Bron: Website van Openbaar Ministerie

Het complete rapport kunt u downloaden via onderstaande link (opent in nieuw venster):

Samenvatting rapport ‘Versterking van opsporing en vervolging’

Den Haag, 10 november 2005

Het openbaar ministerie, politie en NFI hebben een verbeterprogramma opgesteld naar aanleiding van het evaluatierapport van de Schiedammer Parkmoord. In het programma ‘Versterking van opsporing en vervolging’ staat de doorlopende bevordering van de professionaliteit van het optreden van politie en OM in strafzaken centraal. Het programma richt zich primair op de kwaliteit van de waarheidsvinding in het proces van opsporing en vervolging.

In negen clusters is aangegeven welke verbeteringen bij OM, politie en NFI moeten worden doorgevoerd om de kwaliteit van het opsporingsonderzoek te verbeteren. Hieronder staan per cluster de belangrijkste bevindingen én verbeterpunten op een rij.

Gezag over de opsporing
Het openbaar ministerie heeft het gezag over de opsporing. De magistratelijke rol van de officier is van groot belang, er dient sprake te zijn van een ‘betrokken distantie’ van de officier ten opzichte van het onderzoek. De officier vormt het juridisch geweten van het opsporingsteam: de officier zal zijn beslissingen steeds moeten nemen tegen de achtergrond van recht en rechtmatigheid. De strategische beslissingen van de officier vormen steeds de kaders waarbinnen de politie verantwoordelijk is voor de uitvoering.

·  Er dient wederzijds duidelijkheid te bestaan over de rollen van OM en politie. Strategische keuzes en beslissingen en strafvorderlijke beslissingen zijn het domein van het OM, de politie is primair verantwoordelijk voor de wijze van uitvoering.

·  Op basis van bindende afspraken tussen OM en politie zullen algemene kwaliteitseisen worden gesteld aan de uitvoering van opsporingsonderzoeken.

Tegenspraak en review
Tegenspraak is het intern georganiseerd doorlopend toetsen van beslissingen op een gestructureerde wijze door niet bij onderzoek betrokken medewerkers. Het kan in bijzondere gevallen noodzakelijk zijn om tot een review of herbeoordeling over te gaan door een gezamenlijk team van politie en OM van buiten het regiokorps en parket.

·  Tegenspraak dient te worden ingezet bij zware misdrijven die grote maatschappelijke beroering met zich brengen, zoals voltooide opzettelijke levensdelicten en zeer ernstige zedendelicten. Tegenspraak vindt niet plaats indien ondubbelzinnig daderschap kan worden vastgesteld waarbij kritisch moet worden omgegaan met het begrip ‘bekentenis’.

·  Tegenspraak is facultatief in bijzonder moeilijke zaken die grote maatschappelijke commotie teweeg hebben gebracht of zaken met een politiek of juridisch afbreukrisico waardoor uitzonderlijke inzet en aandacht noodzakelijk wordt geacht.

·  Met ingang van januari 2006 zal op de parketten en bij de politie een basale vorm van tegenspraak zijn georganiseerd. Om capacitaire redenen zal met een beperkt aantal zaken worden begonnen.

·  Een review kan worden gehouden als een onderzoek is vastgelopen. Voor de benodigde systematiek kan goed worden aangesloten bij het Stappenplan van het Landelijk Team Kindermoorden.

·  Hoe en wanneer tegenspraak en/of review zal moeten worden georganiseerd zal worden vastgelegd in een aanwijzing van het College. 

·  Er zal een landelijke pool gevormd worden van gecertificeerde medewerkers van politie en OM. De lokale pool die zich met tegenspraak zal bezighouden is in principe ook beschikbaar voor de – externe – reviews.

Team Grootschalige Opsporing
In 2004 is het raamwerk TGO vastgesteld als leidraad binnen politie en OM voor zware en complexe rechercheonderzoeken. Het raamwerk TGO bevat standaarden voor samenstelling van het team, certificering, werkwijzen en kwaliteitseisen. Het raamwerk TGO komt op vele punten tegemoet aan de aanbevelingen van het evaluatieonderzoek van de Schiedammer Parkmoord.

·  Het huidige TGO raamwerk zal worden bijgesteld en aangescherpt. De definitie voor een TGO-waardig onderzoek wordt gelijk aan de definitie die voor het inrichten van tegenspraak wordt gehanteerd.

·  TGO-officieren van justitie hebben minimaal vier jaar ervaring als officier en twee jaar in het meedraaien in grote rechercheonderzoeken.

·  Aan de vaste kern van leidinggevenden van een TGO wordt een informatiecoördinator en een forensisch coördinator toegevoegd.

·  Om de beschikking te hebben over voldoende gekwalificeerde medewerkers moet ieder korps per 1000 fte minimaal vijf verhoorders op het hoogste niveau opleiden. Ook zullen per 1000 fte vijf medewerkers moeten worden opgeleid tot gekwalificeerd dossiermaker.

·  Brondata in onderzoeken zullen continue via een geautomatiseerd systeem toegankelijk worden gemaakt om te voorkomen dat besluitvorming alleen op bewerkte en geselecteerde informatie zal zijn gebaseerd.

·  Alle opdrachten die in het team worden gegeven moeten ‘realtime’ gevolgd kunnen worden. Aan elk TGO wordt een ervaren, gecertificeerde dossiermaker gekoppeld. De zaaksofficier heeft regulier overleg met teamleider en dossiermaker.

·  Voor juni 2006 wordt in alle korpsen het standaardverhoorplan ingevoerd. Ieder korps zal dan beschikken over een verhoorprotocol waarin de wijze van voorbereiden van verhoor alsmede de wijze van begeleiding van verhoor is beschreven.

Forensische opsporing
In het evaluatierapport wordt ingegaan op de noodzaak van eenheid in terminologie bij het forensisch technisch onderzoek in zware zaken. Voortaan zal worden gesproken over forensische opsporing, waarbinnen zowel forensisch technisch onderzoek als forensisch informatieonderzoek plaatsvindt.

·  De afgelopen jaren zijn al vele forensisch-technische normen ontwikkeld, bijvoorbeeld op het gebied van het veiligstellen van sporen. Er komt een verbeterde procedure voor het ontwikkelen en valideren van deze normen.

·  Aan grote onderzoeken zal zowel een forensisch coördinator als een vaste sporencoördinator worden verbonden.

·  Er wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten ‘Plaats Delict’ (standaard-PD, maatwerk-PD en maatwerk-plus-PD) waar door specialisten met verschillende opleiding en ervaring zal worden opgetreden.

·  Er zullen zes gemeenschappelijke frontoffices van en voor politie en NFI worden gevormd om de ketensamenwerking te optimaliseren. Deze zogenoemde FSO’s (Forensische Samenwerking in de Opsporing) zullen zich onder meer met de beoordeling en filtering van zaken bezighouden. Ook zullen zij als vraagbaak kunnen fungeren voor politie en OM.

·  Op alle parketten komt een goed opgeleide officier Forensische Opsporing. Deze zal op de parketten ook als tegenspreker kunnen fungeren waar het gaat om de betekenis van resultaten van technisch onderzoek.

·  Naar het voorbeeld van het Landelijk Rampen Identificatieteam (RIT) komt er een Landelijk Team Forensische Opsporing (LFTO) dat bijeenkomt als er sprake is van rampen en terreuracties.

·  Het NFI zal duidelijker gaan rapporteren opdat de rapportages goed kunnen worden begrepen door politie, OM, rechtspraak en advocatuur.

·  Alle uitslagen van technisch onderzoek zullen - ook als ze negatief of ontlastend zijn – in proces-verbaal of rapportvorm worden toegevoegd aan het dossier. Aan ontlastende uitslagen zal in het dossier expliciet aandacht worden besteed.

Audiovisuele en auditieve registratie van verhoren
Auditieve of audiovisuele registratie is in de eerste plaats een hulpmiddel ten behoeve van de toetsbaarheid van de verhoren in een latere fase van het strafproces. Daarnaast kan het van belang zijn in verband met de kwetsbaarheid van de verhoorde persoon.

·  Auditieve registratie wordt verplicht bij verhoren van verdachten van misdrijven met een strafbedreiging van twaalf jaar of meer, als er een dode of zwaargewonde is gevallen of als het gaat om een zedenmisdrijf met een strafbedreiging van acht jaar of meer.

·  Audiovisuele registratie wordt verplicht wanneer in bovenstaande gevallen de verdachte tussen de twaalf en de zestien jaar is of wanneer de verdachte zwakbegaafd is. Ook als het verhoor wordt aangestuurd door een deskundige van binnen of buiten de politie (bijvoorbeeld een forensisch technische deskundige) wordt het verhoor audiovisueel geregistreerd.

·  Het OM zal een nieuwe aanwijzing opstellen waarin de audiovisuele en auditieve registratie van verhoren is vastgelegd.

Competenties – opleidingen – certificering
Uit een inventarisatie die het Studiecentrum Rechtspleging (SSR), verantwoordelijk voor cursussen aan rechters en officieren, naar aanleiding van het evaluatierapport van de Schiedammer Parkmoord heeft gehouden, is naar voren gekomen dat op een aantal terreinen hiaten bestaan.

·  SSR zal elke cursus die in de inventarisatie wordt genoemd aan een revisie onderwerpen.

·  De cursussen ‘Magistratuur en Deskundigen’ en ‘Verdieping Magistratuur en Deskundigen’ zijn gericht op het vergroten van kennis van officier en rechter op het gebied van forensisch, tactisch recherchewerk en rol en positie van de deskundige in het strafrechtelijk onderzoek. Deze cursussen worden sinds 2004 gegeven.

·  Er zal een reader worden ontwikkeld over het fenomeen van de valse bekentenis.

·  In 2006 zullen diverse opleidingen voor officieren worden gerealiseerd gericht op het leidinggeven aan grote opsporingsonderzoeken en TGO’s.

Overdracht en samenhang 1e en 2e lijn vervolging
Het OM moet in eerste en in tweede lijn zoveel mogelijk als eenheid functioneren. Hoger beroep vereist een kritische houding, deze kritische houding kan pas betekenis krijgen wanneer de advocaat-generaal tijdig en volledig is geïnformeerd over de strafzaak in eerste aanleg. De wijze van samenwerking tussen de eerste en de tweede lijn is in convenanten vastgelegd.

·  Er wordt een tweede advocaat-generaal toegevoegd in zaken die een grote maatschappelijke beroering teweeg hebben gebracht en waarin de bewijsvoering in eerste aanleg voor de rechtsvorming en/of de publieke opinie van wezenlijk belang is.

·  Er wordt een tweede advocaat-generaal toegevoegd aan herzieningszaken na verwijzing door de Hoge Raad.

Deskundigenpool
Politie en OM zijn kennisintensieve organisaties. De medewerkers in de ‘frontlinie’ moeten worden ondersteund met informatie en de collectieve intelligentie van politie en OM moet vergroot.

·  Zowel de politie als het OM heeft de beschikking over een intranet. Als speerpunt geldt dat alle kennis inzake TGO-onderzoeken en standaarden betreffende Forensische Opsporing op korte termijn via de intranetten beschikbaar komt.

·  Voor grootschalige rechercheonderzoeken bestaat bij de Politieacademie sinds februari 2005 het project Landelijke Deskundigheidsmakelaardij (LDM). Via het LDM kunnen onderzoeksleiders in de opsporingsfase een beroep doen op (inter)nationale deskundigen, zowel wetenschappers als ervaringsdeskundigen op alle mogelijk relevante gebieden.

ICT

·  Binnen de politie wordt nu gewerkt aan één geautomatiseerd systeem voor de opsporing waarin zowel de (inter)nationale informatieuitwisseling als de kwalitatieve procesondersteuning wordt gegarandeerd.

·  Onderzocht wordt of het huidige digitale archief voor beeldinformatie van sporen een basis kan vormen voor een voorziening voor landelijke sporencoördinatie.


De voortgang:
Op 1 mei 2007 werd door de Minister van Justitie een voortgangsrapportage naar de Tweede Kamer gestuurd:


Terug naar begin van deze pagina