Achtergrondinformatie
In de praktijk komen regelmatig vragen naar voren over wie in bepaalde situaties de kosten moet dragen voor de werkzaamheden van de forensisch (werkzame) arts als gemeentelijk lijkschouwer. We plaatsen (met bronvermeldingen) de navolgende achtergrondinformatie en kanttekeningen over dit onderwerp. We zullen deze informatie de komende tijd uitbreiden.

Kostentoerekening voor de lijkschouw

Overzicht inhoud:


Inleiding

Lijkschouwing door de behandelend arts vindt niet plaats om de dood vast te stellen - daartoe is een ieder bevoegd - maar om de aard van het overlijden vast te stellen en, indien er sprake is van een natuurlijk overlijden, een verklaring van overlijden (A-verklaring) op te stellen. Deze verklaring van overlijden is noodzakelijk om daarmee een verlof tot begraving of verbranding te verkrijgen van de ambtenaar van de burgerlijke stand die een akte van overlijden opstelt.

Als iemand na een val op een latere datum overlijdt, is er mogelijk sprake van een niet-natuurlijke dood en moet de gemeentelijk lijkschouwer worden ingeschakeld. Ook als de patiënt toch al niet lang meer te leven had. Niet iedereen vindt dat vanzelfsprekend en er blijken hierover nogal eens misverstanden en onbegrip te bestaan, zowel bij artsen als bij nabestaanden: De Wet op de lijkbezorging (Wlb) geeft geen definitie van lijkschouw. In de praktijk komt het neer op een uitwendige lijkschouw. Nederland kent tot op heden geen enkel wettelijk voorschrift om de doodsoorzaak door een sectie (obductie) vast te stellen. Enige bemoeienis van Politie of Justitie met deze gang van zaken is niet noodzakelijk. In de meeste situaties van overlijden (meer dan 90%) zal de behandelend arts 'vaststellen' dat het overlijden een natuurlijke dood betreft. In deze gevallen blijft de gemeentelijk lijkschouwer buiten beeld. Het bezoek van de behandelend arts aan de overledene behoort tot de reguliere zorg binnen de arts-patiënt-relatie. Vanaf 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer. De postmortale zorg is onlosmakelijk verbonden is met de zorg bij leven van de patiënt. Tegenover de wettelijke verplichting (artikel 7, lid 1 van de Wlb.) tot het opmaken en afgeven van een verklaring van overlijden door de behandelend arts (of diens waarnemer) hoort geen separate geldelijke beloning te staan zoals dit werd onderbouwd en verwoord in de: Met de invoering van de Zorgverzekeringswet per 1 januari 2006 verdween het abonnementssysteem voor ziekenfondsverzekerden en het verrichtingensysteem voor particulier verzekerden en werd vervangen door een gemengd tariefsysteem (inschrijvingstarief, consulten en drie modules) voor alle verzekerden. Er is een consulttarief en een visitetarief tot 20 minuten én een consulttarief en een visitetarief langer dan 20 minuten dat door de behandelend (huis)arts voor de bij hem/haar op naam ingeschreven patient bij de ziektekostenverzekeraar in rekening kan worden gebracht. Het vaststellen van het overlijden is op te vatten als een medische handeling t.a.v. de ingeschreven verzekerde en derhalve kan door de behandelend arts (of diens waarnemer) vrijwel altijd een visitetarief in rekening worden gebracht (het vaststellen van de dood en het uitvoeren van een lijkschouw tijdens een consult in de spreekkamer is een uitermate onwaarschijnlijke gang van zaken).
In het kader van de visite kan na het vaststellen van daadwerkelijk overlijden de wettelijk voorgeschreven lijkschouwing worden verricht en daarna het A-formulier en het B-formulier (in gesloten envelop) aan de nabestaanden worden uitgereikt. Die kunnen zich, evt. via een uitvaartondernemer, met deze formulieren vervoegen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente van overlijden.

Indien de behandelend arts van de overledene om wat voor reden dan ook (dus ook bij twijfel!) meent niet tot afgifte van een verklaring van natuurlijk overlijden te kunnen overgaan dient onverwijld de gemeentelijk lijkschouwer in kennis te worden gesteld. Aldus is bepaald in artikel 7, lid 3, van de Wet op de lijkbezorging. De lijkschouwing, nu wel met berekening van BTW, dient dan dus plaats te vinden door een andere arts en niet door de behandelend arts.

"Het schrijven van een verwijsbrief wordt door de ziektekostenverzekeraar opgevat als een onderdeel van een consult of een visite. Een ongevraagde visite na een sterfgeval kan door de behandelend arts niet op naam van de overleden verzekerde gedeclareerd worden, tenzij de situatie een dergelijke visite medisch gezien noodzakelijk maakt."
(Zie: Declareerwijzer LHV) Hoewel het eerste formulier in de praktijk zelden wordt gebruikt (telefonische melding voldoet ook aan het wettelijk voorschrift) heeft de wetgever het tweede formulier (als een soort verwijsbrief) wettelijk voorgeschreven dat bij euthanasie (of hulp bij zelfdoding) dient te worden gebruikt.

Door de vergoeding middels een visitetarief aan de behandelend arts wordt de lijkschouwing door de behandelend arts sinds 1 januari 2006 in feite vergoed door de ziektekostenverzekeraar.

Indien bij een overlijdensgeval geen behandelend arts beschikbaar is of niet bekend is wie de behandelend arts is dient de gemeentelijk lijkschouwer te worden ingeschakeld. In de praktijk betekent dit dat alle gevallen waarbij er sprake is van een niet-natuurlijke dood (of twijfel hieraan) de gemeentelijk lijkschouwer in actie dient te komen.

In het geval dat ook de gemeentelijk lijkschouwer ook niet tot de overtuiging komt van een natuurlijk overlijden (en bij twijfel) wordt een zgn. artikel 10 verklaring opgesteld met kennisgeving aan de Officier van Justitie en waarschuwing van de ambtenaar van de burgerlijke stand.

Volgens de Wet op de lijkbezorging (artikel 4) benoemen Burgemeester en Wethouders de gemeentelijke lijkschouwer(s) en verschaffen gelegenheid tot het doen schouwen van lijken. De Wet op de lijkbezorging (artikel 5) schrijft voor dat vanaf 1 januari 2010 uitsluitend artsen, die als forensisch arts zijn ingeschreven in een daartoe gehouden register, worden benoemd als gemeentelijke lijkschouwer. Een gemeentelijke lijkschouwer die niet is ingeschreven in dit register kan tot drie jaar na 1 januari 2010 oftewel t/m 31 december 2012 als zodanig benoemd blijven.

Het is belangrijk te onderkennen dat de taak van Burgemeester en Wethouders, om voorzieningen te treffen in verband met de lijkschouw, in oorsprong niet in de wet werd opgenomen om daarmee de opsporingstaken van politie en justitie te ondersteunen. De wetgever beoogde met deze bepalingen uitsluitend de lijkbezorging uniform te regelen en te waarborgen dat een betrouwbare vastlegging van doodsoorzaken tot stand kwam.

Sinds 1 januari 2010 is in de wet een strafbepaling opgenomen voor artsen die niet voldoen aan de verplichting om bij overlijden en doodgeboorte de doodsoorzaak bij het CBS te melden.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Historisch perspectief

    Onder Franse invloed en wetgeving is vanaf 1795 in Nederland geleidelijk een uniforme, landelijke registratie van huwelijken, geboorte en sterfte tot stand gekomen. De burgerlijke stand als systeem van registratie werd daarbij in alle gemeenten in het gehele land ingevoerd. Groeiende politiek-maatschappelijke en medisch-hygiënische belangstelling voor de (vaak erbarmelijke) gezondheids- toestand van de bevolking en de behoefte daar iets aan te doen, leidde in verschillende West-Europese landen, waaronder Nederland, rond het midden van de 19e eeuw tot het opzetten van een systematische registratie van de sterfte naar doodsoorzaken en bewerking tot een statistisch overzicht.
    Een belangrijke mijlpaal in de ontwikkeling van de sterftestatistiek is de verplichte invoering in 1811, krachtens Keizerlijk decreet (Code Napoléon), van registers van de burgerlijke stand voor alle gemeenten op dezelfde wijze.
    Na de Franse bezetting en de terugkeer tot de nationale onafhankelijkheid in 1813 bleef het centrale gezag gehandhaafd. Ook het systeem van de burgerlijke stand en de verplichte vorm van registreren bleef sindsdien gewoon bestaan. In 1838 werd de Code Napoléon vervangen door het Burgerlijk Wetboek, met daarin richtlijnen voor het registreren van sterfte die vrijwel overeen kwamen met die van de Code Napoléon. Iedere gemeente was verplicht een sterfteregister bij te houden. Alleen personen die directe kennis hadden van het overlijden mochten aangifte doen. Daarbij werd door de ambtenaar van de burgerlijke stand naam, leeftijd, beroep, woongemeente en dag en tijd van overlijden vastgelegd.

    Sinds de inwerkingtreding op 1 november 1865 (Stb 64) van de Wet op de uitoefening van de geneeskunst (Stb 60) zijn geneeskundigen volgens artikel 5 verplicht tot het opmaken van een geneeskundige verklaring van het feit van overlijden en tot een zo nauwkeurig mogelijk opgave van de doodsoorzaak. De bedoeling hiervan was, aldus de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp van 1861-1862, het gevaar van het begraven van schijndoden te voorkomen. Een tweede grond was, volgens de Memorie van Toelichting, 'de behoefte aan een goed ingerichte sterftestatistiek, waarin de opgaven van de vermoedelijke oorzaken van de dood niet ontbreken' (Handelingen, 1861-1862). En dat kon alleen als alle artsen hun medewerking aan de sterftestatistiek zouden verlenen, want zonder zo'n wettelijke verplichting zouden 'de opgaven onvolledig moeten blijven en daardoor haar nut geheel of grotendeels missen'. Alleen de behandelend arts die de overledene tijdens zijn laatste ziekte had behandeld, mocht de overlijdens- en doodsoorzaakverklaring opmaken. Voor die gevallen waarin een verklaring van de behandelend arts ontbrak, bijvoorbeeld omdat de overledene geen behandelend arts had, diende een door Burgemeester en Wethouder aan te wijzen arts de lijkschouwing te doen en de overlijdensverklaring af te geven. Bij een vermoeden van een misdrijf moest de officier van Justitie ingelicht worden en werd door de gerechtelijke lijkschouwer, eveneens een arts, de overlijdensverklaring opgesteld. Volgens de Wet op de uitoefening van de geneeskunst van 1865 moesten de geneeskundigen daarbij naar hun overtuiging, maar met inachtneming van hun eed/belofte van geheimhouding, zo nauwkeurig mogelijk opgave doen van de doodsoorzaak. De overlijdensverklaring, met opgave van de doodsoorzaak (*), moest aan de ambtenaar van de burgerlijke stand worden overlegd, met het oog op het verkrijgen van schriftelijk verlof tot begraven. Zonder zo'n door een arts opgestelde verklaring mocht formeel geen schriftelijk verlof tot begraven worden gegeven.

    Bron: Sonsbeek, JLA, Maarseveen, JGSJ van.
    Van de schaduw des doods tot een licht ten leven
    De historie van de methodiek van de doodsoorzakenstatistiek in Nederland 1865-2005
    CBS, Voorburg/Heerlen, 2005.
    (accenturering toegevoegd door de FOMAT)

    (*)
    In de jaren na de Tweede Wereldoorlog leidde de directe opgave van de doodsoorzaak bij of via de gemeenteambtenaar tot problemen in de 'juistheid' van deze opgave en tot een verandering in de wet: Met de wetswijziging werd in Nederland voor het eerst het begrip 'natuurlijke dood', en wat daaronder verstaan en begrepen diende te worden, nader omschreven.
    (zie hierna)

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Het begrip 'natuurlijke dood'

    In 1949 werd door de regering een speciale commissie benoemd die zich, naast het regelen van de mogelijkheid tot crematie (hetgeen toen nog niet mogelijk was), en het medisch beroepsgeheim ook uitsprak over afgifte van de verklaring van overlijden. Deze commissie werd bekend onder de naam van haar Voorzitter L. F. C. van Erp Taalman Kip, voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst. In de Memorie van Toelichting bij de voorgestelde wetswijziging van de oude Begraafwet (die ook wel Begrafeniswet werd genoemd) uit 1869 werden de voorstellen van de commissie bechreven:
    Let op. De volgende tekst is inmiddels zestig jaar oud (!)
    (accenturing toegevoegd door de FOMAT)

    "Ten aanzien van het probleem der verklaringen van overlijden meent deze commissie de aanvaarding van een nieuw systeem te kunnen aanbevelen. Volgens dit stelsel mag de behandelende arts een verklaring van overlijden slechts afgeven ingeval van een natuurlijke doodsoorzaak. Bij niet-natuurlijke doodsoorzaak onthoudt hij zich van het afgeven van enige verklaring. In de gevallen, waarin hij tot verklaring bevoegd is, kan hij dus steeds naar waarheid verklaren, dat de doodsoorzaak een natuurlijke is. Hiermede kan ook uit een oogpunt van beroepsgeheim nimmer iets miszegd zijn. Slechts maakt het stelsel in zoverre enige inbreuk op dat geheim, dat uit het niet afgeven van een verklaring van overlijden door een behandelende arts t.a.v. een zijner patiënten wellicht gevolgtrekkingen gemaakt zullen worden. De Commissie meent, dat deze inbreuk op het beroepsgeheim der geneeskundigen gerechtvaardigd wordt door andere algemene belangen, met name het belang van de opsporing van strafbare feiten. Ook het medische beroepsgeheim is immers in het belang van aller welzijn erkend; het kan dus onder omstandigheden tegen andere publieke belangen worden afgewogen en de commissie meent, dat in dit licht gezien haar stelsel niet aan de waarde van dit geheim te kort doet. Tegenover deze beperking van het medische beroepsgeheim staat trouwens aan de andere kant een versterking daarvan. Het is nl. niet nodig dat de geneeskundige de doodsoorzaak nader omschrijft; hij behoeft slechts te verklaren, dat die oorzaak een natuurlijke is. In gevallen waarin onder de huidige wet niet de gewelddadige, doch b.v. de venerische aard van de doodsoorzaak een medicus noopt tot het afgeven van een onjuiste of enigszins spitsvondig ingeklede verklaring, zal hij voortaan een regelmatige verklaring kunnen afgeven zonder met zijn beroepsgeheim ook maar enigszins in conflict te komen. De ondergetekenden nemen de voorstellen van de Commissie-van Erp Taalman Kip, die door de Commissie-Kan in haar ontwerp zijn ingepast, gaarne over. Zij zijn zich bewust, dat het begrip "natuurlijke doodsoorzaak" niet met volkomen scherpte te omschrijven is. Als niet-natuurlijk zal niet alleen worden beschouwd elk overlijden door opzet of door schuld van derden, doch ook zelfmoord, al mocht die het natuurlijke gevolg ener zielsziekte zijn, alsmede het sterven tengevolge van een ongeval of uiterlijk geweld, ook wanneer dit niet door menselijke schuld is veroorzaakt. De ondergetekenden menen, dat aldus het spraakgebruik is en dat dit aan de praktijk voldoende richtsnoer zal verschaffen voor het interpreteren van het begrip "natuurlijke doodsoorzaak". Het door de Commissie-van Erp Taalman Kip aanbevolen systeem van lijkschouwing houdt voorts in, dat in alle gevallen, waarin een verklaring van overlijden door de behandelende geneeskundige niet is afgegeven, hetzij wijl deze zich daarvan onthouden heeft, hetzij omdat er geen behandelende geneeskundige was, de doodschouw verricht wordt door een van gemeentewege tot lijkschouwer aangestelde arts, die bevoegd is om, wanneer hij overtuigd is van de natuurlijkheid der doodsoorzaak, de verklaring van overlijden alsnog af te geven. In het tegengestelde geval kan het lijk niet worden begraven of verbrand zonder toestemming der justitie. Deze kan uiteraard steeds, in het kader van een gerechtelijk onderzoek, een lijkschouwing, zo nodig lijkopening, doen verrichten door een meer gespecialiseerde, z.g. gerechtelijke, geneeskundige. Reeds volgens het thans geldende artikel 4 der begrafeniswet mag de ambtenaar van de burgerlijke stand, zolang hem geen verklaring van overlijden is overgelegd, geen verlof tot begraving verlenen."
    Bron: Handelingen der Staten-Generaal. Bijlagen 1951-1952. Nummer 2410(3).
    (te raadplegen via Archief Kamerstukken 1814-1995)

    Tevens werd voorgesteld om de naam van de oude wet te wijzigen en voortaan te gaan spreken van de Wet op de Lijkbezorging. Het oude begrip 'doodschouw' werd vervangen door 'lijkschouw'.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Bezwaren bij crematie.......

    Dat door middel van verbranding van het stoffelijk overschot alle sporen van een 'gewelddadige dood' vrij definitief zouden worden gewist, leidde tot discussie. Men kwam tot de slotsom dat dit voorkomen zou worden door in de wet op te nemen dat - voordat tot verbranding bij natuurlijke dood zou mogen worden overgegaan - ter 'controle', de gemeentelijk lijkschouwer een verklaring van geen bezwaar zou moeten afgeven.
    De Wet op de Lijkbezorging (destijds nog met Hoofdletter…..) trad pas in werking op 1 april 1956. Het onderwerp van de "natuurlijke dood" kwam aan de orde in een (kort) oplaaiende discussie:
    (accenturing toegevoegd door de FOMAT)

    "Geheel voorbijgezien lijkt mij de moeilijkheid voor een lijkschouwer, uit te maken of iemand een "natuurlijke dood" gestorven is. Afgezien toch van tekenen van uitwendig geweld als verwondingen, strepen, op worging wijzend, aan de hals, is dit, zonder de omstandigheden waaronder de dood intrad te kennen, niet mogelijk. Vergiftigingen verraden zich meestal niet naar buiten, en zelfs dood door verdrinking is niet altijd zonder meer vast te stellen. Hierbij komt nog, dat als regel wel de huisarts direct na het overlijden geroepen wordt, doch dat de lijkschouwer eerst wordt gewaarschuwd, als het besluit tot crematie genomen is, dus uren, of soms een dag later, als de overledene is afgelegd en opgebaard, soms zelfs gekist. Dat onder die omstandigheden een algemene inspectie van het lijk moeilijkheden oplevert, behoeft geen betoog. En toch is die onder de gegeven omstandigheden nodig.
    Een andere hindernis, die zowel behandelend arts als lijkschouwer sedert 1 april 1956 op hun pad ontmoeten, vormen de woorden "natuurlijke dood" op de formulieren. Hier heeft de wetgever verzuimd, het begrip "natuurlijke dood" te omlijnen. Is het overlijden van een reeds in minder goede conditie verkerende patiënt na een langdurige operatie onder narcose een natuurlijke dood? Of suïcide bij een depressieve patiënt? Is het overlijden van een reeds zieke, mede aan de gevolgen van een daarbij geacquireerde collumfractuur tengevolge van een ongeval, natuurlijk?
    Ziehier enige vragen, waarop de wetgever geen antwoord geeft. En deze kunnen met nog een groot aantal vermeerderd worden en discussie is daarover zeer zeker mogelijk. De beantwoording ervan wordt overgelaten aan bet individueel inzicht van behandelend arts èn lijkschouwer. En wie beslist, wanneer deze beide het oneens zijn?"

    Bron: Keers-Röhner, J.A.M. De wet op de lijkbezorging.
               Tijdschrift voor Sociale Geneeskunde, 7 december 1956, pag. 775-6

    Dat een patiënt kon bezwijken aan een medische (be)handeling of operatie, en dat dit dan een 'niet-natuurlijke dood' zou opleveren, was in 1956 voor veel medici (nog) een 'onmogelijke gedachtegang'. De auteur, destijds Directeur van de G.G. en G.D. te Zeist, werd onmiddellijk 'teruggefloten':
    (accenturingen toegevoegd door de FOMAT)

    "Opmerking van Redactie T.v.S.G.:
    De kwestie van "natuurlijke dood" als tegenhanger van "gewelddadige dood" is evenmin nieuw doch zo oud als de Geneeskundige Wetten van 1865. Het is steeds een wijs beleid van de wetgever geweest geen categorische (maar altijd toch limitatieve) opsomming te geven, van wat onder het een dan wel onder ander wordt verstaan. Discussie over allerlei casusposities blijft bestaan, maar in de geest der Nederlandse wetgeving is het wel heel duidelijk, dat alles wat niet luce clarius een natuurlijke dood genoemd kan worden, gerekend moet worden een gevolg te zijn van een niet-natuurlijke dood (m.a.w. elke vorm van ongeval en zelfmoord).
    Nu, na zorgvuldig overleg met de Kon. Ned. Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst en in commissoriale bestudering samen met de artsen, de Wet op de Lijkbezorging een formulering heeft gegeven voor de overlijdensverklaringen en voor de te volgen procedure, mag toch op loyale medewerking worden gerekend. Het is coll. K e e r s blijkbaar ontgaan, dat er zo'n uitgebreid overleg met de artsenwereld heeft plaats gehad, alvorens de moeilijke wet ter vervanging van de oude Begraafwet in behandeling en tot stand kwam."

    Door deze, niets aan duidelijkheid overlatende opmerkingen van de Redactie, werd de discussie over de medische exceptie, als voorbeeld van 'niet-natuurlijke dood', met kracht de kop ingedrukt. De Voorzitter van de KNMG was destijds ook de Voorzitter van de Commissie die zich in 1949 uitgebreid over de wetswijziging had gebogen...

    De tweede lijkschouwing voor de 'kistsluiting', als een taak van de gemeentelijk lijkschouwer, bleef nog lange tijd voorgeschreven totdat het cremeren - uiteindelijk pas in 1995 - ook in de wet helemaal gelijk werd gesteld aan begraven. De oudere collega's kunnen zich dit zeker nog herinneren.

    "De veronderstelling dat gemeentelijk lijkschouwers verborgen gevallen, zo die er in een onaanvaardbaar aantal zouden zijn, wel zouden kunnen herkennen, is in Rotterdam niet juist gebleken met 8-10 dienstdoende lijkschouwers en ongeveer 500 meldingen per jaar gedurende 35 jaar. De verplichte lijkschouwing door gemeentelijk lijkschouwers in alle gevallen waarin crematie zou gaan plaatsvinden, liep eind jaren tachtig op naar zo'n 4500 per jaar in Rotterdam. De enige ontdekkingen waren de collumfracturen, bijna wekelijks, maar die waren nooit moedwillig veroorzaakt en dus justitieel van geen betekenis. Een enkele oude niet-natuurlijke basisoorzaak en een zelfdoding in al die jaren waren van geen betekenis voor justitie. De controle in die jaren van zo'n 40-50.000 crematiegevallen per jaar in Nederland heeft bij mijn weten in justitieel opzicht (en daar gaat het om) evenmin iets opgeleverd en is daarom afgeschaft."
    Bron: H.T.P. Cremers, Ned Tijdschr Geneeskd. 2001;145:2400-2

    Bij een niet-natuurlijk overlijden (na ontvangst van de zgn. artikel 10 verklaring en de daaraan gekoppelde 'waarschuwing' van de ambtenaar van de Burgerlijke Stand) vermeldt de Officier van Justitie (ook nu nog) of er bezwaren bestaan tegen begraving of verbranding; we spreken in het vakgebied nog steeds over de 'vrijgave' van het stoffelijk overschot. Met de wetswijziging van 1 januari 2010 werd de term verbranding in de wet vervangen door crematie en op 1 januari 2013 gebeurde dat ook in het Besluit op de lijkbezorging. Wat een lijkschouw inhoudt of zou moeten inhouden werd niet nader omschreven. Een duidelijk onderscheid tussen de 'aard van het overlijden' en de doodsoorzaak werd door de wetgever in Nederland nooit gemaakt.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • De Inspectie in 1979

    De vraag in hoeverre de verschillende medische handelingen rond het levenseinde leiden tot een natuurlijke of een niet-natuurlijke dood, kwam in 1979 weer aan de orde. Op het bureau van de Geneeskundige Hoofdinspectie van de Volksgezondheid kwamen zoveel vragen binnen over de manier waarop moest worden omgegaan met de zogenaamde doodsbriefjes, dat de Inspectie besloot de richtlijnen en voorschriften ten aanzien van de Wet op de Lijkbezorging nog eens op papier te zetten. De inspectie achtte opheldering van dusdanig belang, dat de richtlijnen werden opgestuurd aan alle artsen en alle medische instellingen in Nederland: Een natuurlijke dood werd door de Inspectie omschreven als "ieder overlijden dat het gevolg is van spontane ziekte of ouderdom". Een niet-natuurlijke dood kreeg een definitie die slechts marginaal verschilde van de definitie uit de Memorie van Toelichting bij de wet uit 1955:

    " ieder overlijden door schuld of opzet van derden, zelfdoding ook als deze het natuurlijk gevolg is van zielsziekte, het sterven ten gevolge van ongeval of geweld, zowel chemisch als fysisch, ook wanneer dit niet door menselijk toedoen is veroorzaakt ".

    In álle gevallen waar twijfel zou bestaan aan 'het natuurlijke' van de dood, diende de arts zich te onthouden van het afgeven van een overlijdensverklaring. Om de arts te ondersteunen bij de beslissing nam de Inspectie een stroomschema op met vragen aan de hand waarvan de arts zijn besluit zou moeten nemen. Ook werd een aantal voorbeelden opgenomen van gevallen die als niet-natuurlijk moesten worden beschouwd.
    Om alle twijfel weg te nemen werd benadrukt, ten aanzien van medisch handelen dat de dood kan hebben veroorzaakt, dat een overlijden dat het gevolg is van "fouten in de beroepsuitoefening" als niet-natuurlijk geldt. De Inspectie maakte echter duidelijk dat:

    " complicaties van medisch juist geïndiceerde, juist gedoseerde en technisch juist uitgevoerde handelingen kunnen geacht worden te behoren tot het verloop der ziekte waarvoor werd behandeld. Overlijdt de patiënt tengevolge van een dergelijke complicatie dan is de dood als natuurlijk te beschouwen ".

    Bron: Dissertatie RUG uit 2005; pag. 65

    Nota bene:
    De Inspectie sprak bij 'complicaties van medisch (be)handelen' dus niet van een 'niet-natuurlijk' overlijden, maar gaf aan dat in dat geval een (A)-verklaring van overlijden door de behandelend arts afgegeven mocht worden. En voegde hier, met een accentuering over de twijfelgevallen, aan toe:

    " Bij het beoordelen van deze situaties dient de behandelend geneeskundige zich te realiseren. dat er een zware wissel getrokken wordt op zijn medisch-ethische normstelling. Vorengenoemde voorbeelden zijn uiteraard niet uitputtend. Er zullen zich in de praktijk gevallen voordoen waarbij de zekerheid ontbreekt omtrent de juiste doodsoorzaak. Van belang voor de behandelend arts is dat hij zich in twijfelgevallen onthoudt van het afgeven van de verklaring van overlijden en de zaak in handen stelt van de gemeentelijke lijkschouwer. Alle sterfgevallen waarover twijfel bestaat zijn als niet-natuurlljk aan te merken. ".

    Hoe en op welke wijze de 'behandelend arts' dit helemaal zelf kon of mocht bepalen en beoordelen, werd door de Inspectie in het midden gelaten.....
    Deze curieuze uitleg van de Inspectie leidde tot de opvatting bij veel artsen, en zelfs bij veel forensisch (werkzame) artsen, dat min of meer elk medisch (be)handelen zou leiden tot een 'natuurlijk' overlijden. De behandelend arts mocht immers (bij zijn eigen patiënt) zelf beoordelen of al of niet sprake was van 'lege artis' medisch handelen.....

    Dus ook 'lege artis' medisch (be)handelen als 'onbedoeld' effect van pijnbestrijding kon hieronder vallen........ Deze vorm van 'verborgen euthanasie' kwam in maart 2013 weer opnieuw onder de aandacht in de media.
    De discussie over euthanasie begon echter pas ná 1979, enkele jaren na het verschijnen van het Bulletin van de Inspectie - waarin de term 'euthanasie' in het geheel nog niet ter sprake kwam -, vorm te krijgen (zie hierna).

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Euthanasie: niet-natuurlijk overlijden

    De eerste belangrijke rechterlijke beslissing inzake euthanasie werd genomen door de Rechtbank Leeuwarden in 1973 (de zaak-Postma). Op 19 oktober 1971 had een Friese arts een dodelijke injectie morfine toegediend na een bij herhaling uitgesproken verzoek daartoe.
    De toelaatbaarheid van dergelijk handelen was lange tijd omstreden en onderwerp van zeer heftige discussies onder artsen. Rechters hadden echter in enkele zaken een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand toegekend. Dat gebeurde in situaties waarin reeds besloten was tot abstineren en dus tot de onvermijdelijke dood, maar waarin de patiënt niet op een snelle en humane wijze kwam te overlijden en een dodelijk middel werd toegediend om verdere ontluistering te voorkomen.
    Het Schoonheim-arrest van 27 november 1984 was de eerste uitspraak van de Hoge Raad over euthanasie: daarin werden voorwaarden vastgelegd die ruim twintig jaar na 1971 wettelijk zouden worden bekrachtigd. De Hoge Raad had in het Schoonheim-arrest het idee van de ‘medische exceptie’, als grondslag (c.q. 'rechtvaardiging') voor legale euthanasie door artsen, afgewezen. Ontluistering en onwaardig sterven als relevante factoren bij de beoordeling van een verzoek om euthanasie werden aanvankelijk nog niet erkend. Door de koppeling van euthanasie aan artikel 293 van het Wetboek van Strafrecht zou het artikel ook van toepassing worden op de geneeskundige (arts) die euthanasie toepast. De discussie over de "medische exceptie”, die volgens sommigen ook tot niet-strafbaarheid zou leiden, en dus tot een natuurlijk overlijden (!), kreeg een nieuwe impuls.

    Begin 1987 mengde de Inspectie zich in de destijds nogal heftig verlopende discussie over het onderwerp.
    En verving in de omschrijving van de niet-natuurlijke dood uit 1979 de zinsnede "niet door menselijk toedoen" in "niet door menselijke schuld":
    (accentuering toegevoegd door de FOMAT)

    In een dagbladpublikatie (NRC 23 december 1986) hebben vier vooraanstaande strafrechtgeleerden (wederom) enkele facetten van het euthanasievraagstuk besproken.
    De euthanasieproblematiek wil ik hier nu niet aan de orde stellen, maar wel een passage in het artikel die handelt over de Wet op de Lijkbezorging. De bedoelde passage luidt: 'Natuurlijke oorzaak van overlijden betekent blijkens de Memorie van Toelichting op de Wet van 1955 niet anders dan niet-criminele oorzaak'. De passage is duidelijk onjuist, berust op ontoereikende lezing van de Memorie van Toelichting bij de wet en vraagt derhalve om correctie.
    Blijkens de Memorie van Toelichting moet als niet-natuurlijk niet alleen worden beschouwd elk overlijden door opzet of schuld van derden, doch ook zelfdoding, al mocht die het natuurlijk gevolg ener zielsziekte zijn, alsmede het sterven ten gevolge van een ongeval of uiterlijk geweld, ook wanneer dit niet door menselijke schuld is veroorzaakt.
    Vooral de laatste woorden geven aan dat het verzamelbegrip 'niet-natuurlijke dood' veel ruimer is dan alleen dood door criminele invloeden. Ook alle ongevallen - in het verkeer, thuis, tijdens het sporten of hoe dan ook - die direct of met enige vertraging de dood ten gevolge hebben vallen onder de categorie 'niet-natuurlijk'. In het GHI-bulletin over de Wet op de Lijkbezorging (1979) wordt een aantal voorbeelden gegeven (biz. 4).
    Ter voorkoming van ieder misverstand wijs ik er dus op dat in alle gevallen dat de behandelende arts niet overtuigd is van het 'natuurlijk' karakter van het overlijden (en onder die gevallen behoren bijvoorbeeld ook onbekendheid met of onzekerheid over de doodsoorzaak en ongevalsoorzaken), hij of zij geen verklaring van (natuurlijk) overlijden afgeeft en dat dan de gemeentelijke lijkschouwer optreedt.
    Alle gevallen waarover twijfel bestaat zijn als niet-natuurlijk aan te merken. Een en ander is dus uitdrukkelijk niet beperkt tot gevallen met criminele veroorzaking.

    De Geneeskundige Hoofdinspecteur van de Volksgezondheid,
    W. J. Chr. van Gestel, arts
    Bron: Medisch Contact nr. 7 (13 februari 1987) - 42:198

    De wetgever had in de Wet op de Lijkbezorging bepaald dat niet-natuurlijke doodsoorzaken niet door de behandelend arts mogen worden afgehandeld. Het euthanatische handelen leidt tot een eerder overlijden dan op grond van een ziekte - en dat was het criterium - het geval zou zijn geweest.
    "De dood die voortkomt uit euthanasie, hulp bij zelfdoding en levensbeëindiging zonder verzoek zou niet als ‘natuurlijk’ mogen/kunnen worden beschouwd, en het zou een arts dus niet worden toegestaan een overlijdensverklaring af te geven in geval van dergelijk handelen. Overlijden als gevolg van de als ‘normaal medisch’ geclassificeerde handelingen, zou wel als ‘natuurlijk’ mogen worden bestempeld. De overlijdensverklaring werd daarmee het middel om de euthanasie-praktijk open en transparant, en het handelen van de arts toetsbaar te maken."
    Bron: Dissertatie RUG uit 2005; pag. 67 t/m 69

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • De Inspectie in 1991

    De Wet op de lijkbezorging werd in 1991 gewijzigd. Voordat de wijzigingen van kracht werden liet de Inspectie in mei 1991 een hernieuwd pamflet voor artsen het licht zien. De definitie van de natuurlijke dood werd uitgebreid met het woordje uitsluitend en de 'spontane ziekte of ouderdom' werd voorzien van het tussenvoegsel "en/"

    " Ieder overlijden dat het gevolg is van uitsluitend een spontane ziekte en/of ouderdom "

    De toevoeging van het woordje "uitsluitend" werd echter, door in de toelichting de uitzondering van 'lege artis' medisch (be)handelen op te nemen, weer teniet gedaan. Hierdoor ontstond een contradictio in terminis. Het doel van de toevoeging bleef onduidelijk, maar was mogelijk het gevolg van de discussie over euthanasie die in de jaren daarvoor speelde. In een lijstje met voorbeelden van niet-natuurlijke dood werd euthanasie en hulp bij zelfdoding opgenomen.

    Naar huidige medische inzichten, die in die tijd zeker ook al begonnen door te dringen, ontstaan 'ziekten' echter zelden spontaan en zijn die ook zelden van oorzaak 'natuurlijk'.... Het gebruik van het begrip 'ouderdom' is voor elke arts, en voor de medische professie als geheel, min of meer een bewijs van onvermogen. Uiteindelijk overlijdt eenieder aan ouderdom als een gevolg van het leven.....
    Op 8 februari 2016 verscheen de Handreiking (niet-) natuurlijke dood voor behandelend artsen waaraan ook de Inspectie meewerkte:

    "In de oude definitie van de natuurlijke dood werd naast een spontane ziekte ook ‘ouderdom’ als natuurlijke doodsoorzaak genoemd. Voortschrijdend inzicht in de medische wetenschap maakt dat ouderdom als doodsoorzaak uit de definitie is verwijderd. Een overlijden wordt immers – ook bij (hoog)bejaarde mensen – niet door de leeftijd veroorzaakt, maar door (een combinatie van) ziekte(s) en /of achteruitgang van de organen. De opstellers van deze handreiking hebben gemeend met deze wijziging de definitie in overeenstemming te brengen met de medische werkelijkheid."

    en in een voetnoot:

    "Gekozen is voor het niet meer opnemen van ‘ouderdom’ in de definitie van de natuurlijke dood. Voor alle duidelijkheid wordt benadrukt dat de schouwend arts ook bij overlijden als gevolg van ouderdomsgebreken of ziekten overtuigd kan zijn van het natuurlijke karakter van het overlijden."

    Maar zo lichtte de Inspectie in 1991, in aanvulling op de toelichting uit 1979, nog toe:
    "De overtuiging dat er sprake is van een natuurlijke oorzaak, is een overtuiging 'per exclusionem': tot deze overtuiging kan de arts die de schouw verricht alleen geraken na onderzoek van het stoffelijk overschot en van de feiten en omstandigheden, waarbij de criteria van een niet-natuurlijke dood gewogen dienen te worden. Alle gevallen waarin twijfel bestaat aan een natuurlijke dood, dienen als niet-natuurlijk te worden beschouwd."

    Aan de omschrijving van de niet-natuurlijke dood werd het woordje 'mede' toegevoegd en de definitie onderging een taalkundige aanpassing:

    " Ieder overlijden dat (mede) het gevolg is van uitwendig (fysisch of chemisch) geweld, ook wanneer dit niet door menselijk toedoen is veroorzaakt, alsmede overlijden waarbij sprake is van opzet of schuld "

    Dit leidde tot kritiek:
    " Euthanasie en hulp bij zelfdoding zijn geen natuurlijke dood, maar zij horen ook niet thuis in de categorie waarin misdrijven (vergiftiging, moord en doodslag) en ongevallen zijn ondergebracht. "
    Bron: 5 mei 2002: H.J.J. Leenen. Toetsing van euthanasie.

    Na enige tijd werd in het spraakgebruik 'opzet of schuld' uitgebreid met: "(van de overledene zelf of anderen)" waardoor ook (hulp bij) zelfdoding en euthanasie onder de definitie kwamen te vallen.

    Alle medische (be)handelingen, die onder voorwaarden als 'lege artis' toelaatbaar zouden kunnen worden geacht, zouden vanaf 2002 gaan vallen onder de categorie 'levensbeëindiging'. De (be)handeling komt dan weliswaar overeen met het in art. 293 c.q. art. 294 omschreven delict, maar is niet strafbaar omdat er sprake is van een noodtoestand, een conflict van plichten. Enerzijds heeft de arts de plicht, conform de artseneed, het leven te beschermen, anderzijds heeft hij de plicht een mens uit zijn ondraaglijk lijden te verlossen. Bijvoorbeeld door euthanasie toe te passen of hulp bij zelfdoding te verlenen. Na de inwerkingtreding van de wetgeving hoeft de arts niet meer een beroep te doen op de rechtvaardigingsgrond "overmacht in de zin van noodtoestand" (WvS art. 40). Door in het Wetboek van Strafrecht in een tweede lid van beide artikelen 293 en 294 een bijzondere strafuitsluitingsgrond op te nemen werd de arts die euthanasie toepast of hulp bij zelfdoding verleent (onder voorwaarden) niet langer strafbaar. Het onderscheid tussen ‘natuurlijk’ en ‘niet-natuurlijk’ overlijden werd hiermee het aanknopingspunt voor juridische controle.
    Staken en/of niet aanvangen van een (be)handeling (abstineren) en 'medisch zinloos’ handelen, evenals pijnbestrijding met de dood als onbedoeld neveneffect (dubbel effect doctrine, belang van de patiënt) worden beschouwd als ‘normaal medisch handelen’. Dit zou de grondslag worden voor de zgn. 'palliatieve sedatie'. Voor die handelingen geldt de ‘medische exceptie’ en vindt geen specifieke juridische controle plaats. De behandelend arts mag het overlijden na dergelijk handelen afgeven als ‘natuurlijk overlijden’. 0
    Het medisch (be)handelen bij euthanasie betreft een niet-natuurlijk overlijden.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Ontoereikende wetgeving

    "De procedures bij overlijden, bij het verrichten van de lijkschouw en bij het afgeven van een overlijdensverklaring zijn niet systematisch en sluitend wettelijk geregeld. Sommige onderdelen, zoals de procedure bij een onbekende identiteit of bij een lijkvinding, zijn in de Wet op de Lijkbezorging zelfs in het geheel niet geregeld. Voor dergelijke sterfgevallen, die afwijken van het normale patroon, bestaan ook geen aparte overlijdensverklaringen.
    Het is wenselijk dat de lacunes in de wet aangevuld worden en dat er voor bijzondere gevallen, zoals twijfel aan een natuurlijke dood, onbekende identiteit en lijkvinding, aparte formulieren in gebruik worden genomen, waarop aangegeven wordt welke procedure gevolgd moet worden."

    Bron: Das C, Wal G van der. Ned Tijdschr Geneeskd. 2001;145:1806-10

    De auteurs van bovenstaande publicatie kwamen tot een lijst van omstandigheden, c.q. van externe factoren, waarbij zou moeten worden besloten dat sprake is van een niet-natuurlijk overlijden.
    Volgens de opsomming in een tabel zouden ongeval, verdrinking, verstikking, verslikking, geweld (als moord, doodslag en mishandeling), vergiftiging, overdosis, suicide, hulp bij zelfdoding, euthanasie, actieve levensbeëindiging zonder verzoek, afbreking van een zwangerschap (na 24 of meer weken), en overlijden door een medische fout, hiertoe moeten worden gerekend.
    De medische exceptie kwam, om onduidelijke redenen, net als het 'lege artis' medisch (be)handelen, in de publicatie niet ter sprake.

    De wetgever bleef sinds 1955 (!) volledig afzijdig.
    Het zou aanbeveling verdienen, nu ruimschoots meer dan twintig jaar na de laatste wijziging in 1991, om in de toekomst de term 'niet-natuurlijk' te vervangen door 'overlijden als gevolg van een uitwendige factor', in navolging van de WHO, die spreekt over een 'external cause of death'. Vanuit een sociaal-medisch perspectief kan ook een volkomen 'lege artis' uitgevoerde medische (be)handeling wel degelijk leiden tot een niet-natuurlijk overlijden.

    Wie zich 'behandelend arts' mocht noemen werd door de Inspectie (IGZ) in 2004 opnieuw toegelicht en aangegeven. "Hoewel de Inspectie voor de Gezondheidszorg geen toezichthouder is van de Wet op de Lijkbezorging heeft zij met dit onderdeel van de wet voortdurend te maken.", zo voegde de Inspectie in 2004 hieraan toe.

    Een heropening van de discussie over de medische exceptie leek eind 2012 aanstaande met meer voorlichting over de definitie en procedures bij niet-natuurlijke dood en meer scholing in het verrichten van de lijkschouw. De Minister van VWS, in een brief over de patiëntveiligheid op 21 maart 2013, zag daartoe echter geen noodzaak en wees op de twee projecten van ZonMw met dit doel.

    In een Rapport van de Gezondheidsraad van 25 april 2013 werd op pagina 87 het volgende gemeld:
    "De commissie beveelt aan om een Wet op de lijkschouw en forensisch onderzoek op te stellen, of de Wet op de lijkbezorging aan te passen zodat in een wet omschreven staat waaruit een lijkschouw zou moeten bestaan."
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Taak gemeentelijk lijkschouwer

    De wetgever heeft tot nu toe nog nooit een omschrijving van de aard of omvang van de lijkschouw gegeven. Dit wordt volledig overgelaten aan de beoordeling van de behandelend arts die het overlijden vaststelt en de lijkschouwing verricht (volgens artikel 7 van de Wlb). Dus ook aan de gemeentelijk lijkschouwer of de forensisch (werkzame) arts zelf. De lijkschouw eindigt OF met de afgifte van een verklaring van overlijden (A-verklaring) OF met een artikel 10 verklaring ('niet overtuigd van natuurlijke oorzaak') en de daaraan gekoppelde 'waarschuwing' van de ambtenaar van de burgerlijke stand.
    Dit geldt ook voor de lijkschouw na euthanasie en de levensbeëindiging bij pasgeborenen. De primaire taak van de gemeentelijk lijkschouwer eindigt formeel met de afgifte van een verklaring van overlijden. Ook de zgn. artikel 10 verklaring , die overigens alleen maar zegt dat de gemeentelijk lijkschouwer niet overtuigd is van een 'natuurlijk' overlijden, is in engere zin wel degelijk ook een verklaring van overlijden.

    Eerder werd op de website van de VNG hierover het volgende beweerd:

    "Niet-natuurlijke dood"
    "Is er geen sprake van een natuurlijke dood, dus er is een vermoeden van een niet-natuurlijke dood, dan komt de volgende vraag aan bod, namelijk de vraag of er sprake is van een misdrijf. Als die vraag niet kan worden beantwoord op de plaats waar het stoffelijk overschot is aangetroffen, zal het voor rekening van de politie worden overgebracht naar een politiemortuarium. Daar wordt dan uiteindelijk de vraag beantwoord of er sprake is van een misdrijf of niet."

    Bron:
    Kostenverdeling bij (niet) natuurlijke dood (VNG)
    en het bijbehorende: Schema van de kosten in flowdiagram

    Bij twijfel aan de "natuurlijkheid der doodsoorzaak" dient door de gemeentelijk lijkschouwer een artikel 10 verklaring afgegeven te worden. Niet de Politie maar de Officier van Justitie beslist dan over een overbrenging naar een mortuarium.
    De bovenstaande redenering van de VNG werd kennelijk gebaseerd op artikel 76 van de Wlb. Het is van toepassing vóórdat het stoffelijk overschot door de OvJ kan worden vrijgegeven. Het betekent dat, in het kader van een voortzetting van de lijkschouw, de kosten van een verplaatsing (d.i. 'vervoer') door een ambulancedienst of een uitvaartondernemer, niet ten laste kunnen worden gebracht van de nabestaanden.

    De forensisch arts is geen (buitengewoon) opsporingsambtenaar. De kennisgeving aan de Officier van Justitie en de waarschuwing van de ambtenaar van de burgerlijke stand betekent niet expliciet of impliciet dat de gemeentelijk lijkschouwer betrokken is of moet worden bij nader gerechtelijk onderzoek. De waarschuwing van de ambtenaar van de burgerlijke stand betekent dat in afwachting van een 'verklaring van geen bezwaar' van de Officier van Justitie deze ambtenaar niet mag overgaan tot het afgeven van een 'Verlof tot begraving of crematie'. Dit is duidelijk omschreven in artikel 12 van de Wet op de lijkbezorging. Dat geldt ook bij sterfgevallen als gevolg van euthanasie of hulp bij zelfdoding.

    Volgens artikel 12a, eerste lid, van de Wet op de lijkbezorging wordt tegelijk met de afgifte van de verklaring van overlijden, ook door de forensisch arts, opgave gedaan van de doodsoorzaak en van de onmiddellijk daarmee samenhangende gegevens ten behoeve van de statistiek. Dit is de zgn. B-verklaring. De taak van de gemeentelijk lijkschouwer is volgens de Wet op de lijkbezorging daarmee ten einde. Van een rol bij de 'opsporing en vervolging' is, hoewel veel forensisch (werkzame) artsen dit niet lijken te (willen?) beseffen, geen enkele sprake.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Taakverschuivingen?

    In de laatste decennia leek langzaam maar zeker een verschuiving opgetreden te zijn waarbij het werk van de gemeentelijke lijkschouwer de opsporingstaken van politie en justitie in toenemende mate zou gaan ondersteunen. Indien sprake is van onzekerheid over een 'natuurlijk' overlijden - dit is de reden waarom de gemeentelijk lijkschouwer in actie komt - zou het, in verband met het sporenonderzoek, wenselijk en noodzakelijk zijn dat de lijkschouw in samenwerking met de daartoe bevoegde opsporingsinstantie (politie) plaatsvindt.

    De bij veel forenische (werkzame) artsen bestaande opvatting dat zij zouden moeten 'acteren' in een ondersteunende rol voor de opsporingsinstanties (Politie en OM) berust sinds 1 januari 2013 definitief op een misvatting......

    Een bepaling in de wet dat de Officier van Justitie verplicht zou zou zijn om een (on)gevraagd advies van een forensisch (werkzame) arts op te volgen kent Nederland niet.

    De Wet op de lijkbezorging maakt geen onderdeel uit van het Wetboek van Strafvordering. De gemeentelijk lijkschouwer wordt in het Wetboek van Strafvordering niet genoemd. In het Wetboek van Strafrecht komt de gemeentelijk lijkschouwer slechts éénmaal ter sprake in artikel 293, tweede lid (melding euthanasie en hulp bij zelfdoding). Gegevensverstrekking vanuit de BRP (voorheen de GBA) is een inbreuk op het recht op eerbieding van de persoonlijke levenssfeer, zoals vervat in artikel 10 van de Grondwet, artikel 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Vanuit een oogpunt van proportionaliteit van de inbreuk is het nodig dat het doel waarmee (bijzondere) persoonsgegevens worden verstrekt zo concreet en zo nauwkeurig mogelijk wordt omschreven. Ook de Wet bescherming persoonsgegevens bepaalt dat persoonsgegevens alleen mogen worden verzameld voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden. Zij mogen niet verder worden verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met de doeleinden waarvoor ze zijn verkregen.
    Het is de taak van de behandelend arts om contact op te nemen met de lijkschouwer, en niet een taak van de ambtenaar van de burgerlijke stand. Bij 'verzuim' van de behandelend arts wordt simpelweg geen Verlof tot begraving/crematie meer afgegeven. Het is voor een kinderarts of huisarts uitermate pijnlijk als hij/zij door de nabestaanden zal worden aangesproken over het afgeven van een onvolledige verklaring van overlijden.

    Volgens artikel 12a, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging dient de opgave van de doodsoorzaak (de B-verklaring) bij de zgn. 'vrijgave van het stoffelijk overschot', te worden gedaan door een arts, aangewezen door de Officier van Justitie. Dit betekent dat in de praktijk de gemeentelijk lijkschouwer hiervoor verantwoordelijk is. Ook bij euthanasie........
    Niet alleen het 'verzuim' van de forensisch (werkzame) arts maar ook een 'verzuim' van de Officier van Justitie (op grond van de tekst van de Wlb) is sinds 1 maart 2011 strafbaar gesteld in artikel 81 van de Wet op de lijkbezorging.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Tarieven

    Het verrichten van een lijkschouw door de gemeentelijk lijkschouwer is geen verstrekking onder de zorgverzekeringswet en kan niet ten laste worden gebracht van de ziektekostenverzekeraar.

    "De kosten van lijkschouwing kunnen niet op de nabestaanden worden verhaald. Het betreft geen kosten van lijkbezorging als bedoeld in artikel 22 wet op de lijkbezorging. Ook het via de legesverordening opleggen van een heffing voor de diensten van de gemeentelijk lijkschouwer, is niet mogelijk. Lijkbezorgingsrechten zijn retributies die de gemeente kan heffen op grond van artikel 229, eerste lid, onder a en b, van de Gemeentewet, maar lijkschouwing wordt niet door nabestaanden aangevraagd en is als wettelijke taak in overwegende mate een dienst van algemeen belang."
    Bron: 18 april 2012: Platform Wet op de lijkbezorging
    Informatie in publicatie: Eenzame uitvaarten, een handreiking bedoeld voor gemeenteambtenaren.

    Op grond van de huidige Wet op de lijkbezorging komen de kosten voor de werkzaamheden van de gemeentelijk lijkschouwer altijd en primair ten laste van de gemeente c.q. Burgemeester en Wethouders. Helaas blijken een aantal forensisch (werkzame) artsen zich dit niet te realiseren en te denken dat de Officier van Justitie of het Ministerie van Veiligheid en Justitie verantwoordelijk is voor de kosten.

    Medische diensten die niet de bescherming van de gezondheid van de betrokkene tot voornaamste doel hebben - en daar is bij de lijkschouw door een forenisch (werkzame) arts sprake van - zijn sinds 1 januari 2008 in principe aan de heffing van omzetbelasting (BTW) onderworpen.
    Bron: Besluit van 28 februari 2008, nr. CPP2008/78M, Stcrt. nr. 50
    (zie in de bijlage onder kopje 'Niet vrijgestelde diensten')

    Volgens artikel 4 van de Wet op de lijkbezorging benoemen Burgemeester en wethouders één of meer gemeentelijke lijkschouwers die deze taak moeten uitvoeren en zij zijn ook verantwoordelijk voor de betaling van de dienstverlening. De keuze kan (afhankelijk van de omstandigheden) worden gemaakt tussen een vergoeding per dienstuur (incl. alle verrichtingen) of een vergoeding per verrichting (en een kleine vergoeding voor de uren bereikbaarheid).
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Tarieven: Gemeente van overlijden

    In de Wet op lijkbezorging, paragraat 5, wordt bepaald dat de burgemeester (uiteraard waar nodig in nauwe samenwerking met de ambtenaar van de Burgerlijke Stand) finaal verantwoordelijk is en zorg dient te dragen voor de lijkbezorging van eenieder (inwoner of niet-inwoner) die in de gemeente komt te overlijden. Voorzieningen voor de lijkschouwing maken daar deel van uit.
    De enige indicatie voor de hoogte van de tarieven van de gemeentelijk lijkschouwer, zoals die door de wetgever (het Ministerie van Justitie) werd bepaald in strafzaken, was te vinden in het: Let op:
    De bovengenoemde administratieve (ambtelijke) verrekening (het tarief) kon en mocht niet verward worden met de betaling voor de dienstverlening van de gemeentelijk lijkschouwer in de gemeente van overlijden. Die stond en staat daar los van. Zie hiervoor artikel 8:
    Vergoeding wegens tijdverzuim van ten hoogste € 81,23 per uur (wordt € 116,09).
    (alleen indien van toepassing)
    .
    En ook: artikel 9 (tijdberekening) en paragraaf 3 (reiskosten) van de regeling.
    In artikel 6 van de regeling wordt bepaald dat het tarief voor vergoedingen van verrichtingen van medische aard het door de Nederlandse Zorgautoriteit vastgestelde tarief bedraagt. Aangezien de aard of omvang van de lijkschouw onduidelijk is, kent de NZa hieraan geen tarief toe.
    • Heffing en invordering van lijkbezorgingsrechten 2016
      Van de gemeente Papendrecht: "Voor het schouwen van een lijk door een gemeentelijke lijkschouwer wordt geheven: € 512,10"
      En in een toelichting bij het raadsbesluit van BenW:
      "Wij beseffen dat lang niet in alle gevallen waarin een gemeentelijke lijkschouwer optreedt sprake is van dienstverlening, bijvoorbeeld (ook) niet als de lijkschouwing gebeurt op rechterlijk gezag. Er kunnen zich echter gevallen voordoen, waarin het individuele belang wel op de voorgrond treedt. Daarom hebben wij de bepaling gehandhaafd."
      ‘Reeds op basis van de huidige wet is het voor nabestaanden mogelijk om een lijkschouw en identificatie te verzoeken. De kosten komen voor rekening van de nabestaanden.'
    • Heffing en invordering van lijkbezorgingsrechten 2016
      Van de gemeente Zuidplas:
      Voor het schouwen van een lijk door een gemeentelijk lijkschouwer in 2016:
      Op werkdagen tussen 06.00 en 22.00 uur: € 339
      Op werkdagen tussen 22.00 en 06.00 uur: € 508
      Op zaterdag en zondag en algemeen erkende feestdagen: € 508
    De korpsbeheerder van de Politie (de burgemeester) mocht tot eind 2012, in overleg met de door de gemeente (via de burgemeester benoemde) gemeentelijk lijkschouwer(s) en de Politie, zelf bepalen uit welk budget (gemeente of Politie) de betaling van de gemeentelijk lijkschouwer werd bekostigd.
    Een forensisch (werkzame) arts behoort, ook als gemeentelijk lijkschouwer, een strikt onafhankelijk oordeel te (kunnen) hebben ten opzichte van de 'uitvoerende macht'. Daar paste geen bevoegdheid tot 'aanwijzing' (als 'korpsbeheerder'), gekoppeld aan een bevoegdheid tot 'benoeming' bij. Aan deze (zeer ongewenste) situatie is per 1 januari 2013 een einde gekomen. De rol van de Burgemeester als 'korpsbeheerder' van de Politie is definitief per 1 januari 2013 veranderd door een wijziging van de Politiewet. De voorziene nieuwe 'nationale korpschef' van de Politie mag nu bepalen in hoeverre de Politie bereid is om bij te dragen aan de kosten van de gemeentelijk lijkschouwer in de gemeente van overlijden.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Positie gemeentelijk lijkschouwer

    Op 6 september 2012 ging het Ministerie van Veiligheid Justitie in op de positie van de gemeentelijk lijkschouwer en de betaling van de lijkschouw(er):
    (Accentuering toegevoegd door de FOMAT)

    "Het Besluit tarieven in strafzaken ziet op de kosten die worden gemaakt tijdens de vervolgingsfase, de gerechtskosten. Deze vormen een kostenpost voor het openbaar ministerie. Het Besluit tarieven in strafzaken ziet niet op de kosten die worden gemaakt tijdens de opsporingsfase, de opsporingskosten. Die kosten vormen een kostenpost voor de opsporingsinstanties.
    Uit de praktijk van het openbaar ministerie blijkt dat vergoedingen voor inwendige en uitwendige lijkschouwing niet op de post gerechtskosten worden verantwoord. Lijkschouwing is opgedragen aan de behandelend arts of aan de gemeentelijke lijkschouwer. Pas als de lijkschouwer constateert dat er geen sprake is van een natuurlijke dood, meldt hij dit bij de officier van justitie. De officier van justitie zal in de meeste gevallen vervolgens een patholoog van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) inschakelen om een lijkschouwing te doen. Aannemelijk is dat de meeste gevallen van in- en uitwendige lijkschouwing zich voordoen in de opsporingsfase en niet in de vervolgingsfase, waardoor deze kosten doorgaans vallen onder de reguliere opsporingskosten of de kosten van het NFI. In de uitzonderingsgevallen waarin in de vervolgingsfase wel nog behoefte is aan een inwendige of uitwendige schouw, zal het NFI worden ingeschakeld en zullen de kosten vallen onder de reguliere kosten van het NFI en niet onder de gerechtskosten. De kosten vallen dan niet onder het Besluit tarieven in strafzaken."

    Bron: Publicatie in Staatsblad
    (Zie Nota van toelichting onder Artikel 2, eerste lid, onder d en e)

    Met de opsporingsinstantie wordt de Politie bedoeld. Sinds 1 januari 2013 valt de Politie en het beheer van de Politie via de 'nationale korpschef', met de invoering van de Politiewet 2012, onder de Minister van Veiligheid en Justitie.......

    In een Rapport van de Gezondheidsraad van 25 april 2013, kennelijk met een hoog "fata morgana" gehalte en weinig gevoel voor de sinds 1 januari 2013 reeds definitief ontstane realiteit, werd op pagina 87 het volgende gemeld:

    " De commissie beveelt aan alle forensisch-medische verrichtingen (lijkschouw, letselduiding en -rapportage, arrestantenzorg) te vergoeden vanuit het ministerie van Veiligheid en Justitie, evenals de kwaliteitsbewaking en -bevordering die voor een hoogwaardige forensisch medische beroepsuitoefening noodzakelijk is. "

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Tarieven: Euthanasie

    In het kader van de Wet toetsing levensbeëindiging heeft de gemeentelijk lijkschouwer ook een taak gekregen in de verslaglegging bij euthanasiemeldingen ten behoeve van het Openbaar Ministerie.
    Zoals wettelijk vastgelegd moeten de kosten hiervan worden gedragen door het Openbaar Ministerie. Het betreft immers een niet-natuurlijk overlijden. Nabestaanden mogen en kunnen niet worden geconfronteerd met 'facturen' die hiervoor worden verstuurd.
    Het tarief hiervoor werd door de wetgever (het Ministerie van Justitie) zelfs specifiek genoemd in het: Nogmaals:
    Ook de bovengenoemde administratieve (ambtelijke) verrekening (het tarief) kon en mocht niet verward worden met de betaling voor de dienstverlening door de gemeentelijk lijkschouwer in de gemeente van overlijden. Die stond en staat daar los van. Zie hiervoor artikel 8:
    Vergoeding wegens tijdverzuim was ten hoogste € 81,23 per uur (indien van toepassing).
    En ook: artikel 9 (tijdberekening) en paragraaf 3 (reiskosten) van de regeling.
    In artikel 6 van de regeling wordt bepaald dat het tarief voor vergoedingen van verrichtingen van medische aard het door de Nederlandse Zorgautoriteit vastgestelde tarief bedraagt. Aangezien de aard of omvang van de lijkschouw ook bij de melding aan de Toetsingscommissie onduidelijk is, kent de NZa hieraan geen tarief toe. De Rijksoverheid stelde via het gemeentefonds in 2010 voor de afhandeling van de lijkschouw en de verslagen bij euthanasie een bedrag van € 350.000 beschikbaar voor de taken van de gemeentelijk lijkschouwer. Het budget bleek echter ontoereikend.....
    De vijf regionale toetsingscommissies euthanasie ontvingen 3.136 meldingen van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding in 2010. In 2011 werden 3.695 meldingen geregistreerd, in het jaar 2012 steeg dit tot 4.188 meldingen. In 2013 werden 4.829 meldingen ontvangen. In 2014 steeg dit tot 5.306 meldingen en in 2015 tot 5.516 meldingen. In 2016 waren 6.091 meldingen.
    De gemeenten in Nederland dragen zo op dit moment een substantieel deel van de kosten van de 'afwikkeling' van de euthanasie van personen (inwoners en niet-inwoners) die in hun gemeente overlijden. Bij die 'afwikkeling' zijn ook de regionale toetsingscommissies ((RTE's) betrokken. Of sinds 2010 van een verhoging van het budget voor de kosten van de gemeentelijk lijkschouwer aan het gemeentefonds - via het Ministerie van Justitie - sprake is of zal zijn, werd (nog) niet bekend gemaakt.

    Op 6 september 2012 werd dit in het Staatsblad door het Ministerie van Veiligheid Justitie nog eens uitvoerig toegelicht:
    (Accentuering toegevoegd door de FOMAT)

    "Artikel 2, eerste lid, onder f, van het Besluit tarieven in strafzaken ziet op de vergoeding aan de gemeentelijke lijkschouwer voor het opmaken van een meldingsformulier ingeval van euthanasie of hulp bij zelfdoding.
    Op basis van artikel 3 van de Wet op de lijkbezorging (Wlb) geschiedt de lijkschouwing door ofwel de behandelend arts ofwel de gemeentelijke lijkschouwer. Indien het overlijden het gevolg was van levensbeëindiging op verzoek (euthanasie) of hulp bij zelfdoding dan geeft de behandelend arts geen verklaring van overlijden af en wordt de gemeentelijke lijkschouwer ingeschakeld (art. 7, tweede lid, Wlb). Op grond van artikel 10, tweede lid, Wlb is de gemeentelijke lijkschouwer verplicht verslag uit te brengen – door invulling van een meldingsformulier – aan de regionale toetsingscommissie als bedoeld in artikel 3 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. Dit alles ziet dus nog op een fase voorafgaand aan de vervolgingsfase. De vergoeding is niettemin in het Besluit tarieven in strafzaken opgenomen omdat het meldformulier wordt ingevuld ten behoeve van het openbaar ministerie, om welke reden de vergoeding voor het invullen van het formulier beschouwd zou kunnen worden als gerechtskosten.
    Slechts het opmaken van het meldingsformulier wordt op basis van het Besluit tarieven in strafzaken vergoed (dit valt af te leiden uit de woorden «voor zover het betreft» in artikel 2, eerste lid, onderdeel f,. Het gaat dus niet om de vergoeding van de schouw op zich, noch om daarvoor te maken reiskosten of extra vergoeding voor werkzaamheden buiten de reguliere kantoortijden (zie Rb. ’s-Gravenhage 1 oktober 2008, LJN BG3992). Deze overige kosten kan de lijkschouwer declareren bij de gemeente. Dit omdat de Wlb valt onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. In de praktijk heeft dit tot onduidelijkheden geleid. Dit is voor de Werkgroep herijking tarieven in strafzaken aanleiding geweest te bezien hoe een en ander anders geregeld kan worden. Daarbij is er mede naar gestreefd om de vergoeding met betrekking tot de gemeentelijke lijkschouw te concentreren bij één partij (de gemeente/het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties). Met ingang van 1 januari 2010 wordt structureel een bedrag van € 350.000 per jaar overgeheveld van het Ministerie van Veiligheid en Justitie naar het gemeentefonds. Voor de gemeentelijke lijkschouwers is daarmee per 1 januari 2010 slechts de gemeente de instantie waar de vergoeding kan worden gedeclareerd. Zie ook de Septembercirculaire Gemeentefonds 2009, 2009-0000509233, p. 23."

    Bron: Publicatie in Staatsblad
    (Zie Nota van toelichting onder Artikel 2, eerste lid, onder f) Onder de prestatie steun en consultatie bij euthanasie in Nederland (SCEN-consultatie) aan een niet bij de huisarts ingeschreven patiënt op verzoek van diens behandelend arts worden alle activiteiten van de SCEN-arts begrepen, waaronder:
    • overleg plus het bestuderen van het medisch dossier;
    • het afleggen van de visites bij de patiënt en diens omgeving;
    • de verslaglegging ten behoeve van de behandelaar;
    • afsluitend overleg en bespreking van het verslag.
      Met de bespreking van het verslag wordt de consultatie afgesloten.

      Bron:
      C8. De maximum in rekening te brengen tarieven voor SCEN-consultatie bedragen:
      Beleidsregel: BR/CU-7069 (tarief geldig sinds 1 januari 2013)
      Tarief 12815 SCEN-consultatie € 350,69
      Beleidsregel: TB/CU-7076-02 (tarief geldig vanaf 1 januari 2014)
      Tarief 12815 SCEN-consultatie € 367,88
      Declareren en SCEN-register: Volgens KNMG maximaal € 367,04 per consultatie (tarief 2015) en € 366,23 per consultatie (tarief 2016) en € 373,04 (tarief 2017)
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Tarieven: NODO-procedure

    Sinds 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer, aanvankelijk met het idee om zo meer ernstige gevallen van fatale kindermishandeling te signaleren. Van een toename van het aantal gevallen van (fatale) kindermishandeling was in jaren 2010 t/m 2013 echter geen enkele sprake.....

    De NODO-procedure werd op 1 oktober 2012 ingevoerd en op 1 januari 2014 weer gestopt. Bij onverklaard en onverwacht overlijden moest het mogelijk worden om dit op te helderen door het verrichten van een (klinische) obductie ter vaststelling van de doodsoorzaak. Het betekent dat de forensisch (werkzame) arts, als gemeentelijk lijkschouwer, ook in 2015 (!) door het wettelijk verplichte overleg, altijd moet worden ingeschakeld voor een (telefonisch) overleg. Op de websites van regionale gezondheidsdiensten werd echter vrijwel geen enkele informatie verstrekt over de NODO-procedure of de plicht tot overleg bij het overlijden van minderjarigen.

    In een Rapport van de Gezondheidsraad van 25 april 2013 werd op pagina 61 het volgende gemeld:
    "Begin 2013 hebben 14 kinderartsen, 5 pathologen en 47 forensisch artsen deze scholing voor de NODO-procedure doorlopen." Helaas bleek onder veel forensisch (werkzame) artsen en in de media de misvatting te zijn ontstaan dat de gemeentelijk lijkschouwer met de invoering van de NODO-procedure een extra 'bevoegdheid' zou hebben verkregen om een obductie te (laten) verrichten. Dit was onjuist.
    Het Ministerie van Veiligheid en Justitie had op 6 september 2012 duidelijk aangegeven dat de kosten van de lijkschouw ten laste komen van de gemeente van overlijden. Dit vloeit voort uit artikel 4 van de Wet op de lijkbezorging.
    De voortzetting van de lijkschouw bij onverklaard en onverwacht overlijden bij minderjarigen moest worden overgedragen aan een zgn. NODO-forensisch arts. Van een bevoegdheid tot 'inbeslagname' was geen sprake. Dat was (en is) overigens, evenals overbrenging naar een mortuarium, zonder de bemoeienis van politie-ambtenaren ook niet mogelijk. De enige bevoegdheid die ontstond was de mogelijkheid om (bij weigering van toestemming door ouders en/of nabestaanden) een rechterlijke toetsing bij de rechtbank te vragen. Aangezien de gemeentelijk lijkschouwer, ook in de functie als zgn. NODO-forensisch arts, niet 'op persoonlijke titel' zou handelen kwamen ook de kosten van de voortzetting van de lijkschouw volgens de VNG niet ten laste van Burgemeester en Wethouders van de gemeente van overlijden. Dit gold ook voor de kosten van een eventuele procedure bij de rechtbank (griffierechten) volgens artikel 74 van de Wet op de lijkbezorging, indien de zgn. NODO-forensisch arts zou besluiten deze in gang te zetten.
    Rondom de NODO-procedure rezen in 2013 zeer veel vraagtekens. De NODO-procedure werd op 1 januari 2014 gestopt......

    In een brief naar de Tweede Kamer op 16 december 2013 deelde de Staatssecretaris van VWS mee dat de deelnemende organisaties naar aanleiding van de opgedane ervaringen en de uitkomsten van de evaluatie aangegeven hadden om per 1 januari 2014 te stoppen met de uitvoering van de NODO-procedure in de huidige vorm. Voortzetting van het "NODO-experiment" na 1 januari 2014, alleen en uitsluitend nog op kosten van het Ministerie van VWS, werd daarmee uitermate onwaarschijnlijk.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Hoge NODO kosten...

    Daar de kosten van de NODO-procedure ten laste kwamen van de rijksoverheid zou een verrekening met het Ministerie van Jusititie, analoog aan dezelfde verrekening met het Ministerie van VWS voor de kosten van euthanasie (zie hierboven), via het gemeentefonds, of via een projectsubsidie direct ten laste van het Ministerie, hebben moeten plaatsvinden. Uit het bovenstaande bleek dat het Ministerie van VWS in het jaar 2012 bijdroeg aan de kosten van (invoering) van de NODO-procedure. Van enige (voor het eerst meer dan alleen maar financiële) betrokkenheid van het Ministerie van VWS bij de opheldering van doodsoorzaken leek tot nu geen sprake te zijn. Postmortaal onderzoek valt immers niet onder verstrekkingen op grond van de Zorgverzekeringswet. De verdeling van kosten tussen het Ministerie van VenJ en VWS kwam eerder ter sprake in een Algemeen Overleg (AO) van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie met de staatssecretaris van VenJ op 9 maart 2011. Het Ministerie van VWS bleef altijd volledig buiten beeld in de NODO-procedure.
    Bij de behandeling van de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie voor het jaar 2013 in de Tweede Kamer, op 27 en 28 november 2012, kwam de NODO-procedure niet ter sprake..... Voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis (een unicum !) bleek de overheid, via een subsidie het Ministerie van Veiligheid en Justitie, bereid te zijn geweest om bij te dragen aan de kosten van een obductie bij een (in principe) natuurlijk overlijden. Het 'justitieel rendement' voor de opsporing van (fatale) kindermishandeling bleek nihil te zijn....
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Budget NODO-procedure werd verlaagd voor 2014

    Voortzetting van het "NODO-experiment" ná 1 januari 2014, alleen en uitsluitend nog op kosten van het Ministerie van VWS, werd een uitermate onwaarschijnlijke gang van zaken. Na één jaar werd voorzien in een evaluatie. In de begroting van het Ministerie van VWS voor het jaar 2014 kwam de NODO-procedure niet ter sprake. Bij de beantwoording van een lijst met vragen op 24 oktober 2013 over de begroting van het Ministerie van WVS werd de NODO-procedure niet genoemd. Ook bij de behandeling van de begroting in de Tweede Kamer voor 2014 bleef de NODO-procedure onbesproken. In de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie werd voor het jaar 2014 eerst nog wel een uitgavenpost van 995.000 Euro(*) opgenomen. Voor 2013 was dit nog 1.350.000 Euro(*) en voor 2012 was dit 1.389.000 Euro(*).
    Bron: Kamerstuk 33750 VI (Vaststelling begrotingsstaten voor het jaar 2014)
    Zie pagina 243 in de gedrukte versie van deze begroting.

    (*) Let op: De realisatiecijfers voor de jaren 2012 en 2013 werden niet bekend gemaakt.

    Het Ministerie van Veiligheid en Justitie bleek de uitgaven in het jaar 2014 voor de NODO-procedure al drastisch verlaagd te hebben. De enige 'wettelijke uitvoeringsplicht' is de plicht tot overleg met de gemeentelijk lijkschouwer bij elk overlijden van een minderjarige.
    Of in het jaar 2013 sprake is geweest van een stijging van het aantal keren, dat dit 'overleg' ook daadwerkelijk plaatsvond, is (nog steeds) niet bekend.
    Een (wettelijke) plicht tot het uitvoeren van een NODO-procedure bestond niet......

    Op 11 november 2013 werden vragen van de Tweede Kamer beantwoord in een brief met de volgende mededelingen:
    "De minister (van VenJ) subsidieert meerdere organisaties en initiatieven die betrekking hebben op de jeugdbescherming. Onder deze post vallen diverse kleinere subsidies waaronder Centrum Internationale Kinderontvoering (IKO, € 653.000) en Stichting Adoptievoorzieningen (SAV, € 575.000) en kosten nader onderzoek doodsoorzaak van kinderen (NODO, € 995.000)."
    "Zo snel mogelijk zal een beslissing worden genomen over de vraag of de projectsubsidies NODO worden voortgezet. De huidige lopen per 31 december 2013 af."

    Bron: Lijst vragen en antwoorden over de begroting 2014

    Bij de behandeling van de begroting van VenJ, op 20 en 21 november 2013 in de Tweede Kamer, kwam de financiering van de NODO-procedure niet meer ter sprake.
    • 21 mei 2014: Jaarverslag Ministerie van Veiligheid en Justitie
      (voor het jaar 2013)
      "De gerealiseerde productiegegevens voor de prestatie Jeugdbescherming zijn momenteel nog niet beschikbaar. In de begroting 2015 zal de Kamer geïnformeerd worden over de realisatie 2013."
      "Onder de post Nog te betalen is een vooruit ontvangen bedrag aan projectgelden van € 1,2 miljoen van overige departementen opgenomen. Dit betreffen met name de projecten: fotografie van bloed; dateren van blauwe plekken, Databank vermiste personen, SNP6uur en NODO opleidingsproject."
    • 20 januari 2014: NVK en GGD-NL reageren op stopzetten NODO
      Nu ineens een pleidooi voor alternatieve en goedkopere NODO-procedure.....
      In kopie naar de Kamercommissie van VWS

      De tekst van de brief
    Uit de toelichting bij de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie op 16 september 2014 voor het jaar 2015:
    "NODO is eind 2013 geëvalueerd, op basis waarvan het Ministerie van Veiligheid en Justitie en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport hebben besloten per 1 januari 2014 te stoppen met uitvoering van de NODO-procedure en de subsidieregelingen die daartoe dienden aan GGD, UMC en AMC niet voort te zetten. De middelen voor 2014 worden besteed aan een zorgvuldige afronding van dit traject. Het voornemen is 50% van het gereserveerde budget, dat toebehoort aan VWS, per 1 januari 2015 terug over te hevelen naar VWS. Over de resterende middelen voor 2015 moet besluitvorming nog plaatsvinden."
    Bron: Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van VenJ voor het jaar 2015.

    Dit betekende dat de helft van het budget van € 995.000 voor het jaar 2014 per 1 januari 2015 weer ter beschikking is gekomen van het Ministerie van VWS. Of ná 1 januari 2014 de NODO-procedure nog in enigerlei vorm zou voortbestaan was al geheel afhankelijk van het Ministerie van VWS, dat zich altijd volledig afzijdig had gehouden. In de begroting van VWS voor het jaar 2015 werd hierover met geen woord gerept.... De Minister op 12 maart 2015:
    "De multidisciplinaire richtlijn is nog niet beschikbaar. De Nederlandse Vereniging van Kinderartsen (NVK) is eind 2014 gestart met het opstellen van een projectplan en subsidieaanvraag om met een aantal betrokken veldpartijen de multidisciplinaire richtlijn op te stellen."
    "Op dit moment werkt het veld aan de multidisciplinaire richtlijn die in juni 2015 gereed zal zijn."


  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Standpunt VNG

    In een brief van 24 mei 2006 aan de Minister van Binnenlandse Zaken ging de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in op de taakverschuivingen van de gemeentelijk lijkschouwer:
    (accentuering en opmerking toegevoegd door de FOMAT)

    "Burgemeester en wethouders zijn verantwoordelijk voor het benoemen van een gemeentelijke lijkschouwer. De gemeentelijke lijkschouwer schouwt een lijk indien de behandelend arts niet overtuigd is van een natuurlijke dood of er geen arts aanwezig is. Indien de lijkschouwer concludeert dat er sprake is van een natuurlijke dood wordt een overlijdensverklaring afgegeven. Indien hij hiervan niet overtuigd is, legt hij de zaak voor aan de Officier van Justitie. De lijkschouwer heeft in dit geval in feite een tweeledige taak doordat hij enerzijds aan de officier van justitie rapporteert en anderzijds contact heeft met de ambtenaar van de burgerlijke stand. Wij stellen vast dat die laatste activiteit alleen procedureel is en dient om kenbaar te maken dat voor betreffende overledene geen overlijdensverklaring (*),mag worden afgegeven. Bij de eerste activiteit wordt de lijkschouwer aangesproken op zijn inhoudelijke kwaliteit en forensische kennis. Deze bieden de officier van justitie mede de basis om te kunnen beslissen over opsporings- en vervolgonderzoek. De lijkschouw is in dit geval een pré-opsporingsactiviteit ten dienste van de officier van justitie. Ook de werkgroep forensische geneeskunde, een werkgroep onder voorzitterschap van het ministerie van Justitie, heeft deze conclusie getrokken (rapport 'Forensische Geneeskunde, een nieuwe praktijk')."

    (*)
    Opm. FOMAT: bedoeld wordt hier kennelijk: Verlof tot lijkbezorging

    "De benoemingsprocedure leidt ertoe dat er een relatie tussen het gemeentebestuur en de benoemde arts ontstaat. Die relatie houdt onder meer in dat ook de kosten van de lijkschouw als onderdeel van het opsporing- en vervolgonderzoek aan de gemeenten worden doorberekend. Wij hebben sterk de indruk dat deze kosten zijn gestegen en nog zullen stijgen mede als gevolg van de professionalisering van de beroepsgroep en de extra werkzaamheden die de lijkschouwer op verzoek van justitie en politie uitvoert. Aangezien de gemeentelijke lijkschouwer overwegend ten dienste staat van de Officier van Justitie geven wij in overweging om de kosten die ermee gepaard gaan niet meer bij gemeenten in rekening te brengen.

    In dit verband vragen wij aandacht voor de circulaire 'afbakening tussen politie- en justitiekosten' die door het ministerie van Justitie in 2004 is uitgebracht. Uit deze circulaire blijkt, met uitzondering van kosten lijkschouw als gevolg van euthanasie, dat de kosten lijkschouw niet ten laste kunnen komen van justitie. Gelijktijdig wordt in deze circulaire geen antwoord geven op de vraag wie dan wel verantwoordelijk is voor de kosten van de lijkschouw: politie of gemeente. Sterker nog in de circulaire wordt aangegeven dat de kosten die in het kader van het opsporingsonderzoek worden gemaakt zoals transportkosten, kosten mortuarium en onderzoekskosten naar hun aard dienen te worden verdeeld tussen de politie en de gemeente. Dus de gemeente moet meebetalen aan opsporingskosten. Dit kan natuurlijk nooit de bedoeling zijn geweest van het instellen van een gemeentelijke lijkschouwer waar handhaving van de openbare orde leidend is geweest. Deze circulaire roept daarom meer vragen op dan dat het antwoorden geeft. Wij stellen voor om met direct betrokken partijen een herziening van de circulaire ter hand te nemen."

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Standpunt Wet op de lijkbezorging

    Artikel 5 van de Wlb bepaalt dat sinds 1 januari 2010 uitsluitend artsen, die als forensisch arts zijn ingeschreven in een daartoe gehouden register, mogen worden benoemd als gemeentelijk lijkschouwer. Artikel 4 blijft echter onveranderd en bepaalt dat Burgemeester en wethouders één of meer gemeentelijke lijkschouwers benoemen.

    In de Memorie van Toelichting pag.6 bij het wetsontwerp ter wijziging van de Wet op de lijkbezorging staat t.a.v. de kosten voor de voorgestelde NODO-procedure het volgende:
    (accentuering toegevoegd door de FOMAT)

    "De kosten van het nader onderzoek worden vergoed door de rijksoverheid. Naar verwachting zal dit onderzoek niet meer dan 200 maal per jaar(*) plaatsvinden. In alle gevallen waarin de doodsoorzaak in voldoende mate vaststaat, dient uiteraard geen NODO plaats te vinden. De kosten bestaan uit de drie componenten:
    - kosten kinderartsen en kinderpathologen;
    - kosten informatieverzameling, overleg, landelijke registratie, jaarlijkse evaluatie
      en registratiepunt lijkschouwer;
    - kosten coördinerende rol van de lijkschouwer.

    Afgezien van de regisseurrol van de gemeentelijke lijkschouwer nemen diens taken niet noemenswaardig toe door de introductie van de NODO-procedure. De systematiek van de wet blijft immers ongewijzigd: ook onder de huidige wet dient de behandelend arts in alle gevallen dat hij er niet van overtuigd is dat de dood is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak, de gemeentelijke lijkschouwer te verwittigen. Het enige dat nu daarbij komt, is het overleg in de gevallen waarin de behandelend arts voornemens is een verklaring van overlijden af te geven (zie hiervoor de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel E). Het gaat gemiddeld om nog geen drie contacten per gemeente per jaar. Voor een financiële compensatie richting gemeenten is dan ook geen grond."

    (*) Opm. FOMAT
    Het aantal van 200 gevallen van 'onverklaard overlijden' per jaar bleek in 2010 op een overschatting te berusten. Zie hierover: In een publicatie in Medisch Contact van 26 januari 2007 over de kwaliteit van de lijkschouw werd in relatie tot de wetswijziging van de Wet op de lijkbezorging opnieuw gewezen op het kostenaspect:

    "De problematiek rond de lijkschouw, die onder meer is beschreven in een rapport van de inspectie en in rapporten van commissies ingesteld door het ministerie van Justitie, is al meer dan tien jaar bekend. Ook wordt telkens weer bepleit dat er iets aan het probleem moet worden gedaan."

    "Vele malen is betoogd dat politie en justitie 'hun verantwoordelijkheid moeten nemen' ten aanzien van de lijkschouw. Zolang er geen eisen worden gesteld aan de lijkschouwer, is het nemen van verantwoordelijkheid onmogelijk. Bovendien krijgen politie en justitie in het huidige wetsvoorstel op geen enkele wijze verantwoordelijkheid; noch voor de benoeming van lijkschouwers, noch voor de betaling van de lijkschouw."

    "De gemeenten worden impliciet verantwoordelijk gesteld voor de kwaliteit van de lijkschouw(er). De gemeentelijk lijkschouwer voert zijn werk echter primair uit ten behoeve van politie en justitie. Deze willen immers weten of er sprake is van een niet-natuurlijke dood en eventueel een strafbaar feit. In het wetsvoorstel moeten de gemeenten, nog steeds en onterecht, opdraaien voor deze opsporingstaak. Dat zij daar niet veel geld en energie in steken, laat zich raden."

    Dezelfde problematiek werd nogmaals aan de orde gesteld in een brief van het Forensisch Medisch Genootschap aan o.a. de Voorzitter van de Tweede Kamer:
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Standpunt Justitie

    De circulaire, daterend uit 2004, van het Ministerie van Justitie waarover in de bovenstaande brief van de VNG werd gesproken bleef op 19 december 2006 in een nieuwe versie voor 2007 e.v. vrijwel ongewijzigd, evenals opnieuw voor 2011 e.v. De circulaire werd op 1 januari 2012 vervallen verklaard. Deze ciculaire merkte het volgende op:
    (accentuering toegevoegd door de FOMAT)

    "Het is gekunsteld om de schouw die leidt tot een verslag aan de OvJ als meer (pre)justitieel te beschouwen dan de schouw die leidt tot afgifte van een verklaring van overlijden. De schouw- activiteit is immers niet principieel verschillend en er is ook niet tijdens de schouw een moment te bepalen waarop het accent verschuift van "openbare orde" naar "opsporing". Dat betekent dat de uitslag van de schouw geen indicatie vormt voor de toerekening van de kosten. Het is aan de gemeenten om te bezien op welke wijze zij over deze taken en de betaling daarvan werkbare afspraken maken met betrokken lijkschouwers en de politie."

    De bepaling in artikel 12a, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging over de opgave van de doodsoorzaak, de zgn. B-verklaring, die bij vrijgave van het stoffelijk overschot dient te worden gedaan door een arts aangewezen door de Officier van Justitie, werd hierbij kennelijk buiten beschouwing gelaten.
    In een Reparatiewet van 13 december 2010 werd aangekondigd dat ook overtreding van artikel 12a, tweede lid, strafbaar wordt gesteld. Deze strafbaarstelling is op 1 maart 2011 in werking getreden. Dit betekent dat de Officier van Justitie bij vrijgave van het stoffelijk overschot na ontvangst van een art. 10 verklaring nu ook de wettelijke plicht heeft om een forensisch arts aan te wijzen die zorg draagt voor de invulling en verzending van de B-verklaring naar het CBS.
    Dan verdient het echter ook aanbeveling om de forensisch arts eindelijk meer bevoegdheden, instrumenten en mogelijkheden te geven bij het postmortale onderzoek ter opheldering van de doodsoorzaak. Ook een 'verzuim' van de Officier van Justitie (b)lijkt nu strafbaar gesteld in artikel 81 van de Wet op de lijkbezorging. Op grond van de formulering van artikel 12a van de wet zou deze Officier van Justitie nu zichzelf moeten gaan vervolgen bij een 'verzuim'. Dit werd door de wetgever bij de indiening van bovengenoemde 'Reparatiewet' kennelijk over het hoofd gezien.......

    Volledigheidshalve hieronder de volledige tekst van de hierboven geciteerde: ---- Citaat -----
    "Dat volgt o.a. uit de wijze waarop deze instanties via de begroting aan hun geld komen om hun taken te verrichten. De Wet, het Besluit- en de Ministeriële regeling tarieven in strafzaken 2003 zijn alleen van toepassing op kosten voor werkzaamheden en tijdverzuim in opdracht of verzoek van rechterlijke autoriteiten (dus ook het Openbaar Ministerie) in de gerechtelijke fase gemaakt"
    ---- Einde Citaat -----

    Dit betekent dat het Ministerie van VenJ nog steeds van mening is dat de opsporingsinstanties (Politie) alle kosten van de opsporing (en de daartoe evt. behorende lijkschouw) voor hun rekening dienen te nemen en het OM de kosten van vervolging.
    We vermelden nogmaals de op 6 september 2012 in het Staatsblad gepubliceerde ronduit onthutsende redenering van het Ministerie van Veiligheid Justitie:
    (Accentuering toegevoegd door de FOMAT)

    "Het Besluit tarieven in strafzaken ziet op de kosten die worden gemaakt tijdens de vervolgingsfase, de gerechtskosten. Deze vormen een kostenpost voor het openbaar ministerie. Het Besluit tarieven in strafzaken ziet niet op de kosten die worden gemaakt tijdens de opsporingsfase, de opsporingskosten. Die kosten vormen een kostenpost voor de opsporingsinstanties.
    Uit de praktijk van het openbaar ministerie blijkt dat vergoedingen voor inwendige en uitwendige lijkschouwing niet op de post gerechtskosten worden verantwoord. Lijkschouwing is opgedragen aan de behandelend arts of aan de gemeentelijke lijkschouwer. Pas als de lijkschouwer constateert dat er geen sprake is van een natuurlijke dood, meldt hij dit bij de officier van justitie. De officier van justitie zal in de meeste gevallen vervolgens een patholoog van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) inschakelen om een lijkschouwing te doen. Aannemelijk is dat de meeste gevallen van in- en uitwendige lijkschouwing zich voordoen in de opsporingsfase en niet in de vervolgingsfase, waardoor deze kosten doorgaans vallen onder de reguliere opsporingskosten of de kosten van het NFI. In de uitzonderingsgevallen waarin in de vervolgingsfase wel nog behoefte is aan een inwendige of uitwendige schouw, zal het NFI worden ingeschakeld en zullen de kosten vallen onder de reguliere kosten van het NFI en niet onder de gerechtskosten. De kosten vallen dan niet onder het Besluit tarieven in strafzaken."

    Bron: Publicatie in Staatsblad
    (Zie Nota van toelichting onder Artikel 2, eerste lid, onder d en e)

    Deze redenering van het Ministerie betekent dat het nog steeds aan de gemeenten (Burgemeester en Wethouders) is om te bezien op welke wijze zij over de taak en uitvoering van de lijkschouw en de betaling daarvan werkbare afspraken maken met betrokken lijkschouwers en de politie.
    Volgens artikel 4 van de Wet op de lijkbezorging verschaffen Burgemeester en wethouders nu eenmaal gelegenheid tot het doen schouwen van lijken in de gemeente van overlijden en zijn dientengevolge ook (nog steeds) verantwoordelijk voor de kosten die voor de lijkschouw worden gemaakt.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Kostentoerekening

    De discussie over de kosten van de lijkschouw(er) is niet nieuw en nog steeds actueel:
    (onderstaande uitingen zijn géén standpunten of meningen van de FOMAT - vermelding geschiedt uitsluitend ter illustratie) De rol van de (regionale) Burgemeester in de veiligheidsregio als 'korpsbeheerder van Politie' is sinds 1 januari 2013 definitief verdwenen. De positie van de zgn. regioburgemeester (die van de gemeente met het hoogste aantal inwoners in het gebied waarin de regionale eenheid de politietaak uitvoert) is nog onduidelijk........
    De nieuwe 'nationale korpschef' van de Politie wordt gebonden aan 'aanwijzingen' door de Minister...., niet die van BZK (waaronder de Wet op lijkbezorging valt) maar aan die van Veiligheid en Justitie....
    Terug naar begin van deze pagina