Bron: Minsterie van Justitie

Rapport:

Medische Aspecten van het Vreemdelingenbeleid

Op 1 maart 2004 verscheen dit rapport van een Landelijke Commissie die werd ingesteld door het Ministerie van Justitie en het Ministerie van VWS. Naar de naam van de voorzitter van deze commissie staat dit rapport bekend als het ‘Rapport Smeets’. Deze commissie formuleerde voor beide ministeries een 14-tal aanbevelingen die we hieronder vermelden.

Het volledige en uiterst lezenswaardige rapport kunt u ook downloaden (opent nieuw venster).
(hiervoor hebt u de Acrobat reader nodig)

Rapport Medische Aspecten vreemdelingenbeleid (pdf file)

Aanbeveling 1

De commissie adviseert de ministers om steeds op basis van de individuele omstandigheden van een vreemdeling die medische gronden heeft aangevoerd, te beoordelen of zijn gezondheidstoestand reden moet zijn om hem in Nederland toe te laten dan wel niet uit te zetten. Bij deze beoordeling acht de commissie ten minste de volgende factoren van belang:

  • de aard van de ziekte
  • de ernst en het stadium van de ziekte
  • de prognose omtrent de ontwikkeling van de ziekte bij het ontbreken van medische behandeling, zorg en medicijnen
  • de oorzaak en het moment van ontstaan van de ziekte en de ontstaanscontext
  • de mogelijkheid van een medische behandeling in het land van herkomst
  • de feitelijke toegankelijkheid van de benodigde medische behandeling, medische zorg en medicijnen voor de betrokken vreemdeling
  • de aanwezigheid van familieleden als sociaal en medisch vangnet in het land van herkomst
  • de duur van het verblijf in Nederland
  • de vraag of financiering aanwezig is (alleen voor de groep die om toelating vraagt met het oog op medische behandeling).

Aanbeveling 2

De commissie adviseert de ministers om de zieke vreemdeling van overheidswege een medische behandeling te bieden en hem gedurende de behandeling niet uit te zetten, indien de medische problemen zijn ontstaan of verergerd onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse overheid. Te denken valt hierbij aan gezondheidsproblemen als gevolg van een langdurige asielprocedure, en de omstandigheden in detentie of de opvangsituatie.

Aanbeveling 3

Discriminatoire uitsluiting van de betrokken vreemdeling van medische zorg in zijn land van herkomst waardoor ernstige medische consequenties voor hem ontstaan, acht de commissie een zwaarwegende factor om verantwoordelijkheid van Nederland voor hem te bepleiten. Het kan grond zijn voor vluchtelingschap maar ook om andere reden aanleiding vormen voor verblijfsverlening aan of niet-uitzetting van de betrokken vreemdeling. De commissie adviseert de ministers in deze gevallen een verblijfsvergunning te verlenen.

Aanbeveling 4

De commissie adviseert de ministers in de gevallen waarin uitzetting wegens de medische omstandigheden van de betrokken vreemdeling moet worden aangemerkt als een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM, het toekennen van een verblijfsvergunning als enige optie te zien.

Aanbeveling 5

De commissie adviseert de ministers om in de medische beoordeling bij een reisadvies alleen de gevaren van het reizen te betrekken. In deze situaties kan derhalve beter worden gesproken van een reisverbod op medische gronden dan van een medische noodsituatie.

Aanbeveling 6

De commissie adviseert de ministers medische informatie in het kader van de asielprocedure niet langer uit te sluiten of als irrelevant af te doen. Medisch onderzoek is in elk geval aangewezen als er relevante medische gegevens zijn die mogelijk duiden op ondergane marteling.
Verder adviseert de commissie steeds medisch onderzoek te verrichten zodra er aanwijzingen zijn van een traumatische ervaring of zodra een asielzoeker om dat onderzoek verzoekt, tenzij volgens de minister dat verzoek op geen enkele manier wordt gesubstantieerd.

Aanbeveling 7

Als de medische situatie van de asielzoeker relevant is voor de beoordeling van het asielverzoek of als daar twijfel over bestaat, leent het asielverzoek zich niet voor afwijzing in de AC(=aanmeldcentrum)-procedure.

Aanbeveling 8

De commissie acht de schijn van belangenverstrengeling tussen het BMA en de IND, en dus de huidige inbedding van het BMA binnen de IND onwenselijk. Het BMA zou ook in organisatorische zin een onafhankelijker positie tegenover de IND en het ministerie van Justitie moeten innemen.

Aanbeveling 9

De commissie adviseert de ministers er zorg voor te dragen dat, in gevallen waar het BMA voornemens is af te wijken van de opvattingen van de hulpverleners die met toestemming van de asielzoeker medische informatie over diens situatie hebben verstrekt, de arts van het BMA betrokkene zelf onderzoekt of doet onderzoeken. Het ‘zelf zien’ is eveneens aangewezen wanneer aan het BMA door de behandelaar geen informatie is verstrekt.

Aanbeveling 10

De commissie is van oordeel dat aan artsen niet mag worden gevraagd een finaal oordeel te vellen over de aanwezigheid en feitelijke toegankelijkheid van medische behandeling in het land van herkomst in een individueel geval. Voor het beantwoorden van deze vraag kan Justitie zich baseren op rapporten van de Wereld Gezondheidsorganisatie, ambtsberichten van het ministerie van Buitenlandse Zaken of algemene door het BMA verzamelde landeninformatie. In gevallen van serieuze twijfel over de mogelijkheden van behandeling in het land van herkomst verdient het aanbeveling dat Nederland zich ervan vergewist dat aan de betrokken persoon de noodzakelijke zorg zal worden verleend.

Aanbeveling 11

De commissie adviseert de ministers expliciet de verantwoordelijkheid te erkennen voor de gezondheidszorg van een ieder die op Nederlands grondgebied verblijft. Aan een ieder die op Nederlands grondgebied verblijft, dient de overheid het recht op noodzakelijke zorg te blijven garanderen, waarbij de medische professie het primaat houdt op indicatiestelling. Wel verdient het aanbeveling de toegankelijkheid tot noodzakelijke zorg voor zowel onverzekerde vreemdelingen als onverzekerde Nederlanders de komende jaren te monitoren.

Aanbeveling 12

De commissie adviseert de ministers expliciet te erkennen dat, indien Nederland in meer dan incidentele gevallen op goede gronden overgaat tot uitzetting van zieke vreemdelingen naar bepaalde landen van herkomst, een morele verantwoordelijkheid van Nederland bestaat zich ervan te vergewissen of er voor betrokkene adequate gezondheidszorg aldaar voorhanden en toegankelijk is. Indien het hier gaat om ontwikkelingslanden waar dat niet of in onvoldoende mate het geval is, beveelt de commissie aan te bezien of Nederland via ontwikkelingssamenwerkingsprogramma’s een bijdrage aan de verlening van die zorg kan leveren.

Aanbeveling 13

De commissie adviseert de ministers niet over te gaan tot een verplichte hiv-screening.

Aanbeveling 14

De commissie adviseert de ministers zorg te dragen voor een betere registratie van de beleidsrelevante gegevens, zodanig dat deze gegevens op een betrouwbare manier worden verzameld, opgeslagen en toegankelijk gemaakt.




Terug naar begin van deze pagina
Terug naar vorige pagina