel zelf toestemming geven voor het aanvragen ervan. Uiteraard hoeft een VOG maar 1x aangevraagd te worden (en niet voor elke gemeente waar werkzaamheden worden verricht).

    Het verkrijgen van een VOG is overigens niet meer dan een simpele formaliteit en uiterst eenvoudig.
    Meer informatie over de aanvraag hiervan: Het aanvraagformulier moet bij de Afdeling Burgerzaken van de gemeente van inschrijving bij de Burgerlijke Stand worden ingeleverd.

    Tot slot...

    De informatie op deze webpagina wordt voortdurend aangepast en aangevuld naar aanleiding van opmerkingen, correcties, suggesties voor verbetering, etc.
    Als u ook een bijdrage wilt leveren of wat mist: laat het ons dan weten via:


    forum@fomat.nl.


    Terug naar begin van deze pagina