Overzicht inhoud


Taakveld arrestantenzorg

Voor arrestantenverzorgers/celwachten

In Artikel 32 van de Ambtsinstructie voor de Politie wordt bepaald:
"In het geval er aanwijzingen zijn dat een ingeslotene medische bijstand behoeft dan wel er bij deze persoon medicijnen zijn aangetroffen, overlegt de ambtenaar met de arts. De ambtenaar overlegt eveneens met de arts indien de ingeslotene zelf om medische bijstand of medicijnen vraagt."

De rol van de Burgemeester als 'korpsbeheerder' is sinds 1 januari 2013 definitief veranderd door een wijziging van de Politiewet. Opmerking:
In de Memorie van Toelichting (MvT) bij de Regeling beheer politie, ingevoerd per 1 januari 2013, schreef de Minister het volgende:
"Het voornemen bestaat om de taken en bevoegdheden van de korpschef op het terrein van de commissies van toezicht op de arrestantenzorg te verleggen naar de minister. Het gaat dan onder meer om de instelling van de commissies van toezicht op de arrestantenzorg, de benoeming van de leden en om rechtstreekse rapportage aan de minister. Deze beleidswijzing zou betere garanties kunnen bieden voor de onafhankelijkheid van de commissies van toezicht. Deze beleidswijziging vergt echter een zorgvuldige voorbereiding, zowel wat betreft de besluitvorming als wat betreft de regelgeving en is nu niet doorgevoerd. In 2013 zal een heroverweging op dit punt plaatsvinden, met mogelijke aanpassing van de regelgeving tot gevolg." Opmerkelijk:
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Informatie over medicaties

    Hieronder een link die snel algemene informatie geeft over de in Nederland gebruikelijke medicijnen. Op de pagina kan een 'alfabet' worden aangeklikt met de computer-muis op de eerste letter van de naam van het geneesmiddel. In de lijst die verschijnt kan dan het medicijn worden aangeklikt en een overzicht worden verkregen over de (bij)werkingen) van dat medicijn. Ook is daarbij informatie te vinden over wat er gedaan moet worden als het medicijn een keertje 'vergeten' is (waarbij telefonisch overleg met de dienstdoende arts noodzakelijk is). Bij de celbezoeken wordt de forensisch arts vaak geconfronteerd met een 'plastic zak' met allerlei medicatie die door betrokkene wordt gebruikt. De meest voorkomende medicaties zijn duidelijk maar af en toe bevinden zich ook 'buitenbeentjes' in het farmaceutisch arsenaal, die we toch even willen opzoeken. In het celblok is meestal wel een toegang tot internet aanwezig.
    Ter raadpleging (met een goede 'zoek'-functie op de pagina; tevens vermelding van de prijzen van de geneesmiddelen): Alleen als het helemaal niet lukt om een bepaald doosje met een merknaam te vinden was er voorheen nog het zgn. Repertorium. Een gedrukt (meestal verouderd) exemplaar van dit telefoonboekachtige werkje is, soms ergens diep verborgen in een la, nog in enkele cellencomplexen te vinden. Af en toeo is het daarmee nog mogelijk om de werkzame stof, die aanwezig is of zou moeten zijn, in het 'onbekende' doosje te achterhalen.
    Helaas vraagt het Repertorium tegenwoordig een vergoeding voor de elektronische raadpleging. Men dient zich eerst als gebruiker of als professional te registreren.
    De uitgever wees de FOMAT op de mogelijkheid een collectief abonnement af te sluiten zodat alle forensische artsen gebruik kunnen maken van de site. Een enkel abonnement kost Ä 26,50 per jaar. Dit is dus niet collectief en kan door slechts 1 gebruiker gebruikt worden. Toegang is dan alleen mogelijk op basis van ťťn IP-adres.
    Wij hebben de link naar de website van het Repertorium verwijderd.

  • Terug naar overzicht inhoud
  • Rol van de forensisch (werkzame) arts

    De dienstverlening (advisering) door een forensisch arts is niet hetzelfde als zorgverlening door dezelfde arts of door een huisarts. De forensisch arts verstrekt de advisering niet in opdracht van een ingeslotene maar op verzoek c.q. in opdracht van politie/justitie ter borging van het recht op medische verzorging van de ingeslotene. De forensisch arts krijgt hierdoor soms noodgedwongen een 'duale' rol op het grensgebied tussen advisering aan derden (politie/justitie) en de eigenlijke medische behandeling van een ingeslotene. De forensisch arts is zich voortdurend bewust van deze 'duale' rol en zal dit ook duidelijk maken naar de betrokkene en de opdrachtgever. Aangezien er geen sprake is van een 'vrijheid van artsenkeuze' voor de betrokkene kan een medische (be)handeling alleen met toestemming en instemming van betrokkene plaats vinden. Op dat moment ontstaat er een in de wet (Wgbo) vastgelegde arts-patiŽnt relatie waarbij niet tegelijkertijd ůůk een adviserende rol kan worden vervuld. De situatie kan (niet noodzakelijkerwijze) leiden tot een scheiding van de adviserende rol t.o.v. de rol als behandelaar (met een medisch beroepsgeheim). Indien de betrokkene na uitleg door de forensisch arts instemt met de (be)handeling (die vaak ook niet erg ingrijpend zal zijn) kunnen beide rollen door dezelfde arts worden ingevuld. Indien de betrokkene hier niet mee instemt dient een tweede arts te worden geraadpleegd die dan uitsluitend als behandelaar optreedt om zo het recht op medische behandeling (met beroepsgeheim) te borgen.
    (Bron: o.a. Handboek Arrestantenzorg 2002; Elsevier; pg 170 -171)

    Zie ook:
  • Terug naar overzicht inhoud
  • Kosten arrestantenzorg

    Er blijkt nogal eens discussie te zijn wie de kosten van medische behandeling en advisering tijdens detentie dient te dragen. Hierover plaatsen we de volgende achtergrondinformatie: De rol van de Burgemeester als 'korpsbeheerder' is sinds 1 januari in 2013 veranderd door een wijziging van de Politiewet.

  • Terug naar overzicht inhoud
  • Medische beoordeling bij intoxicaties

    Het Forensisch Medisch Genootschap (FMG) heeft de volgende richtlijnen uitgegeven (alleen voor artsen) over de beoordeling van intoxicaties waarbij de politie zal moeten worden geadviseerd over de zorg voor de ingeslotene. In januari en augustus 2009 verschenen de volgende persberichten:
  • Terug naar overzicht inhoud
  • Verslavingsproblematiek

    Veel kleine (en ook grote!!) criminaliteitsproblemen spelen zich af rondom de handel en het gebruik van verdovende middelen. Veel van de arrestanten met wie de forensisch arts in het cellenblok worden geconfronteerd blijken een verslavingsprobleem te hebben. Voor de forensisch arts is het dan ook van belang kennis te verwerven van de verslavingszorg en van de effecten van de gebruikte middelen. Op onze website gaan we hier in de toekomst aandacht aan besteden met aandacht voor de specifieke problematiek die de detentie in een politiecel met zich meebrengt. Een eerste aanzet hiertoe met de volgende informatie:
  • Terug naar overzicht inhoud
  • Richtlijn opiaatverslaafden

    Op 5 juni 2007 heeft het Forensisch Medisch Genootschap de volgende richtlijn uitgegeven die de komende jaren in de praktijk kan worden gebracht. Herziening volgde in 2009 en september 2012. In Schotland heeft zich in December 2009 een uitbraak van antrax onder 14 heroÔnegebruikers voorgedaan, in Duitsland (regio Aken) is 1 persoon gemeld. Het Trimbos instituut heeft verslavingsartsen in Nederland gevraagd alert te zijn op symptomen passend bij antrax.

    Vrijwel alle patiŽnten waren besmet door intraveneus, intramusculair of intracutaan drugsgebruik met waarschijnlijk besmette heroÔne. Kenmerkende symptomen waren ontsteking en abcessen rondom de injectieplaats, veelal gevolgd door necrotiserende fasciÔtis. In een enkel geval ontstond een sepsis welke binnen enkele uren fataal was. Twee personen ontwikkelden een beeld van een subarachnoÔdale bloeding of hemorragische meningitis. Zeven van de 14 personen zijn overleden. De meeste ziektegevallen deden zich voor in de week van 28 december en men vermoedt dat het hoogtepunt van de uitbraak inmiddels voorbij is. Injectie van besmette heroÔne, ontstaan tijdens transport van de heroÔne in besmette dierenhuiden in het land van herkomst, wordt als meest waarschijnlijke oorzaak beschouwd. Besmetting door inhalatie (chinezen of basen), is minder frequent maar kan niet worden uitgesloten. De patiŽnt in Duitsland werd op 7 december 2009 opgenomen met een onderhuidse infectie ter plaatse van de injectieplaats. Na een necrotiserende fasciÔtis is de patiŽnt overleden aan multi-orgaanfalen. Onderzoek naar mogelijk besmette heroÔne en een relatie met het Schotse cluster is nog gaande.
    Meer informatie over deze gevallen: Het is bekend dat besmette heroÔne bij injecterende drugsgebruikers ziekten als antrax en botulisme kan veroorzaken. De omvang van het antraxcluster in Schotland is echter bijzonder. In Nederland is het aantal injecterende drugsgebruikers afgelopen jaren aanzienlijk afgenomen, maar aangezien ook inhalatie tot besmetting kan leiden, heeft het Trimbos instituut uit voorzorg, zoals gebruikelijk bij signalen van besmette heroÔne, verslavingsartsen in Nederland alert gemaakt op mogelijke antraxinfectie onder hun cliŽnten. Bij een verdenking is aanvullende diagnostiek (grampreparaat, PCR en/of kweek van wondvocht of bloed) noodzakelijk in samenspraak met een arts-microbioloog. Bij onverwachte overlijdensgevallen onder verslaafden is alertheid geboden. Gelet dient te worden op infecties van huid en spierweefsel, rondom een injectieplaats, en luchtweginfectie, en/of sepsis.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Voedselweigering - een nachtmerrie voor de overheid...

    In mei 2013 kwam berichtgeving in het nieuws over grote onrust bij massale voedselweigeringen in detentieinrichtingen: De belemmering en de hindernissen die het Ministerie van Justitie in een volkomen overdreven paniekreactie meende te moeten opwerpen om het werk van een vertrouwensarts bij voedselweigering onmogelijk te maken waren te beschouwen als een uitermate zorgwekkende ontwikkeling.

    We zullen hier binnenkort meer aandacht aan gaan besteden op een speciale webpagina.
    Voedselweigering: de term 'honger'- of 'dorststaking' kan beter vermeden worden.....
    In de kern is hier sprake van een belangrijk mensenrechten probleem
    "Het recht van de machtelozen....." Opmerking:
    Waarom was een 'wekadvies' nodig als geen sprake was van verwondingen aan het hoofd?
    Was dit op advies van de eigen interne 'medische dienst' van de instelling?
    Waarom konden de uitwendig zichtbare verwondingen niet eerder gedocumenteerd worden?
    Op 31 mei 2013 verscheen een fotografische weergave van de verwondingen van 18 en 19 mei 2013.
    Op 15 juni 2013 mislukte een poging tot 'gedwongen' uitzetting met geweld van de eerder mishandelde vreemdeling en hongerstaker: wegens heftig protest van vliegtuigpassagiers en een weigering van de Franse autoriteiten in Parijs om hieraan mee te werken...
      "La police des frontiŤres franÁaises a ťtť appelťe dans lĻavion et quand ils ont vu comment les policiers nťerlandais traitaient M. Bah, ils se sont f‚chťs et ont dit ŗ leurs collŤgues nťerlandais: ęNous ne transportons mÍme pas les animaux comme Áa.Ľ (Ils lui avaient attachť les mains aux pieds et le portaient la tÍte en bas dans lĻavion.)"
    Op 25 juni 2013 mislukte een hernieuwde poging tot uitzetting omdat een arts van de Belgische luchtvaartmaatschappij, waarmee hij zou vliegen, hem onderzocht. De arts verklaarde betrokkene niet 'fit-to-fly'. Daarop werd de man weer mee terug genomen naar het Justitieel Medisch Centrum in Scheveningen.....
    Op 18 juli 2013 mislukte een vierde poging tot uitzetting omdat de ernstig verzwakte man door een arts van Air France in Parijs kort voor vertrek uit het vliegtuig werd gehaald.... Kennelijk schrikt de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie niet terug om schaamteloos en geheel 'volgens protocol' over te gaan tot het monddood maken van ongewenste getuigen en klokkenluiders... Detentie in vreemdelingenbewaring, overbodige en herhaalde vernederende lijfsvisitaties, afzondering in isoleercellen, slaapdeprivatie door zgn. 'wekadviezen', intimidatie, het voortdurend dwarsbomen van onafhankelijk artsenbezoek, mishandeling, uitzetting onder dwang, en nu ook kennelijk vervalsing van documenten......

    De lijst van schendingen van mensenrechten in Nederland wordt steeds langer..... Bij veel ambtenaren van Justitie blijkt de neiging te bestaan om een voedselweigering te benaderen alsof het een uiterst 'besmetteijke ziekte' betreft die met alle middelen meteen de kop moet worden ingedrukt. Een repressieve benadering werkt juist averechts.......
    Het blijkt niet tot de Staatssecretaris door te dringen dat door dit soort praktijken van de ambtenaren van Justitie in detentieinrichtingen mensen min of meer worden gedwongen om over te gaan tot wanhoopsacties als voedselweigering......
      Opmerkelijk:
    • Indiase vrouw staakt hongerstaking van zestien jaar
      De activiste werd in het jaar 2000 opgepakt en jarenlang vastgehouden in een gevangenisziekenhuis.
      Daar kreeg ze onder dwang sondevoeding via haar neus.
      Dat moest voorkomen dat ze zou verhongeren.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Rol van vertrouwensarts

    Kern van de zaak is recht op zelfbeschikking van eenieder, ook dat van ingeslotenen of gedetineerden, naast het recht verschoond te blijven van foltering of vernederende medische (be)handelingen. De vertrouwensarts is de beheerder van de zgn. 'non-interventie verklaring'. Deze arts behoort te allen tijde en zonder enige beperking of belemmering vrije toegang tot de betrokkene te verkrijgen. Deze arts is geen behandelend arts maar waakt over het recht op medische verzorging en ziet toe op de naleving van dit recht.

    De weigering om de vertrouwensarts onbelemmerd en vrijelijk toegang te verlenen tot betrokkene - of dat met eisen van ondertekening van zgn. 'verklaringen van geheimhouding' of andere verklaringen of met het opwerpen van allerlei spitsvondige hindernissen te omgeven - is een flagrante schending van artikel 3 van het het EVRM:

    "All medical examinations (...) must be conducted out of the hearing of law enforcement officials and, unless the doctor concerned requests otherwise in a particular case, out of the sight of such officials."
    Bron: Committee for the Prevention of Torture (CPT)

    Alleen de vertrouwensarts is op de hoogte van de inhoud van de zgn. 'non-interventie verklaring' en daarom de enige arts die weet wat de betrokkene heeft verklaard voor het geval dat op enig moment door bewustzijnsverlies een status van 'wilsonbekwaamheid' zou kunnen optreden. Vandaar dat een dagelijks contact met de vertrouwensarts essentieel is.
    Het is onbegrijpelijk dat deze essentie niet is doorgedrongen tot iemand die zich nota bene profileert als 'jurist van de KNMG'.....

    Bij het Ministerie van Justitie en de Staatssecretaris leeft kennelijk de nogal vreemde opvatting dat een vertrouwensarts 'aangeboden', 'toegewezen' of 'uitgekozen' kan worden door ambtenaren die zelf werkzaam zijn als overheidsdienaren. De keuze van een betrokkene om zich te laten bijstaan en te laten adviseren door een vertrouwensarts vloeit voort uit het recht van vrije artsenkeuze. Ook voor gedetineerden geldt dit recht volgens artikel 42 van de Penitentiaire beginselenwet.
    De vertrouwensarts is niet een 'onafhankelijk' arts ten behoeve van advisering van de overheid of 'in opdracht' van de overheid. Deze arts zal beide partijen, zowel de betrokkene zelf als de overheid, voortdurend wijzen op de (medische) consequenties van het handelen zoals zich dat voltrekt in het verloop van een voedsel- en/of vochtweigering.
    De vertrouwensarts zal zich dientengevolge ook strict onthouden van de afgifte van verklaringen met betrekking tot het 'fit to travel' of 'fit to fly'. Geheel volgens de richtlijnen van de KNMG behoort ook de vertrouwensarts dergelijke verklaringen niet af te geven. Uiteraard zal de vertrouwensarts andere artsen wel voortdurend wijzen op de consequenties van het afgeven van dergelijke verklaringen.

    Helaas bestaat ook bij veel forensisch (werkzame) artsen ten onrechte nogal eens onbegrip, en zelfs wantrouwen, tegenover de arts die zich opstelt als vertrouwensarts. Bedenk, voordat u commentaar levert, eerst uw eigen antwoorden op de volgende vier vragen:
    1. Beschikt u over een volledige medische onafhankelijkheid en vrijheid van handelen?
    2. Zou een hongerstaker bereid zijn om aan u volledig vertrouwen te geven?
    3. Bent u bereid om met moeilijke en lastige ethische dilemmaís geconfronteerd te worden?
    4. Staat u redelijk neutraal t.o.v. politieke doeleinden van de hongerstaking?
    en leest u eerst nog even de tekst van de internationaal geaccepteerde Verklaring van Malta en bepaal uw mening en uw medische beslissing over het toepassen van dwangvoeding: Met name door het werk van vertrouwensartsen, die de betrokkene(n) wijzen op de risico's, verdwijnt de berichtgeving in de media meestal als sneeuw voor de zon.

    De ronduit denigrerende opmerkingen van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie in het AO van 19 juni 2013 in de richting van de vertrouwensarts geven blijk van het feit dat deze Staatssecretaris nog steeds niet bijster veel begrepen had van de 'menselijke maat' waar hij, blijkens de antwoorden op Kamervragen van 22 mei 2013, zelf zo hoog over pleegt op te geven......

    Tijdens een AO van 30 oktober 2013 kwam de positie van de vertrouwensarts opnieuw ter sprake. De Staatssecretaris) hierover:
    Het optreden van vertrouwensartsen bij hongerstakingen:
    "De randvoorwaarden waaronder zij hun werk verrichten, zijn inmiddels door het Justitieel Medisch Centrum op schrift gesteld en per brief aan alle betrokken vertrouwensartsen gemeld. De IGZ is akkoord met die brief. Op dit moment worden de randvoorwaarden met de ketenpartners afgestemd, waarna ze zullen worden opgenomen in de richtlijn voor alle inrichtingen van de DJI, opdat iedereen weet op welke manier we met die vertrouwensartsen omgaan. De lijn die wij volgen bij het handelen van vertrouwensartsen, is inmiddels bekrachtigd door een uitspraak van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming."
  • Terug naar overzicht inhoud
  • Taakveld lijkschouw

    De Wet op de lijkbezorging regelt wat er moet gebeuren als iemand komt te overlijden. Zo zijn er regels gegeven omtrent de lijkschouw en over begraven, cremeren en ontleding. Burgemeester en wethouders dienen ťťn of meerdere gemeentelijke lijkschouwers te benoemen. Indien er geen nabestaanden zijn, dient de burgemeester in de lijkbezorging te voorzien. De onderliggende uitvoeringsregelingen zijn nog een stuk gedetailleerder. Voor nabestaanden had de overheid voorheen een website ingericht met informatie over alle instanties die moeten, of automatisch worden, ingelicht na het overlijden. Recent werd deze website (www.overlijden.overheid.nl) van het web verwijderd.
  • Terug naar overzicht inhoud
  • Handreiking en formulieren

    Het verrichten van een lijkschouw is primair de taak van de behandelend arts. In de praktijk blijken er veel vragen te zijn over de lijkschouw, wat is dat precies, waar moet op gelet worden, welke formulieren moeten ingevuld worden, wat is een niet-natuurlijke dood, etc. Met toestemming van de KNMG (waarvoor dank!) nemen we de tekst (met enkele kanttekeningen) van de kleine 'blauwe' brochure uit november 2005 over. Ook plaatsen we het model van de A-verklaring die door de behandelend arts moet worden afgegeven bij een natuurlijk overlijden en informatie over de B-verklaring. Het vaststellen van de dood kan door eenieder (met enig gezond verstand) geschieden. Daar blijken, ook bij veel (para)medici en zelfs bij verpleegkundigen, veel misverstanden over te bestaan. De vroegere praktijk van ambulancediensten om een overledene naar het ziekenhuis te vervoeren om daar de dood door een arts te laten vaststellen is in de laatste jaren niet meer gebruikelijk.
    De lijkschouw, en daar gaat het vaststellen van het overlijden logisch gesproken altijd aan vooraf, is echter voorbehouden aan de behandelend (*) arts of de gemeentelijk lijkschouwer: alleen zij mogen de aard van overlijden vaststellen en een doodsoorzakenverklaring afgeven.
    De lijkschouw is primair gericht op de vraag of er sprake is van een natuurlijke, dan wel een niet-natuurlijke dood. De arts vormt zich hierover een oordeel op basis van informatie over de toedracht verkregen van omstanders en nabestaanden, onderzoek van de omgeving, onderzoek van het lichaam van de overledene en, indien noodzakelijk, gegevens uit het medisch dossier.

    (*) In artikel 7, eerste lid, van de Wlb. wordt overigens niet gesproken van 'behandelend arts' maar van 'hij die de schouwing heeft verricht'.
    Zie hierover: Inspectie (IGZ) in 2004: 'Behandelend arts' in de Wet op de lijkbezorging
  • Terug naar overzicht inhoud
  • Natuurlijk en niet-natuurlijk overlijden

    Een 'natuurlijke dood' kan niet worden vastgesteld, zoals in de media regelmatig wordt gesuggereerd. Men kan in feite slechts de constatering uitspreken dat geen redenen aanwezig zijn om van het tegendeel uit te gaan. Als geen doodsoorzaak kan worden vastgesteld (of worden verzonnen...) is automatisch oftewel ex juvantibus, sprake van een natuurlijke dood, door welke oorzaak dan ook.

    In de praktijk blijken nogal eens misverstanden en onbegrip te bestaan over het onderscheid en het spraakgebruik rondom de beide begrippen en de criteria die daarvoor moeten worden gehanteerd. Belangrijk is om te onderkennen dat dit onderscheid niet zozeer feitelijk van belang is maar uitsluitend een zeer beperkt juridisch doel dient omdat de toepassing van wettelijke voorschriften daarmee wordt vastgelegd.

    De achterliggende gedachte van de wetgever is dat geen begraving of crematie van een overledene kan/mag plaatsvinden zonder dat het aspect van strafbaarheid en aansprakelijkheid in relatie tot het overlijden onderzocht of opgehelderd is.

    De omschrijving van de beide begrippen, intussen alweer daterend uit 1979, luidt:
      "Natuurlijk overlijden is overlijden door spontane ziekte ("of ouderdom"), inclusief een complicatie van een 'lege artis' uitgevoerde medische behandeling." (*)

      (*) De laatste toevoeging staat bekend als de zgn. medische exceptie.
      Begin 2016 werd "of ouderdom" uit de definitie geschrapt
      "Niet-natuurlijk overlijden is ieder overlijden dat (mede) het gevolg is van uitwendig (fysisch of chemisch) geweld, ook wanneer dit niet door menselijk toedoen is veroorzaakt, alsmede overlijden waarbij sprake is van opzet of schuld (van de overledene zelf of anderen)."
    Belangrijk in de definitie van niet-natuurlijk overlijden is het woordje 'gevolg'. Dit houdt in dat een externe factor op enig moment moet hebben bijgedragen aan het overlijden, m.a.w het overlijden zou niet of naar alle waarschijnlijkheid niet op het daadwerkelijke tijdstip van overlijden hebben plaatsgevonden zonder inwerking van de externe factor. Meer uitleg hierover en over de gang van zaken bij overlijden hebben we geplaatst op: In de Nederlandse situatie legt de wetgever tot nu toe de bijzondere verantwoordelijkheid van de beoordeling of er sprake is van natuurlijk of niet-natuurlijk overlijden bij de arts zelf (die de lijkschouw verricht) zonder dat een tweede onafhankelijk arts hierover een (mede)oordeel uitspreekt. Sinds 1 januari 2010 mag de arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer.

    De gemeentelijk lijkschouwer heeft in de Nederlandse situatie uitsluitend een signalerende functie en rapporteert bij (een vermoeden van) een niet-natuurlijk overlijden aan de Officier van Justitie die helemaal zelf, al of niet na (on)gevraagd advies van de gemeentelijk lijkschouwer, mag besluiten of nader onderzoek noodzakelijk is. De gemeentelijk lijkschouwer is gťťn (buitengewoon) opsporingsambtenaar of een bevoegd gerechtelijk deskundige en is in principe niet verder betrokken bij dit nader onderzoek.

    Strafvorderlijke relevantie is, zoals vaak abusievelijk wordt gedacht, gťťn criterium bij het onderscheid tussen natuurlijke en niet-natuurlijke dood en speelt daarbij geen rol en behoort ook geen rol te spelen. Bij de meerderheid van de gevallen van niet-natuurlijk overlijden (ongevallen, verdrinking, zelfdoding) zal bij oriŽnterend nader onderzoek vastgesteld worden dat geen gronden bestaan voor strafrechtelijke vervolging. Voor het vaststellen van de causaliteit - het wettig bewijs dat het overlijden onomstotelijk en zonder twijfel is veroorzaakt door de externe factor - is nader onderzoek of een gerechtelijke obductie dan overbodig en niet noodzakelijk. Het stoffelijk overschot wordt vervolgens meteen weer 'vrijgegeven' door de Officier van Justitie.

    De vaststelling en/of de beoordeling of bij een niet-natuurlijk overlijden al of niet sprake is van een strafbaar feit is een zaak voor de Politie en de Officier van Justitie en behoort niet tot de bemoeienis van de gemeentelijk lijkschouwer.

  • Terug naar overzicht inhoud
  • Richtlijn lijkschouw door forensisch arts

    Op 1 april 2007 had het Forensisch Medisch Genootschap de volgende richtlijn uitgegeven, die eerst in november 2009 en daarna in december 2011 opnieuw werd herzien. De geldigheid van deze 3e versie eindigde in december 2014. Op 16 maart 2016 werd deze richtlijn door het FMG verwijderd... De gemeentelijk lijkschouwer speelt geen enkele rol in het strafvorderlijk proces. Zo heeft de wetgever het ook bedoeld en omschreven in de artikelen 10 en 12 van de Wet op de lijkbezorging. Verlof tot begraving of crematie mag door de ambtenaar van de Burgerlijke Stand (namens BenW) niet worden afgegeven zonder dat bij een niet-natuurlijk overlijden een verklaring van 'geen bezwaar' is afgegeven door de Officier van Justitie. De Wet op de lijkbezorging maakt geen onderdeel uit van het Wetboek van Strafvordering. Het is belangrijk om te bedenken dat een strafvorderlijk relevante verklaring van de gemeentelijk lijkschouwer over een niet-natuurlijke dood niet bestaat. De zgn. art.10 verklaring van de lijkschouwer, gericht aan de OvJ, zegt alleen maar dat er geen overtuiging bestaat over het feit dat het een natuurlijke dood betreft. Daarmee is de bemoeienis van de gemeentelijk lijkschouwer ten einde. De kosten voor de werkzaamheden van de gemeentelijk lijkschouwer komen ten laste van BenW van de gemeente van overlijden en niet ten laste van de Politie of het OM.
    In de functie van gemeentelijk lijkschouwer treedt de forensisch (werkzame) arts in Nederland alleen op in het kader van de Wet op de lijkbezorging en niet in dienst van Justitie. Het enige 'instrument' waarover de gemeentelijk lijkschouwer beschikt is de zgn. artikel 10 verklaring. Een bepaling in de wet dat de Officier van Justitie verplicht zou zou zijn om een (on)gevraagd advies van de forensisch (werkzame) arts op te volgen kent Nederland niet. Helaas blijkt een aantal forensisch (werkzame) artsen te denken dat zij als gemeentelijk lijkschouwer zouden beschikken over de bevoegdheden van een (buitengewoon) opsporingsambtenaar. Dit is echter volstrekt onjuist. Voor de zekerheid, en voor degenenen die dit niet willen geloven, plaatsen we daarom de volgende informatie: In antwoord op Kamervragen op 28 oktober 2014 deelde de Minister van VenJ mee:
    " Er bestaat een richtlijn lijkschouw, welke is opgesteld door de Vakgroep Forensische geneeskunde van GGD NL, het Forensisch Medisch Genootschap (FMG) en het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). De richtlijn stelt dat tijdens een lijkschouw zowel bloed als urine moet worden afgenomen en dat een oriŽnterend toxicologisch onderzoek (sneltest) van urine op veel voorkomende drugs/medicatie dient te worden uitgevoerd. Een lijkschouw is een vorm van maatwerk en soms kan het feitelijke handelen niet in overeenstemming zijn met de richtlijn. Een vereiste is wel dat degene die afwijkt van de richtlijn, de gevolgde werkwijze en de motivatie voor het afwijken registreert. Er is ook ruimte voor lokaal en regionaal maatwerk. In deze gevallen zullen de afwijkende afspraken, als aanvulling op de standaard richtlijnen, in de organisatie moeten worden vastgelegd. Het registeren van afwijkingen is een vereiste in het kader van de HKZ-certificatie (Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling in de Zorgsector).
    Er is geen informatie beschikbaar over de vraag of, en zo ja, hoe vaak wordt afgeweken van de richtlijn. "


  • Terug naar overzicht inhoud
  • Weefsel- en orgaandonatie

    In 1996 werd de Wet op de orgaandonatie aangenomen. Toch heeft twintig jaar later in 2016 slechts 40% van de Nederlanders laten registreren of ze na hun dood hun organen zouden willen afstaan.
    De Nederlandse Transplantatie Stichting (NTS) is opgericht in 1997 op gezamenlijk initiatief van de Nederlandse Transplantatie Vereniging en de toenmalige Stichting Eurotransplant Nederland. Meer informatie is te vinden op: In het modelprotocol postmortale orgaan- en weefseldonatie staan alle stappen uitgewerkt die een ziekenhuis dient te nemen bij een potentiële donor. Daarnaast is relevante achtergrond informatie opgenomen. Eind september 2009 verscheen de In deze richtlijn staat op pagina 5 een overzichtelijk schema over de te ondernemen acties bij het in gang zetten van een post-mortale donatie. In gevallen van niet-natuurlijk overlijden (of twijfel hierover) is altijd overleg noodzakelijk met de Officier van Justitie. Het is raadzaam om als eerste de lijst met contra-indicaties door te nemen als de mogelijkheid van post-mortale uitname van weefsels ter sprake komt (zie pg. 11 van bovenstaande richtlijn).
    Raadpleeg bij twijfel altijd de dienstdoende transplantatiecoŲrdinator:

          tel 071 - 57 95 795 (24 uur/etmaal)

    Meer achtergrondinformatie over de wettelijke bepalingen: In mei 2007 verscheen een rapport van het NIVEL (Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg) betreffende een onderzoek naar de mogelijke effecten van invoering van een actief registratiesysteem van orgaandonoren.
  • Terug naar overzicht inhoud
  • Euthanasie

    Inleiding
    De Euthanasiewet, die in 2002 in werking is getreden, heeft tot doel de zorgvuldigheid van levensbeŽindigend handelen door artsen te vergroten en biedt een wettelijk kader voor het afleggen van verantwoording over dat handelen. Enkele belangrijke eisen zijn dat het verzoek vrijwillig en weloverwogen moet zijn, en dat het lijden van de verzoeker uitzichtloos en ondraaglijk is. Op de arts rust de taak om het verzoek tot levensbeŽindiging te beoordelen en dit verzoek Ė mits aan de criteria is voldaan Ė zorgvuldig uit te voeren, na consultatie door een onafhankelijk arts.
    Evenals na de eerste evaluatie in 2007 concluderen de ministers dat de euthanasiewet in hoge mate voldoet aan de doelen van maatschappelijke controle van levensbeŽindiging op verzoek, het vergroten van transparantie en het bieden van rechtszekerheid aanartsen. Uit de evaluatie kan worden geconcludeerd dat artsen de wet in zijn algemeenheid goed naleven. Weinig wijzigingen
    De evaluatie in 2013 gaf daarmee weinig aanleiding tot wijzigingen in beleid. Het gaat daarbij om details, niet om de grote lijnen. Naar aanleiding van de evaluatie zijn al verbeteringen aangebracht bij de regionale toetsingscommissies. Deze beoordelen de meldingen van artsen die van mening zijn dat zij conform de wetgeving hebben meegewerkt aan levensbeŽindiging. In 2010 was de gemiddelde doorlooptijd van deze meldingen opgelopen tot 111 dagen. In de eerste maanden van 2013 was die teruggebracht tot onder de tachtig dagen. Dit is bereikt door uitbreiding van de staf en een aangepaste, efficiŽntere werkwijze. Levenseindekliniek
    De ministers gaven ook hun mening over de werkwijze van de Levenseindekliniek. Deze werd op 1 maart 2012 opgericht als reactie op signalen dat er artsen zijn die niet willen ingaan op het verzoek tot levensbeŽindiging van hun patiŽnten, ook als dat wel voldoet aan de zorgvuldigheidseisen die de wet stelt. Tot begin maart 2013 zijn alle meldingen door artsen van de Levenseindekliniek als zorgvuldig beoordeeld. Daarom vonden de ministers het niet nodig om vanuit de regering de werkwijze van de kliniek te evalueren. Dementie
    In de discussie over het euthanasiebeleid en in publicaties komt regelmatig de vraag naar voren hoe te handelen in een situatie waar wordt gevraagd om levensbeŽindiging van iemand die dement is. In maart 2013 heeft de Minister van VWS in een brief aan de Kamer haar standpunt gegeven. Omdat een dergelijk geval van een arts een zeer complexe afweging vraagt, is het noodzakelijk dat hij een goed beeld heeft van de persoon, diens opvattingen en eerder geuite wensen. Daarbij kan het advies van bijvoorbeeld een onafhankelijke consulent en een specialist ouderengeneeskunde van belang zijn, terwijl ook de inbreng van familie een aanvulling kan zijn op het beeld dat de arts heeft. Van belang is in elk geval dat er sprake is van ondraaglijk en uitzichtloos lijden en dat de betrokkene al een Ė bij voorkeur schriftelijke Ė verklaring heeft afgegeven voordat hij of zij niet meer in staat was zijn of haar wil te uiten. Goede naleving euthanasiewet
    Evaluatieonderzoek geeft een positief beeld van de naleving van de euthanasiewet in Nederland. Daarom zien de ministers van VWS en VenJ geen aanleiding voor veranderingen in het beleid op het gebied van levensbeŽindiging op verzoek, hulp bij zelfdoding en andere medische handelingen rond het levenseinde. Dat stond in een brief die beide ministers in 2013 aan de Tweede Kamer hebben gestuurd. Deze brief kwam aan de orde in een overleg tussen de ministers en de commissie voor VWS op 19 december 2013. Er bleek er te weinig tijd voor een tweede termijn van het overleg.
  • Terug naar overzicht inhoud
  • Uitvoering van de wet

    De forensisch (werkzame) arts speelt als gemeentelijk lijkschouwer een rol bij de melding van euthanasie en is verantwoordelijk voor het verzenden van de noodzakelijke formulieren naar de regionale toetsingscommissie en de melding aan de Officier van Justitie. De forensisch (werkzame) arts spreekt geen oordeel uit over de zorgvuldigheid van de levensbeŽindiging door de betrokken arts.
    • 25 februari 2016: Rol lijkschouwer lijkt formaliteit
      "De toegevoegde waarde van de gemeentelijk lijkschouwer bij de afhandeling van euthanasie is onduidelijk. Hoog tijd om te onderzoeken of zijn rol herzien moet worden."

      Op 1 april 2016 verscheen een reactie van het FMG:
      "... Of dat maatschappelijk gewenst is en gedragen wordt ligt ons inziens buiten de beoordeling van de auteur ... "
      De auteur reageerde op 4 april 2016:
      "... Ik pleit er enkel voor dat deze rol eens goed tegen het licht gehouden wordt. Het gaat om de inzet van een dure professional. Dit betekent ook een aanzienlijk aandeel in de inkomsten van de diensten die de lijkschouw uitvoeren. Om daarbij enkel te schermen dat het nu eenmaal zo in de wet staat en dus zo moet gebeuren, is hetgene dat ik aan de kaak wil stellen. Als men van mening is dat status quo behouden dient te blijven, lijkt het me goed om overtuigend te verantwoorden waarom we als samenleving deze rekening betalen..."
    De melding aan de Officier van Justitie is formeel noodzakelijk d.m.v. een art. 10 verklaring, met waarschuwing van de ambtenaar van de burgerlijke stand, omdat het een niet-natuurlijke dood betreft. Na de melding zal de Officier van Justitie het stoffelijk overschot echter meteen weer vrijgeven (middels een mededeling van 'geen bezwaar' aan de ambtenaar van de burgerlijke stand) en geen verdere opsporings- of vervolgingsactiviteiten ondernemen. Hierover verscheen in 2003 (en opnieuw in 2007) de Sinds 1 juni 2009 is een nieuw model voor het verslag van de behandelend arts in verband met het melden van een euthanasie of hulp bij zelfdoding aan de gemeentelijk lijkschouwer van kracht (Staatsblad 16 april 2009, besluit 204). Het oude meldingsformulier kwam hiermee te vervallen.
    Het nieuwe modelverslag nodigt veel beter uit om antwoorden te motiveren, bijvoorbeeld welke therapeutische en palliatieve alternatieven met de patiŽnt zijn besproken of als er behandelalternatieven waren, waarom geen redelijke andere oplossing kon worden gevonden.
    En tevens n.a.v. vragen van verpleegkundigen: Passieve euthanasie bestaat niet....
    Helaas duikt dit verouderde begrip (nog) steeds op in discussies over het onderwerp. Elk medisch (be)handelen is 'handelen' en omvat ook het niet-(be)handelen.
    Uit de definitie van de Nederlandse Staatscommissie voor euthanasie volgt dat er geen actieve of passieve euthanasie bestaat; er bestaat slechts euthanasie. De volgende gevallen worden door sommigen gezien als 'passieve euthanasie', maar in feite gaat het hier om abstinentiebeleid, hetgeen behoort tot het normaal medisch handelen:
    * Het afzien door een arts van een zinloze medische behandeling.
    * Het staken of niet uitvoeren van een behandeling op verzoek van de patiŽnt.
    Bron: Externe website Geen enkele arts is gehouden tot het onmogelijke en dus ook niet tot het verrichten van 'zinloze' medische behandelingen. Het nalaten van dit soort handelingen is dan ook géén euthanasie. Het voortzetten van de 'beademing' van een hersendode patiënt is daar een voorbeeld van. Ook als een patiënt van een behandeling afziet, of weigert zich hieraan te onderwerpen, dient dit gerespecteerd te worden en is geen sprake van euthanasie. Een arts kan niet vervolgd worden voor het toepassen van een abstinentiebeleid. De Toetsingscommissies
    De jaarlijks verschijnende jaarverslagen:
    De Minister van VWS in antwoord op Kamervragen van 10 april 2015:
    "In de binnenkort te verschijnen 'code of practice' zal de Rte nader ingaan op hoe zij invulling geven aan de beoordeling van de zorgvuldigheidseisen uit de Wet toetsing levensbeŽindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding." De aantallen
    Uit het rapport van de Toetsingscommissies 2007:
    "Een belangrijk thema in 2006 vormde de palliatieve sedatie. Bij palliatieve sedatie gaat het om het opzettelijk verlagen van het bewustzijn van een patiŽnt in de laatste levensfase. De toegenomen belangstelling voor palliatieve sedatie betekent niet dat de vraag om euthanasie verdwijnt. Ondraaglijk lijden kan niet altijd door palliatieve sedatie worden opgeheven; bovendien zijn er patiŽnten die palliatieve sedatie uitdrukkelijk afwijzen en aangeven tot het eind toe bij bewustzijn te willen blijven."

    Uit het rapport van de Toetsingscommissies 2008:
    "De regionale toetsingscommissies euthanasie hebben 2.331 meldingen ontvangen in 2008. Dat is een stijging van 10 procent ten opzichte van 2007. Het aantal meldingen van euthanasie stijgt al sinds de inwerkingtreding van de Wet toetsing levensbeŽindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding in 2002. Alleen in 2006 stabiliseerde het aantal meldingen."

    Uit het rapport van de Toetsingscommissies 2009:
    "In 2009 hebben artsen 2.636 gevallen van euthanasie en hulp bij zelfdoding gemeld, ruim driehonderd meer dan in 2008. In 2.443 gevallen ging het om levensbeŽindiging op verzoek, oftewel euthanasie, in 156 gevallen om hulp bij zelfdoding en in 37 gevallen om een combinatie. In verreweg de meeste gevallen leden de mensen aan kanker. In negen gevallen heeft de arts niet volgens de regels gehandeld. Deze zaken zijn door de regionale toetsingscommissies doorgestuurd naar het Openbaar Ministerie en de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Mogelijk speelt een rol dat artsen steeds minder vaak gevallen van euthanasie verzwijgen." Uit het rapport van de Toetsingscommissies 2010:
    "De vijf regionale toetsingscommissies euthanasie hebben in 2010 3136 meldingen van levensbeŽindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding ontvangen. Dit is een stijging van 19% ten opzichte van 2009. De stijging van het aantal meldingen die sinds 2006 is ingezet lijkt door te zetten. De oorzaak van deze toename is niet volledig bekend, maar het evaluatieonderzoek naar de werking van de euthanasiewet, dat in de tweede helft van 2012 afgerond zal zijn, zal onder meer dit onderwerp onderzoeken."

    Het rapport van de Toetsingscommissies over het jaar 2011:
    "In 2011 kregen de de vijf toetsingscommissies 3695 meldingen van euthanasie (3446 gevallen) of hulp bij zelfdoding. Van de bijna vierduizend meldingen die de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie in 2011 ontvingen, werden er maar vier als onzorgvuldig geduid."

    Het rapport van de Toetsingscommissies over het jaar 2012:
    " De commissies ontvingen in dit verslagjaar 4188 meldingen. Dit is een stijging van 13% ten opzichte van 2011. In 3965 gevallen was sprake van euthanasie (d.w.z. actieve levensbeŽindiging op verzoek van patiŽnt), in 185 gevallen van hulp bij zelfdoding en in 38 gevallen betrof het een combinatie van beide. In dit verslagjaar kwamen de commissies 10 keer tot het oordeel dat de arts niet overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen had gehandeld. "

    Het rapport van de Toetsingscommissies over het jaar 2013:
    " In 2013 hebben de regionale toetsingscommissies euthanasie 4829 meldingen van levensbeŽindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding ontvangen en vertoont opnieuw een stijging (15 %) ten opzichte van het aantal meldingen in 2012. In 5 gevallen, dus ongeveer 0,1 % van het totaal aantal meldingen kwamen de commissies tot het oordeel dat de arts niet aan de zorgvuldigheidseisen had voldaan.
    In 97 van de meldingen werd de grondslag van het lijden van patiŽnt gevormd door een vorm van dementie. In 2012 waren dit 42 meldingen. Alle 97 dementie casus werden door de door de commissies als Ďzorgvuldigí beoordeeld.
    In 42 meldingen werd de grondslag van het lijden van patiŽnten gevormd door een psychiatrische aandoening. In 2012 en 2011 waren dit er respectievelijk 14 en 13. De commissies stellen vast dat er kennelijk sprake is van een toegenomen bereidheid onder artsen tot het verlenen van euthanasie en hulp bij zelfdoding in deze gevallen.
    In 2013 zijn de commissies in alle meldingen (107) van SLK artsen tot het oordeel gekomen dat er door hen aan de wettelijke zorgvuldigheidseisen was voldaan."


    Het rapport van de Toetsingscommissies over het jaar 2014:
    " In 2014 ontvingen de toetsingscommissies van artsen 5306 meldingen. Dit aantal betekent een stijging van 10 % ten opzichte van 2013. In de meeste gevallen was kanker de oorzaak van het uitzichtloos en ondraaglijk lijden. In 2014 zijn de meldingen van euthanasie toegepast bij patienten met dementie of psychiatrie niet toegenomen.
    In 4 meldingen is geoordeeld dat de arts niet overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen heeft gehandeld. Deze meldingen zijn doorgezonden aan het College van procureurs-generaal en de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Er waren 41 meldingen van euthanasie bij patiŽnten met een (uitbehandelde) psychiatrische aandoening en 81 meldingen van patienten met dementie. "


    Het rapport van de Toetsingscommissies over het jaar 2015:
    " Van de 147.010 personen die in 2015 overleden werd in 5516 gevallen door artsen een melding van euthanasie bij de toetsingscommissie gedaan. Dit aantal betekent een stijging van 4 % ten opzichte van 2014. Van de 5516 meldingen was in 208 gevallen sprake van hulp bij zelfdoding. In de meeste meldingen was kanker de oorzaak van het uitzichtloos en ondraaglijk lijden. In 2015 is het aantal meldingen van euthanasie toegepast bij patiŽnten met dementie of psychiatrie toegenomen.
    In 2015 is in 4 meldingen geoordeeld dat de arts niet overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen heeft gehandeld. Deze meldingen zijn doorgezonden naar het College van procureurs-generaal en de Inspectie voor de Gezondheidszorg. In 56 meldingen van euthanasie betrof het patiŽnten met een (uitbehandelde) psychiatrische aandoening. In 109 meldingen patiŽnten met dementie. "


    Het rapport van de Toetsingscommissies over het jaar 2016:
    " In 2016 hebben de RTE 6091 meldingen van levensbeŽindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding ontvangen. Het betreft 4% van het totaal aantal mensen dat in Nederland in 2016 is overleden (148.973). In 83% van de gemelde zaken (5077) was sprake van patiŽnten met niet of niet meer te genezen kanker, aandoeningen van het zenuwstelsel (bijvoorbeeld de ziekte van Parkinson, Multiple Sclerose, ALS), harten vaatziekten of longaandoeningen. Bij circa 2% van de meldingen was de aard van de aandoening dementie, terwijl in circa 1% van de gevallen sprake was van een psychiatrische aandoening. In 4% van de meldingen was sprake van een stapeling van ouderdomsaandoeningen.
    In 10 van de 6091 in 2016 gemelde zaken werd geoordeeld dat niet voldaan was aan de in de WTL omschreven zorgvuldigheidseisen (0,16% van het totaal aantal meldingen). "
    Nederland trekt internationaal aandacht.
    Op 10 mei 2007 werd een rapport over de evaluatie van de Euthanasiewet uitgebracht (in opdracht van het ministerie van VWS). De evaluatie werd uitgevoerd onder toezicht van de onderzoeksinstelling ZonMw. Het rapport werd aangeboden aan de staatssecretaris van VWS en de minister van Justitie. Artsen leven de zorgvuldigheidseisen voor euthanasie bijna altijd goed na, zo bleek. Het aantal uitdrukkelijke verzoeken om euthanasie of hulp bij zelfdoding daalde van 9.700 in 2001 naar 8.400 in 2005. Het rapport uit 2007 was eerst nog via via ZonMw beschikbaar maar werd om onduidelijke redenen weer van de website verwijderd: Nieuwe ontwikkelingen.....
    In mei 2010 werd een burgerinitiatief aan de Tweede Kamer aangeboden. In september 2010 oordeelde de commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven dat dit burgerinitiatief voldeed aan de door de Kamer gestelde voorwaarden. Daarmee werd het groene licht gegeven voor behandeling. Bij kinderen..... En een langlopende kwestie: Financiering
    Uit de MvT bij de begroting voor het jaar 2015 van het Ministerie van VWS:
    "Vanuit haar verantwoordelijkheid voor wet- en regelgeving ten aanzien van ethisch handelen in de zorg financiert VWS een groot deel van de uitvoering van de uit de vigerende wetgeving voortvloeiende wettelijke taken. Het CIBG verzorgde tot 1 juli 2014 de uitvoering van het secretariaat van de regionale toetsingscommissies euthanasie, de stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting en de centrale deskundigencommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeŽindiging bij pasgeborenen en beheerde de daarbij behorende registers.
    Vanwege herdefiniŽring van de kerntaken van het CIBG als registerautoriteit, wordt vanaf 1 juli 2014 de uitvoering van de secretariaten van de regionale toetsingscommissies euthanasie en de centrale deskundigencommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeŽindiging bij pasgeborenen uitgevoerd binnen een uitvoeringseenheid van het Ministerie van VWS. De daarmee samenhangende middelen (Ä 3,5 miljoen) zullen worden overgeheveld naar artikel 10 Apparaatsuitgaven. Het beheer van de donorregistratie in het kader van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting en de uitvoering van het secretariaat van de stichting (Ä 0,3 miljoen) zal het CIBG continueren."


    Als voorwaarde geldt dat de euthanasie door een arts is uitgevoerd na consultatie en rapportage van een zgn. SCEN-arts. Voor elke Nederlander die verzekerd is voor ziektekosten wordt de vergoeding van de SCEN-arts op grond van sinds 2006 ingevoerde Zorgverzekeringswet ook betaald door de zorgverzekeraar:

    Tariefbeschikking van de NZa:
    De maximaal in rekening te brengen tarieven voor overige prestaties (Code C8):

    Tarief 12815 (in 2013):     SCEN-consultatie            Ä 350,69
    Tarief 12815 (in 2014):     SCEN-consultatie            Ä 367,88
    SCEN Tarief (in 2015):     SCEN-consultatie            Ä 367,04
    SCEN Tarief (in 2016):     SCEN-consultatie            Ä 366,23

    Bron:
    Beleidsregel: BR/CU-7069 en TB/CU-7076-02 en TB/CU-7089-01 en TB/CU-7123-03 van de NZa

    Het tarief wordt door de huisarts geconsulteerde zorgaanbieder, die staat ingeschreven in een specifiek SCEN-register bij de KNMG, in rekening gebracht.
  • Terug naar overzicht inhoud
  • Palliatieve sedatie?

    Een wilsverklaring van een patiënt biedt geen 'recht op euthanasie'.
    Artsen menen vaak dat bij patiŽnten met een verlaagd bewustzijn euthanasie daarom niet mogelijk is. Maar in sommige gevallen mag dit echter wel degelijk. Voor deze (niet zelden voorkomende) situaties heeft de KNMG een richtlijn uitgegeven. Deze brengt geen verruiming van de wet, maar heeft tot doel artsen houvast te bieden in deze moeilijke situatie. Als artsen hiernaar handelen is er in beginsel geen reden voor strafrechtelijk optreden.
  • Terug naar overzicht inhoud
  • De zaak Tuitjenhorn

    De wetgeving rond euthanasie werd in 2002 in Nederland ingevoerd na een lange discussie. De wet biedt de mogelijkheid aan artsen, om uit een zeer begrijpelijke 'compassie', aan het leven en het lijden van een patient actief een einde te maken. De kern van de wetgeving is de toetsbaarheid, weliswaar achteraf, van de arts die dat beginsel toepast. Euthanasie leidt tot een niet-natuurlijk overlijden en daardoor een verpichte melding (via de gemeentelijk lijkschouwer) aan de Toetsingscommissie. Bij palliatieve sedatie wordt gekozen voor het 'lege artis' staken van alle op curatie gerichte medische (be)handelingen en de (onvermijdelijke) dood af te wachten. Hierdoor is sprake van de medische begeleiding van 'het sterven'. Het maakt de dood tot een 'natuurlijk' overlijden - de ziekte is de oorzaak van het overlijden.
    De 'compassie' van artsen om het lijden van stervende medemensen te willen verlichten staat buiten kijf. Maar het gedrag van artsen die zich, om wat voor reden dan ook, willen onttrekken aan de toetsbaarheid van hun medisch (be)handelen is ook in de Nederlandse rechtsstaat ontoelaatbaar. Ook dat staat buiten kijf. Het ware zeer wel denkbaar geweest dat, bij een melding van de niet-natuurlijke dood, uiteindelijk ook door de Toetsingscommissie geoordeeld zou zijn dat het hier een situatie van 'overmacht' betrof. We zullen het (helaas) nooit te weten komen.......

  • Terug naar overzicht inhoud
  • Wie controleerde de 'controleurs'?

    Bij het 'optreden' van de Inspectie en het Openbaar Ministerie konden/moesten vraagtekens worden geplaatst bij hetgeen bekend werd is als de zaak Tuitjenhorn. Van een 'criminal intent' van de betreffende (huis)arts was geen enkele sprake. Nader onderzoek naar de vormgeving van dit 'optreden' door onafhankelijk onderzoek was dringend gewenst.
    Is hier sprake geweest van 'tunnelvisie' en onnodige 'criminalisering' bij de Inspectie en bij het OM?
    Was hier sprake van een compleet doorgeschoten 'handhavingsdrang' van de IGZ en het OM?
    Hoe kon een arts met jarenlange ervaring ineens bestempeld worden als een gevaar voor de Volksgezondheid?

    Een brief van de Minister van VWS van 1 november 2013 werd geschreven naar aanleiding van vragen van meerdere Kamerleden, maar bleek de ontstane onrust niet weg te kunnen nemen.

    "De huisarts-opleider, heeft verzuimd het recht van hoor en wederhoor toe te passen. Daar is een mogelijk rampzalige cascade begonnen. Dit verzuim is klachtwaardig voor het tuchtcollege."
    De hoogleraar ethiek heeft met adviezen waarschijnlijk verder bijgedragen aan het isolement van de huisarts. Klachten daarover kunnen beoordeeld worden door de klachtencommissie van het AMC."
    "De Inspectie heeft een op non-actief stelling opgelegd. De juistheid van deze beslissing moet worden onderzocht. Na de route van een intern onderzoek kan zo nodig nog de ombudsman worden ingeschakeld."
    "Het Openbaar Ministerie heeft een nachtelijke inval geaccordeerd. Welk effect heeft dat op onze collega gehad? Het OM zal een intern onderzoek moeten starten."

    Bron: Reactie in Medisch Contact op 8 november 2013 De 'ontknoping' volgde in een debat in de Tweede Kamer: Elke arts (met ervaring) weet dat medicaties soms onvermoede en onverwachte bijwerkingen en gevolgen kunnen hebben. Ook niet elke euthanasie verloopt zoals verwacht; soms moet ook dan nog extra medicatie worden toegediend om de .'gewenste' uitkomst te bereiken......
    Ook dat is bekend uit de dossiers bij de Toetsingscommissies.....
    Elke forensisch (werkzame) arts weet dat.....
  • Terug naar overzicht inhoud
  • Late zwangerschapsafbreking en levensbeŽindiging bij pasgeborenen

    Het beŽindigen van het leven van een pasgeboren kind of het beŽindigen van de zwangerschap in een laat stadium (ná 24 weken) zijn strafbare handelingen, maar als de arts zich houdt aan een aatal zorgvuldigheidseisen, wordt hij niet vervolgd. Abortus tot 24 weken valt onder de Wet afbreking zwangerschap.
    De eisen staan in de Regeling late zwangerschapsafbreking en levensbeŽindiging pasgeborenen. Een commissie controleert of de arts zorgvuldig heeft gehandeld. Een nieuwe versie van de regeling trad 1 februari 2016 in werking.

    Artsen zijn verplicht gevallen van late zwangerschapsafbreking (ná 24 weken) en levensbeŽindiging bij pasgeborenen te melden. De centrale deskundigencommissie "Late zwangerschapsafbreking en levensbeŽindiging bij pasgeborenen" werd op 1 september 2006 ingesteld om het Openbaar Ministerie te adviseren. De commissie beoordeelt, op vergelijkbare wijze als de regionale toetsingscommissie bij euthanasie, of de artsen zorgvuldig hebben gehandeld. Bij actieve levensbeŽindiging is in alle gevallen sprake van een niet-natuurlijk overlijden. De gemeentelijk lijkschouwer, die dan de lijkschouw verricht, draagt zorg voor de melding aan de Officier van Justitie (via een zogenaamde artikel 10 melding) en het verzenden van de formulieren naar de deskundigencommissie.

    De beschrijving van deze speciale procedure en de contactgegevens zijn te vinden op: Op de website van de Commissie staan ook de formulieren voor de gemeentelijk lijkschouwer die nodig zijn voor de melding en de administratieve afhandeling. Volgens de Wet op de lijkbezorging is bij late zwangerschapsafbreking na ten minste 24 weken sprake van een doodgeborene waarvoor de bepalingen van de wet m.b.t. begraving, crematie en ook de overige bepalingen van toepassing zijn. Volgens artikel 12a, tweede lid, van de wet dient in dat geval de gemeentelijk lijkschouwer, als hiertoe door de OvJ aangewezen arts, ook opgave te doen van de doodsoorzaak. Sinds 1 januari 2010 is in de wet een strafbepaling opgenomen voor artsen die niet voldoen aan de verplichting om bij doodgeboorte de doodsoorzaak bij het CBS te melden.

    Sinds de installatie in 2007 ontving de Commissie slechs ťťn melding van levensbeŽindiging bij een pasgeborene. Tot dan toe ging men er van uit dat in Nederland jaarlijks bij benadering 15 keer het leven van een ernstig zieke en zwaar gehandicapte baby actief beŽindigd werd. Dit kon niet door de Commissie worden bevestigd. De gecombineerde jaarverslagen over 2009/2010, de jaren 2011/2012 en van 2013/2014 van deze Commissie verschenen op de website van de Commissie. Het jaarverslag van 2015 werd op 8 november 2016 openbaar.
    In 2013 heeft de commissie drie meldingen en in 2014 ťťn melding van late zwangerschapsafbreking ontvangen; er is in beide jaren geen melding gedaan van levensbeŽindiging bij pasgeborenen. Dat brengt het totaal aantal door de commissie, sinds haar instelling in 2007, ontvangen meldingen op 17 meldingen van late zwangerschapsafbreking en ťťn melding van levensbeŽindiging bij een pasgeborene. In het jaar 2015 hebben artsen geen meldingen gedaan bij de commissie late zwangerschapsafbreking en levensbeŽindiging bij pasgeborenen. In het jaar 2016 was tot nu toe ťťn melding van late zwangerschapsafbreking. Het Forensisch Medisch Genootschap (FMG) had in juni 2010 een eerste richtlijn uitgegeven met een omschrijving van de uitvoering van de procedure: Spina bifida
    De Minister van VWS op 28 februari 2012 in antwoord op mondelinge Kamervragen:
    "Voorzitter. Ik vind twee dingen heel belangrijk om hier te melden. Ten eerste is het aantal kinderen dat met een open ruggetje wordt geboren, sterk afgenomen. Dat komt met name doordat de moeders foliumzuur slikken. Het is wenselijk dat zij dit doen om te voorkomen dat zij een kind krijgen met deze ernstige ziekte. Ten tweede is levensbeŽindiging bij pasgeborenen met een open ruggetje de laatste jaren niet meer voorgekomen. Sinds de centrale deskundigencommissie in 2006 is ingesteld, is er geen melding geweest van levensbeŽindiging bij een pasgeborene met spina bifida. Met andere woorden, de discussie die wij hier voeren, gaat niet over de huidige praktijk, maar over de situatie in de periode daarvoor, toen er wel een aantal gevallen van levensbeŽindiging van kinderen met een open ruggetje is gemeld bij het Openbaar Ministerie."

    De maternale indicatie
    "Afbreking van zwangerschap na 24 weken als noodzakelijke en enige mogelijke behandeling van een ernstige aandoening bij de moeder, terwijl er nog geen substantiele overlevingskans voor de pasgeborene bestaat, behoort tot aanvaardbaar en adequaat, onvermijdbaar medisch handelen. Voorbeelden zijn (niet limitatief): ernstige zwangerschapshypertensie met orgaandysfunctie, ernstige exacerbatie van auto-immuunziekten, ernstig verslechterende cardiale functie bij hartziekten, afstoten van een transplantaat, ernstige verloskundige bloedingen of maligniteit bij de moeder. Anders dan bij de categorieen 1 en 2 is het overlijden van het kind hier niet het beoogde doel van de behandeling maar wel het beschermen van het leven en/of de gezondheid van de moeder.
    Het nog niet levensvatbare kind wordt te vroeg geboren als gevolg van een noodzakelijke behandeling van moeder. Zwangerschapsafbreking op maternale indicatie komt zeer uitzonderlijk voor, zal als zodanig alleen in 3e lijns centra plaatsvinden en hoeft niet gemeld te worden. Er zijn immers geen alternatieven. Een vergelijkbare situatie bestaat als een ontlastende punctie verricht moet worden (bv bij ernstige hydrocephalus) om een (vaginale) baring mogelijk te maken zonder trauma voor de moeder."

    Bron: NVOG

    Indien het kind (in utero) overlijdt is sprake van doodgeboorte. Het overlijden na de geboorte van het (in principe gezonde) kind kan dan worden aangeduid als een natuurlijk overlijden door vroeggeboorte.
    Aanmelding bij de Commissie is niet noodzakelijk. Bij vragen van de behandelend gynaecoloog (of een kinderarts), die overleg pleegt met de dienstdoend forensisch (werkzame) arts, kan voor het kind zonder enig probleem een verklaring van overlijden worden afgegeven. Overleg met een Officier van Justitie is overbodig.

  • Terug naar overzicht inhoud
  • Veel discussie en scepsis in 2013....

    Sinds 2007 zijn in totaal 17 gevallen van late zwangerschapsafbreking gemeld en ťťn geval van levensbeŽindiging bij een pasgeborene. Onder de beroepsgroepen van kinderartsen en gynaecologen was nogal wat kritiek over het functioneren van de Commissie. De grens tussen pijnbestrijding en palliatieve sedatie, met het overlijden als gevolg, is niet zo duidelijk te trekken als in het het KNMG-standpunt van 12 juni 2013 werd voorgesteld. De arts neemt de beslissing, en niet de ouders, en die arts dient zich toetsbaar op te stellen.

    De secretaris van het FMG schreef in een eerste reactie dat het toedienen van spierverslapppers, om het 'gaspen' te onderdrukken, zou te zijn op te vatten als een vorm van actieve levensbeŽindiging en zou daarom tot de conclusie moeten leiden dat sprake is van een niet-natuurlijk overlijden. Het gebruik van deze middelen zou alleen maar het lijden maskeren. Ook volgens de richtlijnen van de KNMG bij palliatieve sedatie neemt het toedienen van dergelijke middelen geen plaats in. Op 4 juli 2013 reageerden de KNMG en de NVK in Medisch Contact met een nawoord op de stellingname van het FMG. Het stoppen van beademing, als een zinloze medische (be)handeling, is 'lege artis' handelen bij een uitzichtloze prognose. Het overlijden is onvermijdelijk.

    Bij het 'de novo' gebruik van spierverslappers is onmiskenbaar sprake van een 'externe factor' en dus - net als bij euthanasie - van een niet-natuurlijk overlijden. De medische exceptie, met het argument dat het zou gaan om een 'neveneffect van de pijnbestrijding', is in dat geval niet van toepassing. Volgens de voorstellen van de KNMG (zie pagina 55 van het rapport) dient in deze situatie altijd een melding en beoordeling door de commissie plaats te vinden.

    Het is niet de taak of opgave van de gemeentelijk lijkschouwer als forensisch (werkzame) arts om een voorbarig oordeel uit spreken over de 'rechtmatigheid' van de levensbeeindiging door de betreffende arts (meestal een neonatoloog als kinderarts). Dat oordeel komt alleen toe aan de commissie die de gang van zaken beoordeelt. Het is de vraag of het nogal 'ferme' standpunt, zoals geventileerd door het Bestuur van het FMG, zal bijdragen aan de ongetwijfeld nog volgende discussie over het onderwerp. Een wat meer bedachtzame en terughoudende opstelling zou meer voor de hand gelegen hebben.

    Een en ander gaat bij het wettelijk verplichte overleg bij het overlijden van deze kinderen mogelijk leiden tot veel discussie tussen de (dienstdoend) gemeentelijk lijkschouwer en de behandelend arts. Dit is een uiterst ongewenste en 'onverkwikkelijke' gang van zaken.

    De eerste Kamervragen werden op 17 juli 2013 beantwoord.
    Standpunten van het OM (College van Procureurs-Generaal) en het Staatstoezicht (IGZ) zijn (nog) niet bekend....

    De redenen van de KNMG en de NVK om het stoppen van beademing op te vatten als een 'lege artis' medisch handelen waardoor sprake zou zijn van een 'natuurlijk overlijden' zijn duidelijk. In geval van een 'natuurlijke dood' is de commissie niet bevoegd en daarom automatisch 'niet ontvankelijk' om een oordeel uit te spreken. In dat geval zou de deskundigencommissie, in het geval dat het overlijden toch gemeld zou worden, ook tot dat oordeel moeten/kunnen komen.

    Opmerking van de Commissie:
    "De voorzitter wil het rapport, waar de KNMG 2 jaar over gedaan heeft, eerst eens zelf bestuderen en binnen de commissie bespreken".
    Bron: Uitzending Nieuwsuur van 12 juni 2013
    De (toen nog beoogde en latere) voorzitter van de Commissie had op 25 november 2005 (!) de werkzaamheden in een televisieuitzending toegelicht .....
    Na drie maanden stuurde de Voorzitter van de Commissie op 16 september 2013 een reactie naar de Minister van VWS:
  • Terug naar overzicht inhoud
  • Rapport over de Commissie

    Gezien de lage 'meldingsbereidheid' van gynaecologen en kinderartsen werd door ZonMw een evaluatie uitgevoerd over de werkwijze en het functioneren van de Commissie.
    • 27 september 2013: Evaluatierapport regeling centrale deskundigencommissie
      Brief van de Minister van VWS: "Nog geen beleidsreactie...."
      "Nadere beschouwing van de conclusies en aanbevelingen voor einde van 2013"


      Uit het evaluatie rapport op pagina 53:
      (accenturing toegevoegd door de FOMAT)
      "Naast deze bekende problematiek, kwam in sommige interviews naar voren, (en ook uit het sterfgevallenonderzoek), dat de NODO-procedure de focus van een gesprek met de lijkschouwer kan verleggen, en zo versluierend kan werken ten aanzien van actieve levensbeŽindiging. Er kan een probleem ontstaan als de meldend arts zelf geen duidelijkheid heeft (of verschaft) over de aard van het overlijden en de gemeentelijk lijkschouwer onvoldoende voor ogen heeft dat zijn gesprek met de behandelend arts er (behalve het verhelderen van doodsoorzaken of het opsporen van kindermishandeling) ook toe kan dienen gevallen van LZA of levensbeŽindiging aan het licht te brengen die bij de centrale deskundigencommissie thuis horen."


      en uit het evaluatie rapport rapport op pagina 111:
      "Gemeentelijk lijkschouwers spelen een sleutelrol bij het doorgeleiden van gevallen van LZA respectievelijk van levensbeŽindiging van pasgeborenen naar de daartoe aangewezen commissies (NVOG en commissie). Het onderzoek levert aanwijzingen dat de daartoe benodigde kennis bij de gemeentelijk lijkschouwers niet altijd aanwezig is. (*)
      De invoering van de NODO-procedure en de daarmee samenhangende wetgeving impliceert dat de behandelend arts bij alle overlijdensgevallen van minderjarigen moet overleggen met de dienstdoende forensische arts. Dat overleg kan helpen ervoor te zorgen dat elk geval in het juiste Ďkanaalí komt maar dat veronderstelt wel dat lijkschouwers over goede kennis van zaken beschikken, ook om in het overleg met de betreffende medisch specialisten (kinderartsen en gynaecologen) de juiste vragen te kunnen stellen."


      (*) Het is niet bekend waarop deze observatie berust....
    Dit leidde meteen tot reacties:
  • Terug naar overzicht inhoud
  • Nieuwe regeling in 2016

    De Commissie reageerde op 18 september 2015, in het jaarverslag van 2013 en 2014, op het rapport van 27 september 2013 over het functioneren van de Commissie en de knelpunten. De Commissie:
    "Voor deze knelpunten worden voor Late Zwangerschap Afbreking (LZA) twee oplossingen gepresenteerd:
    1) een wettelijke regeling (uitzondering opnemen in het Wetboek van Strafrecht) of
    2) aanpassing van de huidige Regeling op een aantal punten.

    Voor Levenbeeindiging bij pasgeborene (LP) wordt voorgesteld de Regeling aan te passen of in te trekken. In dat laatste geval meldt de gemeentelijke lijkschouwer, evenals voor de inwerkingtreding van de Regeling, LP rechtstreeks bij het Openbaar Ministerie."

    "Bovenstaande knelpunten zijn de commissie reeds langere tijd bekend en heeft zij bij herhaling gesignaleerd. Met betrekking tot de oplossingsvarianten blijft de commissie van mening dat de omlijning van gecompliceerde begrippen die aan de geldende regelgeving ten grondslag liggen, in de beroepsgroep dient uit te kristalliseren."
  • Terug naar overzicht inhoud
  • Overlijden minderjarigen (NODO)

    Op 9 juni 2009 werd door de Eerste Kamer wetgeving aangenomen over de wettelijke verplichting om bij overlijden van minderjarigen altijd de gemeentelijk lijkschouwer in te schakelen. Sinds 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer.
    Tot nu toe bleek het Forenisch Medisch Genootschap echter niet in staat om een overzicht van de jaren 2011 t/m 2013 te leveren met het aantal keren dat dit overleg ook daadwerkelijk plaatsvond. De discussie hierover werd in gang gezet na het verschijnen van het rapport "Richtlijnen na het overlijden van Minderjarigen" van Aviesbureau van Montfoort uit December 2000 dat op 27 mei 2001 werd uitgebracht aan de Ministeries van VWS en Justitie, die hiertoe de opdracht hadden verstrekt.

    De wetgeving over de NODO-procedure werd op 1 oktober 2012 van kracht, maar de uitvoering werd op 1 januari 2014 weer gestopt.
    De eerste ongewenste gevolgen van deze wetgeving bij gevalllen van wiegendood begonnen zich al in de loop van 2010 en 2011 af te tekenen. Binnen drie maanden na de invoering leidde een uiterst pijnlijk en ongelukkig incident tot Kamervragen over ongewenste effecten....... Helaas bleek in de media en zelfs onder veel forensisch (werkzame) artsen de misvatting te zijn ontstaan dat de gemeentelijk lijkschouwer met de invoering van de NODO-procedure een soort 'extra bevoegdheid' zou hebben verkregen om bij minderjarigen een obductie te (laten) verrichten. Dit was onjuist. Met toestemming van de ouders/nabestaanden, of zelfs op hun verzoek, kan bij natuurlijk overlijden altijd een 'reguliere' obductie plaatsvinden zonder enige bemoeienis van de overheid. Dit was altijd de gangbare praktijk zonder vergoeding van de Rijksoverheid. De enige 'bevoegdheid' die ontstond is de mogelijkheid om (bij weigering van toestemming door ouders en/of nabestaanden) een rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van deze weigering bij de rechtbank c.q. vervangende toestemming te vragen. Dat werd omschreven in het nieuwe artikel 74 van de Wet op de lijkbezorging. Bij de toelichting op de wetgeving kwam dit ter sprake in de Nota n.a.v. vragen Kamercommissie op pagina 26:

    "Denkbaar zou zijn geweest dat om die reden de wetgever - onder bepaalde voorwaarden - de lijkschouwer in het kader van de NODO-procedure de bevoegdheid tot sectie zou hebben gegeven. Toch is daarvoor niet gekozen, in het besef dat sectie een inbreuk op een grondrecht vormt, en dat er een forum moet zijn waarin desgewenst het algemeen belang van het achterhalen van de doodsoorzaak kan worden afgewogen tegen het belang van de ouders. Zoals uit de opzet van artikel 74 blijkt, is het uitgangspunt dat de rechter de toestemming verleent, indien de lijkschouwer daar in het kader van de NODO-procedure om verzoekt. De rechter kan niettemin de toestemming weigeren, indien hij bijvoorbeeld van oordeel is dat de ouders dat emotioneel absoluut niet aankunnen. Dit zal altijd een precaire afweging zijn, waarbij recht moet worden gedaan aan het neutrale karakter van het onderzoek, dat immers gericht is op het achterhalen van de doodsoorzaak, en niet op het opsporen van strafbare feiten."
    (Bron: Kamerstuk 30696, nr. 9).

    Het opvragen van gegevens was niets nieuws en was altijd al mogelijk in het kader van de lijkschouw. Bij de lijkschouw kan het medisch dossier altijd worden ingezien - deze inzage is een normaal onderdeel van de lijkschouw (kennisname van de omstandigheden) en kan niet worden geweigerd door de behandelend (kinder)arts met een beroep op het beroepsgeheim. Belemmering van de lijkschouw is strafbaar gesteld volgens artikel 80 van de Wet op de lijkbezorging. De voortzetting van de lijkschouw bij onverklaard en onverwacht overlijden bij minderjarigen moest worden overgedragen aan een zgn. NODO-forensisch arts. De bepaling in het derde lid van artikel 10a is in feite overbodig.
    De wetgever geeft geen omschrijving van de aard of omvang van de lijkschouw. Dit wordt overgelaten aan de beoordeling van de arts die de lijkschouwing verricht (volgens artikel 7 van de Wlb). Met toestemming van de ouders/nabestaanden (die overigens dan wel zelf voor de kosten daarvan moeten opdraaien) is obductie (altijd!) mogelijk (voor zowel minder- als meerderjarigen) volgens artikel 72 van de Wlb.. Ook ontstond geen 'wettelijke plicht' om over te gaan tot toepassing van artikel 74. Met de afgifte van een artikel 10 verklaring (geldt ook bij twijfel) vervalt het vereiste van toestemming volgens artikel 73 en dient de Officier van Justitie, en niet de gemeentelijk lijkschouwer, een besluit te nemen over nader onderzoek en een evt. obductie, waarvan de kosten altijd ten laste komen van de rijksoverheid. Een bepaling in de wet dat de Officier van Justitie verplicht zou zou zijn om een (on)gevraagd advies van de forensisch (werkzame) arts op te volgen kent Nederland niet. In de functie van gemeentelijk lijkschouwer 'acteert' de forensisch (werkzame) arts in Nederland alleen in het kader van de Wet op de lijkbezorging en niet als 'buitengewoon' opsporingsambtenaar volgens het Wetboek van Strafvordering.
  • Terug naar overzicht inhoud
  • Ministerie zocht uitvoeringsvorm NODO procedure

    Tijdens een Algemeen Overleg (AO) op 29 juni 2011 (over maatregelen Jeugdbescherming) deelde de Staatssecretaris van het MinVenJ mee dat een definitief voorstel over een alternatieve inrichting van de NODO-procedure werd afgewacht.
    Een eerste voorstel als concept, met meer aandacht voor de rol van de kinderarts, werd opgesteld door de Universiteit Twente, TNO en de Stichting LOOK. Het betrof een samenhangend systeem, naar Engels voorbeeld, van ťťn zgn. Rapid Response Team, regionale teams voor de Child Death Review (CDR) en een Child Death Overview Panel. Begeleiding en ondersteuning van de ouders speelt een belangrijke rol in deze benadering. Dit voorstel werd ontwikkeld in nauwe samenwerking met ervaren kinderartsen van de Landelijke Werkgroep Wiegedood (LWW) en werd op 10 augustus 2011 ter consultatie voorgelegd aan alle partijen. Het Ministerie van V&J gaf aan aansluiting te willen zoeken bij een innovatief project in Oost-Nederland (zie hierna), zoals dat eerder al door de staatssecretaris in een debat op 8 februari 2011 was aangekondigd. Dit project bouwt voort op de uitgangspunten van de perinatale audit met een uitbreiding naar hogere leeftijdsgroepen. Een beschrijving van deze gang van zaken werd op 11 mei 2011 in een brief door de Staatssecretaris nog eens herhaald.

    Het Bestuur van het Forensisch Medisch Genootschap (FMG) constateerde in reactie op het eerste conceptvoorstel op 31 augustus 2011 dat er voor dit voorstel onvoldoende draagvlak zou zijn in het veld. Aan het belang van de voorgestelde Child Death Review werd door het FMG geen enkele aandacht besteed. Voor het Bestuur van het FMG was kennelijk de cruciale rol van de kinderartsen, zonder wiens medewerking de NODO-procedure gedoemd was te mislukken, niet duidelijk geworden. Het Bestuur van het FMG, blijkens de uiterst negatieve en arrogante reactie in de brief, hechtte meer waarde aan het 'eigen draagvlak'. De NODO-procedure werd vijftien maanden na de invoering weer gestopt op 1 januari 2014.....
    Een door de Stichting LOOK voorgestelde en dringend gewenste centralisatie en eerst een start in een tweetal proefregio's werd door het FMG, als niet in overeenstemming met het 'oorspronkelijke' voorstel van de KNMG, resoluut van de hand gewezen.
    Het FMG was tot nu toe niet in staat openbaar toegankelijke cijfers te leveren over het aantal gevallen van overlijden waarin daadwerkelijk sprake zou zijn geweest van het zgn. 'onverklaard overlijden' in de jaren 2011 t/m 2013.

    Het was van belang de doelstelling van de NODO-procedure (opheldering van doodsoorzaken) niet te verwarren met de 'opsporing en vervolging' van (fatale) kindermishandeling met een 'forensische invalshoek'. Er ontstond geen wettelijke verplichting tot opheldering van de doodsoorzaak. Daarmee zou het 'neutrale karakter' verloren zijn gegaan. Van een stijging van het aantal niet-natuurlijke doden bij minderjarigen bleek, nŠ de invoering in 2010 van de plicht tot overleg voor artsen, geen sprake te zijn.

  • Terug naar overzicht inhoud
  • Gebrek aan draagvlak?

    In 2011 daalde het aantal niet-natuurlijke doden in de leeftijdsgroep van 0 t/m 19 jarigen opnieuw van 200 naar 171. In het jaar 2012 was een lichte stijging zichtbaar naar 179 gevallen per jaar. Van een 'significante stijging' van de signalering van (fatale) kindermishandeling was geen sprake (5 gevallen in 2011 en 7 gevallen in 2012 en in 2013 volgens de voorlopige cijfers nog maar 3 gevallen). Op 28 september 2012 verscheen in Medisch Contact een artikel met de titel: "NODO maakt valse start". Op 10 oktober 2012 werden Kamervragen gesteld. De beantwoording van de vragen werd op 30 oktober 2012 uitgesteld omdat de benodigde informatie nog zou ontbreken......
    Op 27 november 2012 werden de antwoorden op de Kamervragen bekend gemaakt. Kennelijk bestond een gebrek aan financiële middelen door de hoge kosten van de implementatie.....

    Er werd opvallend weinig aandacht besteed aan het vergroten van het draagvlak onder de medische beroepsgroepen voor de opheldering van doodsoorzaken. Al of niet verwijtbare 'medische missers' konden deel gaan uitmaken van de NODO-procedure bij de opheldering van het zgn. onverklaard overlijden van minderjarigen. Dit doorkruist het principe van 'veilig melden'. Een dodelijk verlopende bijwerking van een volkomen 'lege artis' uitgevoerde medische behandeling is ook géén gevolg van ziekte maar een calamiteit in de zorgverlening en leidt, in tegenstelling tot de gangbare opvattingen bij veel artsen, wel degelijk tot een (vermoeden van) 'niet-natuurlijk' overlijden.

    Substandaard factoren in de zorg zouden kunnen worden gekenschetst als 'niet lege artis' (be)handelen, en (moeten) leiden tot de conclusie dat sprake is van een (vermoeden van) niet-natuurlijk overlijden. Zoals dat (terecht) ook door de staatssecretaris op 17 april 2012 bij de beantwoording van Kamervragen werd opgemerkt.
    En in dat geval, nŠ de verplichte melding van het overlijden bij (en overleg met) de gemeentelijk lijkschouwer, niet tot het in gang zetten van een 'neutraal' nader onderzoek, maar tot het onmiddellijk weer afbreken van een eventueel reeds gestarte 'veilige' NODO-procedure. Gevolgd door een wettelijk voorgeschreven, en dus ook voor de eerste lijns forensisch (werkzame) arts (ťn ook voor de zgn. "NODO-forensisch arts"), onvermijdelijke artikel 10 melding aan de Officier van Justitie. En een onderzoek door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). Overlijden als gevolg van 'medische calamiteiten' kwam van 2010 t/m 2014 bij minderjarigen in Nederland, na invoering van de plicht tot overleg voor behandelend artsen, dan ook niet meer voor: Niet geheel verwonderlijk liet de 'bereidheid' tot melden of een 'overleg' bij veel kinderartsen (en huisartsen) te wensen over. In het herziene Handelingsprotocol na wiegendood uit december 2011 werd zelfs aanbevolen dat de kinderarts ťťrst zelf onderzoek verricht en pas daarnŠ overleg voert, c.q. het overlijden aanmeldt, bij een forensisch arts. De medewerking van de kinderartsen is cruciaal. Indien de kinderartsen, om wat voor reden (of 'excuus') dan ook, gťťn overleg plegen met de gemeentelijk lijkschouwer, of dit 'verzuimen', zou de NODO-procedure niet eens kunnen worden opgestart. Daarmee zouden de pogingen om te komen tot (uitvoerbare!) wetgeving in de loop van 2013 blijken uit te monden in een volledig overbodige inspanning.

    Uit een brief naar de Tweede Kamer van 11 november 2013 over de begroting van 2014 bleek dat het Ministerie van Veiligheid en Justitie zo snel als mogelijk een beslissing zou nemen over de vraag of de projectsubsidies voor de NODO-procedure (nog) zouden worden voortgezet. Bij de behandeling van de begroting, op 20 en 21 november 2013 in de Tweede Kamer, kwam de NODO-procedure niet ter sprake. In een brief naar de Tweede Kamer op 16 december 2013 deelde de Staatssecretaris van VWS mee dat de deelnemende organisaties naar aanleiding van de opgedane ervaringen en de uitkomsten van de evaluatie aangegeven hadden om per 1 januari 2014 te stoppen met de uitvoering van de NODO-procedure in de huidige vorm. De verstrekking van subsidies werd op 31 december 2013 gestaakt.....
    • 15 oktober 2014: Vervolg op de NODO-procedure
      Brief van de Minister van VWS aan de Tweede Kamer
      Voorwaarde voor de financiering in 2015-2017:
      "de beschikbaarheid van een multidisciplinaire richtlijn"....
    • 12 maart 2015: Verslag van een schriftelijk overleg met de Kamercommissie
      Antwoorden van de Minister van VWS op vragen
      De Minister:
      "Op basis van de ervaringscijfers is uitgegaan van 30 zaken op jaarbasis met een geraamde kostprijs per onderzoek van Ä 15.000,-. Dat betekent dat het budget toereikend zou moeten zijn. Mocht echter blijken dat het beschikbare budget onvoldoende is zal ik binnen de begroting van VWS zoeken naar additionele fondsen."
      "Het budgetplafond is gebaseerd op ervaringscijfers van het aantal NODO-onderzoeken in 2012 en 2013. Het aantal vertoonde de afgelopen jaren slechts geringe fluctuaties."
  • Terug naar overzicht inhoud
  • Innovatief project kindersterfte in Oost-Nederland

    Eind 2009 is de Universiteit Twente in samenwerking met TNO-KVL (Innovation for Life) en de Universiteit van Münster (Institut für Rechtsmedizin) gestart met een haalbaarheidsonderzoek naar de introductie van 'Child Death Review' in de grensregio's van Duitsland en Nederland.
    Het project werd op 9 april 2010 gepresenteerd op een symposium Jeugdgezondheidszorg in het VU-Medisch Centrum in Amsterdam. Onderzocht worden alle gevallen van overlijden van minderjarigen, zowel bij natuurlijke als bij niet-natuurlijke dood. Het project streeft naar samenwerking met de onderzoekers van de Stichting Perinatale Audit Nederland (PAN) en van de Stichting Wiegedood. Tevens wordt aansluiting gezocht bij de voorziene invoering van de NODO procedure waarbij alleen gevallen van 'onverklaard' natuurlijk overlijden zullen worden onderzocht.
    De FOMAT is nauw betrokken geweest bij de opzet van dit innovatieve project en zal ook ondersteuning bieden bij de uitvoering. De FOMAT heeft nadrukkelijk gewezen op de dringende noodzaak van een volkomen vrijwillige medewerking en een adequate begeleiding van de ouders/nabestaanden. 'Opsporing en vervolging' van strafbare feiten maken op geen enkele wijze onderdeel uit van de werkwijze en de (vertrouwelijk verkregen) gegevens kunnen/mogen niet worden gebruikt voor civiel- of tuchtrechtelijke aanspraken. Het project is een logisch vervolg op de systematiek van de perinatale audit.

    "The great majority of unexpected deaths of children are not the result of neglect, abuse or inappropriate care, but are natural tragedies. It is important that the need to identify the relatively uncommon cases in which neglect or abuse has occurred does not lead to victimisation, inappropriate treatment, lack of care, or perceived suspicion of families experiencing what is arguably the worst and most painful process anyone can experience Ė the death of their child."
    Uit: Reviewing Childhood Deaths: Advanced training for rapid response teams


    Het project in Oost-Nederland is intussen, onder de naam SERRAFIM, van start gegaan.
    Dit sociaal-medische project mag/kan niet worden opgevat als een 'alternatief' voor de NODO-procedure. De bemoeienis van de forensisch arts blijft strict beperkt tot de gevallen van niet-natuurlijk overlijden en de juiste classificatie van doodsoorzaken. De inclusie van sterfgevallen in dit onderzoek staat geheel los van de wettelijke plicht tot overleg met de gemeentelijk lijkschouwer sinds 1 januari 2010.
    De eerste onderzoeksbevindingen werden op 11 november 2010 gepresenteerd tijdens een internationaal symposium. De inzet van een zgn. Rapid Response team maakt in Engeland een integraal onderdeel uit van het gehele proces dat daar bekend staat als 'Child Death Review'. Het kan daarvan niet worden losgekoppeld als een soort op zichzelf staande 'pseudo NODO-procedure', zoals door de staatssecretaris in antwoord op bovenstaande Kamervragen op 8 maart 2011 werd gesuggereerd en zoals dat op 18 mei 2011 in een Kamerdebat nog eens werd herhaald. Men leek aanvankelijk een aansluiting te overwegen bij het project in Oost-Nederland. Het is nog maar helemaal de vraag of in Nederland wel voldoende draagvlak bestaat voor het actief ophelderen van doodsoorzaken. De enorme weerstanden die worden opgeworpen tegen de NODO-procedure spreken voor zich.
    De Staatssecretaris in een brief naar de Tweede Kamer op 4 september 2012:

    "Na de NODO-procedure zou een Child Death Review (CDR) plaatsvinden. De CDR heeft als doel een brede audit uit te voeren, waarbij het overlijdensgeval van de minderjarige wordt beoordeeld. Gekeken wordt of er factoren zijn rond het overlijden, die aanwijzingen geven voor preventie van overlijden en verbetering van zorg. De CDR zou plaatsvinden nadat de NODO-procedure was afgerond en de doodsoorzaak bekend is, aan de hand van het dossier van de overleden minderjarige. Het is geen onderdeel van de NODO-procedure, maar een aanvulling hierop."

    Op welke wijze de onderzoeksgegevens ter beschikking komen voor analyse en wetenschappelijk onderzoek is (nog) onbekend. In de bijlage bij een brief van 5 juli 2012 aan de Staatssecretaris hadden de kinderartsen hierop gewezen.......

  • Terug naar overzicht inhoud
  • Child Death Review

    Een 'Child Death Review' is meer, en ook het overlijden van een kind is meer, dan alleen maar het bepalen van of 'een onderzoekje' naar de doodsoorzaak.....
    Deze essentie, zoals de kinderartsen in een reactie op 19 september 2012 via hun beroepsvereniging (NVK) naar voren brachten, werd door de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie niet onderkend en uit het eerdere onderzoeksvoorstel van de Stichting LOOK geschrapt.
    Een 'Child Death Review' (CDR) is ook mťťr dan alleen maar een individueel gericht 'onderzoekje' naar het zgn. 'onverklaard overlijden' van ťťn kind zonder aandacht voor het overlijden van andere kinderen. Een CDR zoekt niet naar 'de doodsoorzaak', die meestal wel bekend is, maar naar samenhangende factoren en achtergronden van het overlijden van kinderen..... Bij een CDR is de expliciete toestemming en medewerking van ouders/nabestaanden. wiens kind is overleden, een vereiste (!) De begeleiding van hen tijdens en ook de CDR heeft altijd prioriteit.
    Het overlijden van een kind is mťťr dan een doodsoorzaak........
    Het is ook meer dan een 'onderzoekje' naar de 'mechanism of death' bij ziekte.
    De geneeskunde is mensenwerk en geen wiskunde met mathematische precisie.......

    Het uitvoeren van een CDR bij alleen gevallen van het zgn. onverklaard overlijden van kinderen in de NODO-procedure (voor het merendeel gevallen van wiegendood) zonder overzicht van de samenhang is een (vrijwel) zinloze excercitie.....
    Een 'casusbespreking' over de juistheid van alleen de doodsoorzaak in de NODO-procedure kon/mocht niet verward worden met een 'Child Death Review'. In een aantal gevallen zou, ook niet door middel van een obductie, in alle gevallen een 'exacte' doodsoorzaak kunnen worden vastgesteld.

    De preventie van kindersterfte is een sociaal-medische aangelegenheid en geen zaak voor het Ministerie van Justitie (ook een schoenmaker blijft bij zijn leest....). De opvatting dat 'opsporing en vervolging' van (fatale) kindermishandeling zou bijdragen aan 'preventie' is reeds lang achterhaald....
    De rol van het Ministerie van Volksgezondheid in dit geheel is en blijft onduidelijk......

    Het SERRAFIM project wordt voor een heel klein gedeelte gefinancierd door het Ministerie van VWS (voorheen Jeugd en Gezin) via ZonMw.
    Een 'Child Death Review' maakt gebruik van bestaande gegevens, analyseert deze, benoemt gťťn 'schuldigen' en mondt uit in het formuleren van adviezen over (toekomstige) "best practices" naar aanleiding van de bevindingen. Het project in Oost-Nederland heeft een sociaal-medische en geen enkele forensische invalshoek.
    In Duitsland richt dit (Europese) samenwerkingssproject zich met name op de preventie van en het onderzoek naar wiegendood. Meer (duitse) informatie is te vinden op:
  • Terug naar overzicht inhoud
  • Opsporing: Plaats Delict

    De gemeentelijk lijkschouwer heeft in Nederland slechts een signalerende functie en verricht zijn/haar werkzaamheden uitsluitend in opdracht van Burgemeester en Wethouders in het kader van de Wet op de lijkbezorging. Dit met name om in gevallen van overlijden waarbij geen arts beschikbaar of bekend is, te voorzien in de noodzakelijke formaliteiten en de beoordeling of er sprake is van een natuurlijke of niet-natuurlijke dood. De Wet op de lijkbezorging maakt geen onderdeel uit van het Wetboek van Strafvordering.

    In de praktijk blijkt helaas dat het niet altijd duidelijk is wat de rol, de taak, de bevoegdheden en de beperkingen zijn van de gemeentelijk lijkschouwer. Met name bij veel politie-ambtenaren, bij het OM en zelfs bij forensisch (werkzame) artsen, heersen hierover een aantal misverstanden.
    • Forensisch arts is gťťn gerechtelijk deskundige
    • NFI-Info februari 2013: "Forensisch geneeskundige (van het NFI) kan letsel beter duidenĒ
      ďMeer ervaring met letselinterpretatie dan de meeste gemeentelijk lijkschouwers" (!)
    • Forensische geneeskunde
      Het vakgebied forensische geneeskunde bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI)
    • 1 maart 2013: Instellingsbesluit Commissie Toekomst Forensisch Onderzoek
      De rol en werkwijze van politie, OM, NFI en particuliere instituten in onderlinge samenhang
    • Uit de begroting van het Ministerie van V&J voor het jaar 2014:
      "De Minister van Veiligheid en Justitie heeft toegezegd dat medio 2013 de 'business case' forensische opsporing gereed is inzake onder meer tien (regionale) onderzoeksruimten politie in samenhang met werkzaamheden NFI (ook voor derden) en particuliere onderzoeksinstituten. Over de 'business case' zal een door de Minister van Veiligheid en Justitie in te stellen commissie nader adviseren.
      De Kamer wordt in het najaar 2013 nader geÔnformeerd."
    • 12 november 2013: Rapport Commissie Toekomstige inrichting forensisch onderzoek
      Politie en OM dienen strategische keuzes te maken...

      De Minister in de beleidsreactie op dit Rapport:
      "De taken die het NFI verricht zijn gedefinieerd in de Regeling Taken NFI, waarin de verweving met opsporing en vervolging als typische overheidstaken tot uitdrukking komt. Een nadere beschouwing van het NFI als onderneming in de betekenis van onder meer de nationale en Europese mededingingswetgeving is niet aan de orde. De commissie stelt dan ook dat gelet op de mededingingsrechtelijke aspecten, die een grote impact hebben op de inrichting en organisatie van het NFI, niet lichtvaardig besloten moet worden om het NFI toestemming te geven om voor commerciŽle derden te werken. Ik sluit mij hier volledig bij aan en blijf bij mijn eerder ingenomen standpunt dat het NFI geen ruimte krijgt om te werken voor commerciŽle derden. Naar aanleiding van het advies van de commissie om - mede ter versterking van het functioneren van het NFI als overheidsorganisatie - de kostensystematiek van het NFI transparanter te maken, heb ik met het NFI afgesproken dat nog dit najaar het prijsbeleid wordt gepubliceerd en dat tevens wordt gepubliceerd welke inkomsten het NFI heeft."
    In de Nieuwsbrief 2005 nr.2 van het Forensisch Medisch Genootschap werd hier ook aandacht aan besteed. "Lang niet elk sterfgeval is ook een Plaats Delict (PD). Wanneer wordt een 'lijkvinding' een PD? Welke criteria spelen daarbij voor forensisch arts en politiefunctionarissen een rol? De gewenste deskundigheid van forensisch artsen en recherche zijn vaak omgekeerd evenredig bij 'lijkvindingen'. Als een misdrijf of strafbaar feit evident is, dan is de rol van de gemeentelijk lijkschouwer in principe vrij marginaal", aldus de Nieuwsbrief.

    De gemeentelijk lijkschouwer staat ook min of meer buitenspel met het afgeven van de 'artikel 10 verklaring' op grond van de Wet op de lijkbezorging. De gemeentelijk lijkschouwer is nu eenmaal gťťn bevoegd (buitengewoon) opsporingsambtenaar of medewerker in dienst van de politie of het Openbaar Ministerie. De gemeentelijk lijkschouwer speelt geen enkele relevante rol in het strafvorderlijk proces. Het vaststellen van de causaliteit - het wettig bewijs dat het overlijden zonder twijfel is veroorzaakt door een strafbaar feit - kan alleen d.m.v. een gerechtelijke obducte geschieden. Ter illustratie: Als de situatie echter vaag en onduidelijk is dan is juist grote oplettendheid en deskundigheid van de schouwarts vereist. In november 2005 verscheen n.a.v. de juridische dwalingen in de 'Schiedammer Parkmoord' een rapport waarin de marginale rol van de eerste lijns forensisch arts als gemeentelijk lijkschouwer nog eens duidelijk werd onderstreept: Ook met de aanpassingen in de Wet op de lijkbezorging, die sinds 1 januari 2010 in werking is getreden, blijven de taken en de positie van de gemeentelijk lijkschouwer ongewijzigd: Politietechnieken
    Bij het uitvoeren van een lijkschouw is het van belang om zich te verdiepen in de methoden en technieken die de politie gebruikt. De volgende publicatie is de moeite van het doorlezen waard: Ter informatie plaatsen we ook het overzicht van het NFI van maart 2007 over de in ontwikkeling zijnde zgn. 'forensisch technische normen' (FT-normen) en informatie over de gerechtelijke obductie: In november 2007 werden de volgende FT-normen gepresenteerd:
    FT 1000.01 Schriftelijke en fotografische registratie van een slachtoffer op de plaats delict
    FT 1000.03 Verpakken van het slachtoffer op de plaats delict
    FT 1000.04 Het vervoer van het in beslaggenomen slachtoffer voor een vervolgonderzoek
    FT 1000.05 De opslag, het beheer en de inrichtingseisen van een politiemortuarium voor een in beslaggenomen slachtoffer (voor een vervolgonderzoek)
    FT 1200.01 Lijkschouw

    De FT-normen werden herzien naar nieuwe FO-normen (Forensische Opsporing). Dat zijn er veel minder en ze gaan specifiek over het werk van de forensische opsporing.
    De oude FT-normen hadden een ingangsdatum van 1 januari 2008, met uitzondering van 1000.05 waarvoor een overgangsperiode van een jaar gold, gezien de infrastructurele eisen die de norm oplegde. Deze norm is per 1 januari 2009 van kracht geworden. De FT-norm 1200.01 werd zodanig opgesteld dat deze overeenkomt met de FMG richtlijn voor de lijkschouw:
  • Terug naar overzicht inhoud
  • De zgn. 'inbeslagname' van stoffelijk overschot

    In de praktijk wordt vaak gesproken over de "inbeslagneming" van het stoffelijk overschot. In juridische zin zou daarvan sprake kunnen zijn, omdat het stoffelijk overschot als "voorwerp" zou kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. Er moet dan overigens wel sprake zijn van een vermoeden van strafbare feiten of een niet-natuurlijke dood, immers de inbeslagneming kan alleen in het kader van een opsporingsonderzoek plaatsvinden. Volgens de wettelijke regelingen m.b.t. de strafrechtelijke inbeslagneming in relatie tot de bepalingen over het vervoer en de bewaring van stoffelijke overschotten, is het gebruik van het begrip "inbeslagneming" in dit kader niet op zijn plaats. Het begrip "lijk of lijken" zoals omschreven in de Wet op de lijkbezorging voldoet niet aan de beschrijving van het begrip "voorwerp" zoals opgenomen in art. 33 a, lid 4, Sr. en art. 94a, lid 5, Sv.: onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten. De t.a.v. het stoffelijk overschot te treffen maatregelen zijn te allen tijde gericht op het verkrijgen van een verlof tot begraving of verbranden.

    Voor de duidelijkheid:
    De forensisch (werkzame) arts bechikt niet over een bevoegdheid tot inbeslagname.

    Vervoer (verplaatsing) van het stoffelijk overschot bij een (vermoeden van) een niet-natuurlijk dood is echter, op grond van het bepaalde in art. 76 van de Wlb, alleen mogelijk met toestemming van de Officier van Justitie. Het stoffelijk overschot verkeert derhalve 'in berusting' op last van het Openbaar Ministerie. Totdat het stoffelijk overschot door de Officier van Jusititie is vrijgegeven wordt daarmee de Politie (of het OM) verantwoordelijk voor de kosten van vervoer en bewaring. De kosten van een opsporingsonderzoek kunnen niet ten laste van het stoffelijk overschot c.q. de overledene of de nabstaanden worden gebracht. Sporenverzameling
    Bij de sporenverzameling speelt het bepalen van DNA-profielen een belangrijke rol. Uitgebreide informatie hierover is te vinden op de:
  • Terug naar overzicht inhoud
  • Kosten lijkschouw

    Er blijkt in de praktijk nogal eens discussie te ontstaan over de instantie die de kosten dient te dragen voor de uitvoering van de lijkschouw door de gemeentelijk lijkschouwer. Veel artsen, waaronder zelfs een aantal forensisch (werkzame) artsen, blijken te denken dat de de gemeentelijk lijkschouwer 'in opdracht' werkt voor de Officier van Justitie (OM).
    Hierover plaatsen we de volgende achtergrondinformatie: Medische diensten die niet de bescherming van de gezondheid van de betrokkene tot voornaamste doel hebben, zijn sinds 1 januari 2008 aan de heffing van omzetbelasting (BTW) onderworpen.

  • Terug naar overzicht inhoud
  • Vervoer stoffelijk overschot

    Voor het transport van een stoffelijk overschot naar het buitenland is internationale wetgeving van belang. Hiervoor dient door de Burgemeester een zgn. "laissez-passer" te worden afgegeven. Omdat hiervoor ook medische informatie (doodsoorzaak) wordt gevraagd zal de Burgemeester (ambtenaar van de burgerlijke stand) zich tot de arts of de gemeentelijk lijkschouwer wenden die een verklaring van overlijden heeft afgegeven. In de praktijk stuit dit op een probleem i.v.m het beroepsgeheim. Vandaar dat we over dit transport, de wetgeving en de noodzakelijke formulieren meer uitgebreide informatie plaatsen. Het "laissez-passer" wordt verstrekt door de Burgemeester (ambtenaar burgerlijke stand) van de gemeente van overlijden en niet door een arts. De Burgemeester is (als bevoegde autoriteit) samen met de begrafenisondernemer verantwoordelijk voor het naleven van de voorschriften voor het vervoer van stoffelijke overschotten. De forensisch arts, of een (huis)arts die de verklaring van overlijden heeft afgegeven, is hierbij (vanwege het vermelden van de doodsoorzaak) slechts zijdelings betrokken.
    Vanaf 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer.

  • Terug naar overzicht inhoud
  • Overlijden na medisch handelen

    Indien een patiŽnt overlijdt als gevolg van een al of niet vermeende medische fout of misser is er sprake van twijfel aan een natuurlijk overlijden. In de praktijk kan dit een precaire en verwarrende situatie opleveren. We plaatsen hierover de volgende achtergrondinformatie:
  • Terug naar overzicht inhoud
  • Taakveld psychiatrie

    In de dagelijkse praktijk wordt de forensisch geneeskundige regelmatig door de politie ingeschakeld voor de beoordeling van personen die mogelijk moeten worden toegeleid naar de GGZ. Van belang is hierbij om kennis te nemen van het
  • Terug naar overzicht inhoud
  • Toepassing Wet BOPZ

    Als er evident sprake is van een psychose zal de GGZ moeten worden ingeschakeld voor een nadere beoordeling in het kader van de De evaluatiecommissie trok de conclusie dat de Wet bopz niet toekomstbestendig zal zijn en deed de aanbeveling om de Wet bopz te vervangen door een nieuwe regeling waarin het uitgangspunt van ępassende zorgĽ voor de psychiatrische patiŽnt centraal staat. Zij schetste daarbij de contouren van een dergelijke nieuwe regeling.
    N.a.v. het rapport van de commissie uit april 2007 (!) stuurde het kabinet op 18 december 2007 een brief naar de Tweede Kamer. Meer dan zes jaar na het verschijnen van het evaluatierapport is de behandeling van twee wetsvoorstellen nog steeds niet ten einde: Het zal nog geruime tijd in beslag nemen voordat de nieuwe regelingen van kracht worden. Vanzelfsprekend volgt de FOMAT de ontwikkelingen.
    We plaatsen de volgende achtergrondinformatie: Opmerkingen
    Niet iedereen met 'afwijkend' gedrag heeft een psychose. Een aantal van de personen die door ons, op verzoek van de politie worden gezien blijken soms reeds langer bekend te zijn in het circuit van de GGZ. Sommigen van hen zijn bekend als 'veelplegers' die vaak al een indrukwekkend aantal contacten met justitie hebben gehad. In mei 2006 verscheen een rapport van de Gezondheidsraad over de Er ontstaat nogal eens onbegrip en zelfs wat irritatie als bij de beoordeling blijkt dat er geen indicatie is voor een 'gedwongen' opname. Ter informatie (met name voor politieambtenaren) plaatsen we daarom ook wat nadere en verklarende uitleg over:
  • Terug naar overzicht inhoud
  • Overlast en zorgmijdend gedrag

    Soms wordt de politie ingeschakeld door derden (familie, buren, omstanders) als er sprake is van overlastgevend gedrag. Ook als er geen sprake is van strafbare feiten of overtredingen worden deze mensen door politie-ambtenaren (vaak ten einde raad en met een beroep op art. 2 van de Politiewet) overgebracht naar het politiebureau. Het politiebureau kan echter niet beschouwd worden als een inrichting voor maatschappelijke opvang of als een instelling voor verslavingszorg. Een nadere beschouwing over deze problematiek, waar het raakvlakken met de forensische geneeskunde betreft, is noodzakelijk. De FOMAT plaatst over dit onderwerp de volgende:
  • Terug naar overzicht inhoud
  • Taakveld Medische Advisering

    Uit het beroepsgeheim vloeit voor de behandelend arts een zwijgplicht voort over hetgeen hem tijdens zijn beroepsuitoefening over een patiŽnt bekend is geworden. Dit moet ruim uitgelegd worden. In verband met de relatie tot de patiŽnt, kan het moeilijk zijn onbevooroordeelde conclusies en oordelen te geven. Een verwijt van subjectiviteit kan snel worden geuit zonder dat de arts in staat zal zijn zich daartegen behoorlijk te verdedigen.

    De behandelend arts moet ervoor zorgen dat aan anderen dan de patiŽnt gťťn inlichtingen over de patiŽnt dan wel inzage of afschrift van (een deel van) het dossier, worden verstrekt. In beginsel mag de arts slechts met toestemming van de patiŽnt zijn zwijgplicht doorbreken. Zekerheidshalve zwijgt de arts over alles dat hij over de patiŽnt in het kader van de behandeling weet of te weten is gekomen.

    De reden waarom een behandelend arts geen geneeskundige verklaringen behoort af te geven is om de vertrouwensrelatie tussen de patiŽnt en de arts niet te schaden of op het spel te zetten. Deze relatie kan aangetast worden als het oordeel dat de arts geeft in zijn geneeskundige verklaring geeft niet gunstig is voor zijn patiŽnt. Een behandelend arts wordt niet geacht objectief te zijn ten opzichte van zijn patiŽnt.

    De zwijgplicht betreft niet alleen medische kennis, maar geldt ook ten aanzien van gegevens van andere aard. De zwijgplicht geldt in principe ten opzichte van iedereen en derhalve ook tegenover de politie en justitie. De achterliggende gedachte is, dat iedereen die medische hulp nodig heeft zich zonder vrees voor verhoor of aanhouding moet kunnen wenden tot een arts of ziekenhuis.

    De NVZ vereniging van ziekenhuizen heeft over de contacten tussen ziekenhuizen en politie/justitie in 2004 de volgende publicatie uitgebracht: Meer informatie over dit onderwerp:
  • Terug naar overzicht inhoud
  • Geneeskundige verklaringen.

    De KNMG heeft als standpunt dat een behandelend arts gťťn verklaringen of beoordelingen afgeeft over een eigen patiŽnt. Dit hoort niet tot de taak van de behandelend arts. Het kan immers de vertrouwensrelatie tussen behandelend arts en patiŽnt onder druk zetten. Dergelijke verklaringen mogen alleen worden afgegeven door een onafhankelijke arts. De onafhankelijke arts kan een eigen beoordeling maken van de situatie. Zonodig kan de onafhankelijke arts, met toestemming van de patiŽnt, extra informatie opvragen bij de behandelend arts(-en). Om patiŽnten uit te leggen waarom de behandelend arts geen verklaring afgeeft heeft de KNMG een zogenaamd 'weigeringsbriefje' opgesteld om dit standpunt nader uit te leggen. (Bron: Overzicht KNMG publicaties)

  • Terug naar overzicht inhoud
  • Richtlijn letselrapportage

    Het Forensisch Medisch Genootschap heeft in oktober 2009 een verbeterde richtlijn uitgegeven over de letselbeschrijving in geneeskundige verklaringen. Deze richtlijn beschrijft de wijze waarop een letselrapportage tot stand komt en de eisen waaraan de rapportage moet voldoen. Een letselrapportage is bestemd voor politie of justitie. Door het Centraal Tuchtcollege werden op 30 januari 2014 de criteria voor de rapportage geformuleerd:
    1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
    2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
    3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
    4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;
    5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
    Bron: Uitspraak ECLI:NL:TGZCTG:2014:17

    De (medische) waarnemingen en omschrijvingen bij letselrapportages dienen uitsluitend ter documentatie van objectief vastgestelde en vast te stellen bevindingen zonder dat hier een strafvorderlijk oordeel aan verbonden kan worden. Dergelijke oordelen kunnen alleen door hiertoe bevoegde en benoemde gerechtelijk deskundigen worden afgegeven. Interpretaties (of nog erger: speculaties) dienen achterwege te blijven (niet behorend tot de vraagstelling). Het is de vraag of in Nederland wel 'behoefte' bestaat aan een groot aantal deskundigen op het gebied van kindermishandeling. Er zijn nu eenmaal bepaalde verrichtingen die zo zelden voorkomen dat vrijwel niemand daar ervaren in kan raken. Dat is geen schande. Het is dan ook veel beter om dat, als forensisch (werkzame) arts gewoon te erkennen en de opdracht terug te geven en/of door te verwijzen naar een specialist die wel regelmatig dit soort vragen en opdrachten verstrekt krijgt en zich echt verdiept heeft in de materie. Op dit terrein is net als bij de - sinds 1 oktober 2012 ingevoerde, en op 1 januari 2014 weer gestaakte - NODO-procedure een centralisatie dringend aan te bevelen.
  • Terug naar overzicht inhoud
  • Advisering t.a.v. vreemdelingen

    Artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 luidt:

    "Uitzetting blijft achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen."

    Normaal gesproken wordt de medische beoordeling met betrekking tot dit wetsartikel in handen gelegd van het Bureau Medische Advisering (BMA) dat onderdeel uitmaakt van de Immimigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het Minsterie van Justitie.
    In 2004 verscheen hierover een belangwekkende rapportage die meestal als het 'Rapport Smeets' wordt aangeduid: Adviesvraag
    In sommige gevallen kan het voorkomen dat in de uitzettingsprocedure op het laatste moment nog een beroep wordt gedaan op het voornoemde wetsartikel. Daarbij kan de dienstdoende forensisch geneeskundige om een advies wordt gevraagd.
    In juni 2006 verscheen een rapport van de Inspectie voor de Gezondheidszorg over de werkwijze en het functioneren van het BMA. Tevens werden in dit rapport een aantal aanbevelingen gedaan over de wijze waarop dit soort advisering tot stand dient te komen. Er worden regelmatig vraagtekens gezet bij de wijze waarop de artsen van het BMA tot hun (onafhankelijk?) medisch advies aan Jusititie komen. Dit werd in het begin van 2011 in een uitzending van de televisie-rubriek Zembla opnieuw aan de kaak gesteld. Op 19 december 2007 had de Commissie ĎMedische zorg aan (dreigend) uitgeprocedeerde asielzoekers en illegale vreemdelingení, ook wel genoemd de Commissie Klazinga, het rapport Arts en Vreemdeling uitgebracht.
    Zowel de juridische, politieke als financiŽle kaders kunnen op gespannen voet staan met het medisch ethische principe om zorg te verlenen aan een ieder die dat nodig heeft. De commissie komt in haar rapport met adviezen en richtlijnen voor artsen hoe met deze situaties om te gaan en bevat ook voor andere betrokkenen aanbevelingen hoe te waarborgen dat de artsen de door hun noodzakelijk geachte zorg adequaat kunnen verlenen. Taalproblemen mogen daarbij geen belemmering vormen: Uit de laatste alinea's van de brief van de Staatssecretaris van 12 april 2013:
    " Het rapport vestigt ook aandacht op de spanning tussen werken met protocollen en professionele verantwoordelijkheid. Goed zorgen voor mensen in detentie gaat niet alleen over het juist volgen van protocollen, maar vooral en op de eerste plaats oog hebben voor de menselijke maat. Uiteindelijk vormen de protocollen immers geen doel op zichzelf, maar zijn zij slechts een middel om professioneel, betrokken en verantwoord handelen te ondersteunen, met oog voor de persoon om wie het gaat. Zowel ik als de organisaties die onder mijn verantwoordelijkheid vallen vinden dat dit altijd voorop moet staan. Mensen die aan de zorg van de overheid zijn toevertrouwd, moeten in goede handen zijn. Daar sta ik voor. " Zoals te verwachten zou (weer!) gaan blijken dat 'alle protocollen' op de juiste wijze waren gevolgd..... En dat sprake was van een uiterst ongelukkige samenloop van niet voorspelbare omstandigheden....
    En zo ook bleek uit een nader onderzoek naar de gang van zaken: Het was de ambtenaren van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) kennelijk bij de uitzetting niet opgevallen dat ze bezig waren een doodziek kind uit te zetten.....
    En vervolgens werden de ouders van het kind eerst 'de schuld' in de schoenen geschoven....
    Een psychotische man zou 'zelf' verantwoordelijk zijn voor zijn eigen medisch dossier?
    Was dit de 'menselijke maat' waar de Staatssecretaris zelf zo hoog over pleegde op te geven? Tijdens een AO van 30 oktober 2013 kwam het Rapport van de Nationale Ombudsman weer ter sprake. Staatssecretaris zegde toe een (beleids)reactie naar de Tweede Kamer te sturen:
  • Terug naar overzicht inhoud
  • Algemene informatie

    In tegenstelling tot wat vaak wordt verondersteld heeft ook de forensisch (werkzame) arts, net als alle andere artsen, wel degelijk een medisch beroepsgeheim.
    De geheimhoudingsplicht in de gezondheidszorg is gerelateerd aan de persoonlijke levenssfeer (zie art. 7:457 BW, art. 218 WvSv) en het algemeen belang. Het beroepsgeheim waarborgt dat patiŽnten niet schromen van de gezondheidszorg gebruik te maken. Uitsluitend indien aan een aantal stricte criteria wordt voldaan kunnen inlichtingen aan derden worden verstrekt over hetgeen de arts in het kader van zijn beroepsuitoefening ter kennis is gekomen ůf gebracht. Vandaar dat we op onze website hier aandacht aan besteden. Op deze pagina van de website zullen regelmatig nieuwe van belang zijnde publicaties worden opgenomen en ook (pdf) documenten die kunnen worden gedownload.



    Terug naar begin pagina