Achtergrond informatie
(deze zal de komende tijd worden uitgebreid met de ontwikkelingen die zich voordoen)

Thema: Kindermishandeling

Inhoud:



Inleiding

Uitgebreide algemene informatie over het fenomeen kindermishandeling en het overlijden van minderjarigen is te vinden op de website van het Nederlands Jeugdinstituut: De volgende definitie is in 2002 vastgelegd in de Wet op de Jeugdhulpverlening en opgenomen in de Wet op de jeugdzorg die sinds 1 januari 2005 van kracht is:

Kindermishandeling is 'elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel'.

Vaak wordt de volgende onderverdeling in vijf vormen gebruikt. In de praktijk komen in een gezin waarin één of meer kinderen mishandeld worden, vaak meerdere vormen tegelijk voor.
  • Lichamelijke mishandeling
  • Lichamelijke verwaarlozing
  • Psychische mishandeling
  • Psychische verwaarlozing
  • Seksueel misbruik
Ook getuige zijn van geweld valt hieronder:
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Omvang van het fenomeen kindermishandeling

    Tot 2007 werd er altijd van uit gegaan dat het aantal gevallen van kindermishandeling in Nederland tussen de zestigduizend en tachtigduizend gevallen per jaar zou liggen. Uit twee onderzoeken die in april 2007 openbaar werden, kwam naar voren dat er minstens veertigduizend kinderen meer zouden worden mishandeld dan tot nu toe werd aangenomen. De Nationale Prevalentiestudie Mishandeling van Kinderen en Jeugdigen (NPM-2005) was de eerste studie naar de omvang en aard van mishandeling van kinderen en jeugdigen van 0 tot 17 jaar in Nederland. Het rapport, waarvan de jaarcijfers berusten op een extrapolatie van observaties gedurende een periode van drie maanden, werd opgesteld door de Leiden Universiteit. Een zekere mate van overschatting door dubbeltellingen en 'recall-bias' is bij de gekozen onderzoeksmethodiek niet geheel uit te sluiten. Een herhaling van het onderzoek naar de prevalentie van kinder- en jeugdmishandeling uit 2005 werd aangekondigd in opdracht van het (intussen weer opgeheven) programmaministerie voor Jeugd en Gezin. De resultaten werden in 2011 bekend.

    Conclusie: geen daling
    "De intensievere politieke en publieke aandacht voor kindermishandeling van de laatste jaren hebben professionals vermoedelijk alerter gemaakt op signalen van kindermishandeling, wat heeft geresulteerd in een toegenomen aantal meldingen. Toch kunnen we niet zonder meer spreken van een stijging in het feitelijke aantal slachtoffers van kindermishandeling. Dit aantal lijkt gelijk te zijn gebleven, zeker in de ogen van de scholieren. Ook de risicofactoren zijn ongeveer dezelfde gebleven, te weten zeer lage opleiding, werkloosheid, nieuw-allochtone herkomst, alleenstaand ouderschap, en een gezin met drie of meer kinderen.
    Het aantal slachtoffers van kindermishandeling is in ieder geval niet gedaald. Daarop wijzen de cijfers afkomstig van elk van de drie bronnen: de informanten, de AMK’s, en de scholieren. Meer beleidsmatige en preventieve aandacht voor kindermishandeling heeft wel geleid tot een toename in het aantal meldingen maar nog niet tot een merkbare daling in het feitelijke aantal slachtoffers. Wellicht is er meer tijd nodig om veranderd beleid te zien uitmonden in een vermindering van kindermishandeling en afname van emotionele verwaarlozing en geweld in het gezin. Daarnaast zijn structurele investeringen in een krachtiger aanpak wenselijk, door opvoedingsondersteuning voor ouders in het eerste jaar als voorbereiding op geweldloos ouderschap algemeen te maken."


    In navolgend rapport werden de resultaten gemeld van een landelijk onderzoek uit 2005 naar de omvang van kindermishandeling onder leerlingen van het voortgezet onderwijs. Het document is een co-productie van de Vrije Universiteit, Faculteit der Psychologie en Pedagogiek te Amsterdam en PI Research in Duivendrecht.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Meldcode Kindermishandeling

    Eén van de problemen is dat er vaak onvoldoende uitwisseling is van gegevens over kinderen in nood om tot een doelmatige aanpak te komen. Hierbij noemen hulpverleners de privacywetgeving en geheimhoudingsplicht als belangrijke obstakels. Op 15 mei 2007 schreef het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) een brief naar de Minister van Jeugd en Gezin over het gebruik van het medisch beroepsgeheim en het conflict van plichten bij gevallen van kindermishandeling:
    In September 2008 presenteerde de KNMG een vernieuwde Meldcode Kindermishandeling en in Maart 2012 een vernieuwde versie en in April 2014 weer een nieuwe versie. Met deze Meldcode stimuleert de artsenorganisatie dat artsen zich actiever gaan inzetten in de strijd tegen kindermishandeling.
    Artsen hebben een belangrijke verantwoordelijkheid om kindermishandeling te signaleren en aan te pakken. De Meldcode hanteert als uitgangspunt 'spreken, tenzij', tegenover het 'zwijgen, tenzij' van de oudere Meldcode. Artsen hebben een zorgplicht voor kinderen die mogelijk schade door kindermishandeling kunnen oplopen. Van iedere arts wordt daarom verwacht dat hij spreekt voor het kind bij vermoedens van kindermishandeling.
    De meldcode vraagt veel van (huis)artsen. Maar de meldcode biedt hen ook houvast en bescherming, ook al omdat het tuchtrecht de code als uitgangspunt hanteert. De code bevat verder een helder Stappenplan voor artsen hoe te handelen bij (vermoedens van) kindermishandeling. Het omzetten van een (intussen verplichte) meldcode in een meldplicht stuitte op veel verzet. De resultaten van de meldingsplicht bij overlijden van minderjarigen over de jaren 2011 t/m 2016 zijn nog niet bekend. In de bovenvermelde brief van de KNMG van 31 januari 2011, en ook in de Meldcode van Maart 2012 en April 2014, werd hierover niet (meer) gesproken. Het verschil tussen de zeer hoge morbiditeit van het fenomeen kindermishandeling en de lage mortaliteit blijkt langzaam door te dringen. In het persbericht van 4 september 2012 werd de term kindermishandeling door het Ministerie 'wijselijk' vermeden.
    Dat "naar schatting er sprake zou zijn van ongeveer honderd 'onverklaard' overleden minderjarigen, van wie mogelijk dertig kinderen door kindermishandeling overleden zouden zijn", was nergens op gebaseerd en totaal uit de lucht gegrepen. Dergelijke berichtgeving op de website van het Nederlands Jeugdinstituut (NJi), die gebaseerd werd op volledige onkunde van een regionale gezondheidsdienst, die de kennelijk onjuiste informatie intussen weer verwijderde, droeg niet bepaald bij aan een juiste beeldvorming.
    De wetgeving over de NODO-procedure, die op 1 oktober 2012 definitief in werking was getreden, leidde op 2 januari 2013 tot uiterst scherpe en kritische Kamervragen.
    De financiering van de NODO-procedure werd op 1 januari 2014 gestopt.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Wetgeving....

    Bij een debat in de Tweede Kamer op 31 januari 2013 kwam de rol van een forensisch (werkzame) arts op het gebied van de forensische pediatrie opnieuw ter sprake. Er blijkt nog steeds veel discussie te zijn over een verplichte meldcode versus een meldplicht. ----------------------
    "De Kamer,
    gehoord de beraadslaging,
    overwegende dat bij mogelijke kindermishandeling vaak geen (fysiek) onderzoek van het kind plaatsvindt, maar dat beslissingen genomen worden op basis van verklaringen;
    overwegende dat adequaat feitenonderzoek van groot belang is voor het betreffende kind en alle andere betrokkenen en dat forensisch-pediatrische expertise hiertoe toegerust is;
    constaterende dat een van de minimumeisen aan de meldcode, die nog nader worden vastgesteld bij of krachtens Algemene Maatregel van Bestuur, betrekking heeft op collegiale consultatie;
    verzoekt de regering, bij de nadere uitwerking van deze minimumeisen expliciet het inschakelen van forensisch-pediatrische expertise als optie op te nemen bij de eis om gebruik te maken van collegiale consultatie,
    en gaat over tot de orde van de dag."

    ----------------------
    Bron: Kamerstuk 33062-16 (accentuering toegevoegd door de FOMAT)

    "De Staatssecretaris:
    In de motie (.....) op stuk nr. 16 wordt de regering verzocht, bij de nadere uitwerking van deze minimumeisen expliciet het inschakelen van forensisch-pediatrische expertise als optie op te nemen. Deze motie acht ik, gelet op het debat, een ondersteuning van het beleid. Ik laat het oordeel graag aan de Kamer."


    De Voorzitter bij de behandeling van wetsvoorstel op 31 januari 2013:
    "Verder heeft u in een interruptiedebatje een brief toegezegd over de rechtsaansprakelijkheid.
    Komt die brief nog vóór de stemmingen?
    Staatssecretaris: Ja.
    ". Zie: Brief Staatssecretaris.
    Op 5 februari 2013 werd de motie bij de stemming aangenomen.
    Opmerking FOMAT:
    Het gebruik van de meldcode levert dus geen enkele garantie op voor een latere 'juridische' terughoudendheid van het Openbaar Ministerie t.a.v. de hulpverlener.
    "Wordt dus een 'papieren tijger' in de onderste bureaula......."
    "Als je niets weet, hoef je ook niets te melden....."
    "En is 'de klant' tevreden......"
    "We zijn hulpverleners en geen opsporingsambtenaren....."
    "Na een melding zie je dàt kind in elk geval nooit meer terug op de SEH....."
    Een DBC-code (om af te rekenen met de ziektekostenverzekeraar) ontbreekt......
    Weer een fraai politiek voorbeeld van 'spierballentaal' en "window dressing"....
    En een uiterst treffende illustratie van de zgn. "Meldpuntplicht".....
    Wie gaat nou de controleurs controleren in een land van controleerders?
    Zie ook: Weer een meldpunt.... Zorgfraude.....
    En bekijk ook nog eens de film: "Das Leben der Anderen...."
    ... waar meldpunten en controles toe leiden ..... Cijfers van rechtszaken over kindermishandeling zijn lastig te krijgen omdat een goede registratie ontbreekt. Het Openbaar Ministerie zou deze sinds 2010 moeten registreren, maar doet dat niet.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Herkenning van kindermishandeling verbeterd

    Afdelingen spoedeisende hulp (SEH) van ziekenhuizen onderkennen kindermishandeling nog niet altijd. Men beschouwt een gebroken arm nog te vaak als een ongelukje. Dit komt onder meer doordat op deze afdelingen de voorwaarden voor een verantwoorde signalering niet altijd aanwezig waren. De Inspectie voor de Gezondheidszorg signaleert verbeteringen.

    De spoedeisende hulp kan bij het herkennen van kindermishandeling een belangrijke rol spelen. Juist als kinderen met verwondingen op de spoedeisende hulp verschijnen is er een zogenaamde ‘gouden kans’ om achter de voordeur van een gezin te kijken omdat ouders zich meestal in een crisissituatie bevinden. De ‘gordijnen gaan dan even open’ om hulpverleners te laten zien wat er daadwerkelijk aan de hand is. Zonodig kunnen hulpverleners dan ingrijpen.

    In Nederland wordt naar schatting vijf tot tien procent van letsel bij kinderen die op de SEH verschijnen veroorzaakt door kindermishandeling. In de Amerikaanse literatuur wordt zelfs een cijfer van dertig procent genoemd.

    Toch ontbrak tot voor kort bij veel ziekenhuizen een gestructureerde aanpak om kindermishandeling op de SEH-afdeling te herkennen. Hoeveel aandacht er is voor dit onderwerp wordt vooral bepaald door de belangstelling van professionals (bijvoorbeeld kinderartsen) en de Raad van Bestuur voor dit onderwerp.

    De meeste ziekenhuizen beschikken nu over een protocol voor de signalering op de SEH-afdeling, en beleidsmatig krijgt het probleem meer aandacht, ook van de Raden van Bestuur. Medewerkers kunnen kindermishandeling alleen herkennen als zij hierin geschoold zijn. Zorgelijk is dat nog niet alle ziekenhuizen hiervoor een goed scholingsprogramma hebben. Tenslotte registreren nog steed enkele ziekenhuizen de gegevens over signalering en melding van kindermishandeling niet.

    De IGZ vindt dat de Raden van Bestuur het beleid rond de signalering van kindermishandeling met kracht ter hand moeten nemen. De IGZ wil dat alle ziekenhuizen een plan van aanpak maken op de punten waar te weinig aandacht voor is met betrekking tot het signaleren kindermishandeling. Begin 2009 moesten alle ziekenhuizen dit op orde hebben. De IGZ kan ziekenhuizen die in gebreke blijven onder verscherpt toezicht stellen.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Preferente rol van het NFI?

    Bij de aanpak van het fenomeen kindermishandeling speelt de (forensische) opsporing maar een bescheiden rol. De zorgverleing voor het betroffen kind hoort voorop te staan. Een strafrechtelijke aanpak is eigenlijk alleen maar een 'ultimum refugium'. Toch blijkt steeds weer de neiging te bestaan om met een dergelijke reflex te reageren. De Staatssecretaris van VWS op 15 juni 2015 in de "Voortgangsrapportage geweld in afhankelijkheidsrelaties (GIA)":

    Inzet forensisch medische expertise kindermishandeling
    "Onlangs is de landelijke werkgroep inzet forensische medische expertise kindermishandeling (FMEK) bijeen geweest om de voortgang van de activiteiten te bespreken. Een deel van de vertrouwensartsen heeft de afgelopen maanden in hun regio netwerkbijeenkomsten georganiseerd zodat artsen elkaar weten te vinden en weten hoe te handelen. Verder hebben de vertrouwensartsen onlangs een digitaal monitoringsysteem opgeleverd. Hierin legt een vertrouwensarts bij een vermoeden van fysieke kindermishandeling vast welke forensische expertise is ingeschakeld. Ook vanuit de aanbieders, de Forensische Polikliniek Kindermishandeling (FPKM) en het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling (LECK) wordt bijgehouden hoe vaak en door wie zij worden ingeschakeld."

    "Afgesproken is dat kort na de zomer de landelijke werkgroep de bovengenoemde monitorresultaten naast elkaar legt. Op basis hiervan kan bepaald worden welke voortgang wordt geboekt als het gaat om de inzet van FMEK. Ook wordt dan besproken of het mogelijk is meetbare doelen vast te stellen."

    "Momenteel worden forensisch artsen opgeleid door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Doel is om circa 50 forensisch artsen opgeleid te hebben, zodat in het hele land op regionale schaal aanbod van expertise beschikbaar is Niet alleen is het belangrijk dat het aanbod van expertise toeneemt. Ook wordt ingezet op het vergroten van de alertheid en het bewustzijn bij artsen. Dit gebeurt onder meer via de eerdergenoemde samenwerkingsafspraken die in april 2015 gemaakt zijn met huisartsen en Augeo. Verder is de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK) in 2013 gestart met het opstellen van een drietal richtlijnen over kindermishandeling.

    De eerste richtlijn richt zich op de «screening van kindermishandeling in de spoedeisende zorg». Deze richtlijn is ook voor huisartsenposten van belang. De tweede richtlijn is de richtlijn blauwe plekken bij kinderen. Hierin staat de beoordeling van blauwe plekken op de mogelijkheid van kindermishandeling centraal. Beide richtlijnen zijn in september dit jaar (2015) gereed. De derde richtlijn betreft de diagnostiek bij vermoedens van seksueel misbruik. Deze richtlijn is begin 2016 gereed. Met deze inspanning vanuit de beroepsgroepen wordt geïnvesteerd in het vergroten van de kennis en het bewustzijn voor de inzet van forensisch medische expertise."


  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Offensief van FPKM in media

    De forensisch (regionaal werkzame) arts maakt geen deel uit van het NFI of van de politieorganisatie, is geen buitengewoon opsporingsambtenaar, en ook geen gerechtelijk deskundige. De Forensische Polikliniek Kindermishandeling (FPKM) was het kennelijk toch niet geheel eens met de preferente rol die het Ministerie van VenJ had toebedeeld aan het NFI en startte een initiatief in de media:
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Actieplan Ministerie Jeugd en Gezin

    Op 5 juli 2007 werd het Actieplan Aanpak Kindermishandeling naar de Tweede Kamer gestuurd. Dit plan met de titel ‘Kinderen Veilig Thuis’ werd opgesteld naar aanleiding van de uitkomsten van de twee onderzoeken die eerder dat jaar verschenen (zie hierboven).

    Kindermishandeling dient zoveel mogelijk te worden voorkomen. Professionals en beroepskrachten moeten het zo snel mogelijk signaleren als het toch gebeurt. Er dient adequaat op te worden gereageerd zodat de mishandeling zo snel mogelijk stopt. De schadelijke gevolgen voor het kind moeten zoveel mogelijk worden beperkt.

    Hieronder het complete rapport c.q. actieplan uit 2007 en het vervolg van 28 november 2011: In het actieplan wordt gestreefd naar een landelijke implementatie van de zgn. RAAK-aanpak:

    Eind jaren negentig werd de Reflectie- en Actiegroep Aanpak Kindermishandeling (RAAK) opgericht op initiatief van wijlen prof. dr. A. van Dantzig. Eén van de doelstellingen van RAAK was om in één of meer regio’s in Nederland de werkwijze van instellingen zo aan te passen, te verbeteren en aan te vullen dat kon worden gedemonstreerd dat een effectieve aanpak van kindermishandeling mogelijk is. Deze aanpak was dus gericht op het effectiever en efficiënter inzetten van de bestaande instellingen op basis van hun bestaande aanbod. Het ging daarbij om een aanpak over de hele breedte: van populatiegerichte (‘universele’) preventie en opvoedingsondersteuning tot en met curatieve interventies na geconstateerde kindermishandeling.
    Die manier van werken is doeltreffend gebleken. Uitvoerend werkers, managers en gemeentelijke en provinciale besturen bleken in deze regio’s in staat om gezamenlijk een gecoördineerde aanpak van kindermishandeling te realiseren, die bestaat uit een geïntegreerd aanbod van bewezen effectieve werkwijzen en methodieken, op de verschillende niveaus van zorg.

    De (voorziene) rol van het strafrecht kwam in bovenstaand 'actieplan' op pagina 17 en 18 ter sprake.

    Inzet van het strafrecht
    "Plegers van kindermishandeling zullen, zeker in de ernstigere gevallen, niet alleen door hulpverleners gewezen moeten worden op de onaanvaardbaarheid van kindermishandeling. Alhoewel de nadruk bij de bestrijding van kindermishandeling ligt op het voorkomen van kindermishandeling, is de aanpak van mishandeling bij uitstek ook een zaak voor het strafrecht.
    De inzet van het strafrecht bij de aanpak van kindermishandeling is gericht op het acuut stoppen van mishandeling, het voorkomen van recidive door gerichte interventies en het herstellen van de geschonden norm. Daarbij is het niet uitsluitend te doen om het bestraffen van de dader. Het belang van het kind is leidend. Vanuit die optiek kan het strafrecht worden ingezet om daders te leiden naar daderhulpverlening. Dat kan door het stellen van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke straf of een voorwaardelijk sepot of bij schorsing van de voorlopige hechtenis. Het strafrecht is dan een stok achter de deur. Inzet van het strafrecht is met name van toepassing wanneer de geestelijke en/of lichamelijke integriteit van het minderjarige slachtoffer ernstig wordt of is bedreigd, gelet op de aard van het letsel (in elk geval bij zwaar lichamelijk letsel) en/of de frequentie (stelselmatigheid) van het geweld.

    Strafrechtelijke vervolging is één van de mogelijke routes die kan worden bewandeld na een melding van ernstige mishandeling, zonodig in combinatie met inzet vanuit één van de andere routes: vrijwillige of gedwongen hulpverlening (voor kind en dader) of een kinderbeschermingsmaatregel. Zoals gezegd is het van groot belang dat een duidelijke en eenvoudige structuur de besluitvorming over de te ondernemen stappen ondersteunt en de uitvoering afstemt. In die structuur moeten, naast het Openbaar Ministerie (OM), onder meer ook de politie, de bureaus jeugdzorg/AMK’s en de Raad voor de Kinderbescherming een rol krijgen om op basis van een adequate informatiepositie een juiste afweging te maken over de inzet van het strafrecht.
    Om effectief strafrechtelijk optreden mogelijk te maken is het gewenst duidelijke kaders op te stellen voor de opsporing, vervolging, strafvordering, slachtofferbejegening en de lokale samenwerking.
    Het College van procureurs-generaal kan beleidsregels opstellen voor de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het OM. De kaders voor opsporing en vervolging en voor de lokale samenwerking kunnen worden beschreven in een aanwijzing van het College van procureurs-generaal. In overleg met het College wordt bezien of een aparte aanwijzing kindermishandeling nodig is of dat uitbreiding van de reeds bestaande aanwijzing huiselijk geweld volstaat.

    Bij de nadere uitwerking en vormgeving van dit Actieplan zal ook de vraag worden betrokken die tijdens het spoeddebat van 26 april 2007 werd gesteld, namelijk die naar de mogelijkheden om meer inzicht en overzicht te verkrijgen van de aantallen aangiften, vervolgingen en veroordelingen."


    Actie: Inzet strafrecht
    "Om in individuele kindermishandelingszaken een gestructureerd besluit te kunnen nemen over de inzet van het strafrecht zal aan het College van Procureurs-Generaal worden gevraagd om hiertoe kaders op te stellen en die vast te leggen in een aanwijzing."

    Twee jaar later kwam het College van Procureurs-Generaal op 1 augustus 2009 met de toegezegde: Op pagina 19 van het actieplan van 5 juli 2007 was ook de NODO-procedure (kort) ter aprake gekomen:

    NODO
    "In opdracht van de ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), Justitie en Binnenlandse Zaken, werd in 2005 een commissie NODO (Nader Onderzoek Doodsoorzaken bij minderjarigen) ingesteld. Deze commissie heeft een protocol opgesteld ten behoeve van het omgaan met vermoede gevallen van niet-natuurlijk overlijden van minderjarigen. In wetsvoorstel 30696 (Wijziging van de Wet op de lijkbezorging) is de NODO-procedure verankerd. Vooruitlopend op het van kracht worden van de wetswijziging bezien de betreffende ministeries op welke wijze de implementatie van de NODO-procedure kan worden gefaciliteerd."

    Tot slot werd bij actiepunt 28 op pagina 29 vermeld:

    "Er dient in één of meer proefregio’s geëxperimenteerd te worden met protocollen voor lijkschouwing bij overleden kinderen (tot 18 jaar)."

    Vanaf 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer.

    Overlijden minderjarigen (NODO)
    Op 9 juni 2009 werd door de Eerste Kamer wetgeving aangenomen over de wettelijke verplichting om bij overlijden van minderjarigen altijd de gemeentelijk lijkschouwer in te schakelen.

    De wetgeving over de NODO-procedure trad in werking op 1 oktober 2012. De invoering van deze wetgeving lijkt meer het gevolg te zijn geweest van een volkomen overdreven politieke reactie op een epidemiologische dwaling. Het spreekt vanzelf dat de FOMAT de ontwikkelingen nauwgezet volgt:
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Onvoldoende medische diagnostiek?

    De afgelopen jaren is er terecht steeds meer aandacht voor kindermishandeling in Nederland. Alles staat op scherp om kindermishandeling te voorkomen of te stoppen. Iedereen kan er (anoniem) melding van doen. Maar een vermoeden van kindermishandeling kan eenmaal in handen van de instanties uitgroeien tot een onuitwisbaar brandmerk of een zichzelf repeterende waarheid. De gevolgen van verkeerde diagnostiek zijn groot, daders gaan vrijuit en anderen worden onterecht beschuldigd van kindermishandeling.

    Op 21 augustus 2009 antwoordde de Minister van Justitie, in reactie op kamervragen, n.a.v. een bericht dat politie en justitie bij kindermishandeling te weinig een beroep zouden doen op de pediatrisch forensisch arts van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). In een uitzending van de rubriek Argos op 6 maart 2010 over hoe jeugdzorg en justitie regelmatig grote fouten maken bij onderzoek naar geruchten over kindermishandeling werd geponeerd dat 100 keer per jaar aanvullende diagnostiek wordt gevraagd bij het NFI waarvan in 50 gevallen de diagnose kindermishandeling kan worden bevestigd. In een verontrustend hoog percentage van de meldingen bij het AMK blijkt geen enkel eerder medisch onderzoek naar de bevindingen te zijn verricht. De Minister voor Jeugd en Gezin reageerde in de radio-uitzending en merkte op dat de behandeling van kindermishandeling een zaak is voor de beroepsgroepen in het kader van de RAAK aanpak.
    Vervolgens werden hierover Kamervragen gesteld.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Obducties bij minderjarigen

    Op 8 april 2010 publiceerde het NFI de cijfers over het aantal obducties dat werd verricht bij minderjarigen in de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 2009, oftewel gedurende een tijdsverloop van 14 jaar. Op 18 november 2010 werden precies dezelfde cijfers opnieuw gepubliceerd, nu in het NTvG: Forensisch postmortaal onderzoek wordt in Nederland uitsluitend uitgevoerd door het NFI. De sectie (obductie) door een forensisch kinderpatholoog is een essentieel onderdeel van dit onderzoek. Het onderzoek bij het NFI betreft alleen obducties bij een geselecteerde groep overlijdensgevallen waarbij de niet-natuurlijke dood soms al van te voren vaststaat. De gerechtelijke sectie is in het strafvorderlijk proces noodzakelijk voor het vaststellen van de 'causaliteit', d.w.z. ter beantwoording van de vraag of het overlijden een direct en onomstotelijk gevolg is van een externe factor c.q. een mogelijk strafbaar feit.
    Het NFI verricht, in opdracht van het OM in het kader van de bewijsvoering, jaarlijks zo’n vijftig keer sectie op kinderen. Onderzoek met een overzicht van 1996 t/m 2009 (veertien jaar) liet zien dat in ruim 60%, d.w.z. in gemiddeld 30 gevallen per jaar, sprake was van een niet-natuurlijk overlijden. Dit cijfer kwam (logisch) overeen met het aantal (25-35) gevallen zoals die werden gemeld bij het CBS (neemt deze cijfers over) en wordt sinds 1996 volgens de internationale criteria gecodeerd in de categorie 'Overige niet-natuurlijke dood (NND)'. In 2014 was dit gedaald naar 10 en in 2015 naar 9 gevallen per jaar.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Geruzie over kosten en capaciteit

    Op 13 april 2010 werd door het het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) gemeld dat al sinds september 2009 geen nieuwe kindermishandelingszaken meer voor onderzoek zouden worden aangenomen. Er zouden niet genoeg forensische experts zijn. Door de innamestop zouden ernstige zaken niet meer behandeld worden.
    Verdachten zouden daardoor soms langer in voorarrest blijven. Ook zou het voorkomen dat uit huis geplaatste kinderen weer terug werden gestuurd omdat het NFI nog geen rapportage zou hebben kunnen maken.
    Het NFI zou per jaar 25 ernstige zaken van kindermishandeling aannemen, net zoveel als een polikliniek in Utrecht. Jaarlijks zouden er echter, volgens het rapport uit maart 2010 van het NFI zelf, 500 zaken moeten zijn waarbij medisch-forensisch onderzoek nodig is. In een brief van Minister van Justitie van 16 augustus 2010 werd gemeld dat de ingestelde opnamestop bij het NFI per 1 juli 2010 weer was opgeheven en dat geconcludeerd kon worden dat, gelet op de verschillende mogelijkheden die zowel binnen als buiten het NFI bestaan, voor OM en politie op het gebied van forensische pediatrie, het aanbod gewaarborgd was voor het kunnen afdoen van zaken. Eind 2011 zal kunnen worden bezien of de inzet van expertise van zowel het NFI als van andere aanbieders voldoende is voor de behoefteraming van OM en politie. Opmerkingen van de FOMAT:
    Na de bovenstaande brief van de Minister van 16 augustus 2010 was het volledig onduidelijk waar alle ophef van het NFI en de berichtgeving via de media voor nodig was of was geweest. Men kan natuurlijk ook aan de bakker vragen of men zijn brood moet eten.....
    Er lijkt nu een levendige 'concurrentie' te ontstaan tussen allerlei 'centra voor diagnostiek'. De monopoliepostitie van het NFI (dat wordt betaald door Justitie) komt meer en meer ter discussie. De vraag is of de 'objectiviteit' wel gebaat is bij dit soort marktwerking tussen de verschillende instituten die zich als deskundigheidscentra voor (vaak zeer prijzige.....) 'nascholing' opwerpen.
    De kindermishandeling is 'big business' geworden. De FOMAT volgt de ontwikkelingen en we zullen hier, waar nodig, nader op ingaan. Het gevaar van 'tunnelvisie' en het ontstaan van een soort 'heksenjacht' ligt nu levensgroot op de loer. De publicatie van enkele medewerkers van het NFI uit december 2010 in het NTvG leek hier zelfs aan bij te dragen met niet onderbouwde opmerkingen over 'onderrapportage'. Het rapport van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid van 13 januari 2011 met het uitvergroten van fataal aflopende gevallen, die merendeels bij het NFI werden onderzocht, deed hier nog een schepje bovenop en sprak in het rapport op pag.98 zelfs van een 'dark figure'. Bij de regeling van werkzaamheden in de Tweede Kamer op 19 april 2011 werd door verschillende leden van de Kamer om een debat gevraagd over de ontwikkelingen. Men wilde op korte termijn opheldering over het (nota bene) door het NFI zelf geproduceerde zgn. 'onderzoeksrapport' uit maart 2010 en de ramingen van de behoeften aan expertise.
    Wegens de zeer hoge kosten, die het (gesubsidieerde) NFI bij de aanvrager in rekening brengt, wordt het onderzoek door de Politie (wegens de kosten?) maar mondjesmaat ingezet. Deze kosten worden, en dat is een wijdverbreid misverstand, niet door het Ministerie van VenJ of het OM betaald, maar door de lokale korpsbeheerder. Als het onderzoek de 'vermeende' dader vrijpleit, of het bewijs niet kan worden gevonden, is het onderzoek 'voor niets' gedaan, maar moet wel betaald worden.
    De uurtarieven voor dit onderzoek, van het NFI of andere organisaties, werden niet bekend gemaakt. Ook kwam in dit debat, dat op 18 mei 2011 plaatsvond, de voortgang van de NODO-procedure zijdelings aan de orde. Helaas bleek de essentie van de zaak (de hoge kosten die de Politie moet betalen) niet geheel tot de Kamerleden te zijn doorgedrongen. Ook de staatssecretaris trok 'de juistheid' van de cijfers van het NFI in twijfel. Hardnekkig werd echter aangedrongen op een verhoging van de capaciteit van de diverse onderzoeksinstituten. Eind 2011 zouden de resultaten van een nieuwe (onafhankelijke) behoefteraming bekend worden, aldus de staatssecretaris.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Behoefteraming aan diagnostiek

    Op 17 januari 2012 werd een brief over de behoefteraming van (medische) diagnostiek bij verdenkingen van kindermishandeling naar de Tweede Kamer gestuurd: Bij de afgifte van letselrapportages dienen de (medische) waarnemingen en omschrijvingen uitsluitend ter documentatie van objectief vastgestelde en vast te stellen bevindingen en zonder dat hier een strafvorderlijk oordeel aan verbonden kan worden. Dergelijke oordelen kunnen alleen door hiertoe bevoegde, benoemde en terzake kundige gerechtelijk deskundigen worden afgegeven. Interpretaties (of nog erger: speculaties) dienen bij letselrapportages achterwege te blijven (als niet behorend tot de vraagstelling). De eerste-lijns forensisch (werkzame) arts dient zich terdege bewust te zijn van zijn/haar beperkingen en houdt zich alleen bezig met medische aangegelegenheden en competenties in het kader van de waarheidsvinding en niet met juridische uitspraken op het gebied van de opsporing en vervolging. Op dit terrein is, net als bij de NODO-procedure, die 1 oktober 2012 in werking was getreden, maar op 1 januari 2014 alweer werd gestopt, een centralisatie dringend aan te bevelen. Er zijn nu eenmaal bepaalde verrichtingen die zo zelden voorkomen dat vrijwel niemand daar ervaren in kan raken. Dat is geen schande. Het is dan ook beter om dat gewoon te erkennen en de opdracht terug te geven en/of door te verwijzen naar een specialist die wel regelmatig dit soort vragen en opdrachten verstrekt krijgt en zich echt verdiept heeft in de materie. De forensisch (werkzame) arts is géén gerechtelijk deskundige en kan ook niet als zodanig worden aangemerkt.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • De financiering

    Uit de Toelichting op de begroting voor het jaar 2013 van 16 november 2012 van de Minister van Veiligheid en Justitie en de Staatssecretaris:

    Vraag 129
    Op welke wijze wordt onafhankelijk feitenonderzoek door een forensisch arts gewaarborgd in het Actieplan Kinderen Veilig? Hoe vaak wordt gebruik gemaakt van forensisch pediatrisch onderzoek door politie en justitie?
    "Het actieplan benoemt dat door een adequate inzet van forensisch-medische expertise, als vorm van waarheidsvinding, de fysieke veiligheid van kinderen beter kan worden gewaarborgd. Hoe vaak gebruik wordt gemaakt van deze vorm van onderzoek door politie en justitie is niet precies bekend. Een werkgroep met daarin vertegenwoordigers uit de medische sector, de jeugdzorg en de justitiële sector, werken samen aan de totstandkoming van een stroomschema en een bijbehorende sociale kaart per regio, voor professionals voor de inzet van forensisch-medische expertise bij een vermoeden van fysieke mishandeling of seksueel misbruik. Hiermee geeft de werkgroep nadere invulling aan een actie waarover ik u 7 juli 2011 per brief heb geïnformeerd (Kamerstuk II, 2010–2011, 31 839, nr.124). Doel is deze vorm van expertise beter te ontsluiten en daarmee de inzet er van te vereenvoudigen. Hierover heeft de staatssecretaris van VWS uw Kamer recent uitgebreid bericht in de voortgangsrapportage «Geweld in afhankelijkheidsrelaties»."

    Vraag 130
    Op welke wijze wordt forensisch pediatrisch onderzoek in 2013 gefinancierd?
    "Het justitiële kader kan de forensisch medische expertise inzetten, door de experts van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) in te schakelen. Het NFI wordt conform de reguliere werkwijze daartoe gefinancierd. Over het niet-justitiële kader heeft de staatssecretaris van VWS uw Kamer recent bericht in de voortgangsrapportage «Geweld in afhankelijkheidsrelaties»."
    Vraag 131
    Op welke wijze wordt het budget voor forensisch pediatrisch onderzoek naar kindermishandeling structureel in de wet verankerd?
    "Ik ben niet voornemens voor het justitiële kader wettelijk een budget te verankeren, want voor de inzet van forensisch-medische expertise volstaat de besteding van generieke middelen. Met deze middelen kunnen organisaties zelf besluiten tot de inzet van forensisch-medische expertise. Dit past bij de verantwoordelijkheid die een organisatie heeft voor het leveren van goede zorg of onderzoeken en maakt maatwerk aan de vraagkant mogelijk."
    Veel forensisch (werkzame) artsen bleken zich niet te realiseren dat de kosten van dit onderzoek (vaak voorzien van een forse 'overhead' door de regionale gezondheidsdienst en de BTW-heffing) ten laste zullen worden gebracht van het regionale politiekorps (sinds 1 januari 2013 de regionale politiechef) en niet ten laste van het Openbaar Ministerie. Het zijn namelijk kosten van opsporing. Het Ministerie van Justitie weigerde jarenlang om de kosten van opsporing - voor rekening van de politie - voor haar rekening te nemen. Per 1 januari 2013 valt de Politie niet meer onder de Minister van BZK maar onder het Ministerie van VenJ. Op 2 september 2015 kwam de financiering van de FPKM en het NFI weer ter sprake in de Tweede Kamer bij de bespreking van een motie over dit onderwerp.
    De Minister van VenJ hierover:
    "Naar ik heb begrepen, hebben het NFI, de FPKM en het Openbaar Ministerie uitgebreid gesproken over de vraag wie op welke wijze het werk waar gaat doen. Er heeft een vorm van aanbesteding plaatsgevonden. Dat zou ertoe hebben geleid dat de FPKM niet degene is geworden waarmee de samenwerking is gezocht, zo heb ik inmiddels begrepen. Ik ken de discussie die we hebben gevoerd. (...) Ik ga zelf onderzoek doen en zal de Kamer per brief informeren over de ontwikkelingen rond de FPKM, want het is voor mij nu nog te vroeg om daar een oordeel aan te verbinden."
    De motie werd vervolgens aangehouden en kwam niet in stemming.
    Bron: Tweede Kamer, 107e vergadering van 2 september 2015

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Onverklaard overlijden

    In discussies in politiek en media bleek de term 'onverklaard overlijden' een eigen leven te zijn gaan leiden die de aanleiding vormde om over te gaan tot het instellen van de zgn. NODO-procedure. De beeldvorming dat het hierbij zou moeten gaan om de 'opsporing van kindermishandeling' was een zeer hardnekkig en kennelijk nauwelijks meer uit te roeien misverstand.

    Op 14 april 2010 kwam het Gerechtshof te Arnhem, rechtdoende in herziening in de zaak Lucia de B., tot het volgende oordeel over het 'onverklaard overlijden':
    (accentueringen toegevoegd door de FOMAT)

    .................................................

    2.2.1 Vraagstelling advocaat-generaal naar kwalificatie doodsoorzaak
    De advocaat-generaal heeft bij de Nederlandse Vereniging voor Pathologie (NVvP) en bij de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde de vraag uitgezet (kort geformuleerd) of het wetenschappelijk verantwoord is om in de situatie van een onverwacht en onverklaarbaar overlijden menselijk handelen als oorzaak daarvan aan te nemen zonder dat (onder meer) obductie heeft plaatsgevonden.
    De NVvP heeft de antwoorden toegezonden van dr. P.G.J. Nikkels(27), dr.dr. R.W.M. Giard(28), dr. A. Maes(29) en dr. J.C. van der Linden(30). Alle respondenten beantwoorden de vraag ontkennend.

    ...................................................

    3.1 Algemene uitgangspunten

    3.1.1 Oorzaak van overlijden
    Bij een aantal van de door het hof Den Haag bewezenverklaarde feiten stelt dat hof voorop, dat sprake is van "medisch onverklaarbaar overlijden". Zonder die vaststelling zou het hof Den Haag niet tot een bewezenverklaring zijn gekomen(32).

    Het hof acht deze terminologie om een aantal redenen minder gelukkig en prefereert de term "(medisch) onverklaard." In de eerste plaats is wat medisch verklaarbaar is afhankelijk van de stand van de medische wetenschap en daarmee allerminst een vast gegeven. In de tweede plaats is hetgeen medisch verklaard kan worden sterk afhankelijk van de diepgang van het onderzoek naar een overlijdensgeval. In de derde plaats wekt de term "medisch onverklaarbaar" gemakkelijk de suggestie dat er dus(33) een externe oorzaak van het overlijden moet zijn. Naar het oordeel van het hof is dat niet juist omdat die conclusie, mede gelet op de twee al genoemde bezwaren, geenszins dwingend is.

    In het kader van het tweede door het hof genoemde bezwaar moet gewezen worden op het grote belang van een obductie in het geval van een op het eerste gezicht onverwacht en onverklaard overlijden. Uit door dr. Nikkels genoemd onderzoek komt naar voren dat bij obductie in gemiddeld 23,5% van de gevallen belangrijke (voor behandeling relevante) onverwachte bevindingen worden gedaan. In diverse studies betreffende doodsoorzaken bij kinderen werd in 26-34% van de gevallen waarbij obductie werd gedaan een nieuwe diagnose gesteld, waarbij in 7% van de gevallen, indien de diagnose bekend zou zijn geweest vóór het overlijden, een ander beleid zou zijn gevoerd met mogelijk overleving(34).

    Bij de zeven overlijdensgevallen, die in de tenlastelegging aan strafbaar handelen door verdachte worden toegeschreven, is slechts in twee daarvan (....)kort na het overlijden sectie verricht. Op (....) is pas ruim 17 maanden na overlijden sectie verricht en op (....) pas ruim 12 maanden na overlijden. In beide gevallen gebeurde dat na opgraving. Bij (....) luidde de conclusie dat het op grond van de sectie niet mogelijk was een uitspraak te doen over de doodsoorzaak. Bij (....) kon op grond van de sectiebevindingen geen doodsoorzaak worden vastgesteld.

    Zoals het hof onder 2.2.1 reeds heeft weergegeven, zijn alle geraadpleegde deskundigen het er over eens dat het wetenschappelijk niet verantwoord is om in de situatie van een onverwacht en "onverklaarbaar" overlijden menselijk handelen als oorzaak daarvan aan te nemen zonder dat (onder meer) obductie heeft plaatsgevonden. Slechts na obductie kan verantwoord worden gesproken van medisch onverklaard overlijden.

    Maar dat neemt niet weg dat het op zich denkbaar is dat - ook bij ontbreken van een obductie - de resultaten van het opsporingsonderzoek zodanig zijn, dat geconcludeerd kan worden tot strafbaar handelen of nalaten als oorzaak van een overlijdensgeval. Naar het oordeel van het hof is in zodanig geval, waarin medische evidentie ontbreekt, een extra kritische beoordeling van de wel beschikbare onderzoeksresultaten geboden.

    (Bron: Parketnummer: 21-004292-08)
    Zie ook: 14 oktober 2010: Vier vragen over het proces Lucia de B.
    • Lucia De B.
      Film gebaseerd op deze gerechtelijke dwaling
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Rol van het strafrecht bij kindermishandeling

    De algemene commissie voor Jeugd en Gezin en de vaste commissie voor Justitie voerde op 18 oktober 2007 overleg met de minister voor Jeugd en Gezin en de minister van Justitie inzake het actieplan aanpak kindermishandeling.

    De rol van strafrecht werd als volgt verwoord:
    (accentureringen toegevoegd door de FOMAT)

      "De minister van Justitie wijst erop dat kindermishandeling een ernstig misdrijf is. Het strafrecht is een pijler bij de aanpak van kindermishandeling. Er wordt momenteel overlegd met het OM en andere organisatieonderdelen om te bezien op welke manier het strafrecht kan aanhaken bij de RAAK-aanpak.

      De aanpak van kindermishandeling hoeft echter niet altijd in de sfeer van het strafrecht te worden getrokken. Dat heeft te maken met de systematiek van het strafrecht zelf, omdat het rond krijgen van de bewijslast vaak lastig is, maar ook omdat een louter strafrechtelijke aanpak als bezwaar heeft dat het opnemen van getuigenverklaringen een negatief effect kan hebben op degene die bescherming wordt geboden. Ook kunnen daardoor de verhoudingen in het gezin extra worden beschadigd.

      In het actieplan wordt het strafrecht daarom gezien als stok achter de deur, als sluitstuk en als steun in de rug wat betreft het preventiebeleid en het reageren op allerlei situaties. De inzet van het strafrecht is erop gericht om in het belang van het kind te komen tot een situatie die zo snel mogelijk een eind maakt aan het voortduren van de mishandeling. In dit kader kunnen specifieke maatregelen en dwangmiddelen worden ingezet, gericht op het voorkomen van recidive. Dat geldt ook voor genitale verminking als een vorm van ernstige mishandeling.

      Welke aanpak in individuele gevallen wordt gekozen, vergt een zorgvuldig en gestructureerd proces van besluitvorming, rekening houdend met de mogelijk traumatiserende effecten op het kind van een strafrechtelijke aanpak, zeker in situaties waarin die uiteindelijk niet slaagt. Mislukte straf- vervolging is dan vaak erger dan geen strafvervolging. Ook dat vereist dus precisie in de inzet van de strafrechtelijke middelen. Politie en OM moeten in een vroeg stadium worden betrokken bij de diverse afwegingen om gestructureerd te kunnen beslissen. In overleg met het Parket-Generaal en andere organisaties wordt bezien of een dergelijke werkwijze door middel van een aanwijzing van het College van Procureurs-generaal kan worden vastgelegd. Vervolgens kan hopelijk worden aangehaakt bij de RAAK-aanpak. Omdat kindermishandeling ook in de categorie huiselijk geweld valt, wordt ook bekeken of elementen van de RAAK-aanpak een rol kunnen spelen bij de aanpak van dat geweld."
    Bron: Kamerstuk 31.015 nr. 25


    Terug naar begin van deze pagina