Bron: De officiŽle tekst van de wet
(accentueringen en opmerkingen toegevoegd door de FOMAT)

Wet op de lijkbezorging

Wet van 7 maart 1991, houdende nieuwe bepalingen inzake de lijkbezorging

....................................................................................

Opmerking FOMAT:
Sinds 1 januari 2010 zijn een aantal veranderingen in de bepalingen van deze wet van kracht die in de tekst zijn verwerkt: Vanaf 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer(art. 10a)

....................................................................................

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel 1

Lijkbezorging geschiedt door begraving, crematie of op andere bij of krachtens de wet voorziene wijze.

Artikel 2

1.      In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder

a.       lijk: het lichaam van een overledene of doodgeborene;

b.      doodgeborene: de na een zwangerschapsduur van ten minste 24 weken levenloos ter wereld gekomen menselijke vrucht.

2.      Deze wet is niet van toepassing op een menselijke vrucht die na na een zwangerschapsduur van minder dan 24 weken

a.       levenloos ter wereld is gekomen dan wel

b.      binnen 24 uur na de geboorte is overleden.

Hoofdstuk II. Algemene voorschriften voor de lijkbezorging

ß 1. Lijkschouwing en identificatie

Artikel 3

Lijkschouwing geschiedt, zo spoedig mogelijk na het overlijden, door de behandelende arts of door een gemeentelijke lijkschouwer.

Opm. FOMAT:
Deze bepaling leidde na 1 januari 2010 tot vragen:

Artikel 4

Burgemeester en wethouders verschaffen gelegenheid tot het doen schouwen van lijken. Zij benoemen een of meer gemeentelijke lijkschouwers.

Artikel 5

Uitsluitend artsen die als forensisch arts zijn ingeschreven in een daartoe gehouden register, worden benoemd als gemeentelijke lijkschouwer.

Artikel 6

1.      Een gemeentelijke lijkschouwer treedt niet als zodanig op, indien hij gedurende de laatste twee jaar ten aanzien van de overledene of de moeder van de doodgeborene handelingen op het gebied van de geneeskunst heeft verricht en indien tussen dezen en hem bloed- of aanverwantschap tot in de derde graad, een huwelijk of een geregistreerd partnerschap bestond of bestaat.

2.      De behandelende arts treedt niet op als lijkschouwer indien tussen hem en de overledene of de moeder van de doodgeborene bloed- of aanverwantschap tot in de derde graad, een huwelijk of een geregistreerd partnerschap bestond of bestaat.

Artikel 7

1.      Hij die de schouwing heeft verricht geeft een verklaring van overlijden af, indien hij ervan overtuigd is dat de dood is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak.

2.      Indien het overlijden het gevolg was van de toepassing van levensbeŽindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding als bedoeld in artikel 293, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 294, tweede lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafrecht, geeft de behandelende arts geen verklaring van overlijden af en doet hij van de oorzaak van dit overlijden onverwijld door invulling van een formulier mededeling aan de gemeentelijke lijkschouwer of een der gemeentelijke lijkschouwers. Bij de mededeling voegt de arts een beredeneerd verslag inzake de inachtneming van de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2 van de Wet toetsing levensbeŽindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.

3.      Indien de behandelende arts in andere gevallen dan die bedoeld in het tweede lid meent niet tot afgifte van een verklaring van overlijden te kunnen overgaan, doet hij hiervan onverwijld door invulling van een formulier mededeling aan de gemeentelijke lijkschouwer of een der gemeentelijke lijkschouwers.

Artikel 8

1.      Op de kist of op een ander omhulsel van het lijk wordt een registratienummer aangebracht, dat correspondeert met het nummer, vermeld op een bijgevoegd document dat tevens de namen, de data van geboorte en overlijden van de overledene dan wel de geslachtsnaam van de doodgeborene bevat, nadat is vastgesteld dat het document betrekking heeft op het lijk.

2.      Tot begraving of crematie wordt niet overgegaan dan nadat de houder van de begraafplaats of van het crematorium de overeenkomst heeft vastgesteld tussen het op de kist of het omhulsel vermelde registratienummer en het nummer, vermeld op het document, bedoeld in het eerste lid.

3.      Indien er reden is om aan te nemen dat de gegevens op het document dan wel op de kist of het omhulsel niet juist zijn, vindt zo mogelijk de identificatie van het lijk plaats door twee personen die de overledene bij leven hebben gekend, in tegenwoordigheid van de houder van de begraafplaats of het crematorium.

Artikel 9

1.      De vorm en de inrichting van de modellen van de verklaring van overlijden, af te geven door de behandelende arts en door de gemeentelijke lijkschouwer, worden geregeld bij algemene maatregel van bestuur.

2.      De vorm en de inrichting van de modellen van de mededeling en het verslag, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de mededeling bedoeld in artikel 7, derde lid en van de formulieren bedoeld in artikel 10, eerste en tweede lid, worden geregeld bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Artikel 10

1.      Indien de gemeentelijke lijkschouwer meent niet tot afgifte van een verklaring van overlijden te kunnen overgaan, brengt hij door invulling van een formulier onverwijld verslag uit aan de officier van justitie en waarschuwt hij onverwijld de ambtenaar van de burgerlijke stand.

2.      Onverminderd het eerste lid brengt de gemeentelijke lijkschouwer, indien sprake is van een mededeling als bedoeld in artikel 7, tweede lid, door invulling van een formulier onverwijld verslag uit aan de regionale toetsingscommissie bedoeld in artikel 3 van de Wet toetsing levensbeŽindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. Hij zendt het beredeneerd verslag als bedoeld in artikel 7, tweede lid, mee.

Artikel 10a

1.      Indien de schouwing, bedoeld in artikel 7, eerste lid, een minderjarige betreft en is verricht door de behandelende arts, geeft deze een verklaring van overlijden slechts af na overleg met de gemeentelijke lijkschouwer.

Navolgende bepalingen zijn op 1 oktober 2012 in werking getreden:

2.      De gemeentelijke lijkschouwer kan, na de minderjarige te hebben geschouwd, in afwijking van artikel 10, eerste lid, zorg dragen voor een nader onderzoek naar de doodsoorzaak. Een nader onderzoek vindt niet plaats, indien de lijkschouwer vermoedt dat het overlijden het gevolg is van een strafbaar feit.

3.      De behandelende arts en andere betrokken hulpverleners verstrekken de gemeentelijke lijkschouwer die het nader onderzoek leidt, op diens verzoek terstond de informatie dan wel inzage in of afschrift van bescheiden over de overleden minderjarige, die hij noodzakelijk acht in het kader van het nader onderzoek. De lijkschouwer gebruikt de informatie uitsluitend met het doel de doodsoorzaak vast te stellen.

4.      Na het onderzoek geeft de lijkschouwer een verklaring van overlijden af dan wel brengt hij door invulling van een formulier onverwijld verslag uit aan de officier van justitie en waarschuwt hij onverwijld de ambtenaar van de burgerlijke stand.

ß 2. Verlof tot begraving of crematie

Artikel 11

Geen begraving of crematie van een lijk geschiedt zonder schriftelijk verlof van de ambtenaar van de burgerlijke stand, dat kosteloos wordt afgegeven. Het formulier voor dit verlof wordt door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vastgesteld.

Artikel 11a

Onverminderd artikel 2, tweede lid, kan een menselijke vrucht als bedoeld in dat artikel worden begraven of gecremeerd mits een verklaring van de behandelende arts wordt overgelegd, waaruit blijkt dat het een menselijke vrucht als bedoeld in dat artikel betreft.

Artikel 12

Verlof tot begraving of tot crematie wordt niet verleend, zolang niet is overgelegd een verklaring van overlijden, afgegeven door de behandelende arts of een gemeentelijke lijkschouwer, dan wel een verklaring waaruit blijkt van geen bezwaar van de officier van justitie tegen begraving of crematie. Indien de officier van justitie in de gevallen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, meent niet tot de afgifte van een verklaring van geen bezwaar tegen begraving of crematie te kunnen overgaan, stelt hij de gemeentelijke lijkschouwer en de regionale toetsingscommissie bedoeld in artikel 3 van de Wet toetsing levensbeŽindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, hiervan onverwijld in kennis.

Artikel 12a

1.      Tegelijk met de afgifte der verklaring van overlijden, bedoeld in artikel 12, doet de arts opgave van de doodsoorzaak en van de onmiddellijk daarmee samenhangende gegevens ten behoeve van de statistiek.

2.      Indien een lijk wordt begraven, gecremeerd, ontleed, gebalsemd of aan een andere conserverende bewerking wordt onderworpen krachtens een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 12, wordt de opgave gedaan door een arts, aangewezen door de officier van justitie.

3.      De opgave, bedoeld in het eerste en tweede lid, geschiedt op een door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport vast te stellen formulier en wordt zo spoedig mogelijk in een gesloten enveloppe gezonden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. Aan deze enveloppe is een strook bevestigd, welke de identiteit van de overledene vermeldt. De ambtenaar van de burgerlijke stand zendt de enveloppe ongeopend, voor zover mogelijk voorzien van het nummer van de overlijdensakte, onder achterhouding van de strook met inachtneming van door Onze in dit lid genoemde Minister te stellen termijnen, aan de geneeskundige hoofdinspecteur van de volksgezondheid. Onze in dit lid genoemde Minister kan bepalen dat deze enveloppen rechtstreeks zullen worden gezonden aan de medisch ambtenaar van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Artikel 13

1.      De ingevolge artikel 12 overgelegde stukken worden bij de akte van overlijden gevoegd.

2.      Bij gebreke van een akte worden de overgelegde stukken bewaard door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats van begraving of crematie.

Artikel 14

1.      Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden als bevoegde officier van justitie en als bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand aangemerkt die van de plaats, waar betreffende de overledene of doodgeborene ingevolge aangifte een akte in het register van overlijden is ingeschreven.

2.      Bij gebreke van een akte zijn bevoegd de officier van justitie en de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats van begraving of crematie.

Artikel 15

Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur afwijkingen toestaan van het bepaalde in de paragrafen 1, 2 en 3 van dit hoofdstuk ten aanzien van lijken, die Nederland worden binnengebracht.

ß 3. Termijn

Artikel 16

Begraving of crematie geschiedt niet eerder dan 36 uren na het overlijden en uiterlijk op de zesde werkdag na het overlijden.

Artikel 17

1.      Na een arts te hebben gehoord kan de burgemeester der gemeente, waar het lijk zich bevindt, voor de begraving of crematie daarvan een andere termijn stellen. Begraving of crematie binnen 36 uur na het overlijden staat hij echter niet toe dan in overeenstemming met de officier van justitie.

2.      Van het besluit van de burgemeester staat binnen 24 uur beroep open op Onze Commissaris in de provincie, die daarop onmiddellijk beslist. De Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

ß 4. Voorziening in de lijkbezorging

Artikel 18

1.      In de lijkbezorging wordt voorzien door degene, die het in artikel 11 bedoelde verlof aanvraagt, dan wel door degene, die redelijkerwijze geacht kan worden in diens plaats te zijn getreden. De lijkbezorging geschiedt overeenkomstig de wens of de vermoedelijke wens van de overledene, tenzij dat redelijkerwijs niet gevergd kan worden.

2.      Onder lijkbezorging wordt voor de toepassing van deze paragraaf begrepen het geven van bestemming aan de as van een gecremeerd lijk.

Artikel 19

1.      Een meerderjarige, of hij, die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, kan, ook indien hij niet bekwaam is een uiterste wil te maken, hetzij bij notariŽle akte, hetzij bij een eigenhandig geschreven, gedagtekende en ondertekende verklaring beschikkingen na dode maken ter bezorging van zijn lijk.

2.      Een in algemene bewoordingen gestelde herroeping van uiterste wilsbeschikkingen wordt geacht geen herroeping in te houden van een vroeger te kennen gegeven wens, als bedoeld in het eerste lid.

ß 5. Overheidszorg

Artikel 20

Ingeval niemand maatregelen neemt tot lijkschouwing of lijkbezorging overeenkomstig de wet, waarschuwt degene, die het lijk onder zijn berusting heeft, de burgemeester en wel uiterlijk op de derde dag na het overlijden.

Artikel 21

1.      Indien niemand voorziet in de lijkschouwing en lijkbezorging overeenkomstig de wet, draagt de burgemeester daarvoor zorg. Aan hoofdstuk V wordt in dat geval geen toepassing gegeven, tenzij de overledene zijn lijk uitdrukkelijk tot ontleding heeft bestemd.

2.      Indien de toepassing van het voorgaand lid wordt verhinderd, doordat het lijk zich in een woning bevindt en de afgifte van het lijk of de toegang tot de woning wordt geweigerd, heeft de burgemeester of een ambtenaar van politie toegang tot die woning zonder toestemming van de bewoner, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.

3.      Indien de identiteit van het lijk niet kan worden vastgesteld, draagt de burgemeester er, uitsluitend ten behoeve van de identificatie en opsporing van vermiste personen, zorg voor dat door of onder verantwoordelijkheid van een arts daarvan lichaamsmateriaal wordt afgenomen.

4.      Zo nodig kan tevens door of onder verantwoordelijkheid van een arts onderzoek in het lichaam worden verricht of een gebitsstatus worden opgemaakt of kunnen door een daartoe bevoegde ambtenaar van politie afdrukken van lichaamsdelen worden afgenomen.

5.      Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing indien het de burgemeester bekend is dat daarin genoemde handelingen reeds in opdracht van de officier van justitie hebben plaatsgevonden.

6.      Een lijk als bedoeld in het derde lid wordt begraven.

Artikel 22

De kosten, verbonden aan de bezorging van lijken waarvoor de burgemeester zorg draagt, daaronder begrepen lijken die uit zee worden aangebracht, komen ten laste van de gemeente. Voor zover zij door de bij de lijken gevonden, niet klaarblijkelijk aan anderen toebehorende goederen of gelden niet kunnen worden gedekt, kan de gemeente die kosten verhalen op de nalatenschap en, bij ongenoegzaamheid van deze, op de bloed- en aanverwanten, die krachtens de artikelen 392-396 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek tot onderhoud van de overledene verplicht zouden zijn geweest, dan wel de reder indien en voor zover kosten van de lijkbezorging op grond van artikel 416 Wetboek van Koophandel voor diens rekening komen. Artikel 13 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand is voor zover mogelijk van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk III. Begraving

ß 1. Algemene bepalingen

...................................................................................................

Artikel 29

1.      Een lijk wordt slechts opgegraven met vergunning van de burgemeester van de gemeente waarin het is begraven, en, indien het een particulier graf betreft, met toestemming van de rechthebbende op het graf.

2.      Aan de vergunning verbindt de burgemeester de nodige voorschriften betreffende geneeskundig toezicht alsmede vervoer en bestemming van het lijk.

3.      Een opgegraven lijk mag worden gecremeerd, wanneer het verzoek daartoe gedaan wordt door de in artikel 18 bedoelde persoon. De paragrafen 1, 2 en 3 van hoofdstuk II zijn ten aanzien van de crematie niet van toepassing.

4.      Crematie binnen een jaar na de begraving vindt slechts plaats met schriftelijk verlof van de officier van justitie van de plaats van opgraving.

Artikel 30

Artikel 29 is niet van toepassing bij een opgraving ingevolge een bevel van een gerechtelijke autoriteit met het oog op een strafrechtelijk onderzoek.

.................................................................................................

Hoofdstuk V. Bijzondere wijzen van lijkbezorging

Artikel 67

1.      Een lijk kan in het belang van de wetenschap of het wetenschappelijk onderwijs worden ontleed.

2.      Ontleding geschiedt slechts, indien de overledene zijn lijk daartoe heeft bestemd. De artikelen 18, eerste lid, tweede volzin, en 19 zijn van toepassing.

3.      Bij gebreke van een bestemming inzake lijkbezorging door de overledene kan ontleding eveneens geschieden, indien de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel dan wel, bij ontstentenis of onbereikbaarheid van deze, de naaste onmiddellijk bereikbare meerderjarige bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad, of, wanneer ook deze niet bereikbaar zijn, de aanwezige meerderjarige erfgenamen of anders degenen die de zorg voor het lijk op zich nemen, dit daartoe bestemmen.

Artikel 68

1.      Ontleding geschiedt slechts met schriftelijk verlof van de burgemeester. Het verlof wordt binnen drie dagen kosteloos afgegeven en vermeldt de plaats van ontleding.

2.      Van het besluit van de burgemeester staat binnen 24 uren beroep open op Onze Commissaris in de provincie, die daarop onmiddellijk beslist. De Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 69

1.      Ontleding vangt niet eerder aan dan 36 uren na het overlijden.

2.      Deze handeling wordt niet verricht dan door of onder het toezicht van een arts.

Artikel 70

Wij geven bij algemene maatregel van bestuur voorschriften omtrent de wijze, waarop met lijken van personen of van doodgeborenen, aan boord van Nederlandse schepen op zee overleden onderscheidenlijk ter wereld gekomen, gehandeld dient te worden. Daarbij worden de gevallen geregeld, waarin een lijk overboord wordt gezet of aan een conserverende bewerking wordt onderworpen.

Hoofdstuk VI. Bijzondere bepalingen

Artikel 71

1.      Een lijk wordt niet gebalsemd of onderworpen aan enige andere conserverende bewerking die niet is gericht op gebruik van delen van het lijk ingevolge de Wet op de orgaandonatie. In uitzonderlijke gevallen kan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ontheffing van dit verbod verlenen.

In de ontheffing wordt de wijze en de plaats van de lijkbezorging vermeld. De artikelen 12-15 zijn van overeenkomstige toepassing.

2.      Het verbod, vermeld in het eerste lid, is niet van toepassing, indien het lijk tot ontleding bestemd is of naar het buitenland wordt gezonden.

3.      Artikel 69 is van overeenkomstige toepassing. Indien het lijk tot ontleding is bestemd, is alleen het tweede lid van dat artikel van overeenkomstige toepassing.

4.      In afwijking van het eerste lid kan een lijk worden onderworpen aan een conserverende bewerking die ten hoogste tien dagen effect heeft.

5.      Een bewerking als bedoeld in het vierde lid vindt eerst plaats nadat is vastgesteld dat verwijdering van een of meer organen als bedoeld in de Wet op de orgaandonatie niet zal plaatsvinden.

6.      Bij ministeriŽle regeling kunnen eisen worden gesteld aan de opleiding en de vakbekwaamheid van degenen die de bewerking, bedoeld in het vierde lid, uitvoeren alsmede aan de wijze van bewerking.

Artikel 72

1.      Indien de overledene dit heeft toegestaan, kan zijn lijk aan sectie worden onderworpen. Artikel 19 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in het geval van de daar bedoelde verklaring met eigenhandige ondertekening en dagtekening kan worden volstaan.

2.      Bij gebreke van toestemming van de overledene kan daarvoor in de plaats treden die van de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel dan wel, bij ontstentenis of onbereikbaarheid van deze, van de naaste onmiddellijk bereikbare meerderjarige bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad, of, wanneer ook deze niet bereikbaar zijn, van de aanwezige meerderjarige erfgenamen of anders van degenen die de zorg voor het lijk op zich nemen.

Artikel 73

1.      De beperkingen, gesteld in artikel 72, zijn niet van toepassing:

a.      in geval van een bevel van een gerechtelijke autoriteit in verband met een strafrechtelijk onderzoek;

b.      indien de sectie geschiedt op verzoek van de betrokken hoofdinspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid;

c.       indien de sectie geschiedt op verzoek van de voorzitter van de Onderzoeksraad voor veiligheid.

2.      Bij toepassing van het eerste lid wordt de persoon bedoeld in artikel 72, tweede lid, daarvan in kennis gesteld.

Navolgende bepaling in artikel 74 is op 1 oktober 2012 in werking getreden:

Artikel 74

1.      Indien een gemeentelijke lijkschouwer in het kader van het nader onderzoek, bedoeld in artikel 10a, tweede lid, sectie noodzakelijk acht, kan hij bij gebreke van toestemming van een ouder van de minderjarige de rechtbank verzoeken vervangende toestemming te verlenen.

2.      Bevoegd is de rechtbank van de plaats waar het ziekenhuis of andere instelling waarin het nader onderzoek plaatsvindt, is gelegen.

3.      De rechtbank verleent de toestemming, tenzij het belang om de doodsoorzaak van minderjarigen vast te stellen niet opweegt tegen de gevolgen die inwilliging van het verzoek voor de ouder zou hebben.

Artikel 75

Het verrichten van sectie geschiedt door een arts, nadat deze zich er van tevoren van heeft vergewist dat het intreden van de dood door een andere arts is vastgesteld en aan de vereisten, geldend ingevolge de artikelen 72, 73 en 74 is voldaan.

Artikel 76

1.      Wanneer tekenen of aanduidingen van een niet-natuurlijke dood aanwezig zijn of wanneer in verband met andere omstandigheden een niet-natuurlijke dood niet uitgesloten geacht kan worden, mag het lijk niet worden vervoerd dan met verlof van de officier van justitie of een van zijn hulpofficieren.

2.      In zodanig geval mag ontleding, conservering als bedoeld in artikel 71, eerste en vierde lid , sectie of verwijdering van organen uit het lijk voor orgaandonatie als bedoeld in de Wet op de orgaandonatie niet plaatsvinden, of indien reeds aangevangen, niet worden voortgezet, dan met toestemming van de officier van justitie.

3.      Indien de officier van justitie een geval als bedoeld in het eerste lid aanwezig acht, kan hij uitstel van de begraving of van de crematie van het lijk gelasten, of de crematie verbieden. Zolang een zodanige maatregel van kracht is, wordt het lijk niet begraven of gecremeerd, onderscheidenlijk niet gecremeerd, en geeft de ambtenaar van de burgerlijke stand daartoe geen verlof.

4.      Indien de officier van justitie een geval als bedoeld in het eerste lid aanwezig acht kan hij verbieden dat de as wordt verstrooid, ter beschikking wordt gesteld aan een nabestaande of naar het buitenland wordt verzonden.

5.      Voor de toepassing van dit artikel wordt als bevoegde officier van justitie aangemerkt die van de plaats waar het lijk het eerst is aangetroffen.

Artikel 77

De bevoegdheden die artikel 76 aan de officier van justitie toekent, komen mede toe aan de rechter-commissaris die onderzoekshandelingen in de zaak verricht.

Artikel 78

Wij stellen bij algemene maatregel van bestuur regelen met betrekking tot het vervoer van lijken uit Nederland naar het buitenland en uit het buitenland naar Nederland.

Artikel 79

Wij stellen bij algemene maatregel van bestuur regelen betreffende de in deze wet geregelde onderwerpen voor de territoriale zee en voor het aan Nederland grenzende deel van het continentale plat, waarop het Koninkrijk souvereine rechten heeft, en voor landen buiten Nederland voor het geval aldaar door of vanwege Nederlandse militaire autoriteiten ter uitvoering van een internationale overeenkomst handelingen, die onderwerpen betreffende, verricht kunnen worden. In die regelen wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de in Nederland geldende wettelijke bepalingen.

Hoofdstuk VII. Strafbepalingen

Artikel 80

Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft:

het bezorgen, bewaren, wegmaken, vervoeren, vernietigen, ontleden, balsemen of conserverend behandelen van een lijk in strijd met of anders dan met inachtneming van hetgeen is bepaald bij of krachtens de artikelen 11, 23, 25, 29, derde lid, 46, eerste lid, 49, 67, 68, 69, tweede lid, 70, 71, 76 en 78;

het geven van verlof tot begraving of crematie in strijd met de artikelen 12 en 76, derde lid;

het begraven, cremeren, ontleden, balsemen of op andere wijze conserverend behandelen van een lijk voordat dit ingevolge het bij of krachtens de artikelen 16, 17 of 69, eerste lid, bepaalde is toegestaan;

.........................................................

overtreding van een verbod als bedoeld in artikel 76, vierde lid;

het verrichten van sectie of het verwijderen van delen uit een lijk in strijd met het bepaalde bij de artikelen 72-75 en 76, tweede lid;

het verhinderen of belemmeren van een lijkschouwing dan wel een poging daartoe.

Artikel 81

Met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft:

overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3, 6, 7, eerste en tweede lid, 8, eerste en tweede lid, 10, 12a, eerste (en tweede lid)*, 20, 27, 50, 51, tweede lid, en 53;

* Toevoeging is in werking getreden op 1 maart 2011:Reparatiewet BZK 2010, ARTIKEL XIV..

de weigering tot afgifte van een lijk als bedoeld in artikel 21, tweede lid;

.........................................................................................................

Artikel 82

De ingevolge deze wet strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

Hoofdstuk VIII. Overgangs- en slotbepalingen

................................................................................................................

ß 2. Slotbepalingen

Artikel 87

1.      Deze wet is niet van toepassing op de lijkbezorging van leden van het Koninklijk Huis.

2.      Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan ten aanzien van andere bloed- en aanverwanten van de Koning ontheffing verlenen van bepalingen van deze wet.

................................................................................................................

Artikel 89

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen, gesteld in de artikelen 20 en 68, eerste lid.

Artikel 90

De bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen blijft ten aanzien van het onderwerp, waarin deze wet voorziet, gehandhaafd, voor zover die verordeningen niet met deze wet in strijd zijn.

.....................................................................................................

Artikel 94

De Wet op de lijkbezorging (Wet van 10 april 1869, Stb. 65) wordt ingetrokken.

Artikel 95

Deze wet kan worden aangehaald onder de titel: Wet op de lijkbezorging.

........................................................................................................................

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle MinisteriŽle Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.


Gegeven te 's-Gravenhage, 7 maart 1991
Beatrix

De Minister van Binnenlandse Zaken,
C. I. Dales

De Minister van Justitie,
E. M. H. Hirsch Ballin

De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
H. J. Simons



Terug naar begin van deze pagina