Achtergrond informatie
In de praktijk komen regelmatig vragen naar voren over wie in bepaalde situaties de kosten moet dragen voor de medische behandeling en/of beoordeling van arrestanten (politie?, justitie?, zorgverzekeraar?, gemeente?). De FOMAT plaatst (met bronvermeldingen) de navolgende achtergrondinformatie. De komende tijd zullen we deze informatie voortdurend uitbreiden.

Kostentoerekening (medische) arrestantenzorg

Overzicht inhoud:


Inleiding: algemeen wettelijk kader

Zeker in de Nederlandse rechtsverhoudingen is het recht op medische bijstand voor eenieder, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, vrijwel onomstreden. Ook voor personen die rechtens van hun vrijheid zijn beroofd door de 'uitvoerende macht' geldt vanzelfsprekend dit recht. De overheid dient gepaste stappen te zetten om dit recht te beschermen van diegenen die onder haar rechtsmacht resulteren. Het onthouden of belemmeren van medische bijstand aan personen wordt opgevat als een schending van het verbod op foltering als omschreven in artikel 3 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). De letterlijke tekst van dit artikel luidt: "Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen".
In de praktijk betekent dit dat medische bijstand (hulpverlening) prevaleert en voorang heeft boven het belang van politieonderzoek, opsporing en vervolging.
(Bron: o.a. Zakboek Hulpofficier, Hoekendijk 2006) Allereerst is het noodzakelijk om vast te stellen dat we bij het spreken over een 'arrestant' beter kunnen spreken van een 'ingeslotene'. Onze Britse collega's spreken in dit verband over iemand die zich in 'police custody' bevindt en benadrukken daarmee ook het zorgaspect. In een rapport van de Rijkscherche uit mei 2006 (over overlijdensgevallen) wordt ter aanduiding gesproken van 'personen onder de zorg van de politie' of 'onderzorggestelden'. In verband met artikel 3 van het EVRM is het volgende, ook door Nederland op 12 oktober 1988 geratificeerde, verdrag van de Raad van Europa dat sinds 1 februari 1989 van kracht is, van belang: In de preambule (aanhef) van dit verdrag wordt overwogen dat de bescherming van personen, die aanvoeren dat zij slachtoffer zijn geworden van een inbreuk op art. 3 van het EVRM, in aanvulling op het mechanisme van het EVRM, versterkt kan worden door niet-juridische middelen van preventieve aard gebaseerd op bezoeken.

Het verdrag voorziet in de oprichting van een commissie (genoemd naar dit verdrag, verder aan te duiden als CPT = Committee for the Prevention of Torture) die als taak heeft in de lidstaten dit toezicht door bezoeken uit te voeren.
Deze commissie brengt, naast de rapporten met betrekking tot bezoeken aan lidstaten, jaarlijks een algemeen verslag uit aan het Comité van Ministers van de Raad van Europa. Na eerdere bezoeken heeft de commissie Nederland opnieuw bezocht van 10-21 oktober 2011. Een nieuw bezoek stond gepland in 2016. In een overzichtsdocument van de CPT uit 2006 wordt het volgende opgemerkt ten aanzien van personen die zich in 'police custody' bevinden.
(accentuering toegevoegd door de FOMAT)

Pagina 6, paragraaf 36:

The CPT attaches particular importance to three rights for persons detained by the police: the right of the person concerned to have the fact of his detention notified to a third party of his choice (family member, friend, consulate), the right of access to a lawyer, and the right to request a medical examination by a doctor of his choice (in addition to any medical examination carried out by a doctor called by the police authorities). They are, in the CPT's opinion, three fundamental safeguards against the ill-treatment of detained persons which should apply as from the very outset of deprivation of liberty, regardless of how it may be described under the legal system concerned (apprehension, arrest, etc).

Pagina 6, paragraaf 37:

Persons taken into police custody should be expressly informed without delay of all their rights, including those referred to in paragraph 36. Further, any possibilities offered to the authorities to delay the exercise of one or other of the latter rights in order to protect the interests of justice should be clearly defined and their application strictly limited in time. As regards more particularly the rights of access to a lawyer and to request a medical examination by a doctor other than one called by the police, systems whereby, exceptionally, lawyers and doctors can be chosen from pre-established lists drawn up in agreement with the relevant professional organisations should remove any need to delay the exercise of these rights.

Pagina 13, paragraaf 42:

Persons in police custody should have a formally recognised right of access to a doctor. In other words, a doctor should always be called without delay if a person requests a medical examination; police officers should not seek to filter such requests. Further, the right of access to a doctor should include the right of a person in custody to be examined, if the person concerned so wishes, by a doctor of his/her own choice (in addition to any medical examination carried out by a doctor called by the police).

All medical examinations of persons in police custody must be conducted out of the hearing of law enforcement officials and, unless the doctor concerned requests otherwise in a particular case, out of the sight of such officials.

It is also important that persons who are released from police custody without being brought before a judge have the right to directly request a medical examination/certificate from a recognised forensic doctor.

Opmerkelijk:
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Wannneer is sprake van een 'ingeslotene'?

    Volgens artikel 1, lid 4 van de Ambtsinstructie voor de Politie wordt onder ingeslotene verstaan degene die rechtens van zijn vrijheid is beroofd. Onder ingeslotene wordt mede verstaan degene die ten behoeve van de hulpverlening aan hem op het politie- of brigadebureau is ondergebracht.

    Staande houden en aanhouding
    Het in artikel 5 van het EVRM neergelegde verbod van onrechtmatige vrijheidsontneming houdt in dat buiten de bij of krachtens de wet bepaalde gevallen niemand zijn vrijheid ontnomen mag worden.

    Artikel 27, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalt:
    "Als verdachte wordt vóórdat de vervolging is aangevangen, aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan eenig strafbaar feit voortvloeit."

    Kan een persoon als verdachte worden aangemerkt, dan is het mogelijk om hem staande te houden of aan te houden. Het staande houden heeft tot doel de verdachte te vragen naar zijn identiteit. Aanhouden heeft tot doel de verdachte voor verhoor en ter voorgeleiding aan de (hulp)officier van justitie naar het politiebureau mee te nemen. Vaak zullen beide dwangmiddelen min of meer gelijktijdig worden toegepast.
    Aanhouden is het desnoods door aangrijpen en vasthouden de verdachte van diens vrijheid beroven teneinde hem naar een plaats van verhoor te leiden of te doen leiden. Soms zal daaraan een staandehouding zijn voorafgegaan. Noodzakelijk is dit echter niet, bijvoorbeeld als de politie de verdachte al kent of als deze zijn naam en andere gegevens al direct uit zichzelf vermeldt. In dat geval behoeven de personalia immers niet meer te worden achterhaald, waardoor een staandehouding zinloos is. Overigens is ook een burger bevoegd een verdachte aan te houden, zij het alleen wanneer het strafbare feit op heterdaad wordt ontdekt. In dat geval mag de burger tevens de verdachte vasthouden en desnoods enige tijd opsluiten. Tevens is de burger gerechtigd de spullen die bij de verdachte worden aangetroffen in beslag te nemen. Verzet de verdachte zich tegen de aanhouding, dan is de burger bevoegd om met gepast geweld de aanhouding te effectueren. Dit zal uiteraard van de omstandigheden afhangen.

    Iemand is rechtens van zijn vrijheid beroofd vanaf het moment dat hij is aangehouden. (Hoekendijk 2006, p. 88 - 89) Dientengevolge is er vanaf het moment van aanhouding sprake van een 'ingeslotene'.

    Ophouding
    Artikel 61, eerste lid Sv bepaalt dat een verdachte voor ten hoogste zes uren kan worden opgehouden voor onderzoek. In artikel 61, lid 4 Sv wordt bepaald dat voor de berekening van de bedoelde zes uren de tijd tussen middernacht en negen uur 's morgens niet wordt meegerekend.
    Tijdens het ophouden voor onderzoek wordt de verdachte gehoord. De Hoge Raad besliste in een arrest van 31 augustus 2004, NJ 2004, 590 dat de in het tweede lid van artikel 61 Sv bedoelde termijn aanvangt op het moment waarop de (hulp)officier van justitie beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek conform genoemd artikel 61. (Bron: Ombudsman, rapport 2005/114)

    Tijdens de ophouding is er vanzelfsprekend sprake van een 'ingeslotene' die vanaf middernacht tot 9.00 uur de volgende morgen in het cellenblok zal moeten worden ondergebracht.

    Artikel 61, tweede lid Sv bepaalt:
    "Indien de ophouding met het oog op het vaststellen van de identiteit plaatsvindt, kan ten aanzien van een verdachte ten aanzien van wie verdenking bestaat terzake van een strafbaar feit waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten de in het eerste lid genoemde termijn van zes uren, op bevel van de officier van justitie of de hulpofficier voor wie de verdachte is geleid of die zelf de verdachte heeft aangehouden, eenmaal met ten hoogste zes uren worden verlengd."
    Ook in geval van deze 'verlengde' ophouding wordt voor de berekening de tijd tussen middernacht en negen uur 's morgens niet meegerekend.
    T.a.v. deze verdachte is er gedurende maximaal 21 uur (2 maal zes uur en de tijd tussen 24.00 en 9.00 uur) sprake van een 'ingeslotene'. Inverzekeringstelling
    In artikel 57 Sv wordt bepaald dat de (hulp)officier van justitie voor wie de verdachte wordt geleid, na hem te hebben verhoord, in het belang van het onderzoek, kan bevelen dat hij tijdens het onderzoek ter beschikking van justitie zal blijven en daarvoor op een in het bevel aangeduide plaats in verzekering kan worden gesteld.

    Inverzekeringstelling is alleen geoorloofd indien:
    • dit in het in het belang van het onderzoek noodzakelijk is;
    • de beslissing hiertoe is genomen door de hulpofficier van justitie;
    • de hulpofficier de verdachte heeft gehoord:
    • volgens de wet voorlopige hechtenis voor het delict is toegestaan.
    Van het bevel tot inverzekeringstelling krijgt de verdachte een kopie. In artikel 58, tweede lid Sv wordt bepaald dat het bevel tot inverzekeringstelling slechts gedurende ten hoogste drie dagen van kracht is. Bij dringende noodzakelijkheid kan het bevel door de officier van justitie eenmaal voor ten hoogste drie dagen worden verlengd.

    Artikel 59, lid 6 Sv bepaalt:
    "Het politiebureau is bestemd voor het ondergaan van de inverzekeringstelling. In bijzondere gevallen kan de officier van justitie gelasten dat de inverzekeringstelling in een huis van bewaring wordt ondergaan."

    Artikel 62, lid 1 Sv bepaalt:
    "De in verzekering gestelde verdachte wordt aan geen andere beperkingen onderworpen dan die in het belang van het onderzoek of in het belang der orde volstrekt noodzakelijk zijn."

    Artikel 62, lid 2, sub b Sv bepaalt de mogelijkheid van:
    "de overbrenging naar een ziekenhuis, of een andere instelling waar medisch toezicht is gewaarborgd, of verblijf in een daartoe ingerichte cel onder medisch toezicht."

    Artikel 62, lid 3 Sv bepaalt:
    "De behandeling van de in verzekering gestelde verdachten en de eisen waaraan de voor de inverzekeringstelling bestemde plaatsen moeten voldoen, worden, naar beginselen bij of krachtens de wet te stellen, geregeld bij algemene maatregel van bestuur."
    Vanzelfsprekend is er bij de in verzekering gestelde verdachte sprake van een 'ingeslotene'.

    Bevel tot bewaring
    Artikel 59a, lid 1 Sv bepaalt:
    "Uiterlijk binnen drie dagen en vijftien uur, te rekenen vanaf het tijdstip van de aanhouding, wordt de verdachte ten einde te worden gehoord voor de rechter-commissaris geleid."

    Artikel 63, lid 1 Sv bepaalt:
    "De rechter-commissaris kan, op de vordering van de officier van justitie, een bevel tot bewaring van de verdachte verlenen. De officier van justitie geeft van de vordering onverwijld mondeling of schriftelijk kennis aan de raadsman."

    Artikel 64, lid 1 SV bepaalt:
    "Het bevel tot bewaring is van kracht gedurende een door de rechter-commissaris te bepalen termijn van ten hoogste veertien dagen, welke ingaat op het ogenblik der tenuitvoerlegging."

    Op het moment dat een bevel tot bewaring van de verdachte wordt verleend is er sprake van voorlopige hechtenis (vh) en wordt de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) van belang.

    Artikel 2, lid 1 van de Pbw bepaalt:
    "De tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel vindt, voor zover niet bij of krachtens de wet anders is bepaald, plaats door onderbrenging van de persoon aan wie deze is opgelegd in een penitentiaire inrichting dan wel door diens deelname aan een penitentiair programma"

    Artikel 9, lid 2 van de Pbw bepaalt onder meer:
    "Huizen van bewaring zijn bestemd voor de opneming van personen ten aanzien van wie een bevel tot voorlopige hechtenis is gegeven en die in afwachting zijn van berechting in eerste aanleg;"

    Volgens de Pbw is een zgn. 'selectiefunctionaris' belast met de plaatsing en overplaatsing van gedetineerden in een penitentiaire inrichting.

    Artikel 15a van de Pbw bepaalt dat:
    "....de selectiefunctionaris kan bepalen dat een persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel is gelast en die in een politiecel verblijft, daar voor een periode van maximaal tien dagen zal verblijven, nadat hij heeft vastgesteld dat er voor deze persoon geen plaats is in een inrichting. De politiecel voldoet aan de regels die voor politiecellencomplexen zijn vastgesteld."

    In het geval dat de 'bewaring' ten uitvoer wordt gelegd in een politiecel (met een maximum van 10 dagen) is er sprake van een 'ingeslotene'.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • De Zorgverzekeringswet

    In artikel 24 van de Zorgverzekeringswet is bepaald dat tijdens detentie de rechten en plichten uit de zorgverzekering van rechtswege zijn opgeschort gedurende de periode waarover de Minister van Justitie in het kader van de uitvoering van een rechterlijke uitspraak verantwoordelijk is voor de verstrekking van geneeskundige zorg aan een verzekerde. Verder is opgenomen dat de verzekeringnemer of verzekerde zijn zorgverzekeraar aanvang en einde van de periode van detentie meldt. Indien na voorgeleiding bij de rechter-commissaris een vordering tot bewaring van de OvJ wordt gehonoreerd is er sprake van preventieve hechtenis c.q. detentie t.g.v. een rechterlijke uitspraak. In principe dient de betrokkene te worden overgeplaatst naar een Huis van Bewaring. Als dit niet mogelijk is (bijv. wegens plaatsgebrek) komen de kosten van verblijf (inclusief de medische kosten) in een politiecel dan ten laste van het Ministerie van Justitie (zie hieronder)

    Naast het feit dat de verantwoordelijkheid voor de (medische) verzorging van gedetineerden bij de Minister van Justitie (Penitentiaire beginselenwet) is neergelegd, is relevant dat gedetineerde verzekerden over het algemeen in de praktijk geen gebruik kunnen maken van de rechten uit de zorgverzekering aangezien zij niet de vrijheid hebben om naar de zorgaanbieders te gaan die onder een zorgverzekering vallen. Om deze reden is de zorgverzekering gedurende de periode van detentie van rechtswege opgeschort.

    Hierdoor draagt de verzekeraar gedurende deze periode ook geen financieel risico ten aanzien van deze verzekerde. De verzekerde zelf of de verzekeringnemer voor hem moet de dag van aanvang van de periode van detentie aan de zorgverzekeraar melden. De zorgverzekeraar weet dan dat de zorgverzekering is opgeschort.

    De verzekerde gedetineerde is tijdens detentie geen premie voor de zorgverzekering verschuldigd. In de Wet op de zorgtoeslag is geregeld dat hij geen recht heeft op zorgtoeslag. Het voordeel van het 'slapend houden' van de zorgverzekering is dat de verzekerde na einde van de detentie geen nieuwe zorgverzekering hoeft te sluiten. Zodra de detentie ten einde is dienen zij deze zorgverzekering weer te activeren. De verzekerde is dan weer premie verschuldigd en heeft afhankelijk van het inkomen weer recht op een zorgtoeslag.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Standpunt Ministerie van Justitie

    Alle kosten (dus ook de medische) die de nationale politie (het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) is per 1 januari 2013 opgeheven) en bijzondere opsporingsinstanties van de nationale politie maken ter uitvoering van de taken op grond van de bijzondere wetgeving, en het Wetboek van Strafvordering, komen ten laste van de regionale politiechef van het betreffende korps of dienst. De politie draagt in beginsel alle kosten van opsporing. De politie draagt ook de kosten van werkzaamheden die zij ingevolge het bij of krachtens wettelijk voorschrift bepaalde behoort te verrichten ter uitvoering van rechterlijke beslissingen.
    De Politiewet 1993 is sinds 1 januari 2013 niet meer van kracht.

    In de bijlage bij de circulaire "Afbakening tussen politie- en justitiekosten 2007 e.v." (zie hieronder) vermeldde het Ministerie van Justitie de categorieën van ingeslotenen waarvoor de kosten (inclusief de medische kosten) bij een verblijf in een politiecel worden vergoed:
    1. verdachten die krachtens een rechterlijk bevel in voorlopige hechtenis zijn gesteld, hierna aangeduid als preventief gehechten;
    2. op grond van de Vreemdelingenwet in bewaring gestelde vreemdelingen;
    3. gedetineerden die na onttrekking aan detentie zijn aangehouden;
    4. veroordeelden met een principale vrijheidsstraf;
    5. veroordeelden met een vervangende hechtenisstraf;
    6. ontvluchte patiënten uit een TBS-kliniek;
    7. (jeugdige) veroordeelden tot een detentiestraf (voorheen tuchtschool- /arreststraf);
    8. ontvluchte strafrechtelijke pupillen, waaronder pupillen met de maatregel Plaatsing in Inrichting voor Jeugdigen PIJ (voorheen Buitengewone Behandeling en Jeugd-TBR);
    9. personen met een gijzelingsmaatregel in het kader van de Wet Administratiefrechtelijke Handhaving Verkeersvoorschriften (WAHV).
    De regeling geldt niet voor kosten bij het gebruik van een cel voor inverzekeringstelling van verdachten of voor verdachten die voor verhoor zijn opgehouden.

    Insluiten van verdachten in het kader van de inverzekeringstelling maakt deel uit van de politietaak, de strafrechtelijke rechtshandhaving. Dit is te kwalificeren als een "eigenlijke" politietaak die de politie derhalve dient uit te voeren.
    Het doorberekenen van kosten kan alleen geschieden indien er sprake zou zijn van een "oneigenlijke" politietaak of een taak waarmee in hoge mate een particulier belang is gediend. Met betrekking tot dit doorberekenen heeft het kabinet aangegeven dat een dergelijke mogelijkheid niet wenselijk is en dat de politie geen "oneigenlijke" taken moet verrichten. Aangezien het insluiten van verdachten geen particulier belang dient maar juist een algemeen strafvorderlijk belang, is het in rekening brengen van de kosten voor de inverzekeringstelling bij Justitie onterecht.

    Ter nadere informatie (en als bronvermelding) plaatsen we de inhoud van de circulaire van 19 december 2006 van het Ministerie van Justitie, die betrekking had op dit onderwerp. De kosten van huisvesting, voeding en medische hulp aan andere gearresteerden dan die waarvoor de regeling geldt, alsmede de kosten voor de eerste vier dagen betreffende in vreemdelingenbewaring gestelde vreemdelingen, komen voor rekening van de politie.

    Tot zover het standpunt van Justitie.

    Het bovenstaande houdt in dat alle medische kosten tijdens het verblijf van een 'ingeslotene' op het politiebureau vanaf de derde c.q (maximaal) vierde dag (bij vreemdelingenbewaring vanaf de vijfde dag) altijd ten laste kunnen/moeten worden gebracht van het Ministerie van Justitie (DJI = Dienst Justitiële Inrichtingen)

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Noodzakelijke medische voorzieningen

    Op 9 december 1988 werd door de Verenigde Naties resolutie 43/173 aangenomen met de titel:
    "Body of Principles for the Protection of All Persons under Any Form of Detention or Imprisonment". Enkele van deze 'principles' zijn van belang voor de verstrekking van medische voorzieningen van ingeslotenen: (accentuering toegevoegd door de FOMAT)

    Principle 24
    A proper medical examination shall be offered to a detained or imprisoned person as promptly as possible after his admission to the place of detention or imprisonment, and thereafter medical care and treatment shall be provided whenever necessary. This care and treatment shall be provided free of charge.

    Principle 25
    A detained or imprisoned person or his counsel shall, subject only to reasonable conditions to ensure security and good order in the place of detention or imprisonment, have the right to request or petition a judicial or other authority for a second medical examination or opinion.

    Principle 26
    The fact that a detained or imprisoned person underwent a medical examination, the name of the physician and the results of such an examination shall be duly recorded. Access to such records shall be ensured. Modalities therefore shall be in accordance with relevant rules of domestic law.

    Ook de Nederlandse wetgeving onderkende (tot nu toe) het belang van het beschikbaar stellen van medische voorzieningen voor ingeslotenen en de noodzaak van een 'onafhankelijke' controle op de naleving van de voorschriften. Volgens artikel 44 van de nu vervallen Politiewet 1993 werden met het oog op de kosten van de politie nog tot 1 januari 2013 hiervoor jaarlijks bijdragen beschikbaar gesteld.

    Op 23 oktober 2012 deelde de Minister van Veiligheid en Justitie het volgende mede:
    "Het advies van de Raad van State om het het bepaalde in artikel 15 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen niet in een ministeriële regeling krachtens artikel 30, tweede lid, van de Politiewet 2012, maar in de Ambtsinstructie op te nemen, is overgenomen. Artikel 26 van de Ambtsinstructie voor de Politie is hierop aangepast"
    (Bron: Aanpassing van de Ambtsinstructie voor de politie)
    • 10 mei 2014: Zorg in de cel
      Voorzitter FMG pleit voor aanpassing van de Ambtsinstructie van de Politie
    • 11 augustus 2014: Antwoorden op Kamervragen hierover
      Politie geeft uitvoering aan waarborgen in artikelen 2 en 3 EVRM
      ".... verkorten van de verblijfsduur op het politiebureau en snellere overplaatsing naar de penitentiaire inrichtingen ...."
      Nieuw aanmeldformulier wordt in najaar van 2014 landelijk uitgerold
    Volgens de geldende Ambtsinstructie treft de korpschef voorzieningen opdat de ingeslotene in ieder geval beschikt over noodzakelijke medische zorg. Ook treft de korpschef in verband hiermee een regeling met artsen in de regio ten einde van hulp verzekerd te zijn voor de medische zorg van ingeslotenen. Volgens een mededeling in het Staatsblad van 12 oktober 2012 is deze bepaling sinds 1 januari 2013 van kracht in een herzien Artikel 26 van de Ambtsinstructie voor de Politie.

    Opmerking van de FOMAT:
    De bovenstaande 'constructie' van het Ministerie van Veiligheid en Justitie biedt, bij het ontbreken van een professioneel statuut voor forensisch (werkzame) artsen, geen enkele garantie voor de borging van het recht op medische bijstand van ingeslotenen. Het is in strijd met algemeen geaccepteerde internationale verdragen. Het is onbegrijpelijk dat dit (nota bene) door de Raad van State niet werd ingezien..... Het is van belang te onderkennen dat Nederland, met uitzondering van het bepaalde in de Wet BOPZ, geen wettelijke bepalingen kent die personen oplegt zich 'onder dwang' of 'naar willekeur' te onderwerpen aan (medische) hulpverlening.

    Het uit de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (Wgbo) (boek 7, titel 7, afdeling 5 van het Burgerlijk Wetboek) afgeleide beginsel van vrije artsenkeuze houdt in dat eenieder kan kiezen door welke arts hij zich laat onderzoeken of behandelen. De Wgbo regelt ook het recht van de betrokkene op informatie, het toestemmingsvereiste voor medisch onderzoek en behandeling, de privacyrechten van de betrokkene en de rechtspositie van minderjarigen en wilsonbekwamen. In alle gevallen waarin het handelen van een arts betrekking heeft op een persoon is de Wgbo van toepassing, in beginsel ook in gevallen waarin er van een behandelingsovereenkomst (nog) geen sprake is.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Medische zorg voor ingeslotenen

    De omvang van de zorgplicht van de politie ten aanzien van ingesloten arrestanten hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer van belang kan zijn wat bekend is of behoort te zijn over de conditie waarin de arrestant bij zijn insluiting verkeert. De ernst van de kwaal of de inschatting van de politieambtenaar over de noodzaak een arts te raadplegen zijn daarbij géén criteria.(Zakboek Hulpofficier, Hoekendijk 2006)

    In Hoofdstuk 6, paragraaf 4 van de Ambtsinstructie voor de Politie zijn nadere aanwijzingen te vinden over de medische bijstand voor ingeslotenen. In artikel 32 wordt bepaald dat in het geval er aanwijzingen zijn dat een ingeslotene medische bijstand behoeft dan wel er bij deze persoon medicijnen zijn aangetroffen, de ambtenaar met de arts overlegt. De ambtenaar overlegt eveneens met de arts indien de ingeslotene zelf om medische bijstand of medicijnen vraagt. In het geval de ingeslotene vraagt om medische bijstand van zijn eigen arts, stelt de ambtenaar die arts daarvan op de hoogte. In het geval de ingeslotene te kennen geeft geen medische hulp te willen hebben, terwijl er aanwijzingen zijn dat medische bijstand gewenst is, waarschuwt de ambtenaar de arts en deelt hij deze de houding van de ingeslotene mee.

    In artikel 33 wordt bepaald dat de ambtenaar aan de arts bij het onderzoek en de behandeling geen beperkingen mag opleggen. Hij volgt de aanwijzingen op die de arts over de zorg voor de gezondheid van de ingeslotene geeft en registreert de door de arts gegeven aanwijzingen.

    In deze twee bepalingen wordt met 'de arts' de dienstdoend adviserend arts bedoeld als omschreven in artikel 1, lid 3 van de Ambtsinstructie.

    Uit de laatste alinea's van de brief van de Staatssecretaris van 12 april 2013:
    " Het rapport vestigt ook aandacht op de spanning tussen werken met protocollen en professionele verantwoordelijkheid. Goed zorgen voor mensen in detentie gaat niet alleen over het juist volgen van protocollen, maar vooral en op de eerste plaats oog hebben voor de menselijke maat. Uiteindelijk vormen de protocollen immers geen doel op zichzelf, maar zijn zij slechts een middel om professioneel, betrokken en verantwoord handelen te ondersteunen, met oog voor de persoon om wie het gaat. Zowel ik als de organisaties die onder mijn verantwoordelijkheid vallen vinden dat dit altijd voorop moet staan. Mensen die aan de zorg van de overheid zijn toevertrouwd, moeten in goede handen zijn. "
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • De 'duale' rol van de dienstdoend adviserend arts.

    Zoals aangegeven treft de korpsbeheerder een regeling met artsen in de regio ten einde van hulp verzekerd te zijn voor de medische zorg van ingeslotenen. Deze adviserende arts heeft bij inschakeling primair de taak om de medische zorg te organiseren. Hij heeft daarbij geen behandelende taak, tenzij het instellen van spoedeisend medisch handelen noodzakelijk is. De arts is primair een adviserend arts die op verzoek en in opdracht handelt van de korpsbeheerder ter borging van het recht op medische bijstand van de ingeslotene. Indien medische problemen worden waargenomen zal deze arts de politie hieromtrent adviseren, bijvoorbeeld over de noodzakelijkheid van een bepaalde behandeling of het geven van speciale zorg. Voor de behandeling van de ingeslotene is een behandelend arts nodig die medische bijstand verleent ten behoeve van de ingeslotene. Hierbij geldt dat de ingeslotene recht heeft op zijn of haar eigen behandelaar, aldus bepaald in artikel 32 van de hierboven reeds vermelde Ambtsinstuctie. Het komt in de praktijk echter niet veel voor dat de eigen behandelend arts van de ingeslotene op het politiebureau komt. De adviserend arts vervult daardoor vaak tevens de rol van behandelaar. Deze tweede taak van de arts is dus (meestal noodgedwongen) een behandelende taak. Deze taak hoort eigenlijk bij een behandelend arts: de huisarts of specialist van de ingeslotene. De arts moet zich terdege bewust zijn van zijn dubbelrol en de daarbij behorende arts-patiënt relatie met de geheimhoudingsplicht. Deze plicht geldt ook ten opzichte van de politie. De arts kan niet in één persoon adviseur zijn van de politie inzake een ingeslotene en tegelijkertijd behandelaar zijn van dezelfde ingeslotene. De arts kan wel een medische behandeling instellen als adviseur in opdracht van de politie maar kan niet een medische behandeling instellen en de volgende dag in opdracht van de politie advies uitbrengen over dezelfde ingeslotene. In zo'n geval dient een andere arts te komen.
    (Bron: Handboek Arrestantenzorg 2002; Elsevier; pg 170 -171)

    Zie ook: Medische kosten die (door arts als medisch adviseur) worden gemaakt ten behoeve van de advisering van politie/justitie worden niet omschreven in het 'basis-pakket' van de zorgverzekering. Deze kosten kunnen ook niet bij de betrokkene in rekening worden gebracht.

    Medische advisering die niet de bescherming van de gezondheid van de betrokkene tot voornaamste doel heeft - en daar is bij de advisering over de 'geschiktheid tot insluiting' door een forenisch (werkzame) arts niet altijd sprake van - is sinds 1 januari 2008 in principe aan de heffing van omzetbelasting (BTW) onderworpen. In deze gevallen dient dan onderscheid gemaakt te worden tussen de 'medische advisering' van de betrokkene en de daarvan losstaande 'juridische advisering' van politie/justitie. De duale rol van de forensisch arts krijgt hiermee een consequentie voor de betaling door politie/justitie.
    Bron: Besluit van 28 februari 2008, nr. CPP2008/78M, Stcrt. nr. 50
    (zie in de bijlage onder kopje 'Niet vrijgestelde diensten')

    Medische kosten die (door arts als behandelend geneeskundige) worden gemaakt ten behoeve van de gezondheidstoestand van betrokkene (en alleen mogelijk met expliciete instemming van betrokkene) kunnen op grond van de hiervoor vermelde resolutie 43/173 van de Verenigde Naties niet aan betrokkene of zijn zorgverzekering in rekening worden gebracht: "This care and treatment shall be provided free of charge."

    Artikel 32, lid 2 van de Ambtinstructie luidt:
    "In het geval de ingeslotene vraagt om medische bijstand van zijn eigen arts, stelt de ambtenaar die arts daarvan op de hoogte."

    Indien dit het geval is dient dit te allen tijde (ook door de adviserend arts!) te worden gerespecteerd volgens de Wgbo (vrijheid van keuze van behandelaar). Medische (be)handelingen kunnen niet zonder toestemming van betrokkene worden uitgevoerd.
    Ook indien er sprake is van detentie op grond van een gerechtelijke uitspraak (na bevel tot bewaring) en de medische kosten ten laste komen van de Minister van Justitie blijft de vrijheid van keuze voor de 'eigen' behandelend arts intact:

    Artikel 42, lid 1 van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) luidt:
    "De gedetineerde heeft recht op verzorging door een aan de inrichting verbonden arts of diens vervanger."

    Artikel 42, lid 2 van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) luidt:
    "De gedetineerde heeft recht op raadpleging, voor eigen rekening, van een arts van zijn keuze. De directeur stelt in overleg met de gekozen arts de plaats en het tijdstip van de raadpleging vast." Medische kosten die (door 'eigen' arts) worden gemaakt komen ten laste van de betrokkene (of zijn zorgverzekering).

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Hulpverleningstaak van de politie

    Volgens Artikel 2 van de oude Politiewet 1993 had de politie tot taak, in ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels, te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.
    Deze hulpverleningstaak wordt sinds 1 januari 2013 op dezelfde wijze omschreven artikel 3 van de Politiewet 2012.

    De hulpverleningstaak van de nationale politie is in algemene termen nog steeds omschreven in hoofdstuk 5 (artikel 24 en 25) van de Ambtsinstructie voor de Politie. Artikel 25, lid 1 stelt dat de ambtenaar er zoveel mogelijk zorg voor draagt dat personen die door drankgebruik, dan wel door andere oorzaken, onmiddellijk gevaarlijk zijn, hetzij voor de openbare orde, veiligheid, of gezondheid, hetzij voor zichzelf, op de meest geschikte wijze van openbare plaatsen, worden verwijderd.

    In artikel 25, lid 2 wordt omschreven dat de ambtenaar deze personen overdraagt aan het eigen zorgkader, voor zover de omstandigheden zulks toelaten. Zij kunnen bij het ontbreken van opvangmogelijkheden elders, bij wijze van hulpverlening, op het politie- of brigadebureau worden ondergebracht, indien dit nodig is voor hun bescherming en dit niet tegen hun wil geschiedt.

    In artikel 25, lid 3, wordt gesteld dat voor personen van wie bekend is dat zij geestelijk gestoord zijn of die geestelijk gestoord lijken, de ambtenaar de arts waarschuwt, nadat zo mogelijk getracht is contact te zoeken met de eigen huisarts.
    Met name voor deze personen wordt vaak de hulp ingeroepen van de arts i.v.m. de vraag of een 'gedwongen' medische behandeling al of niet noodzakelijk is. Vaak door omstandigheden gedwongen (klachten over overlast, vreemd gedrag) worden zij door te hulp geroepen politieambtenaren naar het bureau overgebracht. Op dat moment is er sprake van een 'ingeslotene'. Deze categorie, die vaak wordt aangeduid als 'psychiatrische passanten' zullen we navolgend bespreken.

    Uit artikel 1, lid 3 van de Ambtsinstructie valt af te leiden dat met 'de arts' de dienstdoend adviserend arts wordt bedoeld. Zoals reeds eerder werd vermeld bepaalde artikel 15, lid 3 van Besluit beheer regionale politiekorpsen dat de korpsbeheerder in verband hiermee een regeling moest treffen met artsen in de regio ten einde van hulp verzekerd te zijn voor de medische zorg van ingeslotenen. Volgens een mededeling in het Staatsblad van 12 oktober 2012 wordt deze bepaling per 1 januari 2013 opgenomen in een herzien Artikel 26 van de Ambtsinstructie voor de Politie.
    Voor zover de betrokkene of zijn ziektekostenverzekering voor de kosten van deze (medische) hulpverlening c.q. advisering geen verhaal biedt, komen deze kosten daarmee onvermijdelijk ten laste van de korpschef (of regionale politiechef) van de nationale politie.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • BOPZ-beoordeling psychiatrische passanten

    De problematiek rond de opvang en toegeleiding van deze groep naar adequate zorg speelt al jarenlang. Voor een uitgebreide omschrijving van deze problematiek verwijzen we naar: Hoewel in artikel 25, lid 3, van de Ambtsinstructie voor de Politie wordt gesteld dat voor personen van wie bekend is dat zij geestelijk gestoord zijn of die geestelijk gestoord lijken, de ambtenaar de arts waarschuwt, nadat zo mogelijk getracht is eerst contact te zoeken met de eigen huisarts, blijkt in de praktijk dat voor deze groep het vaak niet eenvoudig is om de hulp van een eigen 'behandelend' arts in te schakelen.

    Voor alle betrokkenen is duidelijk dat onderbrenging als 'ingeslotene' geen adequate reactie kan zijn voor psychiatrische patienten die ontsporen. Met name voor deze categorie 'ingeslotenen' geldt dat het recht op medische bijstand en beoordeling van eminent belang is. Ook als er sprake is van enig strafvorderlijk belang als grond voor een ophouding of zelfs een inverzekeringstelling erkent eenieder dat ook dan medische bijstand dient te prevaleren boven het belang van opsporing en vervolging.

    Daarmee komen de wettelijke bepalingen van de Wet BOPZ (Bijzondere Opnemingen Psychiatrische Ziekenhuizen) in beeld. Voor een algemene omschrijving van de (on)mogelijkheden die deze wet biedt wijzen we op het volgende: Artikel 20, lid 1 van de Wet BOPZ luidt (verkort):
    De burgemeester kan ..... lastgeven dat een persoon die zich in zijn gemeente bevindt, ............, in bewaring wordt gesteld, indien deze persoon twaalf jaar of ouder is en geen blijk geeft van de nodige bereidheid zich in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen .............

    Artikel 20, lid 4 van de Wet BOPZ luidt (verkort):
    Het ten uitvoer leggen van .......... gegeven beschikking draagt de burgemeester op aan een of meer personen met kennis van de zorg voor geestelijk gestoorden. Deze kunnen daartoe elke plaats betreden waar de op te nemen persoon zich bevindt, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Zij kunnen zich doen vergezellen door een of meer ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.

    Artikel 24 van de wet BOPZ luidt:
    Indien binnen 24 uur na het tijdstip waarop de beschikking van de burgemeester is gegeven, door de daarvoor in aanmerking komende psychiatrische ziekenhuizen nog niet tot opneming is overgegaan, kan de burgemeester na overleg met de inspecteur in wiens ambtsgebied zijn gemeente is gelegen, een van de bovenbedoelde ziekenhuizen bevelen de betrokkene op te nemen. Het betrokken ziekenhuis is verplicht de betrokkene op te nemen. Het is belangrijk te onderkennen dat in deze wet een aanwijzingsbevoegdheid voor de uitvoering van maatregelen uitdrukkelijk bij de gemeenten (burgemeester) wordt gelegd en niet bij de politie. De Wet BOPZ maakt geen onderdeel uit van het Wetboek van Strafvordering of de Politiewet. De uitvoering van maatregelen die voortvloeien uit de Wet BOPZ is een taak van de psychiatrische instellingen en de Openbare Geestelijke Gezondheidszorg: de OGGZ.

    De OGGZ is een onderdeel van de gemeentelijke verantwoordelijkheid die wettelijk werd vastgelegd in de Wet collectieve preventie volksgezondheid (Wcpv). De in deze wet genoemde taken zijn uitgewerkt in het basisaanbod OGGZ zoals dat werd omschreven in het 'Convenant tot uitvoering van het beleid inzake OGGZ' (VWS, 1999). Overigens zijn de taken van de gemeenten op het gebied van de OGGZ per 1-1-2007 overgeheveld naar de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo).
    In de bijlage bij dit convenant werd omschreven dat tot de taken, die in het kader van de OGGZ onder regie van de gemeenten worden uitgevoerd als onderdeel van het basisaanbod van de OGGZ, ook het in stand houden van een 7x24 uursdienst voor crisisinterventie en crisisopvang behoort. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor het organiseren van de coördinatie van OGGZ-activiteiten op lokaal niveau. Zij zijn verantwoordelijk voor de regie in de OGGZ. De Rijksoverheid stelt hiervoor bedragen (o.a. Gemeentefonds, AWBZ-middelen) beschikbaar aan de gemeenten.

    De (medische) kosten die worden gemaakt in het kader van een beoordeling of een maatregel als voorzien in de Wet BOPZ al of niet moet worden toegepast komen daarmee geheel voor rekening van het basisaanbod van de OGGZ c.q. de gemeenten en de instellingen voor geestelijke gezondheidszorg (GGZ). Deze kosten kunnen niet ten laste worden gebracht van de politie. Met de overbrenging van de betrokkene naar het politiebureau en de tijdelijke onderbrenging op het politiebureau voldoet de politie aan de haar toekomende taak van hulpverlening als omschreven in artikel 25 van de Ambtsinstructie. Tot die hulpverleningstaak behoort het alarmeren van de hulpverlening; de kosten van de uitvoering van die hulpverlening behoren niet tot het domein van de politie. Ter vergelijking: het alarmeren van een hulpverleningsdienst (ambulance) kan niet inhouden dat degene die de melding doet ook gehouden zou zijn de kosten van de uitvoering van die hulpverlening voor zijn rekening te nemen.

    Indien uit de beoordeling van de ingeschakelde GGZ-medewerkers (dienstdoend adviserend arts en/of crisisdienst van de GGZ) blijkt dat een maatregel in de zin van de Wet BOPZ niet noodzakelijk of mogelijk is moet de betrokkene in vrijheid worden gesteld of worden beschouwd als een 'ingeslotene' die (voor maximaal 6 uur) kan worden opgehouden voor strafvorderlijk onderzoek. Indien alsnog wordt overgegaan tot een inverzekeringstelling komen de kosten van medische behandeling c.q. advisering vanaf dat moment natuurlijk wel ten laste van de politie totdat voorgeleiding bij de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Insluiting bij intoxicaties en 'overlast'

    In vele publicaties wordt betoogd dat een politiecel niet de geëigende plaats is om personen die overmatig alcohol hebben gebruikt hun roes te laten uitslapen. Een politiecel is evenmin geschikt voor de opvang van personen die kennelijk geestelijk vertroebeld zijn (mogelijk door combinatie van middelen en alcohol) en die door hun gedrag een gevaar voor zichzelf en hun omgeving (overlast) kunnen vormen. De huidige praktijk van insluiting ter 'ontnuchtering' in een politiecel (dronkemanscel) dient nader te worden onderzocht.
    (Bron: o.a. Commissie Toezicht Politiecellen 2006)

    In artikel 25, lid 2 van de Ambtsinstructie voor de Politie wordt omschreven dat de ambtenaar deze personen overdraagt aan het eigen zorgkader, voor zover de omstandigheden zulks toelaten. Zij kunnen bij het ontbreken van opvangmogelijkheden elders, bij wijze van hulpverlening, op het politie- of brigadebureau worden ondergebracht, indien dit nodig is voor hun bescherming en dit niet tegen hun wil geschiedt.

    De politie kan personen die vanwege middelengebruik of ziektebeeld gevaarlijk kunnen zijn voor de openbare orde, veiligheid of gezondheid van zichzelf of anderen, niet tegen hun wil vasthouden in de vorm van een ophouding op het politiebureau. Openbare dronkenschap (of de verdenking hiervan) levert niet de grondslag om de betrokkene als een 'verdachte' aan te merken.

    Artikel 453 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) luidt:
    "Hij die zich in kennelijke staat van dronkenschap op de openbare weg bevindt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twaalf dagen of geldboete van de eerste categorie."
    Openbare dronkenschap is een overtreding en geen strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan.

    In de praktijk wordt er soms voor gekozen de betrokkene dan toch maar als verdachte te behandelen, terwijl hij/zij dat feitelijk niet is. Aan deze uit nood geboren handelwijze kleven juridische en ethische bezwaren. Blaauw c.s. wijzen er in 2002 al op dat deze praktijk 'op zijn minst op gespannen voet' staat met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dit verdrag vereist onder meer een wettelijke procedure als grondslag voor vrijheidsontneming. Artikel 25, lid 2 van de Ambtsinstructie sluit overeenkomstig met het Europees Verdrag in dit soort gevallen juist vrijheidsontneming uit door insluiting tegen de wil van betrokkene niet toe te staan.
    (Bron: o.a. Rapport Rijksrecherche 2006)

    Zeer frequent worden echter personen die onder invloed zijn van alcohol, drugs en medicamenten ingesloten in een politiecel. Vanaf dat moment is de betrokkene onder de hoede ('custody') van politie en justitie, die gewoonlijk een beroep zullen doen op een forensisch arts voor de beoordeling van de medische toestand van de betrokkene. De arts dient aan te geven of het verblijf in de cel medisch verantwoord is. In deze situatie fungeert de arts als adviseur van politie/justitie. Dit staat los van de medische arrestantenzorg als behandelend arts zoals bedoeld in de Wgbo. Zoals hierboven reeds aangegeven worden medische zorgverlening en advisering idealiter niet door dezelfde arts verricht, tenzij na verkregen toestemming door betrokkene.
    (Bron: Richtlijn FMG 2007)

    Indien de betrokkene als verdachte wordt aangemerkt en daarmee ter ophouding op het politiebureau als 'ingeslotene' verblijft komen de kosten voor de medische advisering ten laste van de politie. Overigens geldt ook dan dat medische bijstand (hulpverlening) prevaleert en voorang heeft boven het belang van politieonderzoek, opsporing en vervolging.

    De huidige praktijk van insluiting ter ontnuchtering in een politiecel (dronkemanscel) betekent dat er (vanaf het moment van aanhouding) sprake is van een ingeslotene die daarmee onder de zorg van de politie valt. De beoordeling of er sprake is van een 'medisch verantwoorde' insluiting is niet altijd eenvoudig waarbij onder andere het volgende moet worden bedacht:
    • Alcoholvergiftiging kan in principe dodelijk verlopen.
    • De gezondheidstoestand kan bij intoxicaties zeer snel, onvoorspelbaar en dramatisch verslechteren.
    • Hersenbeschadigingen door letsel (niet altijd uitwendig zichtbaar) kunnen op zich tot verschijnselen van 'dronkenschap' leiden.
    • Al of niet bekende suikerziekte kan tot verward, agressief en afwerend gedrag leiden (waarbij de adem ook naar 'alcohol' (aceton) kan ruiken.
    • Overdosis van middelen (al of niet in combinatie met alcohol) kan ook op zich tot verschijnselen van 'dronkenschap' leiden.
    • Een aantal andere aandoeningen (plotseling hartfalen, stoornissen in de hersendoorbloeding) kunnen verwardheid veroorzaken die in eerste instantie op 'dronkenschap' kunnen lijken.
    • Ingeslotenen met intoxicaties hebben een verhoogd risico op zelfbeschadiging en zelfdoding.

      Bron:
      Guidance on The Safer Detention & Handling of Persons in Police Custody - second edition
      ACPO Home Office March 2012
      Herziene versie uit augustus 2014: Detention and custody index
    Ook de wetgever erkent dat er gezondheidsrisico's aanwezig kunnen zijn bij de insluiting. Artikel 34, lid 2 van de Ambtsinstructie voor de Politie luidt:
    "In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, observeert de ambtenaar in de cel en aan de persoon, waarbij hij vooral acht slaat op de mate waarin de ingeslotene wekbaar en aanspreekbaar is. Personen die in een toestand geraken waarin zij niet wekbaar of aanspreekbaar zijn, worden terstond per ambulance naar een ziekenhuis vervoerd."

    Het Forensisch Medisch Genootschap (FMG) heeft de volgende richtlijnen uitgegeven (alleen voor artsen) over de beoordeling van intoxicaties en de advisering over de zorg voor een ingeslotene met een intoxicatie. De richtlijnen werden in 2009 herzien. De praktijk van insluiting in 'dronkemanscellen' heeft tot gevolg dat de politie noodgedwongen de verantwoordelijkheid voor de zorg (ook de medische zorg!) op zich neemt voor personen die in feite in een ziekenhuis of andere instelling thuishoren (bijv. opvang voor dak- en thuislozen, verslavingszorg). Deze situatie vormt zowel voor de ingeslotene als voor het verzorgend personeel een grote belasting. Een politiebureau is niet goed toegerust voor dit soort opvang, en arrestantenbewaarders zijn niet gericht opgeleid voor het verlenen van specialistische zorg.
    Als een betrokkene met een intoxicatie eenmaal naar het politiebureau is overgebracht en van daaruit een alternatief zorgkader wordt gezocht, verstrijkt vaak enige tijd voordat een gespecialiseerde hulpverlener ter plaatse is. Dit probleem speelt vooral in de nachtelijke uren. Symptomen als agressief en overmatig hysterisch gedrag zijn dan vaak niet meer zichtbaar; de ingeslotene is na enkele uren weer gekalmeerd. De diagnose luidt dan vaak dat er geen symptomen (meer) zichtbaar zijn, waarna de betreffende persoon wordt ingesloten (bij verdenking) of in vrijheid wordt gesteld.
    Een ingeslotene wordt weer onttrokken aan de (medische) zorg door de politie wegens invrijheidstelling, na overplaatsing naar een Huis van Bewaring of door opname in een meer passend zorgkader, zoals een ziekenhuis of een psychiatrische instelling.
    (Bron: Rapport Rijksrecherche 2006, pag 31-32)

    Ter illustratie van de geschetste problematiek verwijzen we naar casus 3 in bijlage 3 van het: Door de formulering in artikel 25 van de Ambtsinstructie, waarin wordt gesteld dat een persoon "bij het ontbreken van opvangmogelijkheden elders, bij wijze van hulpverlening" naar het politie- of brigadebureau kan worden ondergebracht, komen kosten die moeten worden gemaakt voor de medische beoordeling noodgedwongen ten laste van de politie. De vraag is of dit de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest.
    In het bovenvermelde Convenant tussen politie en GGZ werd hier (zie pagina 4) ook op gewezen:
    (accentuering toegevoegd door de FOMAT)

    "Met name de eerste opvang van personen die zich niet rechtstreeks bij de GGZ melden, maar in eerste instantie, al dan niet via meldingen van derden bij de politie terechtkomen blijkt in de praktijk regelmatig een probleem te zijn. Gedacht moet worden aan de kwaliteit van de locatie en het tijdsbestek waarbinnen een aan de orde zijnde doorplaatsing naar de GGZ kan worden gerealiseerd. Ook de doorplaatsing naar andere dan GGZ-voorzieningen (verslavingszorg, niet behorende tot een GGZ-circuit, maatschappelijke opvang, geestelijk gehandicaptenzorg, kinder- en jeugdpsychiatrie) stuit her en der op problemen."

    "Voor mensen die een psychiatrische stoornis hebben en die in termen van de BOPZ een gevaar opleveren voor zichzelf en/of anderen, worden de verantwoordelijkheden van de politie respectievelijk de GGZ helder geregeld in de BOPZ.
    Anders ligt het voor mensen die tijdelijk de regie over hun leven kwijt zijn, maar bij wie geen sprake is van ernstige psychiatrische pathologie als oorzaak voor gevaar, op grond waarvan gehandeld kan worden op basis van de BOPZ. Voor zover er in die situaties sprake is van psychische nood draagt de GGZ in ieder geval de verantwoordelijkheid aan te geven welke zorgorganisatie zich het beste leent om betrokkene zonodig te laten opnemen. Ook zal de GGZ, indien plaatsing binnen de GGZ niet noodzakelijk wordt bevonden degene die in de betreffende regio in dat geval verantwoordelijk is voor plaatsing ondersteunen bij het realiseren van een plaatsing elders. Deze verantwoordelijkheid vloeit o.a. voort uit het samenwerkingsconvenant dat in 1999 is gesloten tussen de vertegenwoordigers van de belangrijkste ‘OGGZ-partijen’."

    Indien de betrokkene niet als verdachte kan worden aangemerkt en dientengevolge niet als 'ingeslotene' op het politiebureau verblijft kunnen de kosten voor de medische advisering niet ten laste van de politie worden gebracht.

    Hiervoor geldt hetzelfde zoals hierboven beschreven bij de BOPZ-beoordeling:
    Het verblijf op het politiebureau dient op dat moment uitsluitend de facilitering van de in te schakelen hulpverleningsinstantie (maatschappelijke opvang, verslavingszorg). Tot de hulpverleningstaak van de politie behoort het alarmeren van de hulpverlening; de kosten van de uitvoering van die hulpverlening behoren niet tot het domein van de politie. Het politiebureau kan niet aangemerkt worden als een inrichting voor maatschappelijke opvang of als een instelling voor verslavingszorg.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • De tarieven

    Allereerst moet het volgende worden bedacht:
    Tot eind december van het jaar 2012 gold de de volgende regeling:
    Volgens artikel 15, lid 1 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen uit 1994 trof de Burgemeester als de korpsbeheerder voorzieningen opdat de ingeslotene in ieder geval beschikt over noodzakelijke medische zorg. Volgens artikel 15, lid 3 van hetzelfde besluit trof de korpsbeheerder in verband hiermee een regeling met artsen in de regio ten einde van hulp verzekerd te zijn voor de medische zorg van ingeslotenen.
    Op 12 oktober 2012 verscheen een mededeling in het Staatsblad en werd bepaald dat deze bepaling per 1 januari 2013 is opgenomen in een herzien Artikel 26 van de Ambtsinstructie voor de Politie.

    Veel forensisch (werkzame) artsen bleken zich voordien niet te realiseren dat de vergoedingen voor deze advisering een belangrijke inkomstenbron vormde voor de regionale gezondheidsdiensten die gefinancierd worden door de gemeenten in de regio. De tarieven voor de politie werden meestal voorzien van forse 'overhead' kosten en in veel gevallen verhoogd met de (wettelijk verplichte) BTW.
    De burgemeester, tot 1 januari 2013 (nog) enerzijds korpsbeheerder van de politie en anderzijds voorzitter van de gemeenteraad, had hierbij dus feitelijk voortdurend een 'dubbele gemeente- en politiepet' op.
    De meerderheid van de arrestantenverzorgers en politieamtenaren was uitstekend op de hoogte van deze onwenselijke 'constructie'.
    De rol van de Burgemeester als 'korpsbeheerder' van de Politie is sinds 1 januari 2013 definitief verdwenen door de invoering van de Politiewet 2012.

    Op 1 oktober 2006 is het College tarieven gezondheidszorg (CTG) samen met het College toezicht zorgverzekeringen (CTZ) opgegaan in de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), de "marktmeester" in de gezondheidszorg. De NZa stelt voor diverse beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg de tarieven vast. Deze vastgestelde tarieven zijn maximumtarieven. Bij maximumtarieven mag de zorgaanbieder (arts) niet méér in rekening brengen dan de door de NZa vastgestelde tarieven, wél minder. Elke beroepsbeoefenaar kan met de (plaatselijke) opdrachtgevers (meestal zorgverkeraars) een lager tarief afspreken dan het maximumtarief. Voor sommige verrichtingen (voor een deel ook huisartsenhulp) gelden vrije tarieven.
    Voor huisartsendienstenstructuren gelden vaste tarieven. Wanneer sprake is van vaste tarieven, mag niet meer en niet minder gedeclarereerd worden dan dit vaste tarief. Uiteraard mogen alleen prestaties of verrichtingen die daadwerkelijk zijn uitgevoerd worden gedeclareerd.

    De dienstverlening (advisering) door een forensisch (werkzame) arts op verzoek c.q. in opdracht van politie/justitie is niet hetzelfde als zorgverlening door een huisarts. Indien niet een forensisch arts wordt geraadpleegd maar een huisarts (al of niet de eigen huisarts van betrokkene) geldt voor deze huisarts dezelfde 'duale' rol die ook geldt voor de forensisch arts.

    Indien er sprake is van een 'ingeslotene' komen de kosten van medische advisering én behandeling altijd ten laste van de politie c.q. sinds 1 januari 2013 de regionale politiechef. Medische beoordeling en behandeling van ingeslotenen maakt op grond en als gevolg van vigerende wetgeving géén deel uit van het 'basis-pakket' van de zorgverzekering.

    Tevens is het volgende van belang:
    Indien de betrokkene niet als 'ingeslotene' kan worden aangemerkt behoren de kosten van medische advisering en/of behandeling geen deel uit te maken van de kosten die door politie/justitie dienen te worden gedragen.

    Op 16 april 2007 had de FOMAT bij de NZa al eens de vraag neergelegd of tarieven voor de dienstverlening op het terrein van de arrestantenzoerg zijn bepaald. De NZa antwoordde op 9 mei 2007 als volgt:

    "De NZa stelt geen aparte tarieven voor forensische zorg vast. Bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) is inmiddels een discussie gaande met de vraag of forensische zorg die door een huisarts wordt geleverd als huisartsenzorg gezien kan worden. De uitkomst van deze discussie is op dit moment nog niet helder.
    Met andere woorden: de NZa kan u nog geen duidelijk antwoord geven; er zijn in ieder geval dus nog geen aparte tarieven voor."

    Samenvattend moet worden geconcludeerd in de arrestantenzorg géén vastgestelde tarieven bestaan voor de dienstverlening door een forensisch (werkzame) arts of andere (huis)arts. Het is de taak van de regionale politiechef (sinds 1 januari 2013 gemandateerd door de nationale korpschef) en het Ministerie van Justitie om over deze tarieven afspraken te maken met artsen in de regio.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Tot slot...

    De informatie op deze webpagina wordt voortdurend aangepast en aangevuld naar aanleiding van opmerkingen, correcties, suggesties voor verbetering, etc.
    Als u ook een bijdrage wilt leveren of wat mist: laat het ons dan weten via:


    forum@fomat.nl.

    Terug naar begin van deze pagina