Uit: Justitiële verkenningen, jrg. 30, nr. 4, 2004, 72-83
(ook te raadplegen via wodc.nl)

 

Werkwijze bij het onderzoek op de Plaats Delict (PD)

A.G. van Amelsvoort, H. Groenendal en J. van Manen*

* De auteurs zijn respectievelijk kennismakelaar recherchekunde bij het Politie kennis Net van de Politieacademie, kennismakelaar recherchekunde bij het Politie kennis Net van de Politieacademie en hoofd technische recherche bij de regiopolitie Brabant-Noord.

Iedereen kent wel de tv-beelden die worden uitgezonden als er een ernstig misdrijf heeft plaats­gevonden. Gillende sirenes, veel politie, hulpverleners, camera’s enzovoort. In deze hectiek moet de politie haar taken vervullen: hulpverlening en opsporing. Op de plaats van het delict (PD) spitst de opsporingstaak zich toe op het zoeken naar sporen en het interpre­teren en veiligstellen daarvan. In heterdaad-situaties moeten tevens acties in gang worden gezet om de gevluchte dader(s) te kunnen aanhouden. In misdaadfilms is vaak te zien dat het óp de PD wemelt van geüniformeerde politie, rechercheurs, specialisten en gezagsdragers. De hoofdrolspeler staat centraal. Het levert spannende filmbeelden op, maar van kwalitatief hoogstaand recherchewerk is vaak geen sprake. In dit artikel wordt ingegaan op wat de recherche in werkelijkheid op de PD moet doen, met welke problemen zij te maken krijgt en welke gevolgen het handelen op de PD heeft voor het verdere opsporingsonderzoek en de bewijsvoering. Er wordt steeds uitgegaan van het ideale onderzoeksmodel, hoewel wij ons ervan bewust zijn dat dat model in de praktijk niet altijd wordt gevolgd. De belangrijkste oorzaken hiervan zijn beleidskeuzes, economische belangen en menselijke fouten. Zo wordt in een groot aantal veelvoorkomende misdrijven geen of slechts een beperkt PD-onder-zoek ingesteld, waarbij dus wordt geaccepteerd dat bij dat soort misdrijven niet alle sporen worden veiliggesteld.

Begripsomschrijvingen

Onder de PD wordt verstaan de plaats waar een (strafbaar) feit heeft plaatsgevonden of de dader (mogelijk) sporen heeft achtergelaten. Sporen zijn tekens aan de hand waarvan de toedracht van het gebeurde en/of de sporenveroorzaker kan worden vastgesteld. Sporen dienen ter opsporing en identificatie van personen (bijvoorbeeld DNA en vingerafdrukken) of voorwerpen (bijvoorbeeld werktuigen, wapens, schoeisel, voertuigen, digitale elektronica). Het sporenbeeld is het totale samenstel van sporen. Uit het sporenbeeld kan (deels) worden afgeleid wat zich op de PD heeft afgespeeld, de modus operandi (MO). Deze kennis is tijdens het opsporingsonderzoek van belang om te rechercheren binnen de juiste kringen van potentiële verdachten, maar vooral om de verklaringen van verdachten, getuigen en slachtoffers te toetsen, al of niet door middel van een fysieke reconstructie. Het forensisch-technisch PD-onderzoek omvat uitsluitend het op de PD zoeken naar en veiligstellen van sporen, alsmede het voorlopig interpreteren van het totale sporenbeeld. Alles wat er daarna met die sporen gebeurt, valt buiten het kader van het PD-optreden.

Functies en taken op de PD

De geüniformeerde politie arriveert doorgaans als eerste op de PD. Zij heeft als primaire taak om de eerste maatregelen te treffen qua hulpverlening, de nodige assistentie in te roepen, de PD te beheren (sporen beschermen en bewaken) en de omgeving van de PD te observeren op verdachte personen/voertuigen. In een later stadium kunnen ze worden ingezet om gericht te helpen zoeken naar getuigen of naar door de daders op de vluchtweg achtergelaten wapens, bivakmutsen enzovoort. De officier van dienst (OvD) heeft de operationele leiding over de dienstuitvoering van de politie. Bij ernstige delicten komt hij meestal ter plaatse. De OvD beslist over de voorlopige kwantitatieve en kwalitatieve inzet. Vaak wordt als eerste een forensisch-technisch onderzoeker ter plaatse geroepen. Hij adviseert de OvD of er een grootschalig PD-onderzoek moet volgen. Dit is niet altijd noodzakelijk, zoals in gevallen van duidelijke zelfdoding of situaties die zijn ontstaan door een ongeval of natuurlijke oorzaak.

Voorbeeld

Op een slaapkamer wordt in een plas bloed een lijk aangetroffen. Het slachtoffer ligt half onder het bed. De gedachte is al snel geboren dat er sprake is van een misdrijf. Een forensisch-technisch onderzoeker ziet aan de feiten en omstandigheden dat er waarschijnlijk sprake is van een maagbloeding (kleur bloed, bloedsporenpatroon, ‘hide and died’ verschijn­sel, enzovoort). In overleg met een arts kan de OvD worden geadviseerd om niet direct een grootschalig PD-optreden in gang te zetten.

Als er wel sprake is van een misdrijf wordt een leider plaats delict (LPD) ter plaatse gezonden. Hij heeft het politiële gezag op de PD. Hij bepaalt welke maatregelen genomen moeten worden, de grootte van de opschaling en de inzet van specialisten. Hij regisseert de uitvoering van alle opdrachten naar aard en prioriteit. Bij grootschalige PD-optredens wordt een PD-unit ingezet om het PD-onderzoek uit te voeren. Zo’n unit staat onder leiding van een coördinator (CDPU) en bestaat uit tactisch rechercheurs en forensisch-technisch onderzoe­kers. Met gebruikmaking van hun technische, tactische en gedragskundige kennis stelt men een hypothese op over het gebeurde en het motief van de dader(s). Is er sprake van roof, haat, afrekening, lustmoord, rituele moord enzovoort? Met die wetenschap kunnen rechercheurs die buiten de PD met het opsporingsonderzoek bezig zijn vast gaan rechercheren. De PD-unit bepaalt welke prioriteiten worden gesteld bij het forensisch-technisch onderzoek en stelt de volgorde vast.

In sommige situaties worden aan de PD-unit dieptespecialisten toegevoegd. Meestal hebben zij een wetenschappelijke achtergrond. De verantwoordelijkheid voor de wijze van uitvoering van het forensisch-technisch PD-onderzoek ligt bij de CDPU.

Bij ernstige delicten kan het voorkomen dat de officier van justitie als formeel leider van het opsporingsonderzoek op de PD verschijnt. Hij voert overleg met de LPD. Als er door rechthebbenden niet op vrijwillige basis aan het PD-optreden wordt meegewerkt, kan het noodzakelijk zijn dat de officier van justitie of rechter-commissaris zijn bevoegdheden gebruikt in het kader van een schouw of doorzoeking ter inbeslagneming.

Sporen

Hoe komen sporen tot stand? Deze wetenschap is nodig om waarde toe te kennen aan de resultaten van het forensisch-technisch PD-onderzoek. Sporen worden veroorzaakt door overdracht en hebben een directe of indirecte relatie met de donor. Voorbeelden van sporen die een directe relatie hebben met de donor zijn vingersporen, oor-sporen, gebitssporen, biologische sporen (onder andere DNA), hand-schriftsporen en spraak. Er is een groot verschil tussen de gebruiks waarde van deze sporen. Met name DNA- en vingersporen hebben naast een bewijswaarde ook groot nut voor de opsporing. Vingerafdrukken en DNA-profielen van daders zijn namelijk opgeslagen in databanken waarin gezocht kan worden. Voorbeelden van sporen die een indirecte relatie hebben met de donor zijn schoensporen, werktuigsporen, handschoensporen, bandensporen en sporen van digitale elektronica, zoals gsm’s, notebooks, PC’s, PDA’s enzovoort. Deze sporen zijn niet persoonsgebonden. Wordt bijvoorbeeld een schoenspoor op de PD aangetroffen, dan bestaat de mogelijkheid om dat spoor te herleiden naar de schoen die het spoor heeft veroorzaakt. Maar wie de schoen droeg ten tijde van het misdrijf is daarmee uiteraard nog niet vastgesteld. Veel voorwerpen die op de PD worden aangetroffen, kunnen op zichzelf als spoor worden beschouwd (bijvoorbeeld kogels, bloed, vezels, haren). Maar er zijn ook sporen die voorkomen in de verschijningsvorm van een indruk of afdruk. Voorbeelden van indruksporen zijn een voetindruk, bandspoor, krasspoor en moet. Voorbeelden van afdruksporen zijn een vingerafdruk en schoenafdruk. Daarnaast is een groot aantal sporen niet altijd met het blote oog waar te nemen (bijvoorbeeld DNA-sporen, vingerafdrukken, geursporen). Dit worden latente sporen genoemd. Het is duidelijk dat latente sporen de meeste kans lopen om weggemaakt of beschadigd te worden. Latente sporen worden zichtbaar gemaakt met optische en/of chemische middelen of poeders. Zo zal bij ernstige delicten de PD meestal worden onderzocht met licht van verschillende golflengtes. Door fluorescentie bijvoorbeeld, lichten bepaalde biologische sporen op, zoals sperma en speeksel. De aanwezigheid van die sporen is dan vastgesteld en de volgende stap is het veiligstellen van het spoor. Latente bloedsporen kunnen ook zichtbaar worden gemaakt met licht, nadat de PD met een chemische vloeistof is behandeld. Voor het zichtbaar maken van vingerafdrukken wordt gebruikgemaakt van kwastpoeders, magnetische poeders en/of chemische middelen. De ondergrond waarop het vingerspoor wordt vermoed, bepaalt de keuze van het in te zetten middel.

Voorbeeld

Op de PD wordt een document aangetroffen waarbij de mogelijkheid bestaat dat er vingerafdrukken van de dader op zitten. Normaliter worden documenten met een chemisch middel onderzocht omdat dit de beste resultaten geeft. Als het document niet mag worden aangetast door chemische middelen, wordt het onderzocht met een magnetisch poeder. Dit kan aan de orde zijn als het document kostbaar is of als de inzet van chemische middelen andere onderzoeksmogelijkheden frustreert (bijvoorbeeld inktonderzoek).

Het optreden op de PD

Een probleem dat zich bijna altijd voordoet, is dat niet bekend is wat er op de PD is veranderd in de periode na het plegen van het feit en de komst van de politie. In de tussentijd kunnen er allerlei invloeden hebben ingewerkt op de PD-situatie. Vaak zijn het onbeheersbare invloeden van buitenaf, zoals vergankelijkheid, handelingen van burgers, activiteiten van dieren en micro-organismen, weersomstandigheden enzovoort. Hoe langer de tijd tussen het delict en het PD-optreden, hoe meer ongewenste invloeden er kunnen zijn ontstaan. Veelal betreft het dan de aanwezigheid en/of kwaliteit van de sporen. Maar acties van mensen kunnen bovendien een totaal ander beeld van de situatie opleveren. Het kan er later toe leiden dat sporen worden veiliggesteld die niet in relatie staan met het feit en, nog erger, dat het opsporingsonderzoek volledig in de verkeerde richting wordt gestuurd. Voor de politie de taak om uit te zoeken wie zich in de tussentijd op de PD hebben begeven, deze personen te bevragen en hun verklaringen te toetsen aan de hand van het sporenbeeld en andere verklaringen. Als de betreffende personen niet kunnen worden opgespoord, kan het opsporingsonderzoek behoorlijk worden bemoeilijkt.

Voorbeeld

Een motorrijder ving via zijn scanner een politiebericht op, waarbij een surveillance-eenheid naar een bepaald bosperceel werd gedirigeerd, omdat iemand had gemeld dat daar een dode man lag. De motorrijder was niet ver uit de buurt en besloot om een kijkje te nemen. Tot zijn grote schrik stond hij plotseling met zijn motor naast het lijk. Andere personen waren niet (meer) op de PD aanwezig. Om moeilijkheden te voorkomen reed hij direct met grote snelheid weg, zo een prachtig rijspoor achterlatend. Toen de politie kort daarop arriveerde, was de suggestie snel gewekt dat een motorrijder bij het misdrijf betrokken was geweest. Resultaat: meters gipsafdrukken van motorbanden, herkomstonderzoek op type en merk motorbanden en een gericht tactisch onderzoek op groeperingen waar het motorrijden centraal stond. Dagen met speurwerk waren voorbijgegaan toen de motorrijder zich alsnog bij de politie meldde.

Voorbeeld

Een vrouw was neergeschoten, vervoerd naar het ziekenhuis en later aan de gevolgen van het schietincident overleden. Toen de politie arriveerde, werden make-upartikelen gevonden op de plaats waar ze gelegen had. Haar geopende handtasje lag tien meter verder. Een verklaring hiervoor was niet direct te geven en de gedachte aan roof kwamop. Later werd een verdachte aangehouden. Hij bekende het feit, maar gaf geen sluitende verklaring over het tasje. Later bleek dat ambulancepersoneel de tas had verplaatst en geopend om vast te stellen wie het slachtoffer was. De verklaring van de verdachte bleek dus wel te kloppen.

Al met al gaat het erom zoveel mogelijk uit te sluiten dat de sporen op de PD zijn veroorzaakt door anderen dan de dader en/of andere betrokkenen. Ook het eerste optreden van de politie kan het sporenbeeld negatief beďnvloeden. Door ondoordacht handelen kunnen er onbedoeld sporen worden vernietigd, verplaatst, bijgemaakt of gecontamineerd. Als er sprake is van bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld een levend slachtoffer, dreiging van gevaar of als de dader nog op de PD is, moeten er maatregelen worden genomen die de sporen geweld kunnen aandoen. Maar ook in die situaties wordt geprobeerd om zoveel mogelijk ‘sporensparend’ te handelen. De route die op de PD moet worden afgelegd zal dan een weg moeten zijn waar zo min mogelijk sporen worden verwacht. En als er op de route toch sporen worden aangetroffen, zal van de route moeten worden afgeweken. Normaliter wordt die route duidelijk gemarkeerd. De politie beschikt over PD-bakens: aluminium rood-witte stokjes die men tijdens het lopen kan achterlaten. Als er geen sprake (meer) is van een bijzondere PD-situatie is het instellen van een quarantainegebied de volgende fase van het beheren van de PD. Het quarantainegebied beslaat het gebied waar zich mogelijk sporen kunnen bevinden. Zekerheidshalve wordt dit vrij ruim genomen. Afschaling is per slot van rekening gemakkelijker dan opschaling. De beheerder van de PD bakent dit gebied af door zoveel mogelijk gebruik te maken van natuurlijke afscheidingen (bijvoorbeeld een bestaand hek, muur of watergang). Daar waar dit niet mogelijk is, wordt het bekende rood-witte politielint gebruikt. Het quarantainegebied is uitsluitend toegankelijk voor degenen die zijn belast met het forensisch-technisch PD-onderzoek, met medische hulpverlening of met de stabilisering van een gevaarsituatie. Er wordt daarbij gebruikgemaakt van een of meer gemarkeerde looppaden.

Het forensisch-technisch onderzoek op de PD

Het sporenonderzoek op de PD wordt verricht door forensisch-technisch onderzoekers. Bij grootschalige onderzoeken wordt een PD-unit ingezet (zie hierboven). Ook wordt vaak de hulp ingeroepen van medewerkers van de frontdesk van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Zij adviseren over de inzet van wetenschappers en/of dieptespecialisten. Dit gebeurt alleen als er meerwaarde vereist is, bijvoorbeeld bij het toepassen van nieuwe technieken die nog niet operationeel kunnen worden uitgevoerd door de forensisch-technisch onderzoekers van de politie. Om het maximaal haalbare resultaat uit het forensisch-technisch PD-onderzoek te halen wordt een systematisch werkproces gehanteerd. Daarmee wordt structuur in het onderzoek gebracht en is de kans gering dat cruciale elementen van het onderzoek worden overgeslagen of vergeten. Het forensisch-technisch PD-onderzoek is te verdelen in vier fasen: oriëntatie,voorbereiding, uitvoering en afronding

In de oriëntatiefase wordt op grond van de eerste analyse van de sporen en eventuele informatie van personen een voorlopige hypothese gemaakt van wat er gebeurd zou kunnen zijn. Daarbij worden verschillende scenario’s overwogen.

Voorbeeld
Hangend aan een strop in een boom werd een dode man aangetroffen. Bij hem lag een omgevallen trapje. De eerste hypotheses in deze situatie waren:
– zelfmoord door verhanging;
– ongeval ten gevolge van een auto-erotische activiteit;
– moord/doodslag door verhanging;
– moord/doodslag gevolgd door een geënsceneerde verhanging;
– geënsceneerde verhanging om een schaamteongeval te verdoezelen.

In de voorbereidingsfase wordt een (voorlopig) plan van aanpak gemaakt. De onderzoekers bepalen door wie, op welke wijze en in welke volgorde het PD-onderzoek wordt verricht. Zowel forensisch-technische als tactische motieven spelen hierbij een rol en drie kernvragen zijn leidend: wat weten we al zeker? Welke vraagtekens zijn er nog? Welke onderzoeken moeten worden uitgevoerd om die vraagtekens op te lossen?


Als duidelijk is welke onderzoeken moeten worden uitgevoerd, wordt beslist in welke volgorde dat gebeurt. Het hangt vooral af van de kans op vernietiging van de sporen. Het kan afhangen van de tijd, weersinvloeden, micro-organismen, omgevingsinvloeden enzovoort.Voorbeelden zijn verregenen van schoensporen, indrogen van vingersporen door de zon, verwaaien van geursporen, insecten die biologische sporen vernietigen. Maar er kunnen ook andere motieven een rol spelen. Het is bijvoorbeeld een standaardmethode om de PD te onderzoeken in de richting van het slachtoffer en pas het slachtoffer te onderzoeken als dit is bereikt. Een afgewogen keus om van de standaardmethode af te wijken en eerst met het sporenonderzoek aan het slachtoffer te beginnen kan zich voordoen als:

– het noodzakelijk is om in een vroeg stadium de identiteit van het slachtoffer te kennen;
– het slachtoffer slecht afgeschermd kan worden voor publiek en pers;
– het slachtoffer gevaar oplevert (draagt bijvoorbeeld explosieven);
– er sprake is van economische motieven (bijvoorbeeld slachtoffer ligt op de trambaan).

Forensisch-technische normen (FT-normen) beschrijven tot in detail de wijze van onderzoek en zijn totstandgekomen in overleg tussen NFI, Politieacademie, NRI en de afdelingen FTO van de regiokorpsen. Bij het bepalen van die keus wordt er ook op gelet of het spoor geschikt is voor de opsporing en/of de bewijsvoering. Als een verdachte zich bijvoorbeeld zelf als dader meldt, zal het sporenonderzoek zich meer gaan richten op de toedracht in het kader van de bewijsvoering dan op de identificatie van de verdachte. Steeds wordt afgewogen welk soort onderzoek als eerste aan elk object wordt uitgevoerd. Bij het kiezen van de onderzoeksmethode wordt gelet op de voorwaarden en consequenties. Zoveel mogelijk worden als eerste die methodes ingezet die niet destructief zijn voor andere onderzoeken. Als bijvoorbeeld naar latente sporen moet worden gezocht met behulp van een lichtbron, is een voorwaarde dat de ruimte waar wordt gezocht kan worden verduisterd. Een consequentie is dat DNA-sporen worden vernietigd als ze langdurig worden blootgesteld aan UV-licht met een korte golflengte. Wanneer meerdere onderzoeken op een object moeten worden uitgevoerd, wordt het object bij voorkeur meegenomen naar een laboratorium van de politie of het Nederlands Forensisch Instituut.

Als er sprake is van een grote PD, wordt in het plan van aanpak opgenomen van welke methode gebruik wordt gemaakt bij het zoeken naar sporendragers. Er zijn meerdere zoekmethoden mogelijk. Het is vooral afhankelijk van de omstandigheden ter plaatse, zoals een PD in een gebouw of in de open lucht. Voor het zoeken naar sporen in het open veld wordt bijvoorbeeld de liniemethode gebruik. Hierbij zoeken politieambtenaren in linie systematisch een afgebakend gebied af. Bij een PD na een bomaanslag wordt vaak gekozen voor de rastermethode. De PD wordt dan verdeeld in sectoren en per sector wordt het systematisch onderzocht.  Tijdens de voorbereidingsfase wordt ook zoveel mogelijk vastgesteld welke apparatuur en onderzoeksmiddelen op de PD nodig zijn. Deze materialen worden stand-by gezet om zo min mogelijk bewegingen op de PD te veroorzaken.

In de uitvoeringsfase wordt het plan van aanpak uitgevoerd zoals dat in de vorige fase is voorbereid. De (latente) sporen worden zichtbaar gemaakt, veiliggesteld, verpakt en gewaarmerkt. Dit gebeurt conform bindende protocollen (FT-normen) die iedere onderzoeker (digitaal) beschikbaar heeft.

Tijdens de uitvoering van het sporenonderzoek toetsen de onderzoekers de in de oriënterende fase gestelde hypotheses. In nauw overleg tussen forensisch-technisch onderzoekers en tactisch rechercheurs kunnen die hypotheses worden bijgesteld. Als dat laatste aan de orde is, heeft het natuurlijk gevolgen voor de verdere uitvoering van het sporenonderzoek. Hier gaat het een en ander nog wel eens mis, voornamelijk door slechte communicatie, het verkeerd inschatten van onderzoeksresultaten of vooringenomenheid. Het gevaar bestaat dat een onderzoeker onbewust zoekt naar bevestiging van een gestelde hypothesen voor negatieve resultaten gemakkelijk verklaringen vindt.

Voorbeeld

Bij een vermeende zelfmoord door verhanging blijken de maten van lengte van het touw, de hoogte van de boom, lengte van het slachtoffer en de hoogte van het trapje te kloppen. Dit bevestigt de hypothese van de onderzoeker en zou hij tevreden kunnen zijn met het resultaat. Wanneer hij meerdere hypotheses had gesteld, had hij zijn onderzoek uitgebreid en had de lengte van de strop gemeten. Hij had dan vastgesteld dat het hoofd van het slachtoffer nimmer door de geopende strop had gekund, dat er dus een derde aan te pas was gekomen en dat hij de hypothese van zelfmoord had kunnen uitsluiten.

Een probleem dat bij de opkomst van het DNA-onderzoek sterk naar voren kwam, is het gevaar van contaminatie: ‘Elke ongewenste overdracht en/of besmetting van sporen, het onbedoeld vermengen van sporen met ander materiaal’. Vooral bij biologische sporen speelt dit een rol. Om te voorkomen dat de onderzoekers zelf biologische sporen (en vooral DNA) op de PD achterlaten, dragen ze beschermende kleding: de bekende witte pakken met capuchon, schoenovertrekken, handschoenen, bril en mondkapjes. Om contaminatie op de PD te voorkomen vindt bijvoorbeeld elke monsterneming separaat plaats en worden de materialen slechts één keer gebruikt. Transport vanaf de PD naar elders vindt ook separaat plaats. De eerdergenoemde FT-normen worden hierbij strikt uitgevoerd. In één en dezelfde zaak mag dezelfde onderzoeker niet met zowel de verdachte, medeverdachte en/of slachtoffer in aanraking komen. De laboratoria van de politie beschikken over gescheiden onderzoeks­ruimten, zodat sporendragers die afkomstig zijn van de verdachte niet in dezelfde ruimte worden onderzocht waar de sporendragers van de PD zijn onderzocht. Contaminatie kan leiden tot een onjuiste analyse en onderzoeksrichting. Dit kan zowel ten aanzien van het feit zelf als de rol van betrokkenen; verkeerde persoon als verdachte (of dader) aanmerken. Hierbij wordt het spoor op zich wel geďndividualiseerd (aan een persoon gekoppeld), maar blijkt niet door de oorspronkelijke donor daar te zijn aangebracht of achtergelaten; tijdverlies als gevolg van het feit dat men op het verkeerde spoor is gezet of het spoor niet thuisgebracht kan worden; uitsluiting van het bewijsmiddel en mogelijk vrijspraak.

In de afrondingsfase wordt getoetst of alle voorgenomen onderzoeken uitgevoerd zijn conform de gemaakte afspraken. Verder worden in deze fase de voorlopige resultaten van het forensisch-technisch PD-onderzoek vastgelegd en verstrekt aan de leiding van het opsporings­onderzoek. De voorlopige resultaten geven slechts de eerste conclusies weer en zijn slechts een voorlopige indruk van de eindconclusie. Door de LPD wordt in overleg met de CDPU en de onderzoeksleiding bepaald dat de PD kan worden vrijgegeven. Het PD-optreden is daarmee dan beëindigd.

Conclusie

Als het PD-onderzoek is afgerond, bestaat er een hypothese over het gebeurde en zijn de gevonden sporen veiliggesteld en gewaarmerkt. In het verdere opsporingsonderzoek zal aan de criminalistische waarde van die producten meer gestalte moeten worden gegeven. Dat gebeurt door middel van forensisch-technische vervolgonderzoeken en/of tactisch rechercheonderzoek (onder andere verdachtenverhoor en getuigenverhoor). Dit alles valt buiten het bestek van het PD-onderzoek.

Zoals is aangegeven, is het PD-onderzoek er in principe op gericht om zoveel mogelijk een bijdrage te leveren aan de waarheidsvinding. Dat lukt alleen als volgens het boekje wordt gewerkt. Als dat niet gebeurt, is het vrijwel zeker dat sporen vernietigd, niet gevonden, gecontamineerd of onjuist veiliggesteld worden. Om een goed kwalitatief product te kunnen leveren is tijd en kwaliteit nodig van de onderzoekers.

De politie beschikt qua capaciteit niet over voldoende (forensisch-technisch) recherche­personeel om alle PD’s volgens het boekje te behandelen. Bij een groot aantal delicten worden er concessies gedaan en vindt er geen of een zeer beperkt PD-onderzoek plaats. Bij delicten met een wat grotere impact (bijvoorbeeld woninginbraken) wordt vaak een gericht PD-onderzoek ingesteld. Het onderzoek richt zich dan uitsluitend op sporen waarmee in databanken kan worden gezocht en die in directe relatie staan met de dader (vingerafdrukken en DNA). Daardoor komt capaciteit vrij om bij ernstige zaken wél sporenonderzoek volgens het boekje uit te voeren. Het mag duidelijk zijn dat daarbij door allerlei omstandigheden niet alles volgens een vastgesteld patroon kan verlopen. Elke situatie zorgt voor dilemma’s. Steeds opnieuw moeten keuzes worden gemaakt hoe en in welke volgorde bepaalde sporen wel of niet moeten worden zichtbaar gemaakt en veiliggesteld. Vaak is een bepaalde methode destructief voor een andere methode, vooral als gewerkt wordt met chemicaliën. Daarnaast is contaminatie een voortdurend gevaar. Als de FT-normen worden gevolgd, zou dit gevaar nauwelijks ontstaan, maar ook het PD-onderzoek blijft mensenwerk. Een betere check op wat er óp de PD gebeurt tijdens het onderzoek kan verbetering brengen. Een klein begeleidings­team, bestaande uit ervaren forensisch-technisch onderzoekers en tactisch rechercheurs, zou tijdens het PD-onderzoek standaard de rol van advocaat van de duivel moeten spelen. Onderandere door de PD-onderzoekers te dwingen om hun keuzes te motiveren en te checken of de FT-normen worden nageleefd. Wellicht worden de PD-onderzoekers in de toekomst uitgerust met een camera in de werkbril of op de helm. Hierdoor kan op afstand de begeleiding worden uitgevoerd en direct advies van dieptespecialisten worden toegepast. Bijkomend voordeel van cameragebruik is ook dat alle onderzoekshandelingen kunnen worden opgenomen, zodat achteraf alle handelingen kunnen worden getoetst.




Terug naar begin van deze pagina