Tekst werd met toestemming van de KNMG in 2005 overgenomen door de FOMAT

knmg handreiking lijkschouwing voor artsen
bij overlijden anders dan door euthanasie of hulp bij zelfdoding

Beknopte informatie over lijkschouwing voor behandelend artsen en hun waarnemers.
Uitgebreidere informatie was eerder te vinden in het KNMG-Consult ‘Dokter en de dood’ uit 2002,
te raadplegen via Overzicht KNMG publicaties.


Opm. FOMAT:
Extra achtergrondinformatie hebben we geplaatst op: Nota bene:
Voor euthanasie of hulp bij zelfdoding geldt een specifieke meldingsprocedure.
Zie daarvoor het KNMG-Consult ‘Euthanasie: zorgvuldig van begin tot einde’, en "Aandachtspunten bij euthanasie of hulp bij zelfdoding" te raadplegen via KNMG publicaties sinds 1998.

1. Waarom moet lijkschouwing plaatsvinden?

Om een verklaring van overlijden (A-formulier) te kunnen afgeven. Deze verklaring is nodig voor de toestemming van de ambtenaar van de burgerlijke stand tot begraving of crematie. Daarnaast moet de schouwend arts een doodsoorzakenformulier (B-formulier) invullen voor de statistiek.

Opm. FOMAT:
Sinds 1 januari 2010 is in de wet een strafbepaling opgenomen voor artsen die niet voldoen aan de verplichting om bij overlijden en doodgeboorte de doodsoorzaak bij het CBS te melden.
(Art. 81 van de Wet op de lijkbezorging)



2. Wanneer mag een verklaring van overlijden worden afgegeven?

Als de schouwend arts weet wie de overledene is en overtuigd is van een natuurlijke dood. Bij de geringste twijfel moet de gemeentelijk lijkschouwer worden ingeschakeld.

Opm. FOMAT:
Sinds 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer.
De wettelijk voorgeschreven zgn. NODO-procedure is op 1 oktober 2012 in werking getreden.

3. Wat is het verschil tussen natuurlijk en niet-natuurlijk overlijden?

Natuurlijk overlijden is overlijden door spontane ziekte of ouderdom, inclusief een complicatie van een ‘lege artis’ uitgevoerde medische behandeling. Niet-natuurlijk overlijden is overlijden als direct of indirect gevolg van een ongeval, geweld of een andere van buiten komende oorzaak, schuld of opzet van een ander of zelfmoord.

Opm. FOMAT:
Begin 2016 werd 'of ouderdom' uit de definitie van natuurlijk overlijden geschrapt
Ook bij een aperte medische fout of niet regulier medisch handelen is sprake van niet natuurlijk overlijden; ook bij schuld of opzet van de overledene zelf is sprake van niet-natuurlijk overlijden. Meer informatie hierover:

Strafvorderlijke relevantie is géén bruikbaar criterium bij het onderscheid tussen natuurlijke en niet-natuurlijke dood en speelt daarbij ook geen rol en behoort ook geen rol te spelen.
Als u van mening bent dat de medische exceptie van toepassing is - en om eventeel latere problemen te vermijden - raden wij u dringend aan om hierover met de dienstdoende gemeentelijk lijkschouwer, als forensisch (werkzame) arts, contact op te nemen.


4. Wie mag een lijkschouwing verrichten?

Een behandelend arts of de gemeentelijk lijkschouwer. Beiden mogen geen huwelijks- of familiebanden hebben (gehad) met de overledene of met de moeder van de doodgeborene. De gemeentelijk lijkschouwer mag de afgelopen 2 jaar ook geen behandelrelatie met hen hebben gehad.
Een waarnemer mag ook optreden als behandelend arts maar omdat hij vaak onbekend is met de patiënt, is wel voorzichtigheid geboden. Voor het invullen van het B-formulier is vaak inzage in de medische gegevens of overleg met de behandelend arts nodig.

Opm. FOMAT:
Een waarnemer mag een verklaring van overlijden afgeven indien hij/zij op goede gronden overtuigd is van natuurlijk overlijden.
In artikel 7, eerste lid, van de Wlb. wordt overigens niet gesproken van 'behandelend arts' maar van 'hij die de lijkschouwing verricht'. In het tweede lid van artikel 7 wordt (bij euthanasie) wel van de 'behandelend arts' gesproken.
Zie hierover: Inspectie (IGZ) in 2004: Behandelend arts in de Wlb.


5 Wat houdt een lijkschouwing in?

a.       een door een arts persoonlijk uitgevoerd, uitwendig onderzoek (inspectie, zo nodig palpatie, percussie en temperatuurmeting) van het hele lijk;

b.      een onderzoek naar de omstandigheden waaronder het overlijden plaatsvond;

c.       het beoordelen of wel/niet sprake is van een natuurlijke dood;

d.      het uitschrijven van de overlijdenspapieren (A- en B-formulier), althans als de arts overtuigd is van een natuurlijke dood.

Opm. FOMAT:
Indien een patiënt overlijdt als gevolg van een medische fout of 'bedrijfsongeval' is ook sprake van een niet-natuurlijk overlijden. Zie hierover:
Medisch handelen leidt uiterst zelden tot strafbaar handelen, maar kan wel degelijk leiden tot een 'niet-natuurlijk' overlijden.

6. Waar moet u op letten?

·        Is sprake van overlijden? Let hierbij vooral op de aanwezigheid van lijkvlekken, lijkstijfheid, lichtstijfheid van de pupillen en vervormbaarheid van de cornea.

(Opm. FOMAT: Hier wordt natuurlijk de vervormbaarheid van de pupillen bedoeld, die overigens meestal pas 1 uur na overlijden onomkeerbaar is. De corneareflex is onmiddellijk na overlijden niet meer opwekbaar)

·        Wie is de overledene? Vraag bij twijfel naar identiteitspapieren. Neem anders contact op met de gemeentelijk lijkschouwer.

·        Tijdstip van overlijden. Ga ook af op de aard van lijkvlekken en de mate van lijkstijfheid en afkoeling. Is het tijdstip van overlijden onvoldoende nauwkeurig vast te stellen, dan is sprake van lijkvinding (zie onder 10).

·        Aard en oorzaak van overlijden. Let ook op geur en plaats van het lijk, aanwezigheid van letsels en voorwerpen op of aan het lichaam, petechiën op slijmvlies van lippen en conjunctivae, biologische sporen, omgevingsfactoren en gedrag van omstanders.



7. Wanneer moet lijkschouwing plaatsvinden?

Zo spoedig mogelijk na overlijden. In uitzonderingsgevallen en in overleg met verzorgers of nabestaanden kan eventueel worden gewacht tot de volgende ochtend. Is op voorhand duidelijk dat sprake is van een niet-natuurlijke dood, dan hoeft de behandelend arts niet eerst zelf te schouwen. Beter is dan direct de gemeentelijk lijkschouwer in te schakelen. Het stoffelijk overschot moet dan volledig met rust worden gelaten tot er geschouwd is.


8. Wat moet er na lijkschouwing gebeuren?

Als u weet wie de overledene is en overtuigd bent van een natuurlijk overlijden, dan vult u zowel de verklaring van overlijden (A-formulier) als de doodsoorzakenverklaring (B-formulier) in. Meestal gaat het A-formulier mee met de familie of de begrafenisondernemer. De wet gaat er vanuit dat dezelfde arts die het A-formulier ondertekent tegelijkertijd ook het B-formulier ondertekent. Bij waarneming kan dat wat later zijn omdat daarvoor meestal de eigen arts moet worden geraadpleegd. Gebruik altijd de officiële formulieren met bijbehorende envelop. U kunt deze aanvragen bij de gemeente.

Opm. FOMAT:
Sinds 1 januari 2010 is in de wet een strafbepaling opgenomen voor artsen die niet voldoen aan de verplichting om bij overlijden en doodgeboorte de doodsoorzaak bij het CBS te melden.
(Art. 81 van de Wet op de lijkbezorging)


Als u niet overtuigd bent van een natuurlijk overlijden of vermoedt of zeker weet dat sprake is van niet-natuurlijk overlijden, dan schakelt u onmiddellijk de gemeentelijk lijkschouwer in.


9. Wat doet de gemeentelijk lijkschouwer?

Deze komt ter plaatse en schouwt het lijk. U verstrekt hem de relevante informatie voor zover nodig om aard, tijdstip en doodsoorzaak te kunnen vaststellen. Raakt de gemeentelijk lijkschouwer alsnog overtuigd van een natuurlijk overlijden, dan vult hij de overlijdenspapieren in. Is hij niet overtuigd, dan brengt hij onverwijld verslag uit aan de Officier van Justitie. Pas als de officier toestemming geeft, kan begraving of crematie plaatsvinden. Ook obductie, ontleding en orgaan- of weefseldonatie zijn dan slechts toegestaan met toestemming van de officier.

Opm. FOMAT:
Abusievelijk wordt, ook in medische kringen, nog wel eens gedacht dat de gemeentelijk lijkschouwer zou beslissen of een obductie noodzakelijk is. Over de noodzaak van een gerechtelijke obductie wordt in Nederland niet beslist door een forensisch (werkzame) arts maar door de Officier van Justitie.


10. Lijkvinding

Van lijkvinding is sprake als een stoffelijk overschot wordt aangetroffen terwijl tijdstip of plaats van overlijden onvoldoende nauwkeurig is vast te stellen. Meestal zult u dan niet overtuigd zijn van een natuurlijk overlijden en moet u de gemeentelijk lijkschouwer inschakelen.

Opm. FOMAT: Niet het tijdstip maar de datum van overlijden is maatgevend om een verklaring van overlijden af te kunnen geven. Als u het tijdstip bepaalt weet u ook wat de de datum was. Deze datum is van belang voor de verdere 'ambtelijke' keten (bepaalt stopzetting of start van uitkeringen, pensioenen, toelagen, etc.). Bedenk dat het tijdstip van overlijden iets anders is als het tijdstip van de lijkschouw.

11. Obductie

Is meer duidelijkheid gewenst over de exacte doodsoorzaak, dan kan obductie plaatsvinden. Er bestaat onderscheid tussen een vrijwillige en een onvrijwillige obductie.
Een medische obductie is vrijwillig en mag alleen plaatsvinden als de overledene daar bij leven toestemming voor gaf of met toestemming van de nabestaanden. Eerst aangewezene is de echtgenoot, geregistreerd partner of levensgezel. Als die er niet is of niet bereikbaar, dan kan de toestemming ook komen van de naaste onmiddellijk bereikbare meerderjarige bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad en anders van de aanwezige erfgenamen of degenen die de zorg voor het lijk op zich nemen.

Een voorbeeld van een onvrijwillige obductie is de gerechtelijke obductie die op last van de officier van justitie of een andere gerechtelijke autoriteit plaatsvindt. Doel is het vaststellen van de doodsoorzaak en de aard van het overlijden en eventueel het verzamelen van strafrechtelijk bewijsmateriaal. Het lichaam wordt in beslag genomen; toestemming van overledene of nabestaanden is niet vereist.

Opm. FOMAT: Strict juridisch genomen kan een stoffelijk overschot niet 'in beslag' worden genomen. Vervoer (verplaatsing) is echter alleen mogelijk met toestemming van de Officier van Justitie. Dat is vastgelegd in artikel 76 van de Wet op de lijkbezorging Het stoffelijk overschot verkeert derhalve 'in berusting' op last van het Openbaar Ministerie.

Onvrijwillige obductie kan ook op last van de inspecteur voor de gezondheidszorg plaatsvinden in het belang van de volksgezondheid, bijvoorbeeld bij besmettelijke ziekten. Ook hier is toestemming niet vereist.


12. Lijkbezorging

Lijkbezorging kan op 3 manieren plaatsvinden: begraving, crematie of ontleding. Voor begraving of crematie zorgt meestal de familie maar iedereen mag het regelen. Als er niemand is, is de burgemeester verantwoordelijk. Als gezegd, is toestemming nodig van de ambtenaar van de burgerlijke stand. Begraving of crematie mag niet eerder dan 36 uur en niet later dan de vijfde dag(*) na overlijden plaatsvinden.

(*) Opm. FOMAT:
Sinds 1 januari 2010 is de termijn voor begraving of crematie verlengd tot de zesde werkdag na overlijden.


De burgemeester kan een andere termijn stellen, na een arts te hebben gehoord. Voor de hand ligt dat dit de lijkschouwer is. Voor eerdere lijkbezorging is ook toestemming van de Officier van Justitie nodig.

Ontleding vindt plaats in het belang van de wetenschap en is alleen toegestaan als de overledene daar bij codicil toestemming voor gaf. Ook nabestaanden kunnen toestemming geven. Voor ontleding moet ook toestemming van de ambtenaar van de burgerlijke stand komen.

Tenslotte

· Informeer nabestaanden over het waarom van de lijkschouwing

· Verricht de lijkschouw buiten hun aanwezigheid

· Neem bij de geringste twijfel contact op met de gemeentelijk lijkschouwer. Sinds 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer.

· Denk -zeker bij overlijden in het ziekenhuis- ook aan de mogelijkheid van orgaan- of weefseldonatie*.

* Zie voor de handelwijze rond donatie ook het landelijk Modelprotocol postmortale orgaan- en weefseldonatie, te raadplegen via de Website van de de Tranplantatiestichting .

Overal waar in deze tekst de mannelijke vorm is gebruikt, kunt u ook de vrouwelijke vorm lezen.
Deze handreiking werd mede mogelijk gemaakt dankzij financiering van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Voor meer informatie belt u met 030 - 28 23 322
of mailt u met artseninfolijn@fed.knmg.nl



Terug naar begin van deze pagina