Ter informatie van huisartsen, specialisten ouderengeneeskunde en artsen werkzaam in ziekenhuizen. En ook voor de vele studenten geneeskunde die onze website bezoeken.

Procedure na overlijden

Overzicht inhoud:

Het vaststellen van overlijden

Allereerst:
Hulpverlening gaat (altijd!) boven het belang van opsporing en vervolging van evt. strafbare feiten of de vaststelling van aansprakelijkheid. Bij de geringste twijfel over het bestaan van een irreversibele dood (door welke aard of oorzaak dan ook) dient in dat geval onverwijld een reanimatie te worden opgestart. Dit is het primaat van elke arts en van de hulpverleningsdiensten. Hulpverleners zijn echter geen (buitengewone) opsporingsambtenaren, en behoren zich ook niet als zodanig te (willen) gedragen. Zij hebben, net als de artsen onder wiens verantwoordelijheid zij werken, een beroepsgeheim. Pas op het moment dat de reanimatiepoging definitief wordt gestaakt, en de dood op dat moment wordt vastgesteld, is er sprake van overlijden en van een stoffelijk overschot (lijk). Na het vaststellen van de dood is er geen sprake meer van hulpverlening. Het beroepsgeheim verdwijnt daarmee echter niet.

Het vaststellen van de dood kan door eenieder (met enig gezond verstand) geschieden. De vroegere praktijk van ambulancediensten om een overledene naar het ziekenhuis te vervoeren om daar de dood door een arts te laten vaststellen is in de laatste jaren niet meer gebruikelijk. Als men als arts of hulpverlener (verpleegkundige) en ook als burger niet overtuigd is van irreversibel overlijden dient onverwijld een reanimatiepoging te worden ondernomen c.q. te worden voortgezet.

Op het moment dat de dood wordt vastgesteld treden automatisch de bepalingen van de Wet op de lijkbezorging in werking. Er ontstaat dan een 'nieuwe' juridische en feitelijke situatie met mogelijk vergaande en soms onverwachte en onvermoede consequenties. Voorbeelden van praktische situaties zijn te vinden in: De Wet op de lijkbezorging schrijft voor dat bij overlijden een lijkschouw, zo spoedig mogelijk na het overlijden, dient te worden uitgevoerd door de behandelend arts (volgens artikel 3 van de Wlb.) of de gemeentelijk lijkschouwer.Een belangrijk misverstand is dat een lijkschouw moet worden uitgevoerd om de dood en de doodsoorzaak vast te stellen. We zullen hier nader op ingaan.

Eerst zal moeten worden vastgesteld door middel van een lijkschouw (door een bevoegd arts) dat naar diens overtuiging en zonder enige twijfel sprake is van een natuurlijke dood. De betreffende arts is dan verantwoordelijk en gehouden om een zgn. A-verklaring van overlijden af te geven en tevens een zgn. B-verklaring in te vullen over de doodsoorzaak. Na afgifte van de A-verklaring (natuurlijke dood) staat het stoffelijk overschot op dat moment ter beschikking van de nabestaanden. Er is dan geen enkele bemoeienis meer nodig van Politie of Justitie en ook niet van een forensisch arts.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • De natuurlijke en niet-natuurlijke dood

    In de praktijk blijken, ook bij het Openbaar Ministerie, nogal eens misverstanden te bestaan over het onderscheid en het spraakgebruik rondom de beide begrippen en de criteria die daarvoor dienen te worden gehanteerd.

    "Het onderscheid tussen directe doodsoorzaak, primaire doodsoorzaak, wijze en aard van overlijden wordt in Nederland in wettelijke regelingen, op de overlijdensverklaring en op het B-formulier op gebrekkige wijze of niet gemaakt. De meeste artsen zijn niet vertrouwd met deze begrippen. Het verdient aanbevelingen deze begrippen zowel op de overlijdensverklaring als op het B-formulier op consistente wijze en in overeenstemming met de internationale codes te gebruiken. Daarnaast is het wenselijk de vormen van overlijden waarbij de gemeentelijk lijkschouwer ingeschakeld moet worden expliciet op de overlijdensverklaring aan te geven."

    Bron: Das C, Wal G van der. Het begrip ‘doodsoorzaak’: een internationale vergelijking.
    Ned Tijdschr Geneeskd 2002; 146: 2040-3.
    (accenturering toegevoegd door de FOMAT)

    26 april 2017: Ontwikkeling en professionalisering van de forensische geneeskunde

    Belangrijk is om te onderkennen dat het onderscheid tussen natuurlijke en niet-natuurlijke dood niet zozeer feitelijk van belang is maar slechts een beperkt juridisch doel dient omdat daarmee de toepassing van wettelijke voorschriften in de Wet op de lijkbezorging wordt vastgelegd, zonder dat daarbij een strafvorderlijke kwalificatie wordt toegekend. De achterliggende gedachte van de wetgever is dat geen begraving of crematie van een overledene kan/mag plaatsvinden zonder dat het aspect van strafbaarheid en aansprakelijkheid in relatie tot het overlijden onderzocht of opgehelderd is. Een centrale rol is hierbij weggelegd voor de Officier van Justitie (OvJ). Niet verwonderlijk wordt de rol van de OvJ op meerdere plaatsen omschreven in de Wet op de lijkbezorging (Wlb). De politieorganisatie stond tot 1 januari 2013 (nog) onder het gezag van de Burgemeester (openbare orde) in de gemeente van overlijden. De OvJ blijft verantwoordelijk voor de handhaving van de rechtsorde en de opsporing van strafbare feiten.

    De thans meest gangbare omschrijving, daterend uit 1979 en uit 1991, van de beide begrippen:
      "Natuurlijk overlijden is overlijden door spontane ziekte ("of ouderdom"), inclusief een complicatie van een 'lege artis' uitgevoerde medische behandeling." (*)

      (*) De laatste toevoeging staat bekend als de zgn. medische exceptie.
      Begin 2016 werd "of ouderdom" uit de definitie geschrapt
      "Niet-natuurlijk overlijden is ieder overlijden dat (mede) het gevolg is van uitwendig (fysisch of chemisch) geweld, ook wanneer dit niet door menselijk toedoen is veroorzaakt, alsmede overlijden waarbij sprake is van opzet of schuld (van de overledene zelf of anderen)."
    Belangrijk in de definitie van niet-natuurlijk overlijden is het woordje 'gevolg'. Dit houdt in dat een externe factor op enig moment moet hebben bijgedragen aan het overlijden, m.a.w het overlijden zou niet of naar alle waarschijnlijkheid niet op het daadwerkelijke tijdstip van overlijden hebben plaats gevonden zonder inwerking van de externe factor. Een (on)voorzien ongewenst gevolg van een medische (be)behandeling leidt ook tot een niet-natuurlijk overlijden. Het doel van een (medische) behandeling is immers niet het overlijden van de patiënt.....

    In Nederland wordt bij een 'niet natuurlijk' overlijden alleen de externe factor aangeduid als primaire doodsoorzaak (zie hieronder) en niet de medische reden (hersenletsel, bloedverlies, vergiftiging, hartstilstand, etc.) en ook, en dat is een belangrijk misverstand, zonder dat hieraan enige juridische kwalificatie van 'schuld' of 'onschuld' of oordeel als 'moord' of 'doodslag' wordt toegekend.

    Een overzicht van de externe factoren, die het overlijden kwalificeren als een 'niet-natuurlijke dood' is te vinden in de ICD-10 classificatie van de WHO, zoals deze omschreven staan in de coderingen volgens Chapter XX: External causes of morbidity and mortality (V01-Y98). Het CBS volgt sinds 1996 bij de statistische rapportage van doodsoorzaken ook deze internationaal geaccepteerde indeling. De 'niet-natuurlijke dood' wordt ingedeeld bij de "Uitwendige oorzaken van ziekte en sterfte". Bedacht dient te worden dat de indeling in 'natuurlijk' en 'niet-natuurlijk', in essentie een sociaal-medische activiteit en géén juridische bezigheid 'in opdracht' vóór of 'in dienst van' het OM of de Officier van Justitie is. De Wet op de lijkbezorging maakt geen onderdeel uit van het Wetboek van Strafvordering. De wetgever heeft in Nederland tot nu toe verzuimd om tot een meer duidelijke of bruikbare afbakening te komen. Velen zullen direct opmerken dat een groot aantal 'ziekten' in de ICD-10 in feite ook opgevat kunnen worden als veroorzaakt door een 'externe factor'. De evidente relatie tussen blootstelling aan asbest en mesothelioom (ICD-10 code C45) is bekend, maar het overlijden hieraan wordt beschouwd als een 'natuurlijk overlijden' als een gevolg van ziekte. Mogelijk gaat de WHO hier in de aangekondigde ICD-11 aandacht besteden. Tot die tijd zullen we het met de ICD-10 moeten doen, net als het CBS. Als iemand 3 weken na een ongeval in het ziekenhuis overlijdt aan de gevolgen - de complicaties van de letsels of de behandeling - is sprake van een niet-natuurlijke dood. Als iemand met een terminale ziekte in het laatste stadium van leven onwel wordt en eenzelfde ongeval krijgt en overlijdt, is ook sprake van een niet-natuurlijke dood. Ook in dat geval is het overlijden primair toe te schrijven AAN het ongeval en niet AAN de ziekte. Of het overlijden in juridische zin toch toe te schrijven zou kunnen worden AAN het onwel worden ten gevolge van de ziekte of AAN iets anders, is een vraag naar de causaliteit. Die vraag mag de Officier van Justitie in dialoog met de advocatuur gaan beantwoorden na onderzoek door een deskundige. Het overlijden is in elk geval, in de zin van de Wet op de lijkbezorging, een niet-natuurlijke dood want zonder ongeval (de externe factor) was het overlijden niet op dat moment opgetreden. Dat alles is niet altijd even begrijpelijk voor nabestaanden en ook niet voor veel artsen.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Rol Openbaar Ministerie

    Strafvorderlijke relevantie is géén criterium bij het onderscheid tussen natuurlijke en niet-natuurlijke dood en speelt daarbij geen rol en behoort ook geen rol te spelen. Helaas is dit niet altijd voor iedereen even duidelijk, zeker niet voor het OM en, merkwaardig genoeg, zelfs niet voor een aantal forensisch (werkzame) artsen. Als iemand door de bliksem wordt getroffen en vervolgens overlijdt (ICD10-code: X33) is sprake van een niet-natuurlijke dood: een externe factor veroorzaakt op dat moment het overlijden. Hetzelfde geldt voor een dodelijk verlopende anafylactische reactie na een wespesteek (ICD10 code: W57) waarbij de 'externe factor' maatgevend is, niet de strafvorderlijke relevantie voor de politie of het OM. Ook als iemand overlijdt na het, per abuis, nuttigen van giftige paddestoelen (ICD10 code: Y19) is sprake van een externe factor en dus een niet-natuurlijk overlijden (opzet niet bepaald) en mag de Officier van Justitie helemaal zelf uitmaken wat hiermee wordt gedaan na ontvangst van de Art. 10 verklaring betreffende het niet-natuurlijk overlijden. Indien de betreffende paddestoelen in een restaurant door de chefkok als 'delicatesse' werden geserveerd werpt dit natuurlijk ineens weer een heel ander (ICD10 code: X49) licht op de zaak. Als de betreffende chefkok hiervan wist, óf kon óf moest weten (ICD10 code: X89), lijkt een verdergaande bemoeienis van de OvJ wel degelijk op zijn plaats. Tenslotte bestaat ook nog de mogelijkheid dat het eten van de paddestoelen met de intentie tot zelfdoding (ICD10 code: X69) geschiedde. Ook dan is (nog steeds) sprake van een niet-natuurlijk overlijden.

    "De gemeentelijk lijkschouwer maakt geen onderscheid tussen wel of niet strafbare feiten; dat oordeel is aan justitie. De gemeentelijk lijkschouwer maakt slechts onderscheid tussen een natuurlijke en een niet-natuurlijke dood. Veel gevallen van niet-natuurlijke dood (ongeval, suïcide) leveren geen strafbare feiten op."
    (Bron: Das et al. Ned Tijdschr Geneeskd. 2007;151:838-9)

    Op 1 november 2010 werd dit door het OM nog eens treffend omschreven:
    "Het OM moet in kennis gesteld worden van elk (evident) niet-natuurlijk overlijden en elk overlijden waarbij getwijfeld wordt aan het natuurlijk karakter ervan. Er is slechts dan sprake van een natuurlijk overlijden als de schouwend behandelend arts of gemeentelijke lijkschouwer ervan overtuigd is dat het overlijden uitsluitend veroorzaakt is door ziekte of ouderdom."
    "Als de schouwarts zeker weet dat er geen sprake is van of als hij twijfelt aan een natuurlijke oorzaak van het overlijden geeft hij geen verklaring van natuurlijk overlijden af en meldt hij dit overlijden op basis van artikel 7 lid 2 en 3 van de Wet op de lijkbezorging aan de gemeentelijk lijkschouwer. Deze verricht vervolgens zelf een lijkschouw. Als ook hij twijfelt aan of niet overtuigd is van het natuurlijke karakter van het overlijden en geen verklaring van overlijden kan afgeven, brengt hij verslag uit aan de officier van justitie. De officier van justitie beoordeelt of het vermoeden bestaat dat een strafbaar feit is gepleegd en als dit het geval is of een gerechtelijke sectie gelast moet worden. Daarna neemt de officier van justitie een beslissing over de vrijgave van het lichaam ter begraving of crematie."

    (Bron: Aanwijzing feitenonderzoek/strafrechtelijk onderzoek).
    Zie ook: Het OM over medisch niet-natuurlijk overlijden

    Helaas blijkt onder forensisch (werkzame) artsen nogal eens de misvatting te bestaan dat door de afgifte van een artikel 10 verklaring bij een vermoeden van niet-natuurlijk overlijden ook een juridisch oordeel wordt afgegeven. Dit is onjuist
    De vraag in hoeverre, in welke mate, op welke wijze, en hoe beslissend een 'externe factor' heeft bijgedragen aan het overlijden is een juridische vraag naar de causaliteit. Van een mono-causale relatie tussen het overlijden en het toepassen van medische (be)handeling(en) is zelden sprake. Die vraag wordt in de Nederlandse situatie dus NIET beantwoord door de gemeentelijk lijkschouwer maar door de Officier van Justitie en, alleen als de OvJ dit van belang acht, door een gerechtelijke sectie. Een vermoeden van causaliteit is voldoende om een zgn. art. 10 verklaring af te geven, niet het het bewijs van causaliteit - dat moet de Officier van Justitie maar zelf uitzoeken. Een bepaling in de wet dat de Officier van Justitie verplicht zou zou zijn om een (on)gevraagd advies van de forensisch (werkzame) arts op te volgen kent Nederland niet. De artikel 10 verklaring van de gemeentelijk lijkschouwer heeft geen enkele strafvorderlijke relevantie in het juridisch proces (we leven niet in de USA - zie hieronder).

    De Officier van Justitie ontvangt van de gemeentelijk lijkschouwer een zogenaamde Art-10 verklaring over afwezigheid van de overtuiging dat het een natuurlijke dood betreft, maar of het OM of de politie hier iets mee kan (of moet) is maar de vraag. Zonder toestemming van de Officier van Jusititie (bij een niet-natuurlijk overlijden) of de nabestaanden (bij een natuurlijk overlijden) heeft de gemeentelijk lijkschouwer geen enkele bevoegdheid of legitimatie over over te gaan tot een opheldering van de doodsoorzaak. Deze beperking blijkt helaas niet altijd doorgedrongen te zijn tot alle forensisch (werkzame) artsen. In Nederland bestaat in het rechtssysteen geen rol voor de gemeentelijk lijkschouwer; ook niet als gerechtelijk deskundige...
    Het afleggen van onjuiste verklaringen is echter wel strafbaar...
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Veel verwarring en onbegrip...

    In de Angelsaksische literatuur is het onderscheid tussen 'natuurlijke dood' en 'niet-natuurlijke dood' niet in gebruik en spreekt men over de 'manner of death' om daarmee de aard van het overlijden aan te duiden. Men onderscheidt daar vier groepen. Als eerste de 'natural cause' (de natuurlijke dood). Dan de drie overige groepen als de 'external causes of mortality' (uitwendige oorzaken van sterfte) verdeeld als 'homocide', 'suicide' en 'accidental'. Soms wordt hieraan nog een vijfde groep 'undetermined intent' (in NL: opzet niet bekend) toegevoegd ter aanduiding van de medische exceptie. Deze indeling heeft in deze landen soms ook een juridische betekenis en is volledig in overeenstemming met de ICD-10 classificatie van de WHO. In Nederland zou aan dit Angelsaksische systeem nog een zesde groep moeten worden toegevoegd van de euthanasie. Hierbij is in principe ook sprake van een niet-natuurlijk overlijden (daar is indertijd een lange discussie over gevoerd) en ontvangt de OvJ eveneens een artikel 10 verklaring. In dat geval wordt bij het CBS niet de levensbeeindiging (de externe factor) als primaire doodsoorzaak gecodeerd, maar het onderliggend lijden als 'ziekte' alsof het een natuurlijke dood betreft. Voor diegenen die zich willen verdiepen in de geschiedenis van de begrippen 'natuurlijke' en 'niet-natuurlijke dood' verwijzen we naar Hoofdstuk 4 van het onderstaande uiterst lezenswaardige en helder geschreven proefschrift uit 2005: In de praktijk blijkt regelmatig dat onder artsen, zelfs onder forensisch (werkzame) artsen, de neiging bestaat om, met name waar het gaat om 'medisch handelen', de discussie uit de jaren tachtig van de vorige eeuw tussen Cremers, Enschedé en Leenen (zoals treffend beschreven in bovenstaande dissertatie) nog eens 'dunnetjes' over te gaan doen.

    De beroepsgroep van gemeentelijk lijkschouwers, die zich intussen 'forensisch arts' is gaan noemen, bleek niet in staat om een pleidooi voor een verandering van de wetgeving in de richting van het Angelsaksische systeem gestalte te geven. De wetgever had ook bij de laatste wijziging van de Wet op de lijkbezorging weinig trek om hieraan gehoor te geven.
    Bij de internationale afspraken in Europa uit 1999 - over de noodzaak en de indicaties voor de inzet van een strict onafhankelijk medico-legaal onderzoek naar overlijdensgevallen - besloot de Nederlandse overheid om zich niet aan te sluiten. Een verbeterde uitleg van de wetgever over het onderscheid tussen 'natuurlijk' en 'niet-natuurlijk' overlijden, met aansluiting op de internationaal geldende WHO-criteria, bleef tot op heden volledig achterwege. Ook bij de laatste, op 1 maart 2011 in werking getreden, wijziging van de Wet op de lijkbezorging werd door de wetgever nog steeds geen enkele aandacht besteed aan het onderscheid dat in de wet bedoeld zou worden. Een duidelijke en ondubbelzinnige overeenstemming en aansluiting op internationaal geldende criteria bestaat nog steeds niet. Sinds 1 januari 2010 bestaat een strafbaarstelling bij een verzuim om de B-verklaring in te vullen. Sinds 1 maart 2011 is dit verzuim nu ook strafbaar gesteld voor de forensisch arts en de OvJ die verzuimt om hiervoor een arts aan te wijzen. Een heldere toelichting over wat 'de natuur' in Nederland nu eigenlijk precies bedoelt met 'niet-natuurlijk' (zie hieronder) wordt door de wetgever echter nergens aangegeven.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Verandering in wetgeving?

    Sinds 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer. Sinds 1 januari 2013 moet dit overleg ook worden vermeld op de A-verklaring van overlijden.
    Sinds 1 januari 2010 is in de wet een strafbepaling opgenomen voor artsen die niet voldoen aan de verplichting om bij doodgeboorte en overlijden de doodsoorzaak bij het CBS te melden.
    Sinds 1 januari 2010 komen uitsluitend artsen, die als forensisch arts zijn ingeschreven in een daartoe gehouden register, in aanmerking voor een benoeming als gemeentelijk lijkschouwer.

    In een Rapport van de Gezondheidsraad van 25 april 2013 werd op pagina 87 het volgende gemeld:
    "De commissie beveelt aan om een Wet op de lijkschouw en forensisch onderzoek op te stellen, of de Wet op de lijkbezorging aan te passen zodat in een wet omschreven staat waaruit een lijkschouw zou moeten bestaan."

    Dit leidde tot opmerkingen in een nota-overleg over de patiëntveiligheid op 17 juni 2013:
    " Een blinde vlek in het medisch dossier bij overlijden is de lijkschouwing. In de praktijk blijkt dat behandelend artsen zelf de doodsoorzaak kunnen vaststellen omdat er geen schouw plaatsvindt. Dit is niet alleen ongewenst, maar kan ook in het vervolg consequenties hebben voor nabestaanden die twijfels hebben over de doodsoorzaak. Bij kinderen hebben we dit inmiddels we0ttelijk geregeld door de NODO-procedure. Bij volwassenen ontbreekt dit. (.....) is het in het belang van de arts om dit te regelen: leren van doodsoorzaken en transparantie naar de nabestaanden. In de uitzonderlijke gevallen dat er wel iets is misgegaan, vormt de schouw en het onafhankelijk vaststellen van de doodsoorzaak de basis voor het Openbaar Ministerie om wel of niet een strafzaak te beginnen."

    De Minister van VWS op 17 juni 2013:
    "Dan heb ik nog enkele overige vragen, zoals over de procedure van de lijkschouw. Deze zit nu zo in elkaar dat de behandelaar de verklaring afgeeft van natuurlijk overlijden. Als er sprake is van twijfel, moet dat worden gemeld bij de gemeentelijke lijkschouwer. Als de lijkschouwer denkt dat dit overlijden niet natuurlijk is, wordt justitie ingeschakeld. Dat is de procedure voor verdachte overlijdensgevallen.
    Wil ik de Wet op de lijkbezorging aanpassen zodat ziekenhuizen naast de gemeentelijke lijkschouwer ook de inspectie moeten inlichten bij sterfgevallen met een niet-natuurlijke oorzaak? Dit leidt tot extra werklast voor de inspectie, terwijl het overgrote deel van de meldingen niet relevant is voor het toezicht op de gezondheidszorg. Ik verwacht meer van het versterken van het toezicht door de inspectie op de naleving van de verplichting van zorgaanbieders om iedere niet beoogde of onverwachte gebeurtenis te melden die tot de dood van of tot ernstig schadelijke gevolgen voor een patiënt of cliënt heeft geleid."


    Alles blijft voor heel veel artsen dus nog steeds (even onduidelijk) zoals het is. De opheldering van doodsoorzaken is onder artsen niet erg populair. Ook nabestaanden zien het overlijden als een 'fait accompli'. De kosten van een obductie worden niet vergoed door ziektekostenverzekeraars en ook niet door het Ministerie van VWS. 'Juridisering' van het gebeuren rond dood en begraven stuit in Nederland van oudsher op veel weerstand.

    Merk op:
    De Minister van VenJ op 29 november 2016:
    "De Wet op de lijkbezorging bevat nu geen definitie van lijkschouw, zodat de omvang en inhoud van het postmortale onderzoek in de praktijk verschilt. Aangezien dit ten dienste staat van de opsporing van strafbare feiten achten de Minister van BZK en ik dit echter niet langer houdbaar. Geconstateerd moet worden dat een wettelijke mogelijkheid om nadere regels over de lijkschouw te geven, thans ontbreekt. Door het creëren van een dergelijke mogelijkheid zouden kwaliteitseisen aan de lijkschouw kunnen worden gesteld. De Minister van BZK zal de Wet op de lijkbezorging op onderdelen herijken. Daarbij zal worden voorzien in een wettelijke mogelijkheid om nadere regels te stellen ten aanzien van de lijkschouw. Hoewel er reeds richtlijnen zijn opgesteld door het Forensisch Medisch Genootschap (FMG), staat niet vast dat die altijd op eenduidige wijze door de verschillende betrokken partijen worden opgevolgd. Dit zal ik daarom met de medische beroepsgroep oppakken."
    Bron: Brief aan Tweede Kamer

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • De lijkschouw

    De lijkschouw geschiedt zo spoedig mogelijk na het overlijden door de behandelend arts of de gemeentelijk lijkschouwer (artikel 3 van de Wlb). Overigens heeft de wetgever nog nooit ergens omschreven wat een 'lijkschouw' dient te omvatten of in zou moeten houden; dat wordt overgelaten aan de arts die de lijkschouw verricht. Duidelijk is dat alle gegevens die nodig zijn voor het invullen van een verklaring van overlijden verzameld dienen te worden. Daarna ontstond een lange tijd stilte over dit onderwerp tot begin 2015. Bij de lijkschouw, en dat lijkt een open deur, moet er wel sprake zijn van een lijk. Zonder lijk is geen lijkschouw mogelijk. Een lijkschouw is wettelijk voorgeschreven en kan alleen door een arts worden uitgevoerd. De arts moet verklaren dat hij de lijkschouw persoonlijk heeft uitgevoerd. De lijkschouw kan dus niet per telefoon op afstand of per brief met informatie van derden worden uitgevoerd.
    De vaststelling van de irreversibele dood is geen doel maar een onvermijdelijke voorwaarde voor het gaan verrichten van een lijkschouw.

    Het doel van de lijkschouw is om te komen tot de vaststelling of er sprake is van een natuurlijke dood of een niet-natuurlijke dood: de aard van het overlijden. Als er enige twijfel is over een natuurlijke dood is er in feite reeds sprake van een 'juridische' niet-natuurlijke dood. Pas na (soms uitgebreid) nader onderzoek kan worden besloten dat het toch een natuurlijke dood betreft. De lijkschouw is de procedure die de noodzaak tot nader onderzoek bepaalt. Een lijkschouw is ook iets anders als het onderzoek van een lijk. Een lijk kan vele malen worden onderzocht maar in principe slechts éénmaal worden geschouwd.

    De lijkschouw is méér dan alleen maar onderzoek van het lijk. Het onderzoek van het lijk (het 'schouwen') levert over het algemeen weinig meer op dan de constatering dat er inderdaad sprake is van irreversibele dood. Tot de procedure behoort, naast de zekere vaststelling van de identiteit, ook kennisname van de omstandigheden rond het overlijden, een uitwendig onderzoek van het lijk, vaststellen van de datum en de plaats van overlijden, inspectie van de omgeving, bijv. de woning met observatie van de plaatsing of aan/afwezigheid van voorwerpen, reacties van de omstanders, kleding en ligging en houding van het stoffelijk overschot, etc.
    Een gedegen oordeel over de mogelijke (al of niet natuurlijke) aard van overlijden is alleen te vellen door (onafhankelijk en onbevooroordeeld) onderzoek naar alle omstandigheden en het stellen van vragen.
    Informatie van nabestaanden (en hulpverleners!) is meestal essentieel, soms is inzage nodig in het medisch dossier om kennis te vergaren over verleden, activiteiten, gewoonten en levensstijl die essentiële gegevens kunnen leveren om tot een oordeel te komen. Het geheel wordt gekenmerkt door het woord 'waarheidsvinding'. Door het interpreteren (zo men wil: de reconstructie) van de omstandigheden rondom het overlijden wordt de meest waarschijnlijke duiding van de bevindingen samengesteld. Het wat?, wie?, waarom?, hoezo?, met welke?, waardoor?, etc. etc. etc. zijn de vraagtekens die in het verloop van het onderzoek bij een lijkschouw moeten worden omgezet in uitroeptekens. Soms blijven er vraagtekens over die ook niet door nader onderzoek kunnen/zullen worden weggenomen.
    De lijkschouw eindigt OF met de afgifte van een verklaring van overlijden (A-verklaring) OF met een artikel 10 verklaring ('niet overtuigd van natuurlijke oorzaak').

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Opmerkelijke uitspraak Tuchtcollege

    In de meeste situaties van overlijden (meer dan 90%) zal de behandelend arts bij de lijkschouw na het overlijden van de eigen patiënt zonder enige twijfel of onzekerheid vaststellen dat er sprake is van een natuurlijke dood. In deze gevallen blijft de gemeentelijke lijkschouwer buiten beeld. Indien de behandelend arts van de overledene om wat voor reden dan ook (dus ook bij twijfel!) meent niet tot afgifte van een verklaring van natuurlijk overlijden te kunnen overgaan dient onverwijld de gemeentelijk lijkschouwer in kennis te worden gesteld. Het commentaar in Medisch Contact van 11 juli 2013 was minstens net zo opmerkelijk.
    In antwoord op Kamervragen aan de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, mede namens de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op 28 november 2012 bleek het volgende:
    (zie antwoord op vraag 5)
    "De Inspectie voor de Gezondheidszorg, de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, het Forensisch Medisch Genootschap en het Openbaar Ministerie zijn doende samen een informatiebrochure te ontwikkelen ter voorlichting van artsen."


    In een uitvoerige Kamerbrief over de patiëntveiligheid van 21 maart 2013 verwees de Minister van VWS hernieuwd op de, door de overheid gefinancierde, 'kenniscampagne' van ZonMw.
    Op 31 maart 2013 stuurde de FOMAT naar aanleiding hiervan een email naar het Ministerie van VWS. Het antwoord liet lang op zich wachten: Uit het jaarverslag van de KNMG over het jaar 2013:
    'Circulaire niet-natuurlijke dood'
    "Het Openbaar Ministerie (OM) en de IGZ zijn al enige tijd bezig met het opstellen van een circulaire over (niet)-natuurlijke dood. De KNMG en het Forensisch Medisch Genootschap zijn bij het ontwikkelen van de circulaire betrokken. De afronding van dit stuk duurt langer dan verwacht. Dit komt doordat er onduidelijkheid is over de gehanteerde definities van de begrippen natuurlijk/ nietnatuurlijk overlijden.
    In het verlengde van de Circulaire niet-natuurlijke dood, waarin met name de (juridische) gang van zaken rond de lijkschouw wordt beschreven, werken FMG, NHG en KNMG samen aan een richtlijn waarin voor behandelend artsen wordt beschreven op welke wijze een lijkschouw dient te worden verricht. Deze richtlijn wordt door het NHG op verzoek van ZonMw gemaakt."


    Een herziening van de sterk verouderde Handreiking Lijkschouw van de KNMG uit 2005 was dringend noodzakelijk. Op 8 februari 2016 verscheen een nadere toelichting. Het NHG lijkt echter weer van het toneel verdwenen te zijn...
    Sinds 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Overbrenging naar mortuarium?

    Eerder werd op de website van de VNG hierover (nog) het volgende beweerd:

    "Niet-natuurlijke dood"
    "Is er geen sprake van een natuurlijke dood, dus er is een vermoeden van een niet-natuurlijke dood, dan komt de volgende vraag aan bod, namelijk de vraag of er sprake is van een misdrijf. Als die vraag niet kan worden beantwoord op de plaats waar het stoffelijk overschot is aangetroffen, zal het voor rekening van de politie worden overgebracht naar een politiemortuarium. Daar wordt dan uiteindelijk de vraag beantwoord of er sprake is van een misdrijf of niet."

    Bron:
    Kostenverdeling bij (niet) natuurlijke dood (VNG)
    en het bijbehorende: Schema van de kosten in flowdiagram
    Begin oktober 2012 werden de beide hyperlinks van de website van de VNG tijdelijk verwijderd....

    Bij twijfel aan de "natuurlijkheid der doodsoorzaak" dient door de gemeentelijk lijkschouwer een artikel 10 verklaring afgegeven te worden en is de taak van de gemeentelijk lijkschouwer formeel ten einde. Niet de politie maar de Officier van Justitie beslist over een overbrenging naar een mortuarium. Met de invoering van de Politiewet 2012 sinds 1 januari 2013 is de bevoegdheid van de Burgemeester als 'korpsbeheerder' definitief verdwenen.

    Let op:
    Bij de meerderheid van de gevallen van niet-natuurlijke dood (ongevallen en zelfdodingen) zal de politie, als de verantwoordelijke opsporingsinstantie voor strafbare feiten, geen 'meerwaarde' zien voor een uitgebreide lijkschouw in een mortuarium en veelal weinig bereidheid tonen tot medewerking hieraan. Bij een evident natuurlijke dood, zonder enige aanwijzingen ('circumstantial evidence') voor het tegendeel, zal hetzelfde gelden.
    Indien de forensisch (werkzame) arts toch de lijkschouw wil verrichten (of zou willen voortzetten) in een mortuarium zullen de nabestaanden opdraaien voor de kosten van vervoer...... Als er bij een overlijdensgeval geen arts beschikbaar is of niet bekend is wie de behandelend arts is dient de gemeentelijk lijkschouwer te worden ingeschakeld. In de praktijk betekent dit dat alle gevallen waarbij er sprake is van een niet-natuurlijke dood, of twijfel aan een natuurlijke dood, de gemeentelijk lijkschouwer in actie dient te komen.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Verklaring van overlijden

    Lijkschouwing vindt niet plaats om de dood vast te stellen, maar om de aard van het overlijden vast te stellen en, indien er sprake is van een natuurlijk overlijden, een verklaring van overlijden (A-verklaring) af te geven. Deze verklaring van overlijden is noodzakelijk om daarmee een verlof tot begraving of verbranding te verkrijgen van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente van overlijden die een akte van overlijden opstelt. Enige bemoeienis van Politie of Justitie is bij afgifte van een A-verklaring niet noodzakelijk. Ook de gemeentelijk lijkschouwer kan na onderzoek besluiten dat er sprake moet zijn van een natuurlijke dood en een (vergelijkbare) A-verklaring afgeven. Ook dan is er vanaf dat moment geen enkele noodzaak meer voor inschakeling of bemoeienis van Politie of Justitie. In de Nederlandse situatie legt de wetgever tot nu toe de bijzondere verantwoordelijkheid van de beoordeling of er sprake is van natuurlijk overlijden bij de behandelend arts zelf (die de wettelijk voorgeschreven lijkschouw verricht) zonder dat een tweede onafhankelijk arts hierover een (mede)oordeel uitspreekt. Sinds 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer.

    "Over het doel van de natuur......"

    "Uit reacties blijkt dat er een misverstand bestaat over het begrip 'natuurlijke dood'. Dat wordt mogelijk in de hand gewerkt door de term 'natuurlijk' die een positieve associatie heeft. Zo wordt het onthouden van een levensreddende behandeling aan een bepaalde categorie patiënten wel vergoelijkt met de uitdrukking 'de natuur haar gang laten gaan'.

    In feite is 'natuur' een wanbegrip omdat het alles omvat. Niet alleen voedsel en vocht behoren tot de natuur, maar ook het infuus en de sonde, en ook de hersenen waarmee die apparatuur is bedacht en ontworpen. Verder moet goed bedacht worden dat de natuur geen zelfbewustzijn en evenmin bedoelingen heeft, en daarom ook niet haar gang kan gaan. De natuur heeft evenmin een moraal en kan dus onmogelijk goed of slecht worden genoemd.

    De menselijke cultuur, inclusief de medische wetenschap en het recht, bestaat doordat wij de natuur nu juist niét haar gang laten gaan, maar haar voortdurend dwarsbomen en in banen leiden die ons goed dunken. Overlijden als gevolg van kanker en aids is volstrekt natuurlijk, maar wij zijn geneigd ons daar niet bij neer te leggen en bestrijden deze ziekten met man en macht. Dat is nu eenmaal de menselijke natuur. Zo gauw iemand uit naam der natuur de ziekte van een ander de vrije loop wil laten, verdient hij ons wantrouwen."

    Bron:
    C. Rutenfrans. 'Natuurlijke dood' is een juridisch begrip.
    (Volkskrant van 25 augustus 1997)

    Een 'natuurlijke dood' kan niet worden vastgesteld, zoals in de media regelmatig wordt gesuggereerd. Men kan in feite slechts de constatering uitspreken dat geen redenen aanwezig zijn om van het tegendeel uit te gaan. Als geen doodsoorzaak kan worden vastgesteld (of worden verzonnen...) is automatisch oftewel ex juvantibus, sprake van een natuurlijke dood, door welke oorzaak dan ook. Een 'niet-natuurlijke dood' is overlijden door een 'uitwendige oorzaak' (Eng: external cause of death). Het CBS in Nederland spreekt, net als de WHO, ook van "Uitwendige oorzaken van overlijden". De term "onnatuurlijk" kan beter worden vermeden.
    Het is ook in feite betrekkelijk onzinnig om te spreken van een 'onnatuurlijke doodsoorzaak' zoals helaas door veel gemeenten op hun websites wordt gedaan. De doodsoorzaak is een vaststelling die geen 'natuurlijke' of 'onnatuurlijke' dimensie kent.
    Bij de ontwikkeling van een nieuwe richtlijn voor de lijkschouw van ZonMw werd bij de 'voortgang' van het project steeds gesproken over de "onnatuurlijke dood".
    Dat een ambtenaar van de overheid op een website voor het regelen van de uitvaart nog steeds spreekt van een 'natuurlijke doodsoorzaak' getuigt van weinig diepgang of kennis over het onderwerp....

    Het is belangrijk om te bedenken dat er geen verklaring bestaat van niet-natuurlijke dood. De zgn. art.10 verklaring van de lijkschouwer zegt alleen maar dat er geen overtuiging bestaat over het feit dat het een natuurlijke dood betreft. Dit geldt ook bij twijfel of onduidelijkheid.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • De doodsoorzaak

    Artikel 12a van de Wet op de lijkbezorging luidt:
      "Tegelijk met de afgifte der verklaring van overlijden, bedoeld in artikel 12, doet de arts opgave van de doodsoorzaak en van de onmiddellijk daarmee samenhangende gegevens ten behoeve van de statistiek".
    De opgave van de doodsoorzaak staat bekend als de zgn. B-verklaring. De wetgever gaat er van uit dat de 'behandelend arts' die de lijkschouw verricht tot een betrouwbare inschatting zal kunnen komen over de doodsoorzaak van zijn eigen patiënt. Nederland kent tot op heden geen enkel wettelijk voorschrift om de doodsoorzaak door een sectie (obductie) vast te stellen (gebrek aan obductie-capaciteit, respect voor privacy). De doodsoorzaak is zelden alleen af te leiden uit verschijnselen die aan het stoffelijk overschot kunnen worden waargenomen. Vaak is hiervoor veel uitgebreidere informatie nodig (o.a. medisch dossier, kennis van de omstandigheden en achtergronden, een obductie, etc). In feite is de opgave van de doodsoorzaak niet meer dan een redelijk gefundeerd 'gokje'.

    Sinds 1 januari 2010 is in de wet een strafbepaling opgenomen voor artsen die niet voldoen aan de verplichting om bij overlijden en doodgeboorte de doodsoorzaak bij het CBS te melden.

    De A-verklaring van natuurlijk overlijden berust geheel op het 'ex juvantibus' (bij uitsluiting) vaststellen of er sprake zou kunnen zijn van een niet-natuurlijke dood. Als er geen redenen of argumenten zijn om een niet-natuurlijk overlijden aan te nemen is automatisch sprake van een natuurlijke dood (door welke doodsoorzaak dan ook). De doodsoorzakenstatistiek van het CBS heeft dan ook maar een beperkte betrouwbaarheid. De inhoud van de B-verklaring valt overigens onder het medisch beroepsgeheim en dat heeft een lange voorgeschiedenis. De ambtenaar van de burgerlijke stand ontvangt deze B-verklaring in een gesloten envelop die moet worden doorgezonden aan het CBS. Ook aan de Officier van Justitie worden bij een natuurlijk overlijden in principe geen inlichtingen over de doodsoorzaak verstrekt. Het is belangrijk te onderkennen dat de aard van overlijden (natuurlijk of niet-natuurlijk) iets anders is als de oorzaak van overlijden.
    Het begrip doodsoorzaak heeft verschillende dimensies. Men onderscheidt op zijn minst de directe of rechtstreekse doodsoorzaak naast de primaire of onderliggende doodsoorzaak. Als men de doodsoorzaak (bijv. longembolie bij bekkenvenenthrombose) kent, weet men nog niet noodzakelijk wat de aard van het overlijden is en als men de aard van het overlijden kent, is de doodsoorzaak vaak nog niet (precies) bekend. Bij tumoringroei in de bekkenvenen door een coloncarcinoom (ICD10-code: C18) is sprake van een natuurlijke dood maar bij thrombose van de bekkenvenen als complicatie van een femurfractuur na een val van een steiger (ICD10-code: W12) betreft het een niet-natuurlijke dood.
    (Bron: o.a. Forensische Geneeskunde, van Gorcum 2004; ISBN 90-232-3798-6: pag. 147)

    Voor degenen die meer belangstelling hebben: Uitgebreide discussies over het 'hoe' en 'waarom' de dood uiteindelijk is ingetreden ná of dóór het effect van een externe factor, zijn (hoe interessant ook) op geen enkele wijze van belang. Veel forensisch (werkzame) artsen blijken zich dit, net als veel Officieren van Justitie, niet te realiseren en dat te verwarren met de 'causaliteitsvraag'. Die wordt, als dit van belang is, in de Nederlandse situatie beantwoord door het NFI. Net als de dood zelf is de rechtstreekse doodsoorzaak geen oorzaak maar een gevolg. Bij een niet-natuurlijk overlijden wordt alleen de externe factor - de omstandigheid die leidde tot de dood - vermeld op de artikel 10 verklaring en niet het 'mechanism of death'. Ook het CBS vermeldt in de statistiek bij niet-natuurlijk overlijden als primaire doodsoorzaak alleen de externe factor als external cause of death (uitwendige oorzaak van overlijden). Uiteindelijk overlijdt iedereen aan een adem- of hartstilstand maar de opgave van uitsluitend deze twee 'doodsoorzaken' zou een weinig bruikbare statistiek opleveren.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Gang van zaken na overlijden

    Artitkel 76, lid 1 van de Wet op de lijkbezorging luidt:
      "Wanneer tekenen of aanduidingen van een niet-natuurlijke dood aanwezig zijn of wanneer in verband met andere omstandigheden een niet-natuurlijke dood niet uitgesloten geacht kan worden, mag het lijk niet worden vervoerd dan met verlof van de officier van justitie of een van zijn hulpofficieren."
    Eerst zal moeten worden vastgesteld door middel van een lijkschouw (door een bevoegd arts) dat naar diens overtuiging en zonder enige twijfel sprake is van een natuurlijke dood.
    De arts die de wettelijk voorgeschreven lijkschouw uitvoert is dan verantwoordelijk en gehouden om een zgn. A-verklaring van overlijden af te geven en tevens een zgn. B-verklaring in te vullen over de doodsoorzaak.
    Na afgifte van de A-verklaring (natuurlijke dood) staat het stoffelijk overschot op dat moment ter beschikking van de nabestaanden. Er is dan geen enkele bemoeienis nodig van Politie of Justitie en ook niet van een forensisch arts. Elke behandelend arts kan zonder dat enige nadere beoordeling of onderzoek door een andere arts behoeft plaats te vinden, een A-verklaring afgeven waarna zonder enig probleem de begrafenis of crematie kan worden geregeld met de uitvaartondernemer.....
    Als iemand in Nederland de perfecte moord wil plegen door zijn echtgenoot of echtgenote (of een kind…..) om het leven te brengen is er in feite maar één belangrijke hindernis: een arts die een verklaring van overlijden moet afgeven. De wetgever heeft namelijk bepaald dat elke arts (die op dat moment 'behandelaar' wordt) naar eigen en enig oordeel een verklaring van natuurlijk overlijden kan afgeven. Als na de moord of doodslag de huisarts (of een waarnemer) van de overledene wordt ingeschakeld en deze bereid is om zonder bedenkingen een verklaring van natuurlijk overlijden af te geven is de zaak daarmee klaar. Enige bemoeienis van derden is daarmee volledig overbodig. Politie en Justitie of de gemeentelijk lijkschouwer behoeven bij een natuurlijke dood niet te worden ingeschakeld. Sinds 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer.

    Het moedwillig verstrekken van onjuiste gegevens omtrent de aard van het overlijden (natuurlijke of niet-natuurlijke dood) en/of de doodsoorzaak is overigens strafbaar gesteld: Onderstaand de meest voorkomende praktijksituaties ter illustratie.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Doodgeboorte

    Volgens de Wet op de lijkbezorging is een doodgeborene de na een zwangerschapsduur van ten minste 24 weken levenloos ter wereld gekomen menselijke vrucht waarvoor de bepalingen van de wet m.b.t. begraving, crematie en ook de overige bepalingen van toepassing zijn. Volgens artikel 12a van de wet dient de arts die een verklaring van doodgeboorte afgeeft in dat geval ook opgave te doen van de doodsoorzaak. Sinds 1 januari 2010 is in de wet een strafbepaling opgenomen voor artsen die niet voldoen aan de verplichting om bij doodgeboorte de doodsoorzaak bij het CBS te melden. Ook dient aangifte van geboorte te worden gedaan bij de burgerlijke stand van de gemeente waar de bevalling plaatsvond.
    Doodgeborenen vanaf 24 weken zwangerschap vallen, wetstechnisch gesproken, als 'minderjarige bij overlijden' ook onder de meldingsplicht van art. 10a lid 1 WLB (verplicht overleg met de gemeentelijk lijkschouwer). Deze overlijdensgevallen worden aangemerkt als perinatale sterfte en worden als zodanig nader onderzocht door de: De Wet op de lijkbezorging is niet van toepassing op stoffelijke overschotten van kinderen die na een zwangerschapsduur van minder dan 24 weken levenloos ter wereld zijn gekomen dan wel binnen 24 uur na de geboorte zijn overleden. Aangifte van deze kinderen, die soms nog enkele uren hebben geademd, bij de ambtenaar van de Burgerlijke Stand stuit vaak op problemen. Voor de wet zijn ze namelijk 'niet geboren'. Voor de ouders echter wel..... Begraving of crematie behoort wel tot de mogelijkheden (sinds 1 januari 2010 volgens het nieuwe art. 11a) maar is in deze gevallen niet wettelijk voorgeschreven als verplichting. Indien de moeder/nabestaanden besluiten of er voor kiezen om niet over te gaan tot begraving/crematie is géén sprake van een wetsovertreding.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Onverwacht (solitair) overlijden

    In dit soort gevallen is bijzondere oplettendheid vereist alvorens over te gaan tot de afgifte van een verklaring van natuurlijk overlijden. Soms spreekt ook wel over een 'lijkvinding' bij het aantreffen van het stoffelijk overschot. De ingeschakelde behandelend arts (de huisarts of diens waarnemer) kan echter meestal een reguliere lijkschouw verrichten. Ook kan eerst in telefonisch overleg een nader advies over de te volgen procedure worden verkregen van een forensisch (werkzame) arts. Daarmee kan vaak een onnodige en overbodige inzet van Politie of de Officier van Justitie, die door de nabestaanden vaak als zeer belastend wordt ervaren, worden voorkomen.
    Meer informatie hierover:
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Het zgn. onverklaard overlijden

    Nederland kent geen wettelijk voorschrift om bij een natuurlijk overlijden de doodsoorzaak door een sectie (obductie) vast te stellen (gebrek aan obductie-capaciteit, respect voor privacy). Dit berust op de bepalingen in artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). Hierop zijn wel uitzonderingen mogelijk, die in nationale wetgeving kunnen worden vastgelegd, en die staan omschreven in het tweede lid van artikel 8 van het EVRM. Voorbeelden van die uitzonderingen zijn de bepalingen in artikel 73 van de Wet op de lijkbezorging. Bij een natuurlijke dood is opheldering van de doodsoorzaak altijd afhankelijk van de toestemming van de nabestaanden, die (soms) ook de kosten hiervan moeten betalen. Alleen in grotere ziekenhuizen met eigen (vaak meerdere) pathologen en sectie-faciliteiten neemt het ziekenhuis, als het overlijden daar plaatsvond, de kosten van een obductie, zonder kosten voor de nabestaanden, over. In academische ziekenhuizen maakt het verrichten van obducties onderdeel uit van de opleiding tot patholoog.
    Speculaties en allerlei wilde veronderstellingen ('tunnelvisies') over de doodsoorzaak hebben geleid tot een beruchte gerechtelijke dwaling die in 2010 werd rechtgezet in een uitspraak van het Gerechtshof in Arnhem. Sindsdien is de discussie over het zgn. 'onverklaard overlijden' weer grotendeels verstomd. Op grond van de veelbesproken NODO-wetgeving ontstond - en dat was een vaak vookomend en zeer hardnekkig misverstand - géén wettelijke verplichting tot obductie. De wetgever had aangegeven dat de kosten hiervan door de rijksoverheid, gedragen moesten worden. Of dat ook gold voor in het buitenland overleden kinderen was niet duidelijk. Aanvankelijk was het, volgens een op het internet gepubliceerde werkwijze, nog niet duidelijk aan welke criteria een natuurlijk overlijden bij minderjarigen moest voldoen vóórdat het als 'onverklaard overlijden' bestempeld kon/moest worden. De criteria voor het begrip ‘onverklaard overlijden’ werden volgens een mededeling op het internet op 27 augustus 2012 later vastgesteld. Het bleek te moeten gaan over niet alleen een 'onverklaard' maar ook om een 'onverwacht' overlijden bij minderjarigen. Van een significante stijging van het aantal niet-natuurlijke doden als gevolg van kindermishandeling bleek, ná de invoering in 2010 van de plicht tot overleg voor artsen bij elk overlijden, geen enkele sprake te zijn. Zes jaar na de wijzigingen van de Wet op de lijkbezorging blijkt het Forensisch Medisch Genootschap (FMG) echter (nog steeds) niet in staat te zijn om openbaar toegankelijke cijfers te produceren over het aantal meldingen van het zgn. 'onverklaard overlijden' bij minderjarigen in de jaren 2011 t/m 2016 waarbij na overlijden overleg werd gevoerd met de behandelend arts.
    Na een jarenlange gestage daling steeg in 2012 het (totaal) aantal niet-natuurlijke doden van 0 t/m 19 jaar van 171 naar 179. In 2013 was dit aantal 175.
    Door een vliegtuigramp in 2014 steeg dit aantal naar 224....
    In 2015 was dit aantal 162 en in 2016 daalde dit naar 146.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Orgaandonatie of ontleding

    In geval van vragen hierover is het van belang om eerst de mogelijkheden te overwegen.
    Zie hiervoor: Iemand die zich laat registreren als donor, stelt zijn lichaam niet ter beschikking van de wetenschap. Wie z'n lichaam schenkt aan de wetenschap, schenkt z'n hele lichaam na overlijden aan het anatomisch instituut van een universiteit. Opgemerkt dient te worden dat in het geval van (of een vermoeden van) niet-natuurlijk overlijden de Officier van Justitie dient te beslissen over de 'vrijgave' van het stoffelijk overschot.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Overlijden in buitenland

    Hierover bereiken ons regelmatig vragen. Van belang hierbij is de buitenlandse wetgeving, die soms op onderdelen nogal kan verschillen van de Nederlandse regelgeving.
    Meer informatie hierover: Balseming lichaam - ontheffing
    Het balsemen (conserveren van een lichaam voor een bepaalde of voor onbepaalde tijd) van overledenen was tot 1 januari 2010 verboden. In uitzonderlijke gevallen kon (en dat kan nog) van dit verbod ontheffing aangevraagd worden bij de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). De informatie die hierover door de overheid werd verstrekt is inmiddels van het web verwijderd.
    (www.overheidsloket.overheid.nl/index.php?p=product&product_id=308)

    Ontheffing bestond altijd al voor de leden van het Koninklijk Huis (de Wet op de lijkbezorging is volgens artikel 87 op hen niet van toepassing).
    In Nederland is thanatopraxie middels een wijziging van de wet op de lijkbezorging mogelijk geworden. Het is toegestaan om een lijk voor ten hoogste 10 dagen te conserveren volgens artikel 71.4 van de Wet op de lijkbezorging..

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Overlijden na medisch handelen

    Indien een patiënt overlijdt ten gevolge van een medische fout of misser volgt geen enkel nader onderzoek indien de 'behandelend arts' (die hiervan kennis draagt) de nabestaanden weet te overtuigen dat er sprake is van een 'natuurlijk overlijden' ten gevolge van ziekte.
    Medisch handelen leidt uiterst zelden tot strafbaar handelen, maar kan wel degelijk leiden tot een 'niet-natuurlijk' overlijden.
    Meer informatie hierover: Indien de medische exceptie (gevolg van poging om 'ziekte' te genezen) van toepassing is zal het overlijden in juridische zin opgevat en gekwalifieerd worden, net als bij euthanasie (zie hieronder), als een 'natuurlijk' overlijden.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Euthanasie of hulp bij zelfdoding

    Hierbij is in juridische zin sprake van een niet-natuurlijk overlijden waarvoor een speciaal voorgeschreven wettelijke procedure moet worden gevolgd. Informatie over de gang van zaken hebben we geplaatst op: Het overlijden wordt echter in de jaarlijkse rapportage van het CBS opgevat alsof het een 'natuurlijk' overlijden betreft....

    Ongevallen en gevolgen

    Bij alle dodelijke ongevallen is er per definitie sprake van een niet-natuurlijke dood. De behandelend arts van de overledene mag - indien ingeschakeld - niet overgaan tot de afgifte van een verklaring van overlijden. Bij elk overlijden als gevolg van een ongeval dient in principe nader politieonderzoek plaats te vinden ter opheldering van de toedracht. Ook als het ongeval zonder betrokkenheid van derden heeft plaatsgevonden (val van trap of ladder, éénzijdig verkeersongeval, verdrinking, verstikking na aspiratie, etc.). Meer informatie: Ook bij 'late gevolgen' van een ongeval is sprake van een niet-natuurlijke dood. Helaas blijken veel artsen, en soms zelfs forensisch (werkzame) artsen, dit niet volledig te beseffen. Te vaak wordt abusievelijk gedacht dat alleen de 'strafvorderlijke relevantie' zou bepalen of er sprake is van een niet-natuurlijke dood. Ook de late gevolgen (> 1 jaar) van ongevallen of dodelijk verlopende complicaties van de behandeling leiden tot een niet-natuurlijke dood (ICD-10 codes: Y85-Y89).
    Maatgevend is de 'externe factor' zonder welke het overlijden niet of niet op dat moment zou zijn opgetreden. Het bij dit soort overlijdensgevallen, zonder na te denken, inschakelen van geuniformeerde opsporingsambtenaren moet als uiterst ongewenst c.q. disproportioneel machtsvertoon te worden gekenschetst. De verstandige dienstdoend forensisch arts zal dit inzien en zich beperken tot een (toelichtend) telefonisch overleg met de Officier van Justitie.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Zelfdoding

    Ook hierbij is sprake van een niet-natuurlijk overlijden en dient de politie te worden ingeschakeld. Ook als de zelfdoding het gevolg is van een psychiatrische stoornis. Ongeveer de helft van het jaarlijkse aantal suïcides wordt gepleegd door patiënten van de GGZ. De behandelend arts of psychiater mag geen verklaring van overlijden afgeven. Het onderzoek zal zich meestal beperken tot het uitsluiten van betrokkenheid van derden (uiterst zeldzaam). In de openbare media wordt hier weinig aandacht aan besteed (vrees voor 'copy-cat'-gedrag) en richt zich meestal op de gevolgen en niet op de oorzaken. Aangezien zelfdoding nu eenmaal niet als misdrijf kan worden vervolgd zal de Officier van Justitie het stoffelijk overschot meteen vrijgeven. De aard van het overlijden is niet-natuurlijk en de doodsoorzaak is duidelijk. Enig onderzoek naar de omstandigheden die tot de kennelijke wanhoopsdaad hebben geleid blijft meestal geheel achterwege met de motivering dat de nabestaanden onnodig belast zouden worden door nader onderzoek. De Minister van VenJ hierover op 2 september 2015 in de Tweede Kamer:
    "Dan het punt van de zelfmoord. Ik heb heel lang gedaan over de brief over forensische geneeskunde. Ik hecht eraan om daarover een paar opmerkingen te maken. (...) Ik heb op dat punt een aantal dingen uitgezet. Een van die zaken is een onderzoek dat het NFI samen met het WODC gaat doen, zo zeg ik uit mijn hoofd. Dit staat in de brief die ik daarover gestuurd heb, waarin ook het aspect van de zelfmoord wordt bekeken. (...) Er zijn twee kwesties. Er is de zelfmoord die samenhangt met strafrechtelijke indicaties en er is de zelfmoord waarbij geen strafrechtelijke indicaties zijn, maar alleen geneeskundige. Daarover voer ik overleg met mijn collega van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, want dat is haar portefeuille. Zo is de opmerking ook bedoeld: het is niet aan mij om daarover een oordeel te geven in mijn capaciteit als minister van Veiligheid en Justitie. Ik realiseer mij heel goed dat op dit punt zo veel vragen leven, ook bij mij in het verleden, dat ik probeer om tot kwaliteitsverbetering te komen. Dat heeft de Kamer in de brief kunnen lezen. Op de vraag of we misdrijven missen door de manier waarop we het nu geregeld hebben en, veel belangrijker, hoe het kan dat het aantal secties, gerechtelijk of niet-gerechtelijk, enorm terugloopt in vergelijking met andere landen, hebben we gewoon nog geen antwoord. Dat antwoord komt dankzij het onderzoek dat zal gaan lopen."
    Bron:
    Tweede Kamer, 107e vergadering van woensdag 2 september 2015 Merk nogmaals op:
    Deze sterfgevallen worden altijd (!) opgevat als niet-natuurlijk overlijden. Nader onderzoek naar de oorzaak blijft gewoonlijk achterwege. Deze gevallen vielen dientengevolge ook buiten de NODO-procedure die op 1 januari 2014 werd gestopt.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Moord en doodslag

    Daarbij is het duidelijk dat nader politieonderzoek noodzakelijk is. De omgeving van het stoffelijk overschot zal onmiddellijk worden afgeschermd i.v.m. het sporenonderzoek. Duidelijk is dat een toevallig aanwezige of ingeschakelde arts geen verklaring van overlijden mag afgeven. De aangetroffen omstandigheden mogen niet veranderd worden. Hierover blijken nogal eens misverstanden te ontstaan. Van een arts, en dit geldt ook voor de forensisch arts, wordt niet verwacht dat hij/zij op eigen gelegenheid en initiatief een soort 'opsporingsonderzoekje' gaat starten ("U bent geen Sherlock Holmes of Oberinspektor Derrick"). Helaas blijken ook een aantal forensisch artsen misschien wat te veel en te vaak naar de Britse tv-serie "Silent Witness" te hebben gekeken en te denken dat ze in de Nederlandse verhoudingen plotseling als 'Coroner' of zelfs als 'Home Office Pathologist' moeten gaan optreden of plotseling als acteur of actrice in een populaire amerikaanse televisieserie verzeild zijn geraakt met de meest wilde voorstellingen en speculaties over toedrachten, intriges en complotten. Vergelijkingen van de diverse amerikaanse CSI (Crime Scene Investigation) televisieseries met de Nederlandse situatie, waar het (straf)rechtssysteem totaal verschillend en fundamenteel anders functioneert, missen elke grond van realiteitszin. De meest basale juridische achtergrondkennis van het Nederlandse (straf)rechtsysteem en andere relevante wetgeving is bij veel forenisch (werkzame) artsen in Nederland helaas volstrekt onvoldoende om zich als gerechtelijk deskundige te profileren. Illustratief hiervoor is de in juni 2010 verschenen uiterst merkwaardige toelichting bij de richtlijn DNA-afname van nota bene het Forenisch Medisch Genootschap. De forensisch arts in Nederland is niet een soort zelfbenoemde 'CSI-dokter.nl' en is geen (buitengewoon) opsporingsambtenaar in dienst van politie of justitie. In de functie als gemeentelijk lijkschouwer 'acteert' de forensisch (werkzame) arts in Nederland alleen in het kader van de Wet op de lijkbezorging en niet als 'buitengewoon' opsporingsambtenaar volgens het Wetboek van Strafvordering. Het enige 'instrument' waarover de gemeentelijk lijkschouwer beschikt is de zgn. artikel 10 verklaring. Een bepaling in de wet dat de Officier van Justitie verplicht zou zou zijn om een (on)gevraagd advies van de forensisch (werkzame) arts op te volgen kent Nederland niet.
    Niet alle forensisch (werkzame) artsen blijken dit te beseffen en merkwaardig genoeg blijken hierover soms nogal vreemde opvattingen te bestaan: In situaties met een evident niet-natuurlijk overlijden speelt de forensisch arts als gemeentelijk lijkschouwer in de Nederlandse situatie een uiterst marginale rol. Met de vaststelling dat er evident sprake is van een niet-natuurlijk overlijden is de taak van de gemeentelijk lijkschouwer ten einde. De lijkschouw en het vaststellen van de precieze doodsoorzaak zal in dit soort situaties (i.v.m. de causaliteit) altijd dienen te worden verricht door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) in Den Haag via een gerechtelijke obductie. Het belemmeren, verstoren of frustreren van een politieonderzoek, een gerechtelijk vooronderzoek en ook een wettelijk voorgeschreven lijkschouw geldt overigens als een strafbaar feit:

    Samenvattend:

    Indien het duidelijk is dat er sprake moet zijn van een niet-natuurlijke dood, een ernstig vermoeden van een niet-natuurlijke dood, twijfel aan een natuurlijke dood of twijfel aan een niet-natuurlijke dood mag een arts geen verklaring van overlijden afgeven en dient onverwijld de gemeentelijk lijkschouwer te worden ingeschakeld of de Politie te worden gealarmeerd die op haar beurt de gemeentelijk lijkschouwer (forensisch arts) zal inschakelen.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Overlijden van minderjarigen - de NODO-procedure

    Om de behandelrelatie met het gezin niet op het spel te hoeven zetten bleek bij onderzoek onder huisartsen in 1996 dat een aantal van hen tegen beter weten (!!) in bij gevallen van een vermoeden van niet-natuurlijke dood toch een A-verklaring van natuurlijke dood af zou geven. Hierdoor bleef inschakeling van de gemeentelijk lijkschouwer achterwege. Op grond van statistische extrapolatie kwamen de auteurs tot de discutable schatting dat in 1996 in Nederland 40 kinderen van 0-18 jaar overleden zouden zijn door mishandeling. (Bron: Kuyvenhoven et al. Ned Tijdschr Geneesk 1998;142:2515-8.)

    Om deze reden werd bij de NODO-procedure bij gevallen van onverklaard overlijden de huisarts of kinderarts volledig buitenspel gezet met wettelijke dwang om inzage in de dossiers te verstrekken. Daarmee werd ook het "medisch beroepsgeheim" volledig ter zijde geschoven. Weigering om inzage in het medisch dossier (en andere dossiers) te verschaffen betekent 'belemmeren van de lijkschouw' en is volgens art. 80 van de Wet op de lijkbezorging strafbaar gesteld met een gevangenisstraf van drie maanden. De NODO-procedure gold alleen bij overlijden van levendgeborenen na 28 dagen, en bij overlijden buiten het ziekenhuis, en was niet van toepassing bij doodgeboorte.
    Tot 29 mei 2010 had ook de Inspecteur van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid geen recht op inzage van het medisch dossier zonder toestemming van de patiënt of nabestaanden. Indien er aanwijzingen zijn voor een niet-natuurlijke dood (ook bij twijfel aan een natuurlijke dood) diende de NODO-procedure niet te worden opgestart of te worden gestaakt en werd de Officier van Justitie op de hoogte gesteld door de zgn. NODO-forensisch arts. De gemeentelijk lijkschouwer is, en ook de zgn. NODO-forensisch arts was, niet in dienst van politie of justitie en heeft uitsluitend een signalerende functie en is niet bij het nader onderzoek betrokken. De Officier van Justitie krijgt in dat geval verder de regie in handen over (eventueel) nader strafrechtelijk (justitieel) onderzoek. Bij de beantwoording van Kamervragen op 8 maart 2011 werd de plicht tot overleg nog eens uitvoerig uitgelegd door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Van enige meerwaarde van de plicht tot overleg met een forensisch (werkzame) arts bleek nauwelijks sprake te zijn. Drie maanden na invoering van de wet verschenen de eerste kritische Kamervragen. Vier jaar na de invoering van de plicht tot overleg bij overlijden van minderjarigen op 1 januari 2010 bleek de NODO-procedure, die op 1 oktober 2012 in werking was getreden, te stranden in een compleet fiasco.

    De evaluatie van de NODO-procedure werd door de Staatssecretaris van VWS op 16 december 2013 bekend gemaakt. De deelnemende organisaties hadden naar aanleiding van de opgedane ervaringen en de uitkomsten van de evaluatie aangegeven om per 1 januari 2014 te stoppen met de uitvoering van de NODO-procedure in de huidige vorm.

    Of ná 1 januari 2014 de NODO-procedure in enigerlei vorm nog zou voortbestaan leek af te hangen van het Ministerie van VWS, dat zich lang volledig afzijdig had gehouden.
    Uit het antwoord op Kamervragen van 11 maart 2014:
    "De sector is zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van zorg. Om de kwaliteit van zorg te verbeteren zijn andere instrumenten voorhanden, zoals de aanbevelingen van het Kwaliteitsinstituut. Daarnaast speelt de IGZ een rol bij het handhaven van de kwaliteit." De Minister van VWS op 12 maart 2015:
    "Volgens het Ministerie van Veiligheid en Justitie is het niet mogelijk om een schatting te geven hoeveel kinderen overlijden ten gevolgen van mishandeling. Uit de evaluatie van de NODO-procedure bleek overigens dat in geen van de gevallen waarvan de doodsoorzaak onbekend was, mishandeling oorzaak van het overlijden was. Het lijkt er dan ook op dat de kans dat mogelijke gevallen van fatale kindermishandeling binnen de reguliere procedures niet over het hoofd gezien worden. Op basis van ontbreken van betrouwbare gegevens kan ik niet aangeven of er sprake is van een verbetering."

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Overlijden in detentie

    Hiervoor geldt een speciale procedure. In Nederland overleden in 2010 volgens het ministerie van Justitie en Veiligheid 32 gedetineerden. Maar mogelijk ligt dat aantal hoger. Gedetineerden die ernstig ziek vanuit een huis van bewaring of gevangenis naar een ziekenhuis worden gebracht en daar overlijden blijken door justitie niet te worden meegeteld in de overzichten. Volgens Justitie zijn ze in die gevallen niet overleden in een penitentiaire inrichting. Bij de beantwoording van Kamervragen op 24 mei 2011 n.a.v. de bovenstaande radio-uitzending wees de staatssecretaris opnieuw naar de bovenvermelde richtlijn.
    Het is de taak van elke forensisch (werkzame) arts om er daadwerkelijk op toe te zien dat altijd nader onderzoek plaatsvindt. Ook als dit 'onaangename' consequenties heeft. Wellicht ten overvloede wijzen we er op dat het 'vaststellen van een natuurlijke dood' zonder nader onderzoek (dus inclusief sectie) in feite een contradictio in terminis is. Als een familielid van uzelf in detentie overlijdt zou u ook willen dat een volledig postmortaal onderzoek plaats zou vinden. Dus niet alleen een 'uitwendige schouw' met een simpele verklaring van overlijden. De discussie speelt al langer:
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Informatieverstrekking aan nabestaanden

    Indien er sprake is van natuurlijk overlijden kunnen door de arts, naar eigen oordeel en zonder enige bemoeienis van Politie of Justitie, inlichtingen worden verstrekt aan de nabestaanden. Sinds 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer.

    Bij een niet-natuurlijk overlijden zal de lijkschouw zijn verricht door de gemeentelijk lijkschouwer, die de Officier van Justitie inlichtingen verschaft over de bevindingen zodat deze een besluit kan nemen over nader onderzoek.
    Als er sprake is van nader justitieel of strafrechtelijk onderzoek mogen door de gemeentelijk lijkschouwer geen mededelingen, dan met toestemming van de Officier van Justitie, worden gedaan aan derden (ook niet aan al of niet behandelend artsen).

    Als de gemeentelijk lijkschouwer een A-verklaring van natuurlijk overlijden afgeeft volgt er (per definitie) geen nader justitieel onderzoek en kan de Offcier van Justitie geen bezwaar maken tegen het geven van informatie voor zover dit niet in strijd is met het medisch beroepsgeheim (dat zich ook uitstrekt over het overlijden heen) of 'kennelijke' belangen van de overledene. Formeel gesproken zou de overledene toestemming moeten geven voor het verstrekken van nadere informatie die is verkregen door (ongevraagd) medisch-forensisch onderzoek aan zijn/haar lichaam. Uiteraard behoort het tot de taak van de forensisch arts, in het geval hij/zij vaststelt dat geen aanwijzingen aanwezig zijn voor een niet-natuurlijk overlijden, en een A-verklaring afgeeft, om dan ook de nabestaanden en de behandelend arts hierover te informeren. Bij een natuurlijk overlijden blijven Politie en Justitie volledig buiten beeld.
    Bij een natuurlijke dood is opheldering van de doodsoorzaak geen zaak voor de overheid maar altijd afhankelijk van de toestemming van de nabestaanden. Het verdient aanbeveling om de nabestaanden hierop te wijzen.

    De forensisch arts (als gemeentelijk lijkschouwer) adviseert alleen over nader onderzoek dat nog dient plaats te vinden n.a.v. van door hem/haar aangetroffen feiten en omstandigheden. Bij het nader onderzoek is de forensisch arts, die geen opsporingsbevoegdheden heeft, niet meer betrokken. Een bepaling in de wet dat de Officier van Justitie verplicht zou zou zijn om een (on)gevraagd advies van de forensisch (werkzame) arts op te volgen kent Nederland niet. De forensisch arts is ook als niet behandelend arts t.a.v. de overledene (als 'patiënt') onderworpen aan de richtlijnen voor artsen van de KNMG en de WGBO. Of en in welke omvang er nadere inlichtingen worden verstrekt blijft daarmee te allen tijde ter beoordeling van de forensische arts. Er is, behalve naar de Officier van Justitie, geen actieve 'informatie-plicht' voor de forensisch arts, en ook geen 'informatie-recht' van nabestaanden (of hun rechtsbijstandsverleners in aansprakelijkheidskwesties rondom het overlijden) of van artsen die de overledene bij leven hebben behandeld. Ook aan verzekeringsmaatschappijen worden door de forensisch arts geen inlichtingen verstrekt (zoals ook vastgelegd in de richtlijnen van de KNMG).


  • Terug naar inhoudsoverzicht


  • Tot slot:

    De informatie op deze webpagina wordt voortdurend aangepast en aangevuld naar aanleiding van opmerkingen, correcties, suggesties voor verbetering, etc.
    Als u ook een bijdrage wilt leveren of wat mist: laat het ons dan weten via


    forum@fomat.nl.


    Terug naar begin van deze pagina