Overzicht inhoud:


Taakveld: Lijkschouw

Lijkbezorging, d.i. de wijze waarop stoffelijke overschotten van overledenen worden begraven of verbrand (crematie) is vanuit het oogpunt van openbare orde in belangrijke mate een zaak en verantwoordelijkheid van het openbaar bestuur. De eerste nationale regelgeving over begraven werd in april 1856 ontworpen en leidde in 1869 tot de invoering van de Begraafwet. Artikel 4 van deze wet schreef voor dat geen begraving mocht geschieden zonder schriftelijk verlof van de ambtenaar van de burgerlijke stand. Nog steeds zijn de wetsbepalingen rond lijkbezorging vooral gericht op de omschrijving van de taken van de gemeenten i.c. de ambtenaar van de burgerlijke stand c.q. de burgemeester.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Wetgeving en verklaringen

    Eén van de kenmerken van de 'forensische' geneeskunde is dat de forensisch arts op het raakvlak tussen de geneeskunde en het rechtssysteem over relevante kennis dient te beschikken over de wetgeving en hoe die moet worden toegepast. De complete wetsteksten zijn wat lang, vandaar hieronder de belangrijkste passages uit de wetten en regelingen waar de forensisch arts het meest mee te maken heeft. Als we dit van belang vinden plaatsen we waar nodig ook aanvullende uitleg of opmerkingen. Sinds 1 januari 2010 mag de behandelend arts bij minderjarigen volgens wettelijk voorschrift geen verklaring van overlijden meer afgeven zonder overleg met de gemeentelijk lijkschouwer. In de wet werd ook een strafbepaling opgenomen voor artsen die niet voldoen aan de verplichting om bij overlijden en doodgeboorte de doodsoorzaak bij het CBS te melden.

    Voor de volledigheid nog enkele bepalingen die van belang zijn (voor het geval u of één van uw collega's in de verleiding mocht komen):
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Plicht tot overleg bij minderjarigen

    In een reactie van de staatssecretaris voor Veiligheid en Justitie van 8 maart 2011 in antwoord op Kamervragen werd de procedure nog eens precies beschreven:
    (accentuering toegevoegd door de FOMAT)

    "Bij het overlijden van een minderjarige moet de behandelend arts(*) sinds 1 januari 2010 vóór het afgeven van de verklaring van overlijden contact opnemen met de gemeentelijk lijkschouwer. Onder het regime van de oude wet moest de behandelend arts slechts contact opnemen met de lijkschouwer als hij twijfelde aan een natuurlijk overlijden. De behandelend arts moet de lijkschouwer in de huidige situatie informeren over zijn mening ten aanzien van de doodsoorzaak van de overleden minderjarige. Daarbij moet de gemeentelijk lijkschouwer nagaan of de overtuiging van de behandelend arts in deze overeind kan blijven. Bovendien zal de arts dan moeten aangeven op welke gronden hij tot zijn overtuiging is gekomen. De arts toetst zijn overtuiging aan hetgeen de gemeentelijk lijkschouwer opmerkt, zodat hij daarin wordt gesterkt dan wel tot het besluit komt dat het beter is de zaak over te dragen aan de gemeentelijk lijkschouwer. Indien de behandelend arts de overtuiging heeft dat het een natuurlijk overlijden betreft gelet op de voorliggende ziektegeschiedenis van de overleden minderjarige, geeft hij de verklaring van overlijden af, na contact met de lijkschouwer.
    Indien de behandelend arts niet de overtuiging heeft dat het een natuurlijk overlijden betreft, zal de lijkschouwer na een schouw de verklaring van overlijden afgeven óf verslag uitbrengen aan de officier van justitie.
    Hiermee is gewaarborgd dat de behandelend arts niet volledig zelfstandig kan concluderen tot de afgifte van een verklaring van overlijden. Het verplichte karakter van dit contact verlost de behandelend arts van het dilemma of hij al dan niet contact zal zoeken met de lijkschouwer."


    (*) Opm. FOMAT:
    In artikel 7, eerste lid, van de Wlb. wordt overigens niet gesproken van 'behandelend arts' maar van 'hij die de schouwing heeft verricht'.
    Zie hierover: Inspectie (IGZ) in 2004: 'Behandelend arts' in de Wet op de lijkbezorging
    Let op: De wettelijke plicht tot overleg blijft ná 1 januari 2014 intact
    (bestaat sinds 1 januari 2010)

    Uit het antwoord op Kamervragen van 11 maart 2014:
    "Hierdoor wordt voor een groot deel tegemoet gekomen aan de wens van de Tweede Kamer om meer aandacht te besteden aan het overlijden van minderjarigen."

    Opgemerkt dient te worden dat de wetgever in artikel 10a van de Wet op de lijkbezorging (en ook de Staatssecretaris) niet spreekt over het tijdstip van (of het tijdsverloop nà) het vaststellen van overlijden, maar alleen over de afgifte van de verklaring van overlijden. Hoewel hierop bij de behandeling van de wijziging van de Wet op de lijkbezorging werd gewezen bleek de wetgever niet bereid om een koppeling met het verplichte overleg en de afgifte van het Verlof tot lijkbezorging aan te brengen. Het amendement dat dit voorstelde werd bij behandeling in de Tweede Kamer verworpen. Strafbaarstelling van een 'verzuim' om te voldoen aan de plicht tot overleg bleef achterwege. Het uitvoeren van een lijkschouw dient volgens artikel 3 van de Wet op de lijkbezorging zo spoedig mogelijk na het overlijden plaats te vinden. Het overleg met de gemeentelijk lijkschouwer dient door de behandelend arts plaats te vinden vóórdat de (administratieve) handeling van de afgifte van de verklaring van overlijden plaatsvindt. In theorie kan de afgifte van de verklaring van overlijden, met (uiteraard wel) de juiste datum van overlijden, ook de volgende dag of zelfs na enige dagen plaatsvinden. De verklaring van overlijden is pas nodig bij de aangifte van overlijden bij de ambtenaar van de Burgerlijke Stand in de gemeente van overlijden. Daar dient vervolgens het verlof tot begraven/crematie afgegeven te worden en dat vindt per slot van rekening ook niet terstond nà overlijden plaats. Of de afgifte van dit verlof door de ambtenaar van de Burgelijke Stand ook daadwerkelijk gaat worden geweigerd bij een 'verzuim' om het overleg te vermelden op de (A)-verklaring van overlijden is (vooralsnog) onduidelijk.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Euthanasie

    Artikel 293 van Wetboek van Strafrecht luidt:
    1. Hij die opzettelijk het leven van een ander op diens uitdrukkelijk en ernstig verlangen beëindigt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie.
    2. Het in het eerste lid bedoelde feit is niet strafbaar, indien het is begaan door een arts die daarbij voldoet aan de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding en hiervan mededeling doet aan de gemeentelijke lijkschouwer overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging.
    Hetzelfde geldt voor hulp bij zelfdoding volgens Artikel 294 van Wetboek van Strafrecht.
    Het spreekt vanzelf dat we de volledige tekst van de wetgeving hierover en andere informatie ter raadpleging op de website plaatsen: Voor elke Nederlander die verzekerd is voor ziektekosten wordt de vergoeding op grond van sinds 2006 ingevoerde Zorgverzekeringswet betaald door de zorgverzekeraar:

    Tarief 13038 (in 2015):     Euthanasie           € 224,19
    Als voorwaarde geldt dat de euthanasie is uitgevoerd na consultatie en rapportage van een zgn. SCEN-arts. De vergoeding is inclusief de condoleancevisite door de eigen huisarts.

    Bron:
    Contracttarieven Huisartsenzorg 2015
    NB: De SCEN-arts kan zijn/haar inzet apart declareren.
    Zie ook: Vergoeding voor euthanasie van € 226,90 bij andere verzekeraar in 2015–2016...
    • 22 oktober 2013: Wijziging van het Besluit bestuursorganen WNo en Wob
      In verband met de uitzondering van de regionale commissies voor de toetsing van meldingen van gevallen van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding
      Ten aanzien van andere aspecten van hun functioneren (bejegening, termijnoverschrijding etc.), blijft de Nationale ombudsman bevoegd
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Orgaandonatie

    Bij dreigend onvermijdelijk overlijden na (verkeers)ongevallen - dit wordt dan een niet-natuurlijke dood - wordt vaak uitname van organen voor transplantatie overwogen. Deze procedure wordt meestal in gang gezet door de behandelend arts in het ziekenhuis. In feite moet de dood (hersendood) dan eerst worden vastgesteld bij nog intacte en functionerende vitale organen (zie discussie hieronder). Na een advies van de Gezondheidsraad werd in 2006 het hersendoodprotocol aangepast en bij ministerieel besluit vastgelegd. Bij een evident niet-natuurlijke dood moet de Officier van Justitie met een verklaring volgens art. 12 van de Wet op de lijkbezorging toestemming verlenen ('vrijgave' van het stoffelijk overschot). Bij een vermoeden van niet-natuurlijke dood of twijfel hieromtrent is vóórdat uitname van organen kan plaatsvinden eveneens toestemming van de Officier van Justitie noodzakelijk volgens artikel 76, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging. In deze gevallen zal de gemeentelijk lijkschouwer moeten worden ingeschakeld.
    Ter informatie en raadpleging plaatsen we daarom de: In Medisch Contact werd er in 2007 op gewezen dat de huidige Wet op de orgaandonatie niet goed aansluit bij de praktijk. Bij potentiële donoren die niet staan geregistreerd in het Donorregister is het voor een arts vrijwel onmogelijk om én de Wet op de orgaandonatie (WOD) te volgen én ook een orgaandonatieprocedure op te starten. Onbewust wordt de WOD daardoor veelvuldig overtreden. Het vaststellen van de dood kan, zo stellen de auteurs in Medisch Contact, in feite pas geschieden ná het intreden van de dood.
    De WOD liet niet toe dat voorbereidende handelingen worden uitgevoerd bij niet-geregistreerde potentiële donoren bij wie de dood nog niet is ingetreden.

    Artikel 20, lid 2 van de WOD stelt:
    Indien geen wilsverklaring (…) aanwezig is (…) raadpleegt de (…) aangewezen functionaris na het intreden van de dood van de betrokkene de persoon of personen, die (…) bevoegd zijn tot het verlenen van toestemming voor het verwijderen van organen.

    De WOD liet hiermee evenmin toe dat familieleden om toestemming voor orgaandonatie werd gevraagd vóór het intreden van de dood.

    Vrijwel altijd moeten er voorbereidende handelingen worden uitgevoerd voordat de hersendood is vastgesteld. Het is bij niet-geregistreerde patiënten was het dan vrijwel onmogelijk om én de wet te volgen én een orgaandonor te verkrijgen.
    Het leek noodzakelijk de wet op dit punt aan te passen. Dit kan het beste door voorbereidende handelingen los te koppelen van het intreden van de dood. En aldus geschiedde: Op 4 december 2007 had de toenmalig Minister op Kamervragen hierover geantwoord:
    "De gevolgde werkwijze zou weliswaar in strijd kunnen zijn met de letter van de wet, maar dat deze, als het gaat om handelingen die niet belastend zijn en niet uitgesteld kunnen worden tot na het moment van overlijden, niet strijdig lijkt met de geest van de wet."
    "Gesprekken met de familie over orgaandonatie, of het nu een geregistreerde donor is of niet, moeten gevoerd worden op een moment dat dit passend is. Het gesprek zelf moet ook op een manier worden gevoerd die past bij de omstandigheden. Als het register is geraadpleegd hoeft, wanneer er geen bezwaar is aangetroffen, het ter sprake brengen van orgaandonatie voordat de dood is ingetreden ethisch niet bezwaarlijk te zijn en de wet verbiedt dat ook niet. Zorgvuldigheid en compassie daarbij zijn uiteraard heel belangrijk. Alleen van het feitelijk toestemming vragen voor donatie kan pas sprake zijn als de patiënt is overleden."
    (Bron: KVR 810 2070804450)
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Kosten lijkschouw

    In de praktijk heerst veel onduidelijkheid over de vraag wie de kosten van (gemeentelijke) lijkschouw draagt.

    Op grond van artikel 4 van de Wet op de lijkbezorging ("Burgemeester en wethouders verschaffen gelegenheid tot het doen schouwen van lijken") komen de kosten voor de werkzaamheden van de gemeentelijk lijkschouwer ten laste van de gemeente van overlijden.

    Medische dienstverlening die niet de bescherming van de gezondheid van de betrokkene tot voornaamste doel heeft - en daar is bij de lijkschouw door een forenisch (werkzame) arts sprake van - zijn sinds 1 januari 2008 in principe aan de heffing van omzetbelasting (BTW) onderworpen.
    Bron: Besluit van 28 februari 2008, nr. CPP2008/78M, Stcrt. nr. 50
    (zie in de bijlage onder kopje 'Niet vrijgestelde diensten') Kosten die in het kader van een opsporingsonderzoek worden gemaakt (denk aan transportkosten, de kosten voor het mortuarium, onderzoekskosten), zullen naar hun aard verdeeld moeten worden tussen de politie en de gemeente(n). Hiervoor geldt dat over de toerekening van deze kosten een praktische afspraak tussen de politie (korpsbeheerder) en de gemeente(n) moet worden gemaakt.
    Nabestaanden die niet hebben gevraagd om de interventie van de gemeentelijke lijkschouwer, mogen niet met de kosten daarvan worden geconfronteerd.

    Ter informatie plaatsen we de inhoud van de circulaire van 19 december 2006 van het Ministerie van Justitie die betrekking had op dit onderwerp.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Internationaal transport

    Voor het transport van stoffelijke overschotten van en naar Nederland, zoals dit ook is omschreven in het bovenstaande Besluit op de lijkbezorging, is internationale wetgeving van belang met een aantal voorschriften. Nederland heeft zich in de Raad van Europa aangesloten bij de: Volgens dit verdrag moet het zgn. laissez-passer door de 'bevoegde autoriteiten' worden verstrekt. In Nederland is de Burgemeester van de gemeente van overlijden de bevoegde autoriteit volgens de Overeenkomst van Straatsburg. De begrafenisondernemer zal zich derhalve tot de Burgemeester (ambtenaar van de burgerlijke stand) in de gemeente van overlijden wenden die een verlof tot lijkbezorging (begraving of crematie) heeft verstrekt. Voor de duidelijkheid: indien dit van toepassing is mag een verlof tot lijkbezorging (en dus ook een navolgend laissez-passer) door de ambtenaar van de burgerlijke stand pas worden afgegeven ná 'vrijgave' van het stoffelijk overschot door de Officier van Justitie (volgens artikel 76 van de Wlb).

    Aangezien de B-verklaring over de doodsoorzaak in Nederland onder het medisch beroepsheim valt kan informatie over de doodsoorzaak niet aan derden worden verstrekt ('reasons of professional secrecy'). Daarom is ook de ambtenaar van de burgerlijke stand hier niet van op de hoogte en zal zich noodgedwongen tot de arts moeten wenden die de verklaring van overlijden heeft afgegeven. De opstellers van de Overeenkomst van Straatsburg hadden dit in 1973 reeds voorzien en hiervoor bieden de voetnoten onder de modelverklaring een oplossing.

    De diagnose kan/mag eenvoudig als code op het laissez-passer worden vermeld volgens de internationale ICD-10 indeling van de WHO (International Classification of Diseases). Deze codes kunnen worden opgezocht via: Bij de voetnoten op het laissez-passer wordt als punt 3 vermeld dat als alternatieve optie de benodigde medische informatie ook (al of niet als ICD-10 code) in een verzegelde envelop aan het laissez-passer bevestigd kan worden. In dat geval moet echter een extra verklaring bijgevoegd worden om aan te geven dat er geen sprake is van dood door besmettelijke ziekten.

    Het moedwillig verstrekken van onjuiste gegevens omtrent de aard van het overlijden (natuurlijke of niet-natuurlijke dood) en/of de doodsoorzaak is overigens strafbaar gesteld: In tegenstelling tot vaak diep gewortelde vooroordelen, verzinsels in misdaadromannetjes en misverstanden door onkunde hierover zijn nauwelijks ziekten te bedenken die via de voorgeschreven antiseptische en absorberende verpakking van het stoffelijk overschot na de dood nog erg besmettelijk zouden zijn en daarmee in het land van 'aankomst' nog tot onrustbarende uitbraken met epidemische proporties aanleiding zouden kunnen geven. De import van besmettelijke ziekten in enig land zal veeleer door verkeer van levende personen geschieden dan door het transport van stoffelijke overschotten.

    Dat de berging en begraving (of crematie) van stoffelijke overschotten bij rampen (overstromingen, aardbevingen) zo snel als mogelijk dient te geschieden om daarmee de uitbraak van besmettelijke ziekten te voorkomen is een mythe die kennelijk hardnekkig bijdraagt aan de vooroordelen hierover; niet alleen bij lokale autoriteiten maar helaas ook bij veel artsen. Voor degenen die dit willen nalezen plaatsen we de volgende (engelse) publicaties: Het luchtfilter, (voor egalisatie van binnen- en buitendruk) dat volgens artikel 6, paragraaf 3 van de Overeenkomst bij lucbtvervoer op de doodkist dient te worden aangebracht, is dermate klein en meestal voorzien van een membraan, zodat ook hierdoor overdracht van ziekte-kiemen vrijwel uitgesloten kan worden geacht. Voor zover de FOMAT kan nagaan zijn in de literatuur nog nooit gevallen van ziekte-transmissie door het vervoer van een stoffelijk overschot beschreven. Ook tranmissie bij mortuarium-medewerkers of pathologen is ons niet bekend. Als iemand hiervan wel een bewezen geval/voorbeeld van transmissie kent vernemen we dat graag.
    De preambule van de Overeenkomst van Straatsburg vermeldt dan ook:

    "Rekening houdend met het feit dat het vervoer van lijken geen enkel gevaar voor de gezondheid oplevert, zelfs wanneer het overlijden is veroorzaakt door een besmettelijke ziekte, mits gepaste maatregelen worden genomen, in het bijzonder ten aanzien van de ondoordringbaarheid van de doodkist,..."

    Door het gebruik van de ICD-10 code vervalt de noodzaak van het extra afgeven van een verklaring van 'afwezige besmettelijkheid'. In het geval dat de autoriteriten in het 'ontvangende' buitenland toch een dergelijke verklaring willen hebben, kan deze zonder enig probleem worden afgegeven. De begrafenisondernemers in Nederland zijn uitstekend op de hoogte met de vigerende internationale voorschriften. Zij hebben zich in Europa verenigd in de European Federation of Funeral Services (EFFS). Ook dient bedacht te worden dat niet het risico kan worden gelopen dat het zorgvuldig en volgens de regels verpakte stoffelijk overschot per kerende post weer wordt teruggestuurd naar Nederland omdat een totaal overbodig fomuliertje zou ontbreken. De (vaak torenhoge) kosten van dit soort vervoer moeten door de nabestaanden worden betaald.

    Omdat dit in het Besluit op de lijkbezorging wordt vermeld en voor degenen die zich in de geschiedenis willen verdiepen plaatsen we ook de: In artikel 4 van de (nu verouderde) overeenkomst van Berlijn uit 1937 werd overigens nog bepaald dat vervoer van stoffelijke overschotten van overledenen aan "plague, cholera, small-pox or typhus" op zijn vroegst pas één jaar na overlijden mocht geschieden. De inzichten op het gebied van besmettelijke ziekten waren in 1966 al dudelijk en ingrijpend gewijzigd en de effecten van de Vietnam oorlog werden voelbaar. De Overeenkomst van Straatsburg werd in 1973 opgesteld.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Taskforce lijkschouw

    In 2016 overleden 148.997 inwoners. Een verklaring van overlijden van een arts is voldoende voor begraving of crematie. Alleen bij overlijden van minderjarigen is overleg met een gemeentelijk lijkschouwer noodzakelijk. Aard en/of omvang van de lijkschouw is niet in de wet omschreven. De arts kan zelf bepalen, zonder overleg, of sprake is van natuurlijk overlijden en bepaalt vervolgens zelf de doodsoorzaak voor de statistiek. Niet verwonderlijk komt overlijden als gevolg van medisch handelen dan ook zelden voor in Nederland.
    Bij twijfel aan de 'natuurlijkheid' van het overlijden dient een gemeentelijk lijkschouwer te worden ingeschakeld, die wordt betaald door de gemeente van overlijden en niet door het Ministerie van Justitie. Bij niet-natuurlijk overlijden bepaalt de Officier van Justitie (OvJ), niet een arts, de noodzaak van een gerechtelijke sectie. Bij ongevallen met dodelijke afloop en zelfdodingen wordt hier vaak vanaf gezien. Voor de OvJ geldt alleen de strafvorderlijke relevantie en niet de opheldering van de doodsoorzaak. Bij euthanasie of hulp bij zelfdoding is ook sprake van een niet-natuurlijk overlijden. Een verklaring van de OvJ is nodig om over te gaan tot begraving of crematie. Volgens het OM is de werkwijze de laatse tien jaar niet veranderd.
    Minder gevallen van dodelijke geweldpleging verklaart de daling van het aantal gerechtelijke secties in de jaren sinds 2005.

    De Minister heeft de taskforce gevraagd onderzoek te doen als genoemd in de aanbevelingen 17 tot en met 20 in de bijlage van een rapport van het NFI van 29 november 2016.

    Bezwaren nabestaanden c.q. integriteit van lichaam
    Het betreft gevallen waarbij een natuurlijk overlijden door de arts werd aangegeven, al of niet in overleg met een gemeentelijk lijkschouwer.
    In Nederland is het niet noodzakelijk om het 'mechanism of death' door een obductie te achterhalen of te verifieren. Postmortaal onderzoek is alleen mogelijk met toestemming van de nabestaanden. Een obductie wordt niet vergoed door de ziektenkostenverzekeraar.

    Dossier onderzoek in ziekenhuizen
    Bij natuurlijk overlijden in grote (academische) ziekenhuizen kan daar een obductie plaatsvinden met toestemmng van de nabestaanden. De patholoog van de instelling zal deze zonder kosten voor de nabestaanden uitvoeren. Het verrichten van obducties (de klinische sectie) is een onderdeel van de opleiding tot patholoog. Het aantal obducties in Nederland loopt terug.
    Retrospectief onderzoek van dossiers vereist tijd. Ziekenhuizen zullen bezwaren hebben bij het heropenen van formeel reeds correct afgesloten dossiers zonder toestemming van de nabestaanden.

    Vragen aan huisartsen
    Het 'mechanism of death' is niet relevant bij een natuurlijk overlijden.
    De primaire doodsoorzaak (ziekte) is meestal gebaseerd op medisch dossier; de directe doodsoorzaak doet dan niet ter zake. Voorspelbare uitkomst van de vragen.

    Evaluatie forensisch arts
    Bij niet-natuurlijk overlijden wordt artikel 10 verklaring voor de OvJ ingevuld die beslist over nader onderzoek en over gerechtelijke sectie. Aanbevelingen door de gemeentelijk lijkschouwer kan de OvJ naast zich neer leggen of zelfs geheel negeren. Nader postmortaal onderzoek kan op verzoek van de OvJ altijd verricht worden bij twijfel over de aard van het overlijden. Bij natuurlijk overlijden is toestemming van de nabestaanden noodzakelijk.

    Postmortaal onderzoek en klinische sectie
    Bij natuurlijk overlijden is dit alleen mogelijk met toestemming van nabestaanden.
    Een dergelijk prospectief onderzoek vereist een gedegen voorbereiding en organisatie.

    Verbetering van de keten
    Afgifte van een verklaring van overlijden zonder enige noodzaak tot overleg of raadplegen van een tweede (onafhankelijk) arts maakt het systeem kwetsbaar.
    Nederland heeft in 1999 een voorbehoud gemaakt bij de Europese afspraken ('on the harmonisation of medico-legal autopsy rules').
    Aard en/of omvang van de lijkschouw dient in de wet omschreven te worden.
    Een verplicht overleg met de gemeentelijk lijkschouwer in alle gevallen van overlijden zou enorme financiele consequenties in Nederland met zich mee brengen.
    Invoering van een angelsakisch model waarin een onafhankelijk forensisch (werkzame) arts (als 'coroner'), en niet de OvJ, zou moeten besluiten over de noodzaak van nader onderzoek naar de doodsoorzaak vereist een wijziging van de wet. Een aanzet/voorstel tot wijziging van de Wet op de lijkbezorging bestaat nog niet; een parlementaire behandeling zal lange tijd in beslag nemen. En zal zeker op allerlei bezwaren en tegenwerpingen stuiten van het Openbaar Ministerie, de medische beroepsgroepen en de publieke opinie.

    De Minister van BZK op 11 april 2017:
    De resultaten van deze taskforce zullen, in overleg met de ministers van VenJ en VWS, mede worden betrokken bij de brief ten aanzien van de Wet op de lijkbezorging in het najaar van 2017.
    Bron: Brief aan Tweede Kamer

    De Minister van VenJ op 30 mei 2017:
    Ik heb een taskforce aan het werk gezet. Die komt deze zomer — ik verwacht in juli — met een rapport. Ik vind het dan ook zuiver, naar de taskforce en naar de Kamer toe, om in juli 2017 terug te komen op deze vraag.
    Bron: Verslag van debat over de problemen bij het NFI

    In de toelichting van 19 september 2017 bij de begroting voor het jaar 2018 van het Ministerie van VenJ staat het volgende:

    " De Minister VenJ heeft een brief toegezegd over de vraag of altijd sectie moet worden verricht indien er geen sprake is van een natuurlijke dood. Aan de taskforce lijkschouw en gerechtelijke sectie zal worden verzocht dat vraagstuk te betrekken in haar onderzoek en ook de vraag mee te nemen of standaard afname van bloed/urine moet plaatsvinden bij strafrechtelijk onderzoek. Het verzoek is overgebracht aan de Taskforce lijkschouw en gerechtelijke sectie, die het onderzoek uitvoert.
    (.....)
    De Minister VenJ heeft toegezegd dat in het kader van onderzoek «Gemiste misdrijven» de Kamer zal worden geïnformeerd over problematiek sectie bij zelfmoord. Deze toezegging zal worden betrokken in de beleidsreactie op het rapport omtrent de lijkschouw. De oplevering van dit rapport is vertraagd maar zal zo spoedig mogelijk aan de Kamer worden gezonden."

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Taakveld: Arrestantenzorg

    Niet iedereen weet dat óók bij een poging tot zelfdoding van een ingeslotene volgens de wet door de nationale korpschef aan de Minister van Veiligheid en Justitie een (model)rapportage moet worden gestuurd. Dat geldt overigens voor alle gevallen van overlijden in welke vorm van detentie dan ook; ook als het een 'natuurlijke dood' betreft. Vandaar dat we ook aandacht aan wet- en regelgeving m.b.t. ingeslotenen besteden. Ter informatie (bij het uitvoeren van celvisites) plaatsen we als achtergrondinformatie ook de teksten die gaan over de: Tevens is het van belang om als forensisch arts op de hoogte te zijn van: De vroegere rol van de Burgemeester als 'korpsbeheerder' is sinds 1 januari 2013 definitief verdwenen door een wijziging van de Politiewet.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Taakveld: Psychiatrie

    Voor de volledigheid en voor degenen die deze willen raadplegen ter nadere informatie plaatsen we ook de volledige tekst van de Wet Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen.
    Wijziging van deze wet in 2012 werd aangekondigd maar bleek niet haalbaar. Het beperken van de vrijheid van een cliënt mag alleen in zogenaamde 'Bopz-instellingen': instellingen die mensen gedwongen mogen opnemen en behandelen. Wetswijziging per 1 juli 2013 voor TBS maatregel
    In alle drie de beginselenwetten zijn wijzigingen aangebracht. Anders dan in het kader van de wet Bopz, staan medische interventies krachtens de beginselenwetten in de sleutel van de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke beslissing, waarbij de duur van de vrijheidsbeneming door de rechter is bepaald. Sinds 1 juli 2013 zijn drie vormen van onvrijwillige geneeskundige (be)handelingen te onderscheiden. Zie hierover:
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Taakveld: Afname lichaamsmateriaal

    Op het raakvlak tussen de uitoefening van de geneeskunde en het rechtssysteem heeft de forensisch arts een speciale verantwoordelijkheid. Gezien de vele vragen hebben we de informatie uitgebreid en ondergebracht op een nieuwe pagina. Via de onderstaande links wordt u daarnaar doorgeschakeld. Daar vindt u ook de relevante wetgeving.

    Onderzoek aan lichaam

    Het uitvoeren van een 'lijfsvisitatie' betekent een belangrijke schending van de integriteit van het menselijk lichaam en dient derhalve met terughoudendheid te worden ondernomen ter bescherming van de rechten van de betrokkene. Met een inleidende opmerking plaatsen we de hierover geldende wetgeving: Het gebruik (c.q. de blootstelling aan) röngenstralen bij mensen is strict voorbehouden en alleen mogelijk voor medische toepassingen. Toepassing voor opsporing en vervolging is alleen toegestaan met stricte maatregelen ter voorkoming van stralenexpositie van (levende) mensen.
    Er zijn alleen alternatieven voor het onderzoek van het lichaamsoppervlak: De bovenstaande alternatieve methoden zijn ongeschikt voor rectaal of vaginaal onderzoek. Dergelijk onderzoek zal altijd moeten voldoen aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Zonder expliciete toestemming van betrokkene dienen artsen (en ook verpleegkundigen !) af te zien van dit soort, geen enkel medisch doel dienende, onderzoeken. Indien een Officier van Justitie dat toch wenst of 'bepaalt', dan dient deze OvJ ook zelf en persoonlijk aanwezig te zijn bij de uitvoering van dit soort extreem vernederende (en niet altijd ongevaarlijke...) onderzoek.
    Nogmaals:
    Bepalingen in wetgeving zijn niet tegelijkertijd wettelijke voorschriften die artsen (en/of verpleegkundigen) kunnen verplichten of voorschrijven om medewerking bij de tenuitvoerlegging hiervan te gaan verlenen. De forensisch geneeskundige is geen buitengewoon opsporingsambtenaar met een geweldsinstructie....

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Wet deskundige in strafzaken

    Per 1 januari 2010 is in het Wetboek van Strafvordering nieuwe regelgeving in werking getreden. In het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (NRGD) worden deskundigen met gerechtelijke expertise geregistreerd. Zij worden tijdens strafzaken geraadpleegd, bijvoorbeeld door rechters, het Openbaar Ministerie en de advocatuur. Deskundigen worden alleen geregistreerd als zij voldoen aan objectieve eisen van bekwaamheid en betrouwbaarheid.
    Doel van de wet is enerzijds om de positie van de verdediging te versterken - de wet kent aan de verdachte een uitdrukkelijk recht toe om te vragen om een aanvullend onderzoek of tegenonderzoek. Anderzijds betekent de wet een aanscherping van de eisen die aan de kwaliteit, betrouwbaarheid en bekwaamheid van de deskundige worden gesteld. Het Besluit register deskundige in strafzaken bepaalt op hoofdniveau hoe het NRGD wordt beheerd.
    • Wet Deskundige in Strafzaken
    • Besluit Register Deskundige in Strafzaken
    • Symposium NRGD 12 maart 2009 (Power Point presentatie)
    • 20 februari 2015: De zorgen over de kwaliteitsontwikkeling van de forensische geneeskunde
      Kamervragen....
      Vraag 5:
      "Waarom is het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen niet om advies gevraagd?"

      Merk op:
      Ministerie van VenJ weigert om bij te dragen aan de kosten van de lijkschouw(er)....
      • 20 maart 2015: Uitstel beantwoording van de vragen
        ... aangezien nog niet alle benodigde informatie is ontvangen...
      • 26 maart 2015: Antwoord op de vragen
        De Minister:
        "Het NRGD geeft (...) invulling aan zijn missie om de kwaliteit van forensisch onderzoek in Nederland te bevorderen en te waarborgen."

        "Het belang van forensisch onderzoek voor de opsporing staat buiten kijf, evenals het belang van een goede kwaliteit van forensische artsen en het zo veel mogelijk voorkomen van fouten. Het bepalen van de eisen waaraan een forensische arts gezien de stand van de wetenschap moet voldoen is bij uitstek een taak voor de beroepsgroep van forensische artsen. Het Forensisch Medisch Genootschap (FMG) en de landelijke artsenfederatie KNMG geven concreet invulling aan deze verantwoordelijkheid door onder andere een register van forensische artsen te onderhouden. Dit betreft artsen die minimaal de 1-jarige basisopleiding forensische geneeskunde hebben gevolgd en daardoor door de beroepsvereniging competent worden geacht om zelfstandig te werken als forensisch arts en correct een doodsoorzaak vast te stellen. Dit register is vanaf 1 januari 2013 een volwaardig register van artsen in de forensische geneeskunde, als genoemd in de Wet op de lijkbezorging. Met dit register is de kwaliteit van de forensisch arts geborgd volgens de normen van de beroepsvereniging."

        "Het door de NRGD gegeven advies (...) kan wel behulpzaam zijn bij het nadenken over de kwaliteit van forensische artsen op de langere termijn."

    • 10 april 2015: Aanbieding evaluatie Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen
      Dit leidde tot vragen van de vaste Kamercommissie van Veiligheid en Justitie:
      • 22 mei 2015: Inbreng verslag schriftelijk overleg over evaluatie NRGD
        "Over de kwaliteit van de lijkschouwing:
        Er is toegezegd dat geneeskundestudenten tijdens de studie meer aandacht moeten besteden aan de forensische geneeskunde. Hiermee is het probleem in het veld niet opgelost. Er is bijvoorbeeld nog steeds geen praktijkexamen. Deelt de minister de mening dat de kwaliteit van de opleiding van lijkschouwers nog steeds een punt van zorg is en dat kennisoverdracht door bijvoorbeeld het meelopen met praktiserende lijkschouwers van grote meerwaarde is? Zo ja, zijn er mogelijkheden om dit te regelen? Zo nee, waarom niet?
        Is de minister voorts op basis van het rapport van de Gezondheidsraad bereid eraan bij te dragen dat er een langetermijnvisie ontwikkeld wordt op de forensische geneeskunde en de kwaliteitswaarborging? Meent hij voorts dat dit een gezamenlijke taak en verantwoordelijkheid is van de ministeries van Veiligheid en Justitie, van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap? Zo nee, waarom niet?"

        "Aangezien er geen of weinig gecertificeerde opleidingen zijn, is zoals gezegd een puur administratiefrechtelijke toets niet mogelijk. Als de minister wil dat het NRGD efficiënter zal gaan werken, moet hij werk maken van die gecertificeerde (praktijk)opleidingen. Hij laat het aan het veld over, maar waar het gaat om onder andere de lijkschouwing heeft het veld nu meerdere malen aangegeven dat niet voor elkaar te krijgen door het ontbreken van benodigde middelen. Graag ontvangen deze leden hierop een reactie."

    • 26 augustus 2015: Reactie van de Minister van Veiligheid en Justitie
      (Bij de beantwoording is de indeling van het verslag zo veel mogelijk aangehouden)
      De Minister:
      Over het Rapport van de Gezondheidsraad:
      "In reactie hierop verwijs ik naar het Algemeen Overleg van 1 april jl. over de bezuinigingen bij het NFI, bij gelegenheid waarvan gesproken is over de forensische geneeskunde in het algemeen en de lijkschouw in het bijzonder. Ik heb in dit overleg aangegeven dat ik momenteel met mijn collega’s van VWS en OCW in gesprek ben over het onderwerp en dat ik de Kamer over de uitkomsten zal informeren. Ik verwacht dit kort na de zomer (van 2015) te kunnen doen."
      Over de opleiding:
      "Met betrekking tot de opleiding van forensische geneeskundigen in het algemeen en de lijkschouwers in het bijzonder, zal ik de Kamer kort na de zomer (van 2015) informeren."

    • 28 augustus 2015: Forensische Geneeskunde
      Brief van de Minister van VenJ
      Over de ontwikkelingen binnen de forensische geneeskunde en de uitkomsten van de gesprekken met VWS, OCW en BZK

    • 3 november 2015: Over het kostenaspect van het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (NRGD)
      Brief van de Minister van VenJ
    • 10 mei 2016: Over een toekomstig tekort bij het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen
      Kamervragen
    • 29 november 2016: Stand van zaken van de taakstelling bij het NRGD en het NFI
      Brief van de Minister van VenJ
    Als gemeentelijk lijkschouwer speelt de forensisch arts geen enkele rol in het strafvorderlijk proces. Zo heeft de wetgever het ook bedoeld en omschreven in de artikelen 10 en 12 van de Wet op de lijkbezorging. De gemeentelijk lijkschouwer heeft in de Nederlandse situatie uitsluitend een signalerende functie en rapporteert bij (een vermoeden van) een niet-natuurlijk overlijden aan de Officier van Justitie die besluit of nader onderzoek noodzakelijk is. De gemeentelijk lijkschouwer is géén (buitengewoon) opsporingsambtenaar of een bevoegd gerechtelijk deskundige en is in principe niet verder betrokken bij dit nader onderzoek.

    Forensisch (werkzame) artsen bij (en dus betaald door) een regionale gezondheidsdienst dienen het volgende te bedenken:

    " Forensisch artsen van GGD Regio Nijmegen werden persoonlijk benoemd door de Rechter Commissaris als deskundige in strafzaken. Deze claim van 'deskundigheid' wil GGD Regio Nijmegen niet voor haar rekening nemen, evenmin als de risico's die verbonden zijn aan het optreden als deskundige in strafzaken. Zo kan de deskundige opgeroepen worden om te getuigen in de rechtszaak, waarbij hij kritisch bevraagd wordt door de advocaat van de verdachte. GGD Regio Nijmegen heeft niet de structuur die nodig is bij het 'rechtens correct' verzamelen van informatie en borgen van informatiestromen. Het Openbaar Ministerie is er van op de hoogte gesteld dat de artsen van GGD Regio Nijmegen niet meer vanuit de organisatie van GGD Regio Nijmegen zullen optreden als deskundige in strafzaken. De artsen mogen dit op persoonlijke titel doen, de formulering van voorwaarden voor deze nevenwerkzaamheden worden nog overwogen. "
    Bron: GGD Regio Nijmegen. Jaarverslag 2012. (zie pagina 22)
    En dat geldt ongetwijfeld ook voor nevenwerkzaamheden bij andere gezondheidsdiensten.....

    In het Rapport van de Gezondheidsraad van 25 april 2013 werd bovenaan op pagina 88 het volgende gemeld als een aanbeveling voor het NRGD:
    " Het is wenselijk aan te vangen met de normering van het deskundigheidsgebied waarin forensisch artsen werkzaam zijn door NRGD. "
    Dat bij het NRGD ook maar enige behoefte zou bestaan aan grote aantallen gerechtelijk deskundigen, afkomstig uit de kring van forensisch (werkzame) artsen, mist elke realiteitszin.

    De bepalingen in de Wet op de lijkbezorging gelden als een 'lex specialis' ten opzichte van de regelingen uit de Wet deskundige in strafzaken en blijven onverkort van toepassing. Daarom is er geen enkele noodzaak om de gemeentelijk lijkschouwer aan te merken of te registreren als gerechtelijk deskundige in strafzaken. Inschrijving is overigens alleen mogelijk op persoonlijke titel. Meer informatie over de uitvoering van de wetsbepalingen is te vinden via: Het is belangrijk om te bedenken dat een strafvorderlijk relevante verklaring van de gemeentelijk lijkschouwer over een niet-natuurlijke dood niet bestaat. De Wet op de lijkbezorging maakt geen onderdeel uit van het Wetboek van Strafvordering. De zgn. art.10 verklaring van de lijkschouwer, gericht aan de OvJ, zegt alleen maar dat er geen overtuiging bestaat over het feit dat het een natuurlijke dood betreft en een omschrijving van de objectief vastgestelde bevindingen. Daarmee is de bemoeienis van de gemeentelijk lijkschouwer ten einde. Abusievelijk wordt, ook in medische kringen, nog wel eens gedacht dat de gemeentelijk lijkschouwer zou beslissen of een obductie noodzakelijk is. De kosten voor de werkzaamheden van de gemeentelijk lijkschouwer komen ten laste van BenW van de gemeente van overlijden en niet ten laste van de rechterlijke macht, het Openbaar Ministerie (OvJ) of de advocatuur.
  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Geen rol voor gemeentelijk lijkschouwer

    Bij een evident niet-natuurlijk overlijden speelt de gemeentelijk lijkschouwer in de Nederlandse situatie een uiterst marginale rol. Die rol blijft beperkt tot hetgeen omschreven is in de Wet op de lijkbezorging. Bij een groot aantal ambtenaren van Politie (en ook bij veel dienstdoende Officieren van het OM) blijken misverstanden te bestaan over de rol en de taak van de gemeentelijk lijkschouwer. De enige taak van de gemeentelijk lijkschouwer is om, zoals in het kader van de Wet op de lijkbezorging is omschreven, vast te stellen of er sprake is van een natuurlijke of niet-natuurlijke dood. Nader onderzoek naar de omstandigheden zijn onderwerp van politieonderzoek. De gemeentelijk lijkschouwer is géén (buitengewoon) opsporingsambtenaar en maakt geen deel uit van de politieorganisatie. Hierbij speelt de “schuldafweging” of "schuldtoewijzing" geen rol en behoort deze ook geen rol te spelen.
    (zie hierover: Das et al. Ned Tijdschr Geneeskd. 2007;151:838-9)

    "Zijn er voldoende onafhankelijke gerechtelijke deskundigen geregistreerd?"
    "Voor de meeste reeds genormeerde deskundigheidsgebieden zijn voldoende onafhankelijke gerechtelijke deskundigen geregistreerd. Een uitzondering vormt het deskundigheidsgebied forensische psychiatrie en psychologie (FPPO) dat een grote groep van deskundigen omvat. De uitvoering van het grote aantal toetsen voor toelating tot het register is een arbeidsintensieve en tijdrovende operatie gebleken. Inmiddels zijn in midden en zuid Nederland voldoende FPPO-deskundigen geregistreerd opdat de officier van justitie de deskundigen vanuit het register kan benoemen. Eind dit jaar zal dit vrijwel voor heel Nederland het geval zijn. Het aantal benoemingen vanuit het register stijgt snel."
    Bron: 16 november 2012: Toelichting begroting voor 2013 (zie vraag 105)

    De bevindingen of uitspraken van de gemeentelijk lijkschouwer hebben geen enkele juridisch relevante betekenis of zeggingskracht in het strafvorderlijk proces. Indien het vaststellen van de precieze doodsoorzaak van belang is (i.v.m. de causaliteit) dient deze te worden vastgesteld door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) in Den Haag via een gerechtelijke obductie. Over de noodzaak van een gerechtelijke obductie wordt in Nederland niet beslist door een forensisch (werkzame) arts maar door de Officier van Justitie. De gemeentelijk lijkschouwer is geen (buitengewoon) opsporingsambtenaar van al of niet strafbare feiten. Met de vaststelling dat er sprake is van een (verdenking van) niet-natuurlijk overlijden is de taak van de gemeentelijk lijkschouwer ten einde.

    Hetzelfde geldt voor de afgifte van letselrapportages na geweldsdelicten (ook bij verdenking van kindermishandeling) of bevindingen bij zedenonderzoek. Ook hier dienen de (medische) waarnemingen en omschrijvingen uitsluitend ter documentatie van objectief vastgestelde en vast te stellen bevindingen zonder dat hier een strafvorderlijk oordeel aan verbonden kan worden. Dergelijke oordelen kunnen alleen door hiertoe bevoegde en benoemde gerechtelijk deskundigen worden afgegeven. Interpretaties (of nog erger: speculaties) dienen bij letselrapportages achterwege te blijven (niet behorend tot de vraagstelling).

    De forensisch arts is zich terdege bewust van zijn/haar beperkingen en houdt zich uitsluitend bezig met medische aangegelegenheden en competenties in het kader van de waarheidsvinding en niet met andere activiteiten op het gebied van de opsporing en vervolging die tot het domein van politie en het OM behoren. De meest basale juridische achtergrondkennis van het Nederlandse (straf)rechtsysteem en andere relevante wetgeving is bij veel forenisch (werkzame) artsen helaas volstrekt onvoldoende om zich als gerechtelijk deskundige te profileren. Illustratief hiervoor is de in juni 2010 verschenen merkwaardige toelichting bij de richtlijn DNA-afname van het Forensisch Medisch Genootschap.

    Het vakgebied houdt zich bezig met de forensische geneeskunde en niet met de forensische opsporing als een soort 'zelfbenoemde' medische opsporingsinstantie van strafbare feiten. De forensisch arts houdt zich ook niet bezig met het uitschrijven van bekeuringen of het opleggen van boetes bij wetsovertredingen.

  • Terug naar inhoudsoverzicht
  • Algemene informatie

    • De Franse CODE PÉNAL uit 1810
      De voorloper van het Nederlandse 'Strafwetboek'

      Artikel 309 (toebrengen van letsel = 'faire des blessures'):
      "Sera puni de la peine de la réclusion, tout individu qui aura fait des blessures ou porté des coups, s'il est résulté de ces actes de violence une maladie ou incapacité de travail personnel pendant plus de vingt jours."

      Dit oude (Franse) wetsartikel komt ter sprake bij de medische exceptie
    Strafrecht is het geheel van rechtsregels waarin is vastgelegd welk gedrag strafwaardig wordt geacht, welke straffen op dit gedrag gesteld zijn en via welke weg strafoplegging gerealiseerd kan worden.
    Strafrecht betreft dus het (negatief) sanctioneren van bepaald gedrag (een handelen of nalaten). De bestraffing staat voorop. Daarin onderscheidt het zich van het aansprakelijkheidsrecht (als onderdeel van het civiele recht of burgerlijk recht). In dat recht staat de vergoeding van de aangerichte schade centraal. Het slachtoffer speelt in het strafrecht dan ook een bescheiden rol, al is die rol in het laatste decennium wat groter geworden.
    Strafrecht valt uiteen in het materiële strafrecht (de beschrijving van strafbare feiten en straffen) en het formele strafrecht of het strafprocesrecht (het geheel van procedurele spelregels volgens welke het materiële strafrecht wordt toegepast). In Nederland is het materiële strafrecht opgenomen in onder meer het Wetboek van Strafrecht (afgekort tot Sr) en het formele strafrecht in het Wetboek van Strafvordering (afgekort tot Sv). Positie Rechter-commissaris
    De rechter-commissaris krijgt in 2013 een nieuwe, meer controlerende rol in het onderzoek in strafzaken. De officier van justitie behoudt de leiding over de opsporing en is verantwoordelijk voor de vervolging. De rechter-commissaris heeft in het vervolg de taak om toezicht te houden op het verloop van het onderzoek. Daarnaast kan hij op verzoek van de officier van justitie of de verdachte aanvullende onderzoekshandelingen verrichten. Dit verruimt de mogelijkheden voor de rechter-commissaris om in het vooronderzoek vooral ten aanzien van de rechtmatigheid van de opsporing een rol te spelen.

    Het procesdossier
    Per 1 januari 2013 treedt de wet in werking waardoor verdachten, die voor de strafrechter moeten komen, meer invloed krijgen op de samenstelling van het procesdossier. Wettelijk wordt vastgelegd dat de verdachte of zijn advocaat het openbaar ministerie kan verzoeken informatie aan het procesdossier toe te voegen. De rechter-commissaris gaat daar toezicht op houden. Een zorgvuldig samengesteld en compleet strafdossier bevordert een efficiënte gang van zaken op de terechtzitting en biedt mogelijkheden het opsporingsonderzoek van politie en justitie te controleren. Voor een verdachte is de inhoud van het procesdossier van groot belang voor zijn verdediging en voor zijn invloed op het verloop van het onderzoek.

    Beroepsgeheim
    We plaatsen de volgende bepalingen: Achtergronden
    Bij het raadplegen van (vak)literatuur over juridische zaken die verband houden met de borging van het recht op medische verzorging van arrestanten en gedetineerden wordt regelmatig verwezen naar fundamentele wetgeving hierover. Ter raadpleging en informatie plaatsen we daarom ook het: Het EVRM is een Europees verdrag waarin mensen- en burgerrechten voor alle inwoners van de verdragsluitende staten zijn geregeld. Het verdrag is opgesteld in 1950 in navolging van de hieronder staande Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Het toezicht op de naleving van het EVRM ligt bij de Raad van Europa.

    Het verdrag heeft een zgn. directe werking: de desbetreffende rechterlijke macht moet alle wetgeving en bestuur direct aan het EVRM toetsen (art. 94 Grondwet, Ned.). In Nederland heeft het EVRM een belangrijker functie, omdat het hier niet is toegestaan om wetten in formele zin te toetsen aan de Grondwet. Als in Nederland een wet bijvoorbeeld in strijd is met het grondrecht van de vrijheid van meningsuiting, dan is geen beroep op art. 7 van de Nederlandse Grondwet mogelijk, maar wel een beroep op art. 10 EVRM. Het EVRM is ook moderner van opzet, in die zin dat de Nederlandse grondwet elke uitzondering "bij wet" toestaat, terwijl het EVRM precies vermeldt in welke gevallen uitzonderingen mogen worden gemaakt (want grondrechten zijn maar zelden absoluut).
    Die directe werking in Nederland brengt met zich mee dat personen in Nederland bij de rechter tegen beslissingen van de overheid ook bepalingen uit het EVRM kunnen inroepen. Indien burgers menen dat hun rechten voortkomend uit het EVRM worden geschaad, kunnen ze ook eventueel een procedure aanspannen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarvan de statuten ook in het EVRM zijn vastgelegd. Het hof zetelt in Straatsburg en hanteert als officiële talen alleen Engels en Frans. Het moet niet worden verward met het Europees Hof van Justitie in Luxemburg.
    De nationale rechtsmiddelen moeten echter uitgeput zijn voordat men zich tot Straatsburg wendt, want er moet eerst tot aan de hoogst mogelijke rechterlijke instantie zijn geprocedeerd zonder resultaat. Dit komt echter niet zeer vaak voor. De burger kan zich immers altijd beroepen op het EVRM, aangezien het algemeen verbindende rechtsbepalingen zijn, zodat de rechter het beroep op het EVRM zal accepteren en toepassen.

    Voor de volledigheid ook de: Op verzoek van de NODO-werkgroep, die inmiddels is ontbonden, plaatsen we ook de volgende hyperlinks:
    Op deze pagina van de website streven we ernaar om een zo compleet mogelijk overzicht te plaatsen van alle relevante wet- en regelgeving waarmee de forensisch arts te maken heeft. Waar mogelijk plaatsen we daar ook de nodige toelichting bij. Natuurlijk worden ook de wetswijzigingen en nieuwe wetgeving op het moment dat deze in werking treden geplaatst. Als u wat mist of nadere informatie wil toevoegen: laat het ons dan weten via forum@fomat.nl.

    Terug naar begin van deze pagina