Achtergrond informatie:
Indien een patiŽnt overlijdt als gevolg van een (al of niet vermeende) medische fout of misser, een 'medisch bedrijfsongeval' of een (on)voorziene dodelijke complicatie is sprake van een niet-natuurlijk overlijden. In de praktijk kan dit een precaire en verwarrende situatie opleveren, met name voor de behandelend arts tegenover de nabestaanden van de overledene. Onderstaande informatie zal de komende tijd worden uitgebreid.

Overlijden na medisch handelen

Overzicht inhoud:


Inleiding

De Wet op de lijkbezorging bepaalt in artikel 7, eerste lid, dat een verklaring van overlijden door "hij die de lijkschouwing heeft verricht" kan worden afgegeven indien de overtuiging bestaat dat het overlijden het gevolg is van een natuurlijke oorzaak. Indien deze arts meent niet tot de afgifte van een verklaring van overlijden te kunnen overgaan dient onverwijld de gemeentelijk lijkschouwer hiervan mededeling te worden gedaan zoals is bepaald in artikel 7, derde lid. Indien er sprake is van levensbeŽindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding dient eveneens de gemeentelijk lijkschouwer hiervan melding te worden gedaan zoals bepaald in artikel 7, tweede lid.

Overlijden als gevolg van medisch handelen kan vrijwel altijd opgevat worden als een onbedoeld gevolg van de poging(en) om ziekte te genezen c.q. het verloop van ziekte te beÔnvloeden. We spreken dan van 'lege artis' medisch handelen. Hoewel dit niet expliciet in de wet is vastgelegd wordt in de praktijk het overlijden als gevolg, of als complicatie van 'lege artis' uitgevoerd, medisch handelen eveneens opgevat alsof het een natuurlijk overlijden zou betreffen. Dit leidt regelmatig tot discussie. Ten onterechte denken veel artsen dat er sprake moet zijn van een strafbaar feit bij een niet-natuurlijke dood. In de praktijk blijkt dat behandelend artsen hierdoor te vaak een verklaring van natuurlijke dood afgeven.
  • 27 april 2007: Onbedoeld en te voorkomen
    Ruim 1700 patiŽnten zouden jaarlijks overlijden door onbedoelde schade
    Het betreft tijdelijke of blijvende iatrogene schade (*) .....
    Bij overlijden is dan sprake van een niet-natuurlijk overlijden


    (*) Schade aan de gezondheid die ontstaan is als gevolg van behandeling door zorgverleners (Ďiatrosí = arts). Dit geldt (ook) voor ernstige (vaak onvoorziene) zeldzame bijwerkingen van geneesmiddelen. Soms als gevolg van foutief handelen. Ook besmettingen als gevolg van de 'ziekenhuissetting' - de zgn. nosocomiale infecties - worden hiertoe gerekend.
In de Nederlandse situatie legt de wetgever de bijzondere verantwoordelijkheid voor de beoordeling of sprake is van 'lege artis' medisch handelen of dat medisch falen of een onvoorziene complicatie bij het overlijden een rol heeft gespeeld bij de arts zelf (die de lijkschouw verricht) zonder dat een tweede onafhankelijk arts hierover een (mede)oordeel uitspreekt. De grens tussen een onverwachte en onvoorziene complicatie en een 'medische fout of misser' is vaak niet duidelijk te trekken en omvat een groot 'grijs' gebied. Sinds 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer.

Overlijden als gevolg, of mede als gevolg, van mogelijk onjuist of niet 'lege artis' medisch handelen komt uitsluitend onder de aandacht van de gemeentelijk lijkschouwer bij toeval (in het kader van een lijkschouw waar geen behandelend arts beschikbaar is) of door een melding van de behandelend arts zelf.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Natuurlijk en niet-natuurlijk overlijden

    In de praktijk blijken nogal eens misverstanden te bestaan over het onderscheid en het spraakgebruik rondom de beide begrippen. Belangrijk is om te onderkennen dat dit onderscheid niet zozeer feitelijk van belang is maar uitsluitend een zeer beperkt juridisch doel dient omdat de toepassing van wettelijke voorschriften uit de Wet op de lijkbezorging daarmee wordt vastgelegd. De achterliggende gedachte van de wetgever is dat geen begraving of verbranding van een overledene kan/mag plaatsvinden zonder dat het aspect van strafbaarheid en aansprakelijkheid in relatie tot het overlijden onderzocht of opgehelderd is. Een centrale rol is hierbij weggelegd voor de Officier van Justitie (OvJ) die binnen de rechtsstaat verantwoordelijk is voor opsporing en vervolging van strafbare feiten.

    De thans gangbare omschrijving, daterend uit 1979 en uit 1991, luidt:

    "Natuurlijk overlijden is overlijden door spontane ziekte ("of ouderdom"), inclusief een complicatie van een 'lege artis' uitgevoerde medische behandeling."

    (*) De laatste toevoeging omschrijft de zgn. medische exceptie.
         Van strafbaarstelling of 'strafbaarheid' is geen enkele sprake.
          Begin 2016 werd "of ouderdom" uit de definitie geschrapt

    "Niet-natuurlijk overlijden is ieder overlijden dat (mede) het gevolg is van uitwendig (fysisch of chemisch) geweld, ook wanneer dit niet door menselijk toedoen is veroorzaakt, alsmede overlijden waarbij sprake is van opzet of schuld (van de overledene zelf of anderen)."

    Belangrijk in de definitie van niet-natuurlijk overlijden is het woordje 'gevolg'. Dit houdt in dat een externe factor op enig moment moet hebben bijgedragen aan het overlijden, m.a.w het overlijden zou niet of naar alle waarschijnlijkheid niet op het daadwerkelijke tijdstip van overlijden hebben plaatsgevonden zonder inwerking van de externe factor. Een (on)voorzien ongewenst gevolg van een medische (be)handeling leidt ook tot een niet-natuurlijk overlijden. Het doel van een (medische) behandeling is immers niet het overlijden van de patiënt.....

    Een voor medici herkenbaar en inzichtelijk voorbeeld hiervan is de onvoorziene en onverwachte anafylactische reactie die de dood tot gevolg heeft na het volkomen 'lege artis' toedienen van een medicament (*). De bewering dat er dan sprake is van dood door ziekte (bijv. de pneumonie waarvoor de behandeling werd gestart) en 'dus' van een natuurlijk overlijden is niet alleen merkwaardig maar in feite gewoon valsheid in geschrifte (**). Er is onmiskenbaar sprake van een externe factor die leidt tot het (voortijdig) overlijden, dus volgens de wet een niet-natuurlijke dood, maar het is maar helemaal de vraag of hier sprake is of kan zijn van enige strafvorderlijke relevantie. Op zijn hoogst is sprake van een onvoorziene en ongelukkige samenloop van omstandigheden, en een ernstige dodelijke bijwerking (***) van het medicament, maar geen enkel weldenkend mens zal willen beweren dat hier 'iets of iemand' voor 'bechuldigd' of 'vervolgd' moet worden.
    Nog merkwaardiger is het om dan als primaire doodsoorzaak op de B-verklaring (zie hieronder) in te vullen dat de patient is overleden aan de 'gevolgen' van het longcarcinoom waarvoor hij/zij 'lege artis' werd behandeld met het medicament voor een obstructiepneumonie die is ontstaan door de bronhusvernauwing die is opgetreden door de tumor. Dat is, en dat is duidelijk voor elke medicus, feitelijke wetenschappelijke falsificatie en het verstrekken van onjuiste gegevens. En dan is langzaamaan natuurlijk wel sprake van enige, en wel degelijk ook strafvorderlijke (!), importantie.

    (   *) ICD-10 code: T88.6 (zal door CBS in NL gecodeerd worden in groep: ICD-10: Y40-Y59)
           (ongewenst gevolg van geneesmiddel bij therapeutisch gebruik)
           Uitwendige oorzaak van overlijden: niet-natuurlijk overlijden
    (  **) Zie hierover: Wetboek van Strafrecht: artikel 228
    (***) Melding bijwerkingen van geneesmiddelen

    Niet bij bij elk geval van niet-natuurlijke dood, en dat is een vaak voorkomend misverstand, is ook sprake van een strafbaar feit. In de overgrote meerderheid van de gevallen van een niet-natuurlijk overlijden (ongeval, suÔcide) is nader onderzoek in het geheel niet (meer) noodzakelijk en volgt vrijwel onmiddellijk vrijgave van het stoffellijk overschot. Ook de gemeentelijk lijkschouwer zal, indien deze wordt geraadpleegd, dit voorstellen en adviseren in de vorm van een (on)gevraagde opmerking ('onduidelijke strafvorderlijke relevantie') bij de afgifte van de wettelijk voorgeschreven Art. 10 verklaring aan de Officier van Justitie, en dit (zonodig telefonisch) toelichten. Tevens zal ook worden geadviseerd het voorval te melden bij de Inspectie. En tot slot dienen de nabestaanden uiteraard op adequate wijze te worden voorgelicht over wat er is gebeurd.

    Voor de duidelijkheid en ter geruststelling:
    De gemeentelijk lijkschouwer is geen 'medisch-juridische boeman', is niet in dienst van het OM of de politie, heeft (ook) een medisch beroepsgeheim en wordt betaald door Burgemeester en Wethouders.

    Medisch handelen leidt uiterst zelden tot strafbaar handelen, maar kan wel degelijk leiden tot een 'niet-natuurlijk' overlijden. Meestal zal de medische exceptie zonder meer van toepassing zijn.

    Bij overlijden ten gevolge van een vermijdbare of verwijtbare omstandigheid speelt uiteraard de civiel-rechtelijke wettelijke aansprakelijkheid c.q. de beoordeling daarvan wel een rol. Lijkschouwing vindt niet plaats om de dood vast te stellen, maar om de aard van het overlijden vast te stellen en, indien er sprake is van een natuurlijk overlijden, een verklaring van overlijden (A-verklaring) af te geven. Deze verklaring van overlijden is noodzakelijk voor de nabestaanden om daarmee een verlof tot begraving of verbranding van het stoffelijk overschot te verkrijgen van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente van overlijden die een akte van overlijden opstelt. Enige bemoeienis van Politie of Justitie is bij afgifte van een A-verklaring niet noodzakelijk. Sinds 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer. Het verdient aanbeveling om dit overleg aan te tekenen in het medisch dossier. Ook de gemeentelijk lijkschouwer kan na onderzoek besluiten dat sprake is, c.q. moet zijn, van een natuurlijke dood en een (vergelijkbare) A-verklaring afgeven. In dat geval blijft contact met de Officier van Justitie geheel achterwege.

    De opgave van de doodsoorzaak staat bekend als de zgn. B-verklaring. De wetgever gaat er van uit dat de 'arts die de lijkschouw verricht' tot een betrouwbare inschatting zal kunnen komen over de doodsoorzaak van zijn eigen patiŽnt. Nederland kent tot op heden geen enkel wettelijk voorschrift om de doodsoorzaak door een sectie (obductie) vast te stellen (gebrek aan obductie-capaciteit, respect voor privacy). De doodsoorzaak is zelden alleen af te leiden uit verschijnselen die aan het stoffelijk overschot kunnen worden waargenomen. Vaak is hiervoor veel uitgebreidere informatie nodig (o.a. medisch dossier, kennis van de omstandigheden en achtergronden, een obductie, etc).

    "De gemeentelijk lijkschouwer maakt geen onderscheid tussen wel of niet strafbare feiten; dat oordeel is aan justitie. De gemeentelijk lijkschouwer maakt slechts onderscheid tussen een natuurlijke en een niet-natuurlijke dood. Veel gevallen van niet-natuurlijke dood (ongeval, suÔcide) leveren geen strafbare feiten op."
    (Bron: Das et al. Ned Tijdschr Geneeskd. 2007;151:838-9)

    Uit de Memorie van antwoord van 15 mei 2009, op vragen van de Eerste Kamer bij Wetsvoorstel 30696:
      ĒDe aanvraag van de KNMG voor het ontwikkelen van een multidisciplinaire richtlijn inzake samenwerking bij de lijkschouw is door ZonMw in juni 2008 conform de geldende procedures beoordeeld om te bezien of deze in aanmerking komt voor subsidie binnen het programma Kennisbeleid Kwaliteit Curatieve Zorg. De aanvraag is afgewezen omdat de kwaliteit van de aanvraag tekort schoot. Alle betrokken partijen zijn er echter van overtuigd dat deze richtlijn er moet komen. In een gezamenlijk overleg op 30 oktober 2008 zijn er nadere afspraken gemaakt over de inhoud van deze te ontwerpen richtlijn. Daarbij heeft men besloten dat er eerst een knelpuntenanalyse moet komen. Het Nederlandse Huisartsen Genootschap gaat het voortouw nemen bij het opstellen van een nieuwe aanvraag. Tevens is besloten om een projectgroep in het leven te roepen, bestaande uit diverse disciplines, die zich gaat verdiepen in de juridische en ethische aspecten, het realiseren van draagvlak, de verspreiding van informatie en de implementatie.Ē
    Sinds 2009 leek wel enige voortgang te zijn geboekt bij de 'knelpuntenanalyse'. In de eind 2009 aangekondigde en laatste aanpassing van de Wet op de lijkbezorging, die op 1 maart 2011 in werking trad, werd aan 'knelpunten' echter geen enkele aandacht besteed. Ook van een aanpassing van het Besluit op de lijkbezorging was geen sprake.

    De Minister van Justitie in antwoord op Kamervragen op 19 mei 2011:
      "Het is voor mij niet mogelijk om vast te stellen hoe vaak ten onrechte een verklaring van overlijden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak is afgegeven. Welk aantal eventueel had dienen te leiden tot een strafrechtelijk onderzoek, kan ik dan ook niet vaststellen. Mijn ambtgenote van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft mij laten weten dat er voorlopig geen onderzoek zal worden gedaan naar de omgang met verdachte sterfgevallen door artsen."

      "Om de kwaliteit van de lijkschouw in Nederland te verbeteren heeft de minister van VWS medische beroepsorganisaties verzocht een richtlijn op te stellen met betrekking tot de werkwijze rondom lijkschouw. Die richtlijn zou onzorgvuldigheden bij het vaststellen van de aard van overlijden bij volwassenen moeten voorkomen. Inmiddels is onder leiding van het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) een dergelijke richtlijn in de maak. Deze richtlijn wordt via samenwerking tussen huisartsen, specialisten onder wie specialisten ouderengeneeskunde alsmede forensisch artsen en vertegenwoordigers van de KNMG tot stand gebracht. De richtlijn beoogt onder meer duidelijkheid te scheppen voor artsen bij het verrichten van de lijkschouw."
    Bij de beantwoording van Kamervragen over de melding van niet-natuurlijke dood door ziekenhuizen in 2009 (zie hieronder) werd gemeld dat de betreffende Richtlijn 'volgend jaar' gereed zou zijn. Welk 'volgend jaar' de toenmalige Minister van VWS bedoelde was niet duidelijk. Om met Chilon van Sparta te spreken: "De mortuis nil nisi bene".
    Over de voortgang of de resultaten van het in augustus 2011 aangekondigde implementatie project van het NHG werd lange tijd niets meer vernomen. Tot het jaar 2016, waarin het NHG weer van het toneel lijkt te zijn verdwenen.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Ziekenhuizen overtreden vaak de wet

    Het moedwillig verstrekken van onjuiste gegevens omtrent de aard van het overlijden (natuurlijke of niet-natuurlijke dood) en/of de doodsoorzaak is strafbaar gesteld: De toenmalige Minister van Justitie formuleerde in antwoord op Kamervragen op 21 januari van het jaar 2000 (!) de volgende, even verbazingwekkende als ronduit onthutsende, redenering:
      "Een onverwachte dood van een patiŽnt, wel of niet aantoonbaar veroorzaakt door medisch handelen, falen of onjuist toepassen van een geneesmiddel of medisch hulpmiddel wordt bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg aangemeld. De melding wordt onderzocht door de inspectie of, op verzoek van de inspectie, door de instelling zelf waarbij de directeur van de instelling rapporteert aan de inspecteur. De inspectie geeft in haar rapportage aan hoeveel meldingen van welke aard er bij haar zijn gemeld. Op basis van de meldingenregistratie van de afgelopen zes jaar is ťťnmaal gebleken dat bij nadere analyse een oorspronkelijk aangegeven «natuurlijke dood» moest worden gewijzigd in een «niet natuurlijke dood». Het vorenstaande geeft mij geen aanleiding de procedure als beschreven te veranderen. Temeer niet daar ik geen redenen heb aan de integriteit van de medisch beroepsbeoefenaar te twijfelen en het verkrijgen van meer inzicht in de wijze waarop patiŽnten in ziekenhuizen zijn overleden alleen verkregen zou kunnen worden door ieder individueel dossier van een overleden patiŽnt te onderzoeken."
    Indien een patiŽnt overlijdt ten gevolge van een medische fout of misser volgt geen enkel nader onderzoek indien de 'behandelend arts' zonder beoordeling of onderzoek door een andere arts een A-verklaring van natuurlijk overlijden afgeeft. Zonder enig probleem kan de begrafenis of crematie daarna door de nabestaanden worden geregeld met de uitvaartondernemer. Pas sinds 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer.

    Op 6 juni 2009 trok dit de aandacht van de media en werd hier aandacht aan besteed door de televisie-rubriek NOVA:

      HILVERSUM (ANP)
      Ziekenhuizen moeten veel vaker gevallen van een niet-natuurlijke dood melden. Daarvoor heeft officier van justitie Marjolein van Eijkelen zaterdag gepleit in het televisieprogramma NOVA. Volgens haar hebben ziekenhuizen vorig jaar in Nederland ongeveer honderd niet-natuurlijke sterfgevallen gemeld, maar dat hadden er volgens haar zo'n 1700 moeten zijn. Ze beroept zich op rapporten uit 2007, gemaakt door medisch specialisten, waaruit blijkt dat er elk jaar 1735 vermijdbare sterfgevallen zijn in Nederlandse ziekenhuizen. Zij vindt dat al die gevallen via een lijkschouwer hadden moeten worden onderzocht.


      Opm. FOMAT: Deze cijfers werden opnieuw bevestigd in 2010 (zie hieronder).

      De artsenorganisatie KNMG is het niet met de officier van justitie eens. De organisatie vindt dat alleen gevallen onderzocht moeten worden waarbij de verdenking bestaat van moord, doodslag, mishandeling of dood door schuld. Onbedoelde medische fouten horen daar niet bij, aldus de KNMG. Als het zo is dat de jarenlange interpretatie van het begrip niet-natuurlijke dood is veranderd, dan had het Openbaar Ministerie dat moeten aankondigen, zegt de KNMG.
    Opm. van de FOMAT:
    De verschillen tussen vermijdbaarheid, verwijtbaarheid en strafbaarheid waren de KNMG in de reactie in juni 2009 geheel ontgaan. De medische exceptie leidt niet niet tot strafbaarheid of strafbaarstelling maar wel degelijk tot een niet-natuurlijk overlijden. De cijfers werden in 2010 opnieuw bevestigd door het EMGO/NIVEL. Al of niet onbedoelde medische fouten of missers zijn bij uitstek voorbeelden van een niet-natuurlijke dood en worden door de WHO in de ICD-10 ook als zodanig gecodeerd. Het nader onderzoek zal zich richten op het al of niet 'lege artis' medisch handelen. Bij elk bedrijfsongeval waar een dodelijk slachtoffer valt vindt iedereen het volledig normaal dat nader onderzoek plaatsvindt naar de toedracht en de aansprakelijkheid. Door de Arbeidsinspectie. Waarom zou dit bij een medisch bedrijfsongeval anders moeten zijn? Is het niet vreemd dat een beroepsorganisatie vraagt om een terughoudend beleid? Een dodelijk en volkomen onbedoeld ongeval met een rechtsafslaande vrachtwagen die een fietser overrijdt of een ongeval met dodelijke afloop door een defecte vorkheftruck op een bedrijventerrein wordt toch ook onderzocht? Niet om 'schuldigen' aan te wijzen (dat is voorbehouden aan de rechterlijke macht) maar uitsluitend ter waarheidsvinding.
    Geschrokken reageerde de KNMG op de bovenstaande televisie-uitzending in 2009 met een verwijzing naar de eigen Handreiking lijkschouwing uit 2005. De vraag in hoeverre, in welke mate en hoe beslissend een 'externe factor' heeft bijgedragen aan het overlijden is een juridische vraag naar de causaliteit. Van een mono-causale (directe of indirecte) relatie tussen het overlijden en een medische (be)handeling zal echter zelden sprake zijn. De vraag naar die relatie wordt in de Nederlandse situatie niet beantwoord door de gemeentelijk lijkschouwer maar, als dit van belang is, door een nader onderzoek en evt. een gerechtelijke sectie. Een vermoeden van causaliteit is echter voldoende voor de gemeentelijk lijkschouwer om een zgn. art. 10 verklaring af te geven, niet het bewijs van een (mono)causale relatie - dat moet uitgezocht worden door de Inspectie. De artikel 10 verklaring heeft geen enkele strafvorderlijke relevantie in het juridisch proces en betekent niet dat er sprake is van 'schuldtoewijzing' (we leven niet in de USA).

    Uit de MvT bij de begroting voor het jaar 2014 van het Ministerie van VWS:
    " Het vergroten van de patiŽntveiligheid en kwaliteit van zorg heeft prioriteit. De patiŽnt moet kunnen rekenen op goede en veilige zorg. Dat is ook in het belang van de zorgverlener.
    De positie van de patiŽnt wordt verbeterd met de invoering van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). De wet levert een waardevolle bijdrage aan de versterking van de positie van patiŽnten en het waarborgen van de kwaliteit van de zorg. Dan moeten zorgaanbieders binnen zes weken reageren op een klacht en zijn zij verplicht aangesloten bij een geschilleninstantie. Ook worden de meldplichten uitgebreid en wordt een ęverklaring omtrent gedragĽ verplicht voor medewerkers in de zorg. Goed bestuur kan eveneens bijdragen aan veiligheid en kwaliteit. Daarom wordt in een apart wetsvoorstel geregeld dat minimaal ťťn bestuurslid er expliciet voor verantwoordelijk is. "


  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Opnieuw 'tromgeroffel' van OM en politiek

    Diegenen die menen dat elk 'lege artis' medisch handelen altijd, en dus automatisch, moet leiden tot de vaststelling dat er sprake is van een natuurlijk overlijden, wordt aangeraden de discussie uit de jaren tachtig van de vorige eeuw tussen Cremers, Enschedé en Leenen (zoals treffend beschreven in Hoofdstuk 4 van onderstaande dissertatie) nog eens zorgvuldig na te lezen. Indien het bij de lijkschouw duidelijk is dat er sprake moet/kan zijn van een niet-natuurlijke dood, een ernstig vermoeden van een niet-natuurlijke dood, twijfel aan een natuurlijke dood of twijfel aan een niet-natuurlijke dood mag een (behandelend) arts geen verklaring van overlijden afgeven en dient altijd onverwijld de gemeentelijk lijkschouwer te worden ingeschakeld.
    De mogelijkheid om een (vermoeden van) niet-natuurlijk overlijden, tijdens verblijf in een instelling voor gezondheidszorg, bij de Inspectie te melden bestaat al.......
    Het beroepsgeheim is geen eigendom van de arts maar een recht van de patient........ De eerder genoemde Officier van Justitie in de televisie-uitzending bleek zich in 2009 niet gerealiseerd te hebben dat de kosten van al dit onderzoek door de gemeentelijk lijkschouwer niet betaald zouden moeten worden door Justitie maar door Burgemeester en Wethouders van de diverse gemeenten. Die zitten daar, begrijpelijk, niet op te wachten....
    Het Ministerie van Veiligheid en Justitie heeft nu ondubbelzinnig en definitief aangegeven niet meer te willen bijdragen aan de kosten van de forensisch (werkzame) arts als gemeentelijk lijkschouwer......

    Opmerking van de FOMAT:
    Het totaal ontbreken van een professioneel statuut voor forensisch (werkzame) artsen bij de diverse regionale gezondheidsdiensten en de rol van de Burgemeester als 'korpsbeheerder' in het regelen van de financiering voor de arrestantenzorg, en de betaling van de gemeentelijk lijkschouwer, was deze Officier van Justitie kennelijk ontgaan......
    De medische wereld bleek, zoals naar voren kwam in de reacties in 2009, niet erg enthousiast te zijn over het actief ophelderen van doodsoorzaken. Een forensisch (werkzame) arts maakt zichzelf uiterst 'geliefd' (en slaapt ook veel rustiger....) door elk overlijden in een ziekenhuis meteen uit te roepen als een overlijden als gevolg van ziekte, dus (!) een 'natuurlijk overlijden'. Hetzelfde gold voor de sinds 1 oktober 2012 ingevoerde NODO-procedure bij minderjarigen; hierbij dient overleg gevoerd te worden met de 'behandelend' arts, die de ouders van het overleden kind zal willen vrijwaren van allerlei 'gedoe' rondom de doodsoorzaak. De directies van regionale ziekenhuizen zijn over het algemeen ook niet erg 'gecharmeerd' van een forensisch (werkzame) arts van een regionale gezondheidsdienst die voorstelt en (zomaar zelf, zonder enige 'controle') kan besluiten om het overlijden via een Artikel 10 verklaring aan te melden bij de Officier van Justitie. Waarna meestal de Inspectie voor de Gezondheidszorg allerlei 'ongemakkelijke' vragen gaat stellen. De voortzetting van de financiering van de NODO-procedure werd op 1 januari 2014 gestopt door het Ministerie van Veiligheid en Justitie.....
    De 'klant' is, in de visie van de regionale gezondheidsdienst en de Burgemeester, (per slot van rekening......) niet de overleden patiënt of een of andere, meestal ook nog volledig onkundige, (piket)Officier van Justitie (*), maar het ziekenhuis in de regio van de Burgemeester die de gemeentelijk lijkschouwer benoemt..... Ook een wat al 'te onafhankelijke' en zelfstandige opstelling t.o.v. 'de klant' werd (in de arrestantenzorg waarvoor de Burgemeester als 'korpsbeheerder' volgens het "Besluit beheer regionale politiekorpsen" verantwoordelijk was) niet erg op prijs gesteld....
    De rol van de Burgemeester als de 'korpsbeheerder' van de Politie is sinds 1 januari 2013 definitief en ingrijpend gewijzigd...... Burgemeester en wethouders blijven echter volgens artikel 4 en 5 van de Wet op de lijkbezorging nog steeds verantwoordelijk voor de benoeming en de betaling (!) van de gemeentelijk lijkschouwer......
    (*) Vaak volledig gebrek aan kennis over de medische exceptie bij niet-natuurlijk overlijden.

    De 'circumstantial evidence' voor het bovenstaande werd 'als vanzelf' geleverd:
    De enorme weerstanden die werden opgeworpen tegen de invoering van de NODO-procedure spraken voor zich. Niet-natuurlijk overlijden bij kinderen als (on)gewenst gevolg van medische (be)handelingen bleek in de jaren 2010 t/m 2016, na het 'verplicht overleg' met de gemeentelijk lijkschouwer bij alle (?) gevallen van overlijden, niet (meer) voor te komen.......

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Gebrek aan kennis bij Openbaar Ministerie

    Van de betreffende Officier van Justitie uit het televisieprogramma van november 2009, die kennelijk niet veel begrepen had van de medische exceptie, werd sindsdien niet veel meer vernomen.......
    Tot aan 10 februari 2012: De Minister van Justitie in antwoord op eerdere Kamervragen op 19 mei 2011:
    "Het is voor mij niet mogelijk om vast te stellen hoe vaak ten onrechte een verklaring van overlijden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak is afgegeven. Welk aantal eventueel had dienen te leiden tot een strafrechtelijk onderzoek, kan ik dan ook niet vaststellen. Mijn ambtgenote van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft mij laten weten dat er voorlopig geen onderzoek zal worden gedaan naar de omgang met verdachte sterfgevallen door artsen."

    De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, mede namens de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op 17 april 2012:
    "Ik heb geen reden om te twijfelen aan de werkwijze van het OM om eerst een kenniscampagne te ontwikkelen en pas over te gaan tot het actief benaderen van artsen en zorginstellingen als na verloop van tijd nog steeds geen toename van het aantal meldingen van niet-natuurlijke dood kan worden vastgesteld."

    In 2012 steeg het (totaal) aantal niet-natuurlijke doden van 0 t/m 19 jaar naar 179 gevallen per jaar (was in 2011 nog 171 gevallen); en in 2013 was het aantal 175. Door een vliegtuigramp in 2014 bedroeg het aantal niet-natuurlijke doden in dat jaar 224 gevallen...
    In 2015 daalde dit aantal naar 162 gevallen.

    In het Rapport van de Gezondheidsraad van 25 april 2013 werd op pagina 80 in een voetnoot het volgende gemeld:
    " Het Expertisecentrum Medische Zaken van het parket Rotterdam bereidt in samenwerking met het FMG een Wet op de lijkschouw en forensisch onderzoek voor."
    Het is onduidelijk welk Ministerie in 2017 (of later....) nog zal willen overgaan tot het indienen van een dergelijk wetsontwerp.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Toename niet-natuurlijk overlijden in 2012, 2013 en 2014

    Ieder overlijden dat het gevolg is van een ongeval, vergiftiging of geweld (dit is niet-natuurlijk overlijden) wordt sinds 1996 (naar leeftijd en geslacht) uiterst precies (!) bijgehouden door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) in een jaarlijkse rapportage.
    De nogal 'dreigende' uitingen van het OM in de richting van ziekenhuizen en instellingen op een Symposium van de KNMG van 16 februari 2012 en de beantwoording van Kamervragen op 17 april 2012 over de melding van het aantal niet-natuurlijke doden bleken effect te hebben. Het feit dat in de meeste gevallen weliswaar sprake zal zijn van een niet-natuurlijk overlijden, met de aantekening dat de medische exceptie van toepassing is, was de Staatssecretaris kennelijk ontgaan.
    Maar de Staatssecretaris werd echter op zijn wenken bediend..... Het aantal niet-natuurlijke doden was van 1996 t/m 2011 vrij constant tussen de 33 en 35 gevallen per 100.000 ingezetenen van Nederland per jaar. Bij leeftijden <20 jaar vond een daling plaats en bij de leeftijden >70 jaar een stijging. In 2012 steeg het aantal niet-natuurlijke overlijdensgevallen voor het eerst naar 37,8 gevallen per 100.000 ingezetenen. Euthanasie (is ook een niet-natuurlijk overlijden) wordt hierbij door het CBS buiten beschouwing gelaten.
    • Overzicht niet-natuurlijke dood naar diverse kenmerken (ingezetenen)
      Gegevens beschikbaar van 1996 tot en met 2011
      Tabel van CBS zou in augustus 2013 up-to-date moeten zijn geworden.....


      Wijzigingen per 19 mei 2014:
      Deze tabel is stopgezet.
      De tabel wordt opgevolgd door een aantal tabellen over de belangrijkste deelonderwerpen, nl. Moord en doodslag, Zelfdoding en Ongevallen. Dit maakt het mogelijk om de indeling van de deeltabellen meer toe te spitsen op het betreffende deelveld. In de nieuwe tabellen is voor Moord en doodslag de afgrenzing aangepast: het betreft voortaan alle slachtoffers van moord en doodslag, dus zowel inwoners als niet inwoners. Voor de nieuwe tabel Zelfdoding en de tabel Ongevallen is de afgrenzing ongewijzigd gelaten, namelijk alleen inwoners.
      Bron: Mededeling van CBS op website

    • Kamervragen over de 'voorlichtingscampagne' van Openbaar Ministerie
      Wat is de rol van het OM hierbij?
      Zie ook van 28 november 2012: Antwoord op Kamervragen (zie antwoord op vraag 5)
    De laatste rapportage van het CBS over doodsoorzaken was op 28 juni 2017 (!) ......
    De cijfers over het aantal meldingen van niet-natuurlijke dood kunnen op zich ook door het Openbaar Ministerie zelf worden verzameld. Eenvoudig even optellen (!) hoe vaak een 'vrijgave' van het stoffelijk overschot door een Officier van Justitie wordt verstuurd.....

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Fatale valincidenten in verpleeghuizen

    Een toename van het aantal gevallen van niet-natuurlijk overlijden (= 'uitwendige oorzaak') in 2012 was voornamelijk toe te schrijven aan het aantal (gerapporteerde) zelfdodingen en een opvallende stijging van het aantal zgn. 'overige ongevallen' door valincidenten. Overlijden van een verpleeghuisbewoner na een valincident
    "In samenwerking met specialisten ouderengeneeskunde, het openbaar ministerie en de politie is een protocol ontwikkeld voor de afhandeling van een overlijden van een verpleeghuisbewoner na een val. Een specialist ouderengeneeskunde is hierbij de hoofdbehandelaar. Een forensisch arts handelt zo'n geval zelf af zonder inmenging van de politie en rapporteert zijn bevindingen direct aan de Officier van Justitie."
    Bron: Publicatie van GGenGD Utrecht Indien bij overlijden in een instelling sprake is van een (meldingsplichtige) calamiteit is de afgifte van een verklaring van (natuurlijk) overlijden uiteraard niet mogelijk.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Procedure 'Veilig melden'

    In het kader van de toegenomen aandacht voor patiŽntveiligheid wordt onder meer gepleit voor de introductie van systemen voor veilig (incident) melden. Dit houdt kort gezegd in dat hulpverleners in de eigen werkomgeving incidenten en (bijna)fouten kunnen melden, zonder bevreesd te hoeven zijn voor op het individu gerichte sancties. De gedachte hierachter is dat een systeem van veilig melden de bereidheid om incidenten en (bijna)fouten te melden en te bespreken verhoogt en dat daardoor gegevens beschikbaar komen die in belangrijke mate kunnen bijdragen aan de kwaliteit van zorg en de patiŽntveiligheid.

    Het systeem van 'Veilig melden' kan natuurlijk geen alibi zijn om medische missers en vermijdbare complicaties aan de aandacht te onttrekken. Op 1 februari 2007 hadden de landelijke organisaties van artsen, verpleegkundigen, ziekenhuizen en patiŽnten een gedragscode over veilig melden getekend. Dit zogenaamde 'Beleidsdocument veilig melden' was bedoeld om het invoeren van meldingssystemen in ziekenhuizen, en later in andere zorginstellingen, te bevorderen en te vergemakkelijken.

    Het doel van de nieuwe regelingen voor veilig melden was het verbeteren van de kwaliteit van zorg. Deze zouden zich dan ook niet op fouten richten, maar op het veel bredere begrip 'incidenten'. Het ging erom dat hulpverleners alles zouden melden wat anders is gegaan dan de bedoeling was, ongeacht de vraag of het ging om een verwijtbare fout of een complicatie. Tot incidenten behoren gebeurtenissen met schadelijke gevolgen voor de patiŽnt, maar ook situaties die nog net op tijd ontdekt zijn en niet tot schade hebben geleid.
    Om de patiŽntveiligheid te verbeteren werd het onder meer van belang geacht incidenten te melden en te analyseren, en zo nodig naar aanleiding daarvan verbetermaatregelen te treffen. Een goede meldingsprocedure werd gezien als een noodzakelijk onderdeel van een veiligheidsmanagementsysteem. Het melden van incidenten is niet nieuw. Al langere tijd bestaan in een aantal zorgsectoren FONA- en MIP-commissies. De effectiviteit van deze commissies op instellingsniveau was echter beperkt. Het accent verschuift naar decentrale meldingssystemen, d.w.z. systemen die worden toegepast op afdelingen van zorginstellingen. Om dergelijke meldingssystemen goed te laten functioneren moet aan een aantal randvoorwaarden worden voldaan.
    Het meldingssysteem is bedoeld om op basis van een analyse van zoveel mogelijk incidenten de oorzaken van kwaliteitsproblemen op te sporen en te verhelpen. Vaak gaat het daarbij niet om individuele fouten, maar om het falen van organisatorische processen en systemen. Ervaringen uit andere landen en sectoren laten zien dat dergelijke meldingssystemen een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de algemene kwaliteit en veiligheid van de zorg. Of aan een incident een zodanige fout ten grondslag lag dat een individuele hulpverlener zich daarvoor dient te verantwoorden, is een vraag die bij de analyse van de melding niet aan de orde komt. Daarvoor bestaan andere procedures zoals het klachtrecht, tuchtrecht en functioneringsgesprekken.
    Bron:
    J. Legemaate (hoogleraar gezondheidsrecht, Vrije Universiteit en juridisch adviseur bij de KNMG.
    In : Trouw, de Verdieping 12 februari 2007
    Medische fouten / Melding is geen vrijbrief voor fouten van arts (opinie)
    Uitgebreide informatie over het meldingssysteem is te vinden op: Uit de MvT bij de begroting voor het jaar 2014 van het Ministerie van VWS op 17 september 2013:
    " Met het Veiligheidsmanagementsysteem (VMS) kunnen ziekenhuizen continu risicoís signaleren, verbeteringen in de praktijk doorvoeren en beleid vastleggen, evalueren en aanpassen. VWS heeft de afgelopen jaren een programma gefinancierd om een VMS in alle ziekenhuizen te realiseren. Inmiddels hebben 81 van de 93 ziekenhuizen een gecertificeerd VMS. De IGZ zal handhavend optreden tegen ziekenhuizen die dat eind 2013 nog niet hebben. De IGZ betrekt de werking van het VMS bij haar toezichtactiviteiten. "
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Meldsysteem toch niet 'veilig'?

    Eind december 2007 sommeerde de rechtbank in Zwolle-Lelystad het Zuiderzeeziekenhuis in Lelystad om de echtgenoot van een in het ziekenhuis overleden patiŽnte inzage te geven in de zogeheten MIP-onderzoeksgegevens: alle verslagen van de gesprekken die destijds met de artsen en verpleegkundigen waren gevoerd om te onderzoeken hoe het kwam dat de betrokken patiŽnte niet ontwaakte uit een narcose.
    Eerder al had het ziekenhuis inzage geweigerd omdat dergelijke gegevens in principe vertrouwelijk zijn, juist ook om het artsen en verpleegkundigen mogelijk te maken veilig incidenten te melden en erover te praten. De inspectie deelde deze mening.
    Formeel gesproken komt het veilig melden door de uitspraak niet in gevaar, aldus Molendijk et al. in een publicatie in Medisch Contact van 8 februari 2008. Immers, dat de rechter de echtgenoot gelijk gaf, kwam vooral doordat het ziekenhuis in dit geval geen goed patiŽntendossier had bijgehouden. Ziekenhuizen die dat wťl doen, hoeven dus niet bang te zijn. Toch kan de uitspraak volgens hen de indruk wekken dat de arts die in vertrouwen een incident meldt, Ďiets kan overkomení. De uitspraak kan daardoor, gewild of niet, de meldingsbereidheid van artsen en verpleegkundigen doen afnemen. "De overheid moet wettelijk vastleggen dat incidentmeldingen, die gedaan zijn in het kader van de kwaliteitsbewaking, niet gebruikt mogen worden in juridische procedures", zo stelden de auteurs van bovenstaande publicatie.

    Op 18 april 2008 ging de Inspecteur-generaal voor de gezondheidszorg tijdens de jaarvergadering van de Vereniging voor Gezondheidsrecht in op de ontstane commotie rond het Veilig Melden systeem: "De inspectie garandeert 100 procent dat zij geen gegevens op zal vragen uit het veilig melden systeem. Maar een calamiteit moet wel altijd worden gemeld bij de inspectie. Twee onderzoekslijnen dus: een intern onderzoek ten behoeve van de kwaliteitsverbetering ťn een onderzoek ten behoeve van de externe verantwoordingsplicht (met de můgelijkheid van maatregelen tegen de melder of andere betrokkenen)."

    Tot zover het standpunt van de Inspectie.

    Op 29 april 2008 liet de Minister van Volksgezondheid weten de wet niet aan te passen om de melder van een medisch incident te beschermen. De minister vindt dat de zorgbranche met het beleidsdocument Veilig Melden zelf al een Ďadequate regelingí heeft getroffen.
    Met de uitspraak van de Rechtbank ZwolleĖLelystad in december 2007 is volgens de minister een duidelijke jurisprudentie ontstaan.
    (Bron: Zorgvisie.nl) Op 21 juni 2013 ging de Minister in een brief opnieuw in op de materie:
    " Niet-beoogde of onverwachte gebeurtenissen die geen calamiteit in de zin van deze wet tot gevolg hebben, moeten een plaats krijgen in het systeem van veilig incident melden van de zorgaanbieder, zodat deze van gemaakte fouten kan leren. De IGZ ziet toe of aanbieders werken met een systeem van veilig incidenten melden."
    "Ik hecht sterk aan invoering van de systematiek van veilig incident melden, omdat hiermee de cultuur van geslotenheid over incidenten wordt doorbroken en zorgaanbieders kunnen leren van gemaakte fouten."
    "Indien alle incidenten gelijk openbaar zouden worden gemaakt verwacht ik dat in de praktijk melden van incidenten om daarvan te leren niet goed van de grond zal komen. Uiteraard moeten calamiteiten wel gemeld worden bij de IGZ. Dit zijn immers ernstige incidenten."


    De Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) is op 1 januari 2016 in de plaats getreden van de Kwaliteitswet zorginstellingen.
    De Minister van VWS in de toelichting op de wet:
    "Artikel 9 van de Wkkgz en artikel 6.1 van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz betreffen het zogenaamde Veilig Incident Melden binnen de organisatie van de zorgaanbieder en treden in werking op 1 juli 2016 teneinde de zorgaanbieders voldoende tijd te bieden om daarvoor de noodzakelijke voorbereidingen te treffen."

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Risicoís medische technologie onderschat

    Op 31 oktober 2008 publiceerde de Inspectie voor de Gezondheidszorg een persbericht over haar rapport Staat van de Gezondheidszorg ĎRisicoís van medische technologie onderschatí.

    "Zorginstellingen en zorgverleners zijn zich veel te weinig bewust van de risicoís die medische technologie (apparatuur en hulpmiddelen) met zich meebrengt. Jaarlijks zijn er door toepassingsfouten tientallen sterfgevallen te betreuren. De patiŽntveiligheid is onvoldoende gewaarborgd. Gebruikers mogen geavanceerde hulpmiddelen toepassen zonder dat ze hiervoor goed zijn opgeleid of een bekwaamheidstoets hoeven af te leggen. Ook gebrekkig onderhoud leidt tot incidenten met ernstige afloop." Gerrit van der Wal, toenmalig Inspecteur-generaal voor de Gezondheidzorg in 2008 :
    ďDe gezondheidszorg wordt beter door de toepassing van nieuwe medische technologie maar is daar steeds afhankelijker van. De technologische ontwikkelingen gaan razendsnel. De kansen en risicoís zijn nog niet met elkaar in balans. Dat manifesteert zich vooral in de zorg, waar de risicoís op schade voor patiŽnten groot zijn. De gezondheidszorg moet zich bewust zijn van de risicoís en moet daarop inspelen. PatiŽnten moeten erop kunnen vertrouwen dat alle nieuwe technologiŽn in de zorg op een veilige manier worden toegepast.ď Indien een patient overlijdt ten gevolge van het falen of dysfunctioneren van medische apparatuur of hulpmiddelen, of door een medicatiefout, dient dit onverwijld ter kennis te worden gebracht van de Inspectie. In dat geval is er sprake van een niet-natuurlijk overlijden. De behandelend arts mag geen verklaring van natuurlijk overlijden afgeven. Vanaf 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Wettelijk kader

    Indien een patiŽnt onverwacht en onvoorzien overlijdt en de arts die de lijkschouw verricht meent dat evt. niet 'lege artis' medisch handelen (zeldzaam), een medische fout of 'misser' of een onvoorziene - en zelfs ook een wel voorziene (!) - complicatie, bij het overlijden een rol speelt of heeft gespeeld was t/m 31 december 2015 de Kwaliteitswet zorginstellingen uit 1996 van belang. De gang van zaken dient gekwalificeerd te worden als een calamiteit. Dit begrip en de omschrijving ervan werden in het jaar 2005 voor het eerst in deze wetgeving opgenomen.
    Bij een calamiteit is altijd sprake van een niet-natuurlijk overlijden.

    Let op:
    De Kwaliteitswet zorginstellingen werd per 1 januari 2016 ingetrokken en vervangen door de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg.


    Eerder werden de Wet cliŽntenrechten zorg en en enkele andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg gewijzigd. Deze wetten werden per 1 januari 2016 vervallen verklaard.
    Om te voorkomen dat een extra instituut in de gezondheidszorg werd opgericht werd aangesloten bij een bestaand bestuursorgaan, namelijk het College voor zorgverzekeringen (CVZ). Het CVZ zou voortaan het Nederlands Zorginstituut (NZi) gaan heten. De taken op het gebied van de kwaliteit van de zorg worden uitgevoerd door het Kwaliteitsinstituut, dat als een aparte sectie van het NZi wordt vormgegeven. De voorheen in de Kwaliteitswet zorginstellingen in artikel 4a, lid 2 opgenomen omschrijving van calamiteiten wordt in de nieuwe Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) als definitie ondergebracht in artikel 1:

    "Onder calamiteit wordt verstaan een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van de zorg en die tot de dood van of een ernstig schadelijk gevolg voor een patiŽnt of cliŽnt van de instelling heeft geleid."

    In nieuwe Wet kkgz wordt in artikel 11 bepaald dat de verplichte melding van calamiteiten, en andere zaken die gemeld moeten worden, onverwijld moet plaatsvinden bij het Staatstoezicht op de volksgezondheid (IGZ). Een 'verzuim' van deze melding is volgens artikel 30 sinds 1 januari 2016 strafbaar gesteld.

    Tijdens de eerste termijn van Kamer op 18 juni 2013 over het wetsvoorstel Regels ter bevordering van de kwaliteit van zorg en de behandeling van klachten en geschillen in de zorg (Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg) kwam het volgende naar voren:
    "Er is nogal eens discussie over het wel of niet melden van een calamiteit of een incident. De term "calamiteit" is wel omschreven, maar de term "incident" niet, terwijl in het vervolg het incident wel een heel belangrijke status krijgt. Een potentiŽle melder beroept zich er regelmatig op dat de kwaliteit van de zorg eigenlijk niet in het geding was en dat hij daarom uiteindelijk ook niet meldt. Waarom is in de definitie niet gekozen voor de formulering dat de kwaliteit "vermoedelijk" in het geding is?
    Het betekent niet dat de kwaliteit in het geding is, want dat moet degene inschatten die die kwaliteit heeft geleverd. Het gaat erom wat gemeld wordt op het moment dat er een grijs gebied ontstaat en of dat wel of niet het geval kan zijn."

    Op 21 juni 2013 reageerde de Minister op de gestelde vragen.
    "In de nota naar aanleiding van het nader verslag (32 402, nr. 9) staat op p. 36 toegelicht wat onder incidenten moet worden verstaan: ďelke afwijking van de beoogde of verwachte gang van zaken; dit omvat dus, naast kleine en ernstige fouten, ook andere gevallen waarin zich zaken hebben voorgedaan die niet verwacht werden, ook als dat voor de cliŽnt nog geen merkbare gevolgen heeft gehad.Ē Op 2 juli 2013 volgde de tweede termijn van de Kamer. Het wetsontwerp werd zonder grote wijzigingen met enkele amendementen op 4 juli 2013 aangenomen door de Tweede Kamer. De Kamercommissie van de Eerste Kamer voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) besloot op 24 september 2013 een verheldering te vragen ten aanzien van het wetsvoorstel (32402) en in afwachting daarvan het voorbereidend onderzoek uit te stellen. Uit de MvT bij de begroting voor het jaar 2014 van het Ministerie van VWS:
    " Het Kwaliteitsinstituut stimuleert de verdere verbetering van de kwaliteit van de gezondheidszorg en zorgt dat iedereen toegang heeft tot betrouwbare en begrijpelijke informatie. Het is van het grootste belang dat onnodige en nietszeggende kwaliteitseisen en voorschriften worden opgeruimd. Momenteel werkt het Kwaliteitsinstituut aan een meerjarenagenda en aan een toetsingskader. Het wetsvoorstel (TK 33 243) dat zijn taken en bevoegdheden regelt, is door de Eerste Kamer in behandeling genomen. Na goedkeuring kan het Kwaliteitsinstituut officieel beginnen. Het instituut wordt onderdeel van het College voor Zorgverzekeringen, dat vanaf de inwerkingtreding van de wet Zorginstituut Nederland zal heten. " Landelijk Meldpunt Zorg
    Hoe gaat de samenwerking tussen het zorgloket en de IGZ er uitzien:
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Melding calamiteit verplicht

    Als bij het overlijden van een patiënt een niet-beoogde gebeurtenis (*) een rol speelt, of heeft gespeeld, zal waarschijnlijk, en in de meerderheid van de gevallen, sprake zijn van de zgn. medische exceptie. Van strafbaarheid is dan geen sprake. Het doel of de intentie van een medische (be)handeling in een instelling is echter niet het overlijden....
    (*) Wat wordt hiermee bedoeld? Zie: PatiŽntveiligheid vraagt om heldere definities. De Tweede Kamer op 31 mei 2016:
    "Voorzitter. Gisteren kwam RTL Nieuws met een schokkend nieuwsbericht. Ziekenhuizen blijken massaal weg te duiken bij medische missers. Als er fouten worden gemaakt ó en dat kan helaas gebeuren ó moet dat worden gemeld bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Uit onderzoek van RTL blijkt dat 60% van de incidenten niet wordt gemeld. Dat is natuurlijk onacceptabel. De inspectie moet mee kunnen kijken, zodat er van fouten geleerd kan worden. Daarom vraag ik een debat aan met de minister van VWS, voorafgegaan door een brief."
    Een ruime meerderheid steunde het verzoek.
    Het stenogram van dit deel van de vergadering werd doorgeleid naar het kabinet. Calamiteit:
    Niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die tot de dood of ernstige schade voor patiŽnt heeft geleid.

    Hierbij kan (bij overlijden) onderscheidenlijk sprake zijn van een:
    (Bron: KNMG Symposium Arts en Recht van 23 april 2013)
    • Complicatie: onbedoelde gebeurtenis die inherent is/kan zijn aan behandeling of onderzoek.
      (meestal zal dan sprake van de bovenvermelde 'medische exceptie')
      Merk op:
      Een dodelijke complicatie maakt van het medisch (be)handelen een 'externe factor'. En leidt daarmee wel degelijk tot een niet-natuurlijk overlijden....
    • Incident: een onbedoelde gebeurtenis tijdens het zorgproces die tot schade aan de patiŽnt heeft geleid of (nog) kan leiden
      • Melding bij de Inspectie is dan wettelijk verplicht
        Bij overlijden als gevolg hiervan is/wordt dat dan een niet-natuurlijk overlijden
    • Fout: onjuist handelen/nalaten Ė uitgaande van Ďredelijk handelende en redelijk bekwame vakgenoot onder gelijke omstandighedení
      • Dit is een evident niet-natuurlijk overlijden
    Het zonder bedenkingen en willens en wetens afgeven van een verklaring van (natuurlijk) overlijden bij een calamiteit is een strafbaar feit. Ingevolge de nu vervallen bepalingen in de Kwaliteitswet zorginstellingen, die nu zijn zijn opgenomen in de nieuwe Wet kkgz, dient de instelling onverwijld zorg te dragen voor een melding bij de met het toezicht belaste ambtenaren van het het Staatstoezicht op de volksgezondheid. Over de wijze waarop de gevolgen van de opgetreden calamiteit dienden te worden tegemoet getreden sprak de wetgever zich voorheen slechts in algemene zin uit in artikel 5, lid 1, van een nu vervallen, wet:

    "De zorgaanbieder legt jaarlijks vůůr 1 juni per instelling een verslag ter openbare inzage, waarin hij verantwoording aflegt van het beleid dat hij in het afgelopen kalenderjaar heeft gevoerd ter uitvoering van de artikelen 2, 3 en 4 en van de kwaliteit van de zorg die hij in dat jaar heeft verleend."

    Nogmaals de Inspecteur-generaal in zijn hiervoor reeds vermelde toespraak van 18 april 2008:
    "In de praktijk komt dit erop neer dat de inspectie de melding ontvangt en contact opneemt met de instelling. Verzocht wordt onderzoek te doen naar de calamiteit, te rapporteren aan de inspectie en, indien nodig, een plan van aanpak op te stellen. De inspectie gaat er dan van uit dat het onderzoek niet wordt uitgevoerd door een MIP- commissie of in het systeem van veilig melden. In het veilig melden systeem wordt melding gedaan op de afdeling, of aan de centrale MIP commissie, waarna eveneens onderzoek wordt gedaan, met een geanonimiseerd rapport en aanbevelingen als resultaat." De stelling dat per jaar honderden patiŽnten in Nederland zouden overlijden als gevolg van 'vermijdbare schade' wordt (vooralsnog) dus niet ondersteund door de cijfers van het CBS....
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Overlijden in zorginstelling

    Calamiteiten waarbij sprake is van overlijden
    De Inspectie van het Staatstoezicht hierover:

    "Meldingen waarbij sprake is van overlijden van de patiënt of cliënt Ė suÔcides niet meegerekend Ė vormen ook een grote groep binnen het totaal aantal meldingen dat wij jaarlijks ontvangen; ruim 10 procent in 2012. Dit soort calamiteiten komen voor in alle zorgsectoren. Ongeveer 15 procent van deze meldingen ontvangen wij van burgers. Verreweg de meeste meldingen komen van zorginstellingen, ruim 80 procent. In de resterende gevallen meldt zowel de zorgaanbieder als een burger. Ziekenhuizen en instellingen voor ouderenzorg melden het meest over deze calamiteiten (samen ongeveer 60 procent). Sinds de invoering van veiligheidsmanagementsystemen (VMS) zien we dat de meldingsbereidheid bij grote zorginstellingen is toegenomen. In 2013 moet ieder ziekenhuis een VMS volledig hebben geÔmplementeerd.

    Sommige (complexe) ingrepen brengen een verhoogde kans op overlijden met zich mee. Behandelend artsen informeren patiënten daarover altijd van te voren. Mocht de patiënt komen te overlijden tijdens zoín risicovolle ingreep en er is geen extra complicatie opgetreden, dan spreken we niet van een calamiteit en hoeft een instelling niet bij de inspectie te melden."

    Bron:
    Jaarbeeld IGZ 2012 (jaarverslag) (3 juli 2013)

    De bovenstaande laatste alinea beschreef in 2013 op 'elegante' wijze de medische exceptie. Bij overlijden is geen sprake van enig strafbaar feit. Het betreft echter wel een overlijden mede door een 'externe factor', dus, naar de opvattingen van het Openbaar Ministerie, een niet-natuurlijk overlijden......

    Het Openbaar Ministerie op 1 november 2010 hierover:
    "Het OM moet in kennis gesteld worden van elk (evident) niet-natuurlijk overlijden en elk overlijden waarbij getwijfeld wordt aan het natuurlijk karakter ervan. Er is slechts dan sprake van een natuurlijk overlijden als de schouwend behandelend arts of gemeentelijke lijkschouwer ervan overtuigd is dat het overlijden uitsluitend veroorzaakt is door ziekte of ouderdom."
    Bron: Het OM over medisch niet-natuurlijk overlijden

    De Minister van VWS op 10 juli 2015:
    "De IGZ ontving in 2014 in totaal 9.430 meldingen. Van die 9.430 meldingen waren er 4.700 zogenoemde wettelijk verplichte meldingen door zorginstellingen en professionals (op basis van artikel 4a van de Kwaliteitswet Zorginstellingen). (....) Van de 4.290 meldingen (over calamiteiten) was er bij 1.440 sprake van overlijden. Deze cijfers zijn opgenomen in het Jaarbeeld IGZ 2014. Deze cijfers corrigeren de cijfers die eerder genoemd zijn in de commissiebrief van 20 maart 2015."
    Bron: Brief aan de Tweede Kamer De Minister van VWS hierover op 4 september 2015:
    "Het is van belang dat de arts, die het overlijden vaststelt en die twijfelt aan het natuurlijke karakter daarvan, de gemeentelijk lijkschouwer inschakelt (zoals voorgeschreven in de Wet op de lijkbezorging). Als de gemeentelijk lijkschouwer van oordeel is dat er mogelijk sprake is van een niet-natuurlijke dood, dan moet hij dat op basis van de Wet op de lijkbezorging melden bij het Openbaar Ministerie (OM). Op grond van een dergelijke melding van de gemeentelijk lijkschouwer zal het OM bezien of sprake is van het vermoeden van een strafbaar feit. Bij bevestigende beantwoording van die vraag kan het OM een strafrechtelijk onderzoek starten. Het OM informeert de IGZ over meldingen van de gemeentelijk lijkschouwer waarin deze twijfelt aan een natuurlijke doodsoorzaak en waar mogelijk sprake is van suboptimale zorg."

    Met 'de arts die het overlijden vaststelt' wordt door de Minister kennelijk de behandelend arts van de zorginstelling (ziekenhuis of zorginrichting) bedoeld. Nogmaals de Minister op 4 september 2015:

    "Als er een calamiteit plaatsvindt (al dan niet met verwijtbaar handelen en/of een niet-natuurlijke dood), dan moeten zorgaanbieders dit melden bij de IGZ. Als een zorgaanbieder dat om imago-redenen niet doet, dan is dat niet conform de regels. Als de IGZ constateert dat een zorgaanbieder calamiteiten niet gemeld heeft, dan kan zij handhavend optreden." Bovenstaande berichtgeving leidde tot onrust in de Tweede Kamer. De Kamervoorzitter:
    "De Kamer doet een informatieverzoek aan de minister: wat is er precies aan de hand? En wat gaat de minister doen bovenop wat er al is toegezegd? Na ontvangst van de brief wil de meerderheid van de Kamer beslissen op welke wijze en wanneer ze daar dan verder over spreekt. Daarbij sluit ze niet uit dat het dan alsnog tot een debat komt."
    Bron: Verslag plenaire vergadering van 5 november 2015 (regeling van werkzaamheden)
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Overleg met de gemeentelijk lijkschouwer

    Een inhoudelijke bespreking van een casus kan gaan over het gevolgde medisch beleid, complicaties tijdens behandeling of onduidelijkheid over de causaliteit. Indien sprake kan zijn van een mogelijk vermijdbare of verwijtbare complicatie van het medisch (be)handelen zal de forensisch (werkzame) arts ter plaatse gaan en een lijkschouw verrichten. Een kort verslag over de aard en inhoud van de schouw zal worden genoteerd in het registratiesysteem van de forensisch (werkzame) arts.
    De Officier van Justitie (OvJ) zal middels een zgn. artikel 10 verklaring door de forensisch (werkzame) arts als gemeentelijk lijkschouwer worden geÔnformeerd over de casus. Een melding aan de IGZ, door de behandelend arts, behoort bij deze rapportage altijd besproken en vermeld te worden.
    Indien duidelijk is dat toch sprake is van een natuurlijk overlijden (uitsluitend veroorzaakt door spontane ziekte of ouderdom) kan door de forensisch (werkzame) arts een verklaring ex art.7, lid 1, van de Wlb afgegeven worden. Een overleg met of een rapportage aan de OvJ blijft dan achterwege.
    De lijkschouwer verklaart zelf gedurende de laatste twee jaar geen handelingen op het gebied van de geneeskunst te hebben verricht ten aanzien van de overledene. En geldt als zodanig dus als een onafhankelijk deskundige. Een noodzaak voor het zelf uitschrijven en ondertekenen van een verklaring van overlijden door de behandelend arts bestaat dan ook niet.

    Een dodelijke complicatie van het medisch (be)handelen, ook als dit 'lege artis' heeft plaatsgevonden, leidt altijd tot twijfel aan een natuurlijk overlijden, dus is sprake van een niet-natuurlijk overlijden...
    Dat wil overigens geheel niet zeggen dat het overlijden van een patiënt aan de behandelend arts verweten kan worden. Over het algemeen zal sprake zijn van de medische exceptie en volgt in overleg met de IGZ onmiddelijke vrijgave van het stoffelijk overschot door de Officier van Justitie.
    Voor veel artsen in de curatieve sector blijkt dit erg moeilijk te begrijpen....
    Helaas ook niet voor een enkele gemeentelijk lijkschouwer..... En een andere kwestie... En nog een kwestie...
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Effect van registraties?

    De 'kenniscampagne' van ZonMw blijkt voor veel behandelend artsen weinig effect te hebben gehad op het zonder bedenken afgeven van een verklaring van natuurlijk overlijden.
    Het voorstel van de Minister van VWS om 'sterftecijfers' in ziekenhuizen niet alleen te verzamelen maar voortaan ook verplicht te publiceren in het kader van de patiëntveiligheid lijkt mogelijk (en onverwacht snel) bij te dragen aan een merkwaardig fenomeen (!). Die sterftecijfers blijken te dalen.... De in de laatste jaren optredende verschuiving van de behandeling van terminale patiënten naar de zorg van de 'eerste lijn' speelt hier waarschijnlijk een doorslaggevende rol. Niet geheel verwonderlijk prefereren veel patienten uiteindelijk te overlijden in de vertrouwde omgeving van de thuissituatie met begeleiding van de eigen huisarts.
    Als iemand elders overlijdt wordt het sterfgeval echter niet in de 'sterftecijfers' van het ziekenhuis meegeteld (!). Van een mono-causale (directe of indirecte) relatie tussen het overlijden en een medische (be)handeling is zelden sprake. Vervolgens zal de huisarts buiten het ziekenhuis, die bij het overlijden de lijkschouw verricht, volkomen naar 'eer en geweten' en te goeder trouw, verklaren dat de overledene is bezweken aan 'de ziekte' waarvoor hij/zij in het ziekenhuis werd behandeld waardoor er sprake is van een 'natuurlijk overlijden'. Inschakeling of raadpleging van een forensisch (werkzame) arts als gemeentelijk lijkschouwer blijft dan achterwege.
    De in ziekenhuizen opgenomen patiënten gaan niet meer dood aan een 'ingreep' (of aan een plausibel herleidbare complicatie van die ingreep) maar aan 'ziekten'. Met dergelijke cijfers kan men binnenkort ongetwijfeld in Nederland claimen het beste stelsel ter wereld voor de gezondheidszorg te hebben. Van enige 'vermijdbare schade' die in de gezondheidszorg zou optreden is geen enkele sprake..... Het 'tromgeroffel' van het Openbaar Ministerie van 16 februari 2012 en de nogal 'dreigende' uitingen in de richting van ziekenhuizen en instellingen - in de beantwoording van Kamervragen op 17 april 2012 - hebben, althans bij minderjarigen, niet bepaald en zeker niet bijgedragen aan een bereidheid tot melden van 'complicaties' door de beroepsgroepen in de ziekenhuizen.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Vermijdbare sterfte

    Het aantal daadwerkelijke (niet-fatale) calamiteiten in de zorgverlening zal moeten blijken uit de cijfers over de de meldingen bij het Staatstoezicht op de Volksgezondheid (IGZ).

    Het verrichten van nader onderzoek naar doodsoorzaken loopt per definitie achter de feiten aan en lijkt geen significante bijdrage aan de de patiëntveiligheid te leveren. Volgens artikel 73 van de Wet op de lijkbezorging bestaat overigens al jaren de mogelijkheid dat door de Inspectie (IGZ) de opdracht tot het verrichten van een obductie kan worden gegeven, mocht dit wenselijk worden geacht ter opheldering van de gang van zaken bij of ten gevolge van een calamiteit. Of klopt er in het bovenstaande iets niet......
    Bedenk dat de 'plaats van overlijden' (ziekenhuis of elders) weinig zegt over de 'kwaliteit van zorg'.....
    "The site of death is something else than the cause of death......"
    Gaarne uw commentaar naar forum@fomat.nl

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Positie van behandelend arts

    De behandelend arts heeft, indien er sprake is van een medische fout of 'misser' volgens de wet geen mogelijkheid om een verklaring van natuurlijk overlijden af te geven en dient onverwijld het Bestuur van de instelling in te lichten, die de Inspectie zal moeten inlichten. Tevens zal de arts die de lijkschouw verricht volgens de Wet op de lijkbezorging de gemeentelijk lijkschouwer in kennis moeten stellen dat een verklaring van overlijden niet kan worden afgegeven. Ook een (on)voorzien ongewenst gevolg van een medische behandeling leidt tot een niet-natuurlijk overlijden. Sinds 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer. In een reactie van de staatssecretaris voor Veiligheid en Justitie van 8 maart 2011 in antwoord op Kamervragen werd de procedure nog eens precies beschreven:

    "Bij het overlijden van een minderjarige moet de behandelend arts sinds 1 januari 2010 vůůr het afgeven van de verklaring van overlijden contact opnemen met de gemeentelijk lijkschouwer. Onder het regime van de oude wet moest de behandelend arts slechts contact opnemen met de lijkschouwer als hij twijfelde aan een natuurlijk overlijden. De behandelend arts moet de lijkschouwer in de huidige situatie informeren over zijn mening ten aanzien van de doodsoorzaak van de overleden minderjarige. Daarbij moet de gemeentelijk lijkschouwer nagaan of de overtuiging van de behandelend arts in deze overeind kan blijven. Bovendien zal de arts dan moeten aangeven op welke gronden hij tot zijn overtuiging is gekomen. De arts toetst zijn overtuiging aan hetgeen de gemeentelijk lijkschouwer opmerkt, zodat hij daarin wordt gesterkt dan wel tot het besluit komt dat het beter is de zaak over te dragen aan de gemeentelijk lijkschouwer. Indien de behandelend arts de overtuiging heeft dat het een natuurlijk overlijden betreft gelet op de voorliggende ziektegeschiedenis van de overleden minderjarige, geeft hij de verklaring van overlijden af, na contact met de lijkschouwer.
    Indien de behandelend arts niet de overtuiging heeft dat het een natuurlijk overlijden betreft, zal de lijkschouwer na een schouw de verklaring van overlijden afgeven ůf verslag uitbrengen aan de officier van justitie.
    Hiermee is gewaarborgd dat de behandelend arts niet volledig zelfstandig kan concluderen tot de afgifte van een verklaring van overlijden. Het verplichte karakter van dit contact verlost de behandelend arts van het dilemma of hij al dan niet contact zal zoeken met de lijkschouwer."


    Opm. FOMAT:
    In artikel 7, eerste lid, van de Wlb. wordt overigens niet gesproken van 'behandelend arts' maar van 'hij die de schouwing heeft verricht'.
    Zie hierover: Inspectie (IGZ) in 2004: 'Behandelend arts' in de Wet op de lijkbezorging

    De wetgeving voor het in gang zetten van de NODO-procedure bij minderjarigen is op 1 oktober 2012 in werking getreden en werd op 1 januari 2014 weer gestopt. Het verdient nog steeds aanbeveling om van het overleg met een forensisch (werkzame) arts een aantekening in het medisch dossier op te nemen. Het is niet geheel ondenkbaar dat 'bij verzuim' de Inspectie een bezoekje gaat brengen aan degenen die het niet al te nauw nemen met de plicht tot overleg......
    Hoewel het in de praktijk zelden wordt gebruikt (telefonische melding voldoet ook aan het wettelijk voorschrift) heeft de wetgever voor het geval dat er sprake is van een (vermoeden van) niet-natuurlijk overlijden hier het volgende formulier voor vastgesteld: Uiteraard dienen ook de nabestaanden door de behandelend arts op passende wijze te worden ingelicht. Hierover nogmaals de Inspecteur-generaal in zijn hiervoor reeds vermelde toespraak van 18 april 2008:

    "Uitgangspunt moet zijn dat de patiŽnt moet worden geÔnformeerd over de feiten en omstandigheden van een ernstig incident als een calamiteit. Zo volledig en zo snel mogelijk. De informatie over de zorgverlening rondom de calamiteit moet worden opgenomen in het medisch dossier. Eveneens zo volledig mogelijk. Altijd!"
    "Na toestemming van de patiŽnt of na afweging van de geldende belangen door de hulpverlener (veronderstelde toestemming) kan overeenkomstig de KNMG richtlijnen informatie aan derden worden verstrekt. Met name nabestaanden vragen informatie over een calamiteit om te weten wat er nou in de laatste uren echt is gebeurd, om bevestiging te krijgen dat de patiŽnt niet onnodig heeft geledenÖen soms ook om te weten of er nu sprake is geweest van een fout van de betrokken hulpverleners. Een zoektocht naar ďde waarheidĒ, de feiten!"


    Tot zover het standpunt van de Inspecteur-generaal.

    Het systeem "Veilig melden" speelt direct na overlijden (nog) geen rol. Na het informeren van de nabestaanden en de wettelijk voorgeschreven mededeling aan de gemeentelijk lijkschouwer is de taak van de behandelend arts bij het overlijdensgeval ten einde voor zover het de bepalingen betreft van de Wet op de lijkbezorging.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Positie van gemeentelijk lijkschouwer

    De gemeentelijk lijkschouwer heeft in het kader van de Wet op de lijkbezorging uitsluitend een signalerende functie in gevallen waarin al of niet sprake zou kunnen zijn van een niet-natuurlijk overlijden. Buiten deze signalerende functie en een oriŽnterend eerste onderzoek van het overlijdensgeval (overleg met de arts die de melding doet en evt. voorlichting over de te volgen procedure en de wetgeving terzake over de wettelijke plicht tot melding bij de IGZ) komt aan de gemeentelijk lijkschouwer geen enkele bevoegdheid toe tot het verrichten van nader onderzoek. Hij/zij heeft ook niet de hoedanigheid van een soort (buitengewoon) opsporingsambtenaar. Met de wettelijk voorgeschreven artikel 10 melding aan de Officier van Justitie is de taak van de gemeentelijk lijkschouwer ten einde.

    Met de afgifte van de zgn. art. 10 verklaring ter kennisgeving aan de Officier van Justitie en de waarschuwing van de ambtenaar van de burgerlijke stand spreekt de gemeentelijk lijkschouwer geen enkel oordeel uit over het overlijdensgeval. Het is belangrijk zich te realiseren dat er geen verklaring of kennisgeving bestaat van niet-natuurlijk overlijden. De art. 10 verklaring van de lijkschouwer zegt alleen maar dat er geen overtuiging bestaat over het feit dat het een natuurlijke dood betreft. Ook bij twijfel of onduidelijkheid dient door de gemeentelijk lijkschouwer een art. 10 verklaring afgegeven te worden. De forensisch arts is gťťn gerechtelijk deskundige. Wat er verder gebeurt nŠ de melding aan de Officier van Justitie valt niet meer onder de verantwoordelijkheid of competentie van de gemeentelijk lijkschouwer. De wet kent geen enkele bepaling die voorschrijft dat de gemeentelijk lijkschouwer bij enig nader onderzoek dient te worden betrokken of dat opsporingsinstanties (politie, recherche) dienen te worden ingeschakeld. Met uitsluiting van zťťr uitzonderlijke situaties kan een ziekenhuisafdeling in redelijkheid ook niet worden aangemerkt als een PD (plaats delict) die met de bekende wit-rode linten zou dienen te worden afgeschermd. Het ter plaatse verschijnen van geuniformeerde opsporingsambtenaren moet gezien de onrust die dit binnen de instelling veroorzaakt als uiterst ongewenst c.q. disproportioneel machtsvertoon te worden gekenschetst.
    Op een Symposium van de KNMG op 23 april 2013 kwam dit aan de orde. De politie vergezelt de gemeentelijk lijkschouwer in de volgende situaties:
    1. Indien het overlijden het gevolg is van een mogelijk gepleegd strafbaar feit buiten de zorginstelling.
    2. Indien het Openbaar Ministerie de politie daartoe specifiek opdracht geeft, bijvoorbeeld als de gemeentelijk lijkschouwer de officier van justitie heeft geÔnformeerd dat er naast de niet-natuurlijke dood ook een vermoeden bestaat van enig strafbaar feit.
    3. Indien de zorgverlener de politie of de gemeentelijk lijkschouwer daarom verzoekt of de gemeentelijk lijkschouwer benadert door het telefoonnummer 112 te bellen.
    Ter illustratie van de problematiek de volgende casus:
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Positie van de Officier van Jusititie

    De gemeentelijk lijkschouwer verricht de werkzaamheden in het kader van de Wet op de lijkbezorging in opdracht van Burgemeester en Wethouders en niet in opdracht van de Officier van Justitie. De Wet op de lijkbezorging maakt gťťn onderdeel uit van het Wetboek van Strafvordering. Indien de Officier van Justitie na ontvangst van de melding van de gemeentelijk lijkschouwer besluit dat geen nader onderzoek noodzakelijk is wordt de zaak daarmee onmiddellijk als afgedaan beschouwd en dient het stoffelijk overschot te worden 'vrijgegeven' aan de nabestaanden ter lijkbezorging.

    Aangezien het OM of de politie over het algemeen niet beschikt over de expertise om de melding te kunnen beoordelen zal de Inspectie voor de Gezondheidszorg moeten worden ingeschakeld. In het Rapport van de Gezondheidsraad van 25 april 2013 werd op pagina 80 in een voetnoot het volgende gemeld:
    " Het Expertisecentrum Medische Zaken van het parket Rotterdam bereidt in samenwerking met het FMG een Wet op de lijkschouw en forensisch onderzoek voor."
    Het is onduidelijk welk Ministerie (Veiligheid en Justitie?) in 2016 (of later....) zal overgaan tot het indienen van een wetsontwerp.

    Op het moment dat de dood wordt vastgesteld treden automatisch de bepalingen van de Wet op de lijkbezorging in werking. Artikel 76, lid 1 van de Wet op de lijkbezorging luidt:

    "Wanneer tekenen of aanduidingen van een niet-natuurlijke dood aanwezig zijn of wanneer in verband met andere omstandigheden een niet-natuurlijke dood niet uitgesloten geacht kan worden, mag het lijk niet worden vervoerd dan met verlof van de officier van justitie of een van zijn hulpofficieren."

    Dit betekent dat het stoffelijk overschot 'in berusting' dient te worden gelaten totdat de (hulp)Officier van Justitie toestemming verleent tot overbrenging naar een mortuarium. In overleg met de gemeentelijk lijkschouwer zal over het algemeen de (hulp)Officier in redelijkheid instemmen met het overbrengen van het stoffelijk overschot naar het mortuarium van de instelling. Daar zullen meestal ook faciliteiten bestaan voor een gekoeld verblijf van het stoffelijk overschot ter afremming van de postmortaal intredende ontbindingsverschijnselen.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Positie van de Inspectie

    De Inspectie ontvangt de melding van overlijden via de instelling of via de Officier van Justitie. Overigens bestaat ook de mogelijkheid dat de gemeentelijk lijkschouwer direct contact opneemt met de Inspectie. Helaas blijkt een aantal forensisch (werkzame) artsen regelmatig te denken dat zij hiertoe 'niet bevoegd' zouden zijn. De melding aan de IGZ kan vermeld worden op de artikel 10 verklaring aan de Officier van Justitie. De veelal totaal ongewenste bemoeienis van opsporingsinstanties kan op deze wijze voorkomen worden.

    Het is de verantwoordelijkheid van de Inspectie, waar nodig in samenwerking met het OM, om te onderzoeken of er bij het gemelde voorval of incident sprake is van vermijdbare, verwijtbare of zelfs strafbare omstandigheden. De Inspecteur-generaal in zijn toespraak van 18 april 2008 aan het woord :
    "In het algemeen geven instellingen en patiŽnten informatie (desgevraagd) aan de inspectie zodat wij onze rol als toezichthouder kunnen waarmaken. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kunnen wij ook informatie vůrderen. Strikt juridisch zal de hulpverlener ůůk ten aanzien van de inspectie een afweging moeten maken bij verstrekking van medische gegevens van patiŽnten. Indien de patiŽnt melder is, of toestemming geeft, is dat geen enkel probleem. Indien de patiŽnt is overleden, is toestemming niet meer te geven. ..... In de praktijk stelt de hulpverlener/instelling zich naar de inspectie doorgaans toetsbaar op en ontvangt de inspectie de gegevens."

    Zonder de voorafgaande toestemming van de patiŽnt bestond tot 29 mei 2010 geen wettelijke grondslag die de Inspectie de mogelijkheid verschafte tot inzage in medische dossiers. De Inspectie was daarmee volledig aangewezen op de inlichtingen die de instelling verstrekte m.b.t. het overlijdensgeval.

    Wetgeving over de uitbreiding van de bevoegdheden van de Inspectie werd op 14 mei 2008 in plenaire vergadering door de Tweede Kamer behandeld.
    Op 20 mei 2008 werd door de Minister in een Nota van wijziging op het wetsvoorstel het volgende voorgesteld:
    "Voor zover de betrokken beroepsbeoefenaar uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding van het dossier verplicht is, geldt gelijke verplichting voor de betrokken ambtenaar."

    In de Toelichting bij de Nota schreef de Minister:
    "Deze aanvulling houdt in dat de inspecteur van de IGZ die bij de inzage in dossiers zonder toestemming van de patiŽnt stuit op andere overtredingen dan die waarop zijn toezicht is gericht, verplicht is tot geheimhouding daarvan. Die plicht tot geheimhouding strekt zich tot dezelfde informatie uit als waarop de geheimhoudingsverplichting van de medisch beroepsbeoefenaar betrekking heeft."

    Het wetsvoorstel "Uitbreiding van de bestuurlijke handhavingsinstrumenten in de wetgeving op het gebied van de volksgezondheid" (nummer 31 122) werd bij stemming op 22 mei 2008 door de Tweede Kamer aangenomen (Handelingen 87-6156).

    Op 12 februari 2010 stuurde de Minister opnieuw een aanvullende toelichting aan de Eerste Kamer na de plenaire beraadslagingen. Het wetsvoorstel werd op 13 april 2010 zonder stemming door de Eerste Kamer aanvaard. Bovenstaande wetgeving is sinds 29 mei 2010 (volgens de wet in artikel 24 een dag na de publicatie in het Staatsblad) van kracht.

    Uit de MvT bij de begroting voor het jaar 2014 van het Ministerie van VWS:
    " De IGZ speelt een belangrijke rol bij het toezicht op de gezondheidszorg. De versterking van de IGZ wordt met kracht voortgezet. Het kabinet maakt afspraken over verbetering van patiŽntveiligheid inclusief de veilige toepassing en het gebruik van medische technologie en geneesmiddelen. Hier is nog veel veiligheidswinst te halen. Om de medicatieveiligheid te vergroten is het van belang dat betere uitwisseling en afstemming van de zorg tussen betrokken zorgverleners plaatsvindt en (behandel)richtlijnen beter worden nageleefd. Standaardisatie, normering en transparantie van onder andere sterftecijfers hebben prioriteit omdat deze cruciaal zijn bij het verbeteren van kwaliteit en veiligheid. "
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Obductie noodzakelijk?

    Voordat het stoffelijk overschot aan de nabestaanden kan worden 'vrijgegeven' door de Officier van Justitie zal moeten worden beoordeeld of ter finale bepaling van de doodsoorzaak een gerechtelijke obductie dient plaats te vinden. Hierbij moet bedacht worden dat in de nasleep van de calamiteit de discussie of de patiŽnt daadwerkelijk en zonder enige twijfel is overleden ten gevolge hiervan (de causaliteitsvraag) een rol gaat spelen bij de bepaling van aansprakelijkheid.

    Hetgeen geldt voor 'overlevenden' van een medische fout geldt mutatis mutandis ook voor de nabestaanden. Op 18 mei 2008 verscheen over deze problematiek een rapport van de Stichting De Ombudsman:

    Slachtoffer medische fout voert oneerlijke strijd
    "Ruim 40% van de slachtoffers van een (vermeende) medische fout is na drie jaar nog steeds in een letselschadezaak verwikkeld. Dit blijkt uit onderzoek van Stichting De Ombudsman. PatiŽnten kunnen na een medische fout een lange en slopende strijd om erkenning en schadevergoeding tegemoet zien. Zij staan voor de vrijwel onmogelijke opgave te bewijzen dat er een fout is gemaakt. De oneerlijkheid van de strijd wordt vooral veroorzaakt doordat de patiŽnt moet bewijzen, terwijl de aangeklaagde hulpverlener het bewijsmateriaal onder zijn hoede heeft. Wanneer de fout wordt erkend, komt het voor dat de verzekeraar van de arts de aansprakelijkheid betwist en de schadeclaim afwijst. De procedure die dan volgt, is er een van lange adem.
    Stichting De Ombudsman vindt dat slachtoffers van een medische fout een oneerlijke strijd voeren en doet aanbevelingen om hierin verandering te brengen."

    Tot zover het standpunt van de Stichting De Ombudsman.
    Op 9 september 2008 reageerde de Minister van Justitie op bovemstaand rapport in een brief aan de Tweede Kamer: Indien nŠ het overlijden een A-verklaring van natuurlijk overlijden is afgegeven wordt hiermee in feite elke erkenning van aansprakelijkheid van tafel geveegd. Dat mensen (die soms patiŽnten zijn) nu eenmaal op een natuurlijke manier overlijden kan aan niemand worden verweten (ook niet aan artsen).

    Overigens bestaat volgens artikel 73 van de Wet op de lijkbezorging ook de mogelijkheid dat een gerechtelijke obductie kan worden gelast door de betrokken hoofdinspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid of op verzoek van de voorzitter van de Onderzoeksraad voor veiligheid.

    Op 23 mei 2008 heeft de ministerraad besloten dat het recht op informatie over fouten die merkbare gevolgen hebben voor de cliŽnt in de wet moeten worden vastgelegd. Hierdoor kunnen aansprakelijkheidsverzekeraars geen beperkingen opleggen in de polisvoorwaarden.
    Ook komt er een laagdrempelige en onpartijdige commissie buiten de zorginstelling die uitspraak kan doen over de toepassing van cliŽntenrechten. De rechtspositie van de cliŽnt wordt hierdoor sterker.
    Het kabinet vroeg eind 2008 advies aan de Raad van State over een wetsvoorstel waarin de rechten in onderlinge samenhang worden vastgelegd. Het wetsvoorstel werd na advies van de Raad van State ingediend bij de Tweede Kamer.
    Uit de MvT bij de begroting voor het jaar 2014 van het Ministerie van VWS:
    " Om de klachtenafhandeling in de zorg te professionaliseren wordt een Zorgloket ingericht. Daar kunnen mensen met klachten terecht voor begeleiding en ondersteuning. Bovendien moeten zorgaanbieders en fabrikanten er hun verplichte (calamiteiten)meldingen doen. Het loket deelt informatie met de IGZ, zodat deze gebruikt kan worden voor toezicht en handhaving. Jaarlijks publiceert het Zorgloket een klachtenoverzicht. Iedereen kan dan zien wat voor klachten en meldingen zijn gedaan en hoe de afhandeling daarvan verloopt. Het Zorgloket wordt in 2014 operationeel. "

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Conclusie

    Indien de behandelend arts besluit dat geen verklaring van natuurlijk overlijden kan worden afgegeven bij mogelijk niet 'lege artis' medisch handelen, een 'medisch bedrijfsongeval' of een onvoorziene (en ook een wel voorziene) dodelijke complicatie van medisch handelen, heeft de gemeentelijk lijkschouwer geen andere mogelijkheid dan de Officier van Justitie hiervan op de hoogte te stellen waarna (meestal) een onderzoek door de Inspectie dient te volgen.
    De gemeentelijk lijkschouwer spreekt, buiten een (on)gevraagde opmerking op de wettelijk voorgeschreven Art. 10 verklaring, geen enkel oordeel uit over de 'strafvorderlijke relevantie' en is niet bij dit nader onderzoek betrokken.


  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Tot slot:

    De informatie op deze webpagina wordt voortdurend aangepast en aangevuld naar aanleiding van opmerkingen, correcties, suggesties voor verbetering, etc.
    Als u ook een bijdrage of kritiek (!) wilt leveren of wat mist: laat het ons dan weten via


    forum@fomat.nl.

    Terug naar begin van deze pagina